Macht ; onder macht versta ik…(1985)

Auteur: Jan Vis, creatief filosoof

Origineel

 

Aangezien de filosofie er niet is voor enkele bevoorrechten, maar juist voor alle mensen, is het citeren uit de artikelen zonder meer toegestaan. Bronvermelding wordt echter wel op prijs gesteld. (Jan Vis, creatief filosoof)

Gescand en geplaatst op 13 nov. 2009 - Verslag van 1985

 

Terug naar: de Startpagina

 

Naar andere artikelen: Conditionering ; Robot denken ; Op de vlucht voor je eigen denken ; Het gelijk en de dialoog ; Eenzaamheid en onvrijheid ; Het toenemend belang van het Atheďsme ; Geen God wat dan ; Godsdienst en Geloof ; Evolutie of Creatie ; De fundamentele intolerantie van de Godsdienst ; God bestaat niet ; Bedreiging van het vrijdenken en het atheďsme ; De verdedigers van de Godsdienst ; Waarom is de Islam als godsdienst tegen de Westerse Wereld..? zie no. 27. ; Toch nog een Theocratie- zie afl. 18 ;  Ongewenst atheďsme- zie afl. 32 ;  Verbieden van de godsdienst..?-zie afl. 21 ; Hoe zit het nou met god ; Discrimineert / onderdrukt de Westerse Cultuur..? zie aflevering 60 / 61 ; Waarom is de Islam als godsdienst tegen de Westerse Wereld ..? zie no. 27 ;  De Islam ; Het staat in de Koran- zie aflevering 36 ; De heilige wet-De Sjari’a ; Burqa, volg bladwijzer ; Nihilisme ; De ontwikkeling van het denken ; De Vrede ; Conditionering en De ontwikkeling van de West Europese Cultuur(zie links: te erg/te veel en dubbelhartigheid  ) ; Behoort Israël tot de Westerse Cultuur- zie aflevering 60…-onderdrukking van de Palestijnen, ; Kunnen Moslims zich invoegen in de Moderne cultuur..? – aflevering no. 37, ; Terrorisme / Taliban ; Hoe zit het nou met Jahweh, God en Allah ; Een korte schets van de menselijke sexualiteit ; Het ontstaan van het heelal / de kosmos t/m het slotakkoord “De Mens” ; Gedachten over ontstaan en bestaan ;

 

 

 


Onder "macht" versta ik elke vorm van dwang die er op gericht is een ander mens, of jezelf, of beiden op een zodanige manier te veranderen dat zij gaan beantwoorden aan normen die voortkomen uit een fictieve, bedachte werkelijkheid. Praktisch gezegd: "Ik wil dat jij bent zoals IK vind dat jij zijn moet".

Om te kunnen wensen dat ikzelf, of een medemens, ŕnders is dan hij is moet ik in staat zijn onder de mensen onderscheidingen aan te brengen. Ik moet dus ontdekt hebben dat er een verschil is tussen de mensen, dat de ene mens niet gelijk is aan de ŕndere mens. De "individualiteit" van de mensen moet dus voor mij een gegeven zijn, een vaststaand en niet te betwijfelen feit. Zou ik dat niet in de gaten hebben, dan zou er voor mij niet de behoefte ontstaan mijn medemensen te veranderen en wat betreft mijn eigen individualiteit: ik zou het niet nodig vinden mijzelf te veranderen zodat ik aan de door mijzelf gestelde normen ga voldoen. Het begrip "verschil" is dus essentieel als het over macht gaat.

De individualiteit kan zich op twee manieren laten gelden:

1) de individualiteit van een (grote) groep mensen tegenover die van enkelingen, een situatie die wij aantreffen bij een volk en zijn vorst of bij een volk en zijn overheid. Vorst en overheid staan aan de éne kant, het volk aan de andere. De maat ligt dan bij vorst en overheid, die individualiteiten zijn zoals het behoort, voldoen aan de normen, terwijl de individualiteit van het volk beheerst moet worden om aan de normen te voldoen. In de oudheid lag deze zaak heel duidelijk: de vorst vertegenwoordigde de absolute, goddelijke normen en hij legde die normen aan het volk op doormiddel van wetten. Bij het opstellen en uitvaardigen en handhaven van die wetten beriep hij zich op zijn verwantschap met het absoluut goddelijke. Hij vertegenwoordigde die zaak. Vaak stelde de vorsten in de oudheid zichzelf zonder meer als goddelijk, denk aan de pharao's van Egypte, aan de wijze Salomo en de latere Romeinse keizers. En in ieder geval waren zij "edel", zij waren overeenkomstig de goddelijke normen.

In de moderne tijd treffen wij deze verhouding tussen volk en overheid of vorst nog steeds aan. Weliswaar worden de vorsten en de adel niet meer echt serieus genomen, maar men ziet er toch nog altijd tegenop, behandelt hen met eerbied en vindt nog lang niet dat zij belachelijk zijn. Maar de overheden zijn nog vrijwel onaantastbaar. Ook als men een bepaalde overheid weg jaagt haast men zich een nieuwe te installeren. Een baas moet er zijn. Voor deze baas is het volk een grauwe massa, hij maakt geen onderscheid tussen de ene individuele mens en de ŕndere en hij pleegt dit "rechtsgelijkheid" te noemen. Hij wijst er dan ook met graagte op dat voor hem "iedereen gelijk is" en dat hij geen verschil maakt tussen de éne en de ŕndere mens en hij vindt zichzelf op grond daarvan reuze rechtvaardig en redelijk en onbevooroordeeld. Dat hij dat in feite niet is blijkt uit onbeheerste uitlatingen over het volk: het is te lui om te werken, het heeft geen eerbied voor zijn gezag, het is niet loyaal, enz.

 


Bovendien vaardigen overheden nog steeds wetten uit. Dat die wetten tegenwoordig "democratisch" tot stand komen doet niet ter zake. Het woord democratie slaat op de vorm van de procedure, maar niet op de inhoud daarvan: de wetten worden eenzijdig door de overheid uitgevaardigd, en zij dwingen het volk zich aan de normen te houden. Voor de overheden zčlf gelden de wetten alleen maar voor de vorm; zij kunnen ze altijd wijzigen of buiten werking stellen, bijvoorbeeld met het beroep op een zogenaamde noodtoestand.

2) Tegen het einde van de oudheid ontstond er onder de mensen het besef dat ŕlle afzonderlijke mensen individualiteiten zijn. Een van de eerste resultaten van dat besef was het Romeinse recht. In dat recht werd gepoogd de onderlinge machtsverhoudingen tussen de individuen te regelen. De daarop volgende juridische ontwikkeling van West-Europa is een verdere uitwerking van deze zaak.

Het westerse recht doet zich voor als de bewustmaking en formulering van rechtvaardige verhoudingen tussen de individuen, maar het is in feite het regelen van de machtsverhoudingen. Gaandeweg heeft dit regelen ook betrekking gekregen op alle andere maatschappelijke verschijnselen: de staatsinrichting, de politiek, de economie en de sociale instellingen. Je bent bepaald niet eenzijdig als je stelt dat de gehele westerse geschiedenis één voortdurende machtsstrijd is van iedereen tegen iedereen. In vrijwel alle liefdesrelaties voeren de partners met elkaar een machtsstrijd, in de gezinnen vechten de kinderen tegen de ouders en omgekeerd en op de scholen gebeurt hetzelfde. Op het werk wordt alles bepaald door de uitslag van de machtsstrijd en in de politiek is het al niet anders, kortom, die strijd vindt plaats op alle levens­terreinen. Zelfs op een terrein waarop je het zo gauw niet zou verwachten, namelijk dat van de wetenschap, die de pretentie heeft objectief te zijn, woedt de machtsstrijd. Enerzijds tussen de wetenschappers en de natuur, waarbij het streven om inzicht in de natuur te verkrijgen wordt bepaald door de wens om de natuur "in je macht te krijgen", en anderzijds tussen de wetenschappers onderling die het betrouwbaarheidsgehalte van hun theorieën meer baseren op hun machtsposities dan op helder en onbevangen denken.

De sociale uitdrukking van de machtsstrijd is de zogenaamde democratie. Ondanks alle verhalen over het “welzijn” van het land, het “wegcijferen van eigen belangen” en “dienstbaarheid aan de wil van het volk” is het een keiharde strijd om de macht. Om het cynische hiervan enigszins te verbloemen heeft men bedacht dat het veroveren van de macht, waarom het in wezen gaat, verantwoord en wenselijk is om het "goede doel" te bereiken: een menselijke en vrije samenleving. Vooral de socialisten passen deze mystificatie graag toe en, het moet gezegd, vaak met succes. Het sprookje van de "macht ten goede". Een sprookje dat in onderwijs, gezin en godsdienst ook maar al te graag verteld wordt.

 


De verhouding tussen de vorst of de overheid en het volk čn de verhouding tussen de individuen onderling komen in de moderne westerse wereld tegelijk voor. In de praktijk loopt een en ander dan ook vaak door elkaar. De ouderwetse "liberalen" voerden een machtsstrijd tegen de overheid omdat zij vonden dat de mensen niet beheerst mochten worden. Zij beschouwden de mens als een vrij wezen. Maar tegelijk voerden zij onderling een verbitterde strijd en zij vonden het volkomen vanzelfsprekend dat hun medemensen voor hun individuele macht moesten buigen en door hen uitgebuit werden. Een ieder was vrij om te creperen, maar ook om zoveel mogelijk anderen tot slaaf te maken.

Bij de socialisten was er ook een fel verzet tegen de overheid en tegelijk een niets ontziend gekonkel en geintrigeer om tot macht in de partij te komen. Ook hier vloeiden de individuele machtsstrijd (de mensen onderling) en de algemene machtsstrijd (overheid en volk) in elkaar over. En dat is steeds het geval. En altijd speelt het feit dat de éne mens verschilt van de ŕndere mens de centrale rol. De vraag is nu waarom dit het geval is - je zou je immers best kunnen voorstellen dat de mensen het juist fijn zouden vinden dat iedereen anders is en boeiend om mee kennis te maken, samen te leven en te werken. Maar nee, men gaat dat verschil wčg werken omdat men het om de een of andere reden ongepast vindt. Eigen aard en persoonlijkheid worden als een belemmering voor een goede samenleving gezien. Zij mogen niet als uitgangspunten voor het leven gezien worden. Aanpassing is de eis. In dat streven naar aanpassing zijn wij inmiddels al zozeer geslaagd dat de meeste westerse mensen zich er niet eens meer van bewust zijn dŕt zij aangepast zijn. Zij denken oprecht dat zij uiterst per­soonlijk bezig zijn als zij met 10 millioen anderen met auto en caravan op

weg zijn naar het zuiden om "vacantie" te houden. En zij denken echt dat het hun persoonlijke mening is als zij vinden dat je "redelijk" moet zijn en "tolerant" en "sociaal". Kortom: zij vinden zichzelf uitermate zelfbewust en hebben niet door dat dit "zelf" er op geraffineerde wijze ingeprogrammeerd is. Zonder het te merken hebben zij zichzelf ondergeschikt gemaakt aan een macht die zij zichzelf opleggen, maar die hen wezenlijk vreemd is. Zij zijn hun eigen overheersers geworden. Maar dit psychologische proces zou nooit plaats hebben kunnen vinden als zij niet een onderscheid maakten tussen zichzelf als reëel verschijnsel, dat nu eenmaal is zoals het is, en zichzelf als irreële wens of droom. Er is een verschil tussen "hoe je zou willen zijn" en "hoe je bent". En dat eerste wordt vrijwel uitsluitend bepaald door geraffineerd ingebrachte bedenksels. Dus door ficties. Maar intussen zijn de moderne mensen wel heel gedwee en gehoorzaam geworden, "brave burgers" zijn het die zich maar al te graag aan de "spelregels" houden en die hysterisch reageren als iemand ze aan zijn laars lapt. Een typisch symptoom van een psychische fixatie.

 


De genoemde "brave burgers" voeren met zichzelf geen machtsstrijd. Omdat zij hun zelfbeheersing niet als een van buitenaf opgelegde zaak ondergaan bestaat over het moeten gelden van deze macht geen twijfel. Iemand die verklaart dat hij "doet waar hij zin in heeft" wordt nog steeds als een asociale zwak­keling beschouwd en het wordt iemand als een deugd aangerekend als hij zichzelf in bedwang houdt.


Je "laten gaan" in emoties, zoals kwaad worden, is een teken van zwakte, vindt men. Maar, al staat het voor de mensen vast dat zelfbeheersing noodzakelijk en wenselijk is en er aan die macht dus niet getwijfeld wordt, ontkomen zij onder omstandigheden toch niet aan een innerlijke onvrede, een vaag gevoel dat er iets niet klopt. Dat kan soms uitgroeien tot onverdraag­lijke conflicten, die zelfs wel tot zelfmoord kunnen leiden. Maar doorgaans komt men niet zover dat men ophoudt zichzelf te tiranniseren, niet in de laatste plaats omdat men bevreesd is zijn gehele omgeving tegen te krijgen. Slechts enkelen zijn hiertegen opgewassen en zelfs zij hebben vaak niet in de gaten dat hun conflict een machtsconflict was.

Het verschil tussen de mensen is dus steeds het punt waarom alles draait en daarbij neemt men dat verschil niet voor lief, neen, men bedenkt er iets aan.

Het verschil functioneert als waardemeter. Een waardemeter waarmee bepaald wordt welke mens van méér waarde is en welke van minder. Daarmee worden alle mense­lijke verhoudingen afhankelijk van een waardeoordeel. Omdat die waardeoordelen van plaats tot plaats en van tijd tot tijd verschillend zijn ontstaat er onver­mijdelijk vijandschap tussen volkeren en culturen, terwijl de mensen onderling elkaar naar het leven staan. Hoe treurig het op zichzelf ook is, de vijandschap tussen alle afzonderlijke mensen is nog steeds de grondsituatie van de menselijke werkelijkheid.


Zeden, moraal en recht proberen weliswaar het bloed­bad binnen de perken te houden, maar in alle zedelijke, morele en juridische voorschriften wordt er, al of niet stilzwijgend, vanuit gegaan dat "de mens de mens een wolf is". Niemand kan dus beweren dat hij het niet geweten heeft.

Op grond van de waardeoordelen hebben de mensen geen vrede met elkaar en dus is er in deze wereld dan ook géén vrede. In dit verband is het goed om eens aan de vredesbeweging te denken, zoals die overal in de wereld de kop opsteekt.

Het is verheugend dat de mensen naar vrede op zoek zijn gegaan, maar het is tegelijk tragisch om te zien dat zij de vrede van de ontwapening verwachten, terwijl de werkelijke oorzaak van de vijandschap gelegen is in de waarde­oordelen die zij op zichzelf en op elkaar toepassen. Bewapening en vernietiging danken wij alleen maar hieraan. De mensheid kan dit probleem dan ook alleen maar oplossen door als individuele mensen bij zichzelf te rade te gaan, de talloze al of niet verborgen waardeoordelen op te sporen, te begrijpen dat zij op een fictie berusten en ze vervolgens te water te laten. Daarmee krijgen we vrede met elkaar, de vijandschap verdwijnt en " de zwaarden worden omgesmeed tot ploegijzers".

 


Waarop berust nu de fictie van de waardeoordelen? Wel, hij berust op het volgende bedenksel: “er bestaat een hogere macht waarin alle normen voor het mens-zijn besloten liggen; de mensen zijn gebrekkige schepselen, door de natuur bedeeld met allerlei tekortkomingen; de mensen moeten echter beant­woorden aan de normen van die hogere macht en dus moeten zij zichzelf en elkaar verbeteren om tot een volwaardig mens-zijn te komen. De één begint beter dan de ŕnder, op grond van zijn afkomst, en aan de één gelukt het beter dan aan de ander, op grond van zijn aanleg”. De verschillen tussen de mensen worden dus gezien in samenhang met de normen van de hogere macht. Hoe meer iemand aan die normen voldoet, hoe waardevoller hij is. En dat betekent niet alleen dat hij hoger in aanzien staat, maar ook en vooral dat hij, door zijn nauwere relatie tot het hogere, ook meer gezag heeft. Er moet dus naar hem geluisterd worden. Hij is dichter bij de norm, dus weet hij het beter. En omdat het gaat om een norm die voor ŕlle mensen geldt is het een dwingende zaak. De hoger geplaatste gaat dus vanzelfsprekend de lagere dwingen om aan de normen te voldoen. Hij is daartoe gerechtigd door de hogere macht waarvan hij een vertegenwoordiger is. Zo ontstaat er in de mensheid een heel systeem van hogere en lagere mensen. Iedereen kent wel mensen waar hij boven staat en tegelijk kent iedereen mensen die weer boven hen staan. Het is een wirwar van hoger en lager. En al die mensen dwingen elkaar om ŕnders te zijn dan zij zijn. Zij oefenen op elkaar macht uit.

Kernpunt in het hele gedoe is dus de hogere macht. Doordat die er is kan het hele systeem ontstaan en zich lange tijd handhaven. Maar, die hogere macht is een fictie; het is een bedenksel van mensen die wel iets omtrent hun werke­lijkheid aangevoeld hebben, maar die er totaal niets van begrijpen. Er bestaat geen hogere macht met eigen normen. Er bestaat geen enkele macht omdat er niets is dat boven de mensen staat. Wat de mensen aangevoeld hebben en wat het uitgangspunt is geworden voor hun machts-bedenksels, is datgene dat zij in laatste instantie allemaal zčlf zijn. Een zaak die voor henzelf zal blijken te gelden als zij eenmaal volwassen geworden zijn.

Met andere woorden: als ten­slotte de mensheid volwassen geworden zal zijn, blijken haar eigen mogelijkheden datgene te zijn dat zij in haar ňnvolwassenheid voor iets hogers gehouden heeft.

Daarmee is de zaak bij de mensen zčlf terechtgekomen en vervalt elke grond voor een machtsbesef. De verschillen tussen de mensen worden dan niet meer gewaardeerd vanuit iets hogers, maar vanuit de mensen zelf. En dan kan het verschillend-zijn van de afzonderlijke mensen eindelijk tot zijn recht komen. Dan komen de mensen zelf tot hun recht, iets wat niet het geval is zolang en voorzover het gaat om de waardebepaling van de verschillen.

 


Maar de mensheid is nog lang niet volwassen; de als hogere macht aangevoelde mogelijkheden zullen nog lange tijd de verhoudingen tussen de mensen tot machtsverhoudingen verschrompelen. En nog lange tijd zullen de bedenksels, de ficties, de mensen in hun greep houden. Steeds zullen er deskundigen zijn die de mensen zullen overreden hun bedenksels voor waar aan te nemen om vervolgens hun macht aan die misleide mensen op te dringen.

Het is van belang om te begrijpen hoe dit opdringen van macht in zijn werk gaat. Want in feite bestaat dat hogere niet, zodat je zou kunnen zeggen dat je er dan ook geen last van kan hebben. Toch is het de grondslag voor alle ver­houdingen tussen de mensen. Nu, dat komt door het bedenksel. Er zijn steeds mensen die op grond van hun vermoedens een theorie over de werkelijkheid op­stellen. Zo’n theorie zelf slaat uiteraard nergens op, maar in de uitwerking ervan wordt er naar gestreefd met een zo logisch, en dus zo aannemelijk mogelijk verhaal te komen. Dat logische verhaal is onontbeerlijk omdat je de mensen anders niet kunt overtuigen.

Als de mensen meer vertrouwen hadden in hun eigen gevoel en hun eigen intuďtie, dŕn zouden ze nauwelijks van hun stuk te brengen zijn, maar het is nu eenmaal een kenmerk van onvolwassen mensen om zich op het denken te verlaten, en dan ook nog bij voorkeur het denken van anderen. Als je de mensen dus van iets wilt overtuigen, dan moet je inspelen op hun zwakke plek, en dat is hun denken. Als je kans ziet dat bevredigend te bespelen, heb je de mensen waar je ze hebben wil.

Terzijde moet ik opmerken dat bovenstaande opvatting volkomen in strijd is met de gebruikelijke. Volgens die opvatting is juist het denken het middel bij uitstek om de onzin van de waarheid te leren onderscheiden. Maar ook dat is weer zo'n uitgekookte mystificatie, die angstvallig in stand wordt gehouden om de mensen gemakkelijker te kunnen misleiden. Immers, niet het denken brengt de mensen tot de waarheid, maar het inzicht dat de mensen in de werkelijkheid hebben. Zonder dat inzicht kan je logisch denken wat je wil, er is desnoods geen speld tussen te krijgen, en het is toch onzin. Er zijn hele verhandelingen geschreven, strikt logisch, over de drie-eenheid van "vader, zoon en heilige geest" terwijl het van A tot Z onzin is. Hetzelfde is het geval met economische en politieke verhandelingen, en zelfs met een groot deel van de wetenschappe­lijke productie van de geleerden. Met een strikt logisch betoog kan je alles recht praten wat krom is, en omgekeerd. En nooit kan je zinvol gecorrigeerd worden, tenzij je met iemand te maken krijgt die inzicht in de werkelijkheid heeft. Het gaat nu evenwel niet om een uiteenzetting over het denken als zodanig; het gaat nu om het verschijnsel dat je met goede čn logische bedenksels de mensen kan krijgen waar je ze hebben wil. Zo zegt men gewoonlijk over de godsdiensten dat het niet-rationele gevoelsaangelegenheden zijn, maar iedereen, die eens goed oplet, kan gemakkelijk vaststellen dat het louter en alleen gaat om het manipuleren van het denken van de mensen. Het is zuiver een zaak van denken.

 


Het op zichzelf logische verhaal geeft een schijn van waarheid en dan vliegen de mensen er in. Maar, tegenwoordig doet het traditio­nele godsdienstige verhaal het zo goed niet meer. De schijn van waarheid moet nu opgeroepen worden door een oosterse, meer mystieke logica. En die gaat er dan ook in als koek: de bedenksels van de goeroes liggen goed in de markt.

Toch moeten wij voor ogen houden dat ook de godsdiensten oorspronkelijk inspeelden op een, op zichzelf juist, vermoeden van de mensen omtrent hun eigen uiteindelijke mogelijkheden. Dat inspelen op die vermoedens is essentieel. Want toen, ongeveer aan het begin van de 19e eeuw, de westerse mensen hun eigen denken als de maat gingen nemen, speelde dŕt in op het vermoeden dat het denken, als één van de functies van de menselijke geest, wel eens de hoogste macht zou kunnen zijn. En vanaf dat moment ontwikkelde zich een nieuwe waarde­meter voor het verschil tussen de mensen: de wetenschappelijke waardemeter. Het gevolg daarvan is dat wij in het westen, en in toenemende mate over de gehele wereld, met een wetenschappelijk normenstelsel zijn komen te zitten dat zo mogelijk nog machtswellustiger is dan de traditionele stelsels. Hadden wij vroeger de godsdienstige deskundigen, thans zijn die naar het tweede plan verdrongen door de wetenschappelijke. Maar beide werken op precies dezelfde manier: het bedenksel wordt zo aannemelijk mogelijk gemaakt en vervolgens ben je er geheel en al aan uitgeleverd. De machtsverhoudingen worden nu door het wetenschappelijke bepaald, het denken is het hoogste goed en de deskundigen van god zijn vervangen door die van de wetenschap.

Het gehele leven wordt tegenwoordig gemanipuleerd door de wetenschap. Levens­problemen moeten wetenschappelijk opgelost worden, bevruchting moet weten­schappelijk plaats vinden, het sterven en het geboren worden dienen op wetenschappelijk verantwoorde wijze te geschieden; opvoeding moet je gestudeerd hebben, in de liefde moet je deskundig zijn voorgelicht, de kunstenaars dienen kunst-wetenschappelijk geschoold te worden, enzovoort. Gebrek aan opleiding, scholing of vorming is voldoende aanleiding om je op een lage trap van de machts-hiërarchie te plaatsen. Hoe meer scholing, hoe meer deskundig. En dan valt je als vanzelfsprekend alle priester-eer te beurt: je mag de mensen voorzien van fraaie bedenksels over het hoogste goed, de menselijke rede. Machtig ben je dan, want je kunt de mensen precies vertellen hoe zij moeten zijn. En samen met je kornuiten kan je de mensen dwingen zich naar jouw bedenksel te voegen en van zichzelf te vervreemden.

Essentieel in het machtsbegrip is het niet accepteren van de werkelijkheid: de mensen mogen niet zijn zoals ze zijn en de natuur al evenmin. Alles moet zich voegen naar het "hogere". En niets komt tot zijn recht. Bovendien is macht niet mogelijk zonder enigerlei vorm van geweld, want noch de menselijke, noch de natuurlijke werkelijkheid laten zich gewillig van hun stuk brengen. We zien dan ook dat tegenwoordig aan de gehele werkelijkheid geweld wordt aangedaan.

 


De mensen zijn ziek, ontevreden en agressief, de natuur is vergiftigd, uitgeroeid en van haar levenskracht ontdaan. Is het een wonder dat velen geen uitkomst meer zien?

En intussen gaan wij voort de kinderen vertrouwd te maken met het machts­denken. In plaats van de verschillen te ontwaarden, zodat er vrede komt in de wereld, wakkeren wij ze in toenemende mate aan. De competitie-drift wordt zo hoog mogelijk opgezweept in sport, spel en studie en de kinderen wordt voorgehouden dat zij waardevolle mensen zullen worden als zij zich door hun prestaties van de anderen onderscheiden. Om die gesteldheid in hen teweeg te brengen laten de opvoeders en onderwijzers al hun macht gelden. En dat terwijl zij eigenlijk alleen maar op enig gezag zouden kunnen bogen, gezag op grond van hun kennis en ervaring als oudere. Gezag dat benut zou moeten worden om de kinderen bij zichzelf te brengen in plaats van het te misbruiken terwille van de macht. Ieder gezag en iedere invloed die aangewend worden om kinderen en ouderen naar zichzelf toe te leiden is menselijk en goed, maar als zij aangewend worden om eigen macht te vestigen zijn zij onmenselijk en misdadig. Onmenselijk omdat op die manier aan de kinderen elk toekomstig geluk wordt onthouden, en misdadig omdat de grond wordt gelegd voor de vijandschap onder de mensen. Als dan straks die kinderen opgegroeid zullen zijn, zullen de ouderen voor de zoveelste keer in de geschiedenis vragen: "hoe komen die jonge mensen toch zo ontevreden? Waarom zijn ze zo agressief? Waarom schaffen zij de oorlog niet af..?" Dan vergeten zij, net zoals zoveel geslachten vóór hen, dat zij zelf het verschil tussen de mensen met loodzware waardeoordelen belast hebben, dat ze zelf het machtsdenken hebben aangewakkerd. Als dat eenmaal ingeprogrammeerd is laat het zich vrijwel nooit meer wegwerken. Het machtsbesef is dan zo ingekankerd dat die jonge mensen nauwelijks méér kunnen dan de hen onderdrukkende machten te tarten om te ondervinden wie de sterkste is. En in enkele gevallen zullen zij de bestaande macht oprecht bestrijden, hem misschien zelfs wel omverwerpen, maar hem nooit oplossen. Steeds weer zullen zij er een nieuwe voor in de plaats stellen, zodat het hele programma opnieuw kan beginnen. De machtsstelsels kunnen namelijk nooit verdwijnen als je ze bestrijdt. Je hebt voor het bestrijden immers een nieuwe en grotere macht nodig en daardoor is het eindresultaat onvermijdelijk macht. De vicieuze cirkel is op deze wijze nooit te doorbreken. De enige mogelijkheid is gelegen in het "oplossen" van de macht. En dat doe je door het kwaad bij de wortel aan te vatten; de waardeoordelen over de verschillen tussen de mensen. Die waarde­oordelen verdwijnen als je de fictie, het bedenksel, van de hogere macht doorprikt. Je behoeft daarvoor geen ingewikkelde theorieën uit te denken. Het is al voldoende als je je niet meer laat overtuigen door logische bedenksels van zogenaamde deskundigen en primair op je eigen gevoel en intuďtie afgaat. Bedenk wel: elke macht steunt op het aannemelijk maken van een bedenksel.

 

Aangezien de filosofie er niet is voor enkele bevoorrechten, maar juist voor alle mensen, is het citeren uit de artikelen zonder meer toegestaan. Bronvermelding wordt echter wel op prijs gesteld. (Jan Vis, creatief filosoof)

Gescand en geplaatst op 13 nov. 2009 - Verslag van 1985

 

 

Terug naar: de Startpagina

 

Naar andere artikelen: Conditionering ; Robot denken ; Op de vlucht voor je eigen denken ; Het gelijk en de dialoog ; Eenzaamheid en onvrijheid ; Het toenemend belang van het Atheďsme ; Geen God wat dan ; Godsdienst en Geloof ; Evolutie of Creatie ; De fundamentele intolerantie van de Godsdienst ; God bestaat niet ; Bedreiging van het vrijdenken en het atheďsme ; De verdedigers van de Godsdienst ; Waarom is de Islam als godsdienst tegen de Westerse Wereld..? zie no. 27. ; Toch nog een Theocratie- zie afl. 18 ;  Ongewenst atheďsme- zie afl. 32 ;  Verbieden van de godsdienst..?-zie afl. 21 ; Hoe zit het nou met god ; Discrimineert / onderdrukt de Westerse Cultuur..? zie aflevering 60 / 61 ; Waarom is de Islam als godsdienst tegen de Westerse Wereld ..? zie no. 27 ;  De Islam ; Het staat in de Koran- zie aflevering 36 ; De heilige wet-De Sjari’a ; Burqa, volg bladwijzer ; Nihilisme ; De ontwikkeling van het denken ; De Vrede ; Conditionering en De ontwikkeling van de West Europese Cultuur(zie links: te erg/te veel en dubbelhartigheid  ) ; Behoort Israël tot de Westerse Cultuur- zie aflevering 60…-onderdrukking van de Palestijnen, ; Kunnen Moslims zich invoegen in de Moderne cultuur..? – aflevering no. 37, ; Terrorisme / Taliban ; Hoe zit het nou met Jahweh, God en Allah ; Een korte schets van de menselijke sexualiteit ; Het ontstaan van het heelal / de kosmos t/m het slotakkoord “De Mens” ; Gedachten over ontstaan en bestaan ;