DE ONTWIKKELING VAN DE WEST-EUROPESE CULTUUR
(
Hoorcolleges 1985 – 1987 te Gouda )
Onderstaande tekst is geschreven door: Jan Vis, creatief
filosoof.
Bladwijzers:
De Nederlandse N.S.B. – (nrs. 19/20) en
HITLERS AGRESSIE tegen
het klassieke Westen
– o.a. n ;rs. 14 t/m 21… ;
ÉLITES o.a
Beethoven, Rembrandt en
Dostojewski-( Cultuurdagers..? ) – De
ÉLITES eigenen zich alles toe – pag. 1 t/m 3 ; De Nieuwe
ELITES(2) – Lees 15 t/m 17(SS)
;
; Klassieke westerse Elites ; Elite(1) De onechte cultuurontwikkeling –
culturele Elite - nrs.1 t/m 6 ;
HAAT
tegen…de Russen en Joden
– Jodenhaat, OORZAAK..! - HAAT ;
De
RECHTSSTAAT / Verenigde Naties - ( lees 22t /m 28 ) ; Het RECHT als een PSYCHISCHE zaak
– nr. 23
Wir haben es
nicht gewusst ; Het probleem van het Nationaal
Socialisme. Lees nrs 17 t/m 21
Achteraf is iedereen er
van overtuigd dat de hele zaak misdadig was: ze hebben 6 miljoen Joden
vermoord,
maar de vraag is en blijft
of die misdadigheid ook herkend zou zijn geworden als die feiten niet bekend
waren.
Met andere woorden: herkende men de misdadigheid louter en alleen aan de nationaal
socialistische mentaliteit en eventueel aan de ideologie?
Het antwoord moet zijn nee, behoudens natuurlijk heel enkele
uitzonderingen,…
Slavische ideologie o.a. pag. 51 en 52 ; CHINA ; Het Russische volk o.a. pag. 56 t/m 58
; NAVO – pag. 15 ;
DE HAAT en
de WREEDHEID (pag. 18) ; Definities over: Cultuur , Ideologie en gewone mensen
;
DENK-AUTOMATISME – Zie no. 68 ; HET
BEGIN van WEST-EUROPA ;
De Tweede Wereldoorlog - het begrip tweede wereldoorlog vindt
u terug op pagina’s 12, 14 t/m 19 ; 20 en 21, 37, 44, 48
en 68 ;
DE BLIK OP DE TOEKOMST
– volwassenheid – het gaan REALISEREN
van uiterste MOGELIJKHEDEN..! e.v. ; BASISINKOMEN ;
Joodse
cultuur ; Joodse cultuur-1 ;
ECONOMISCHE
GROEI-(nr. 38)
; Het fictieve
wereldbeeld-(36 t/m 41)
; ER MOET ORDE ZIJN - pagina 48/49 ;
kernenergie-1 ; kernenergie-4 ; De Nieuwe
ELITES(2) – Lees 15 t/m 17(SS)
;
Geloof en Godsdienst ; ANTISEMITISME-(o.a.
pag. 19 / 20 ) ; Grieks-Orthodoxe
Godsdienst- pag. 54 ;
NIET
WETEN IS BETER DAN VERKEERD WETEN ! Er wordt al genoeg gekletst !
Bladwijzers: o.a Naar
het begin
; Elite-1 nrs 1 t/m 6 ; De Nieuwe ELITES(2) – Lees 15 t/m 17(SS) ;
dat een politicus zich
voor het volk inspant ; BEHEERSINGSGEDACHTE ; Culturele Elite-( 1t/m6 )
; De Eigen ( Germaanse ) Identiteit-(lees o.a nrs. 14 t/m16) ; Het KRUIS ; Elite(1) De
onechte cultuurontwikkeling nrs.1 t/m 6 ; Slavische ideologie o.a. pag. 51 en 52 ; DE
BLIK OP DE TOEKOMST – volwassenheid-RUSLAND/Het
WESTEN - REALISEREN van uiterste MOGELIJKHEDEN..! e.v. ; DICTATOR / organisatie(vorm) /fictie / DICTATOR zie nrs. 39 t/m 42 ; Gekwetst in ons rechtvaardigheidsgevoel
en MANIPULATIE nr. 24 ; Rechtvaardigheidsgevoel, rechtsstaat, het recht als
psychische zaak en MANUPULATIE - Lees
nrs. 22 t/m 28
; Ik kan geen redelijkheid, rechtvaardigheid, liefde, solidariteit, niets van dit alles verlangen.
Als er al iets te verlangen valt zou dit…- nr.
27 ; NAVO ; Colijn(voormalig Premier) ; dubbelhartigheid
; Het fictieve wereldbeeld-(36 t/m 41)
; het voorspel
; het begin van West Europa
; Beethoven, Rembrandt en Dostojewski-(
Cultuurdagers..? ) – De ÉLITES
eigenen zich alles toe – pag. 1 t/m 3 ;
Eigen Rechter o.a. pagina’s 59 en 60 ; Het KARAKTER van onze KENNIS – Lees nrs. 61 t/m 68 ; Meditatie
; Hindoeïsme ; Tweede Wereldoorlog een
politieke oorlog ; (Hitler ging zelf militaire organisaties vormen, zoals de
SS) ; De zwakke mens in alles steunen..! of tot aanpassen
dwingen..? – lees o.a nrs.
26 en 27 ; De weg naar VOLWASSENHEID-(25 t/m30) ; de verantwoordelijke leiders straffen voor hun
misdaden ; de Geneesheer van de KOSMOS o.a. pagina’s 59 en 60 ;
psychische
verwarring ; Hitlers agressie tegen het klassieke Westen –
o.a. nrs. 14 t/m 21… ; VORSTENDOMMEN/MACHT/REFORMATIE/DUITSLAND
; In een onvolwassen wereld bemoeien de mensen
zich met elkaar ; Ideologische machthebbers ; de God van
de Economie en de Politiek ; Anarchie-1 ; Anarchie-2 ; Hitler
; Antisemitisme- ( oá. 19/20 ) ; Concurrentie-1 ; Concurrentie-2 ; Werkgelegenheid ; De Angelsaksische STAAT ; Germaanse cultuur
; De RECHTSSTAAT / Verenigde Naties -
(lees 22t/m28) ;
Raszuiver
; Nationaal
Socialisme ; Socialisme, Sociaal Democratie, Communisme,
Liberalisme, Fascisme en Nationaal
Socialisme ; De term
Nationaal Socialisme ; De
misdadigheid van het Nationaal Socialisme ; Het Nationaal
Socialisme ; De
medici doen alsof zij de mensen genezen,… Doen alsof – zie A , B , C-67/68
; BASISINKOMEN
; Het Russische volk o.a. pag. 56
t/m 58 ; Het
kan niet uitblijven(1) ; Vernietigingsdenken
; Drugs(t/m pag.39)
; De Germanen ; Leiderschap-1 ; Leiderschap-2 ; politieke streven ; De West-Europese
godsdienst ; De zuiging van het elitaire ; Leven
en laten leven ; Privacy ; De Ratio / Rede-1
; De Ratio / Rede-2
; Communisme ; De Romeinen(nos. 9 t/m 21) ; Romeinse cultuur (het voorspel) ; ER MOET ORDE ZIJN - pagina 48/49
; Gods Zoon ; DE HAAT en de
wreedheid ; HAAT
tegen…de Russen en Joden – JodenHAAT,
OORZAAK..! - HAAT ; Gratis Openbaar Vervoer - Energie nota bij huur
optellen ; Jodenvervolging
; De verdeling van de WELVAART ; zwarte pedagogie
; Er is
een grote ANGST voor VRIJHEID
; Wir haben es nicht gewusst… hoe zit dat? Lees o.a. de nrs
17, 18, 19 ; Rechten en Plichten-1 ; Rechten en Plichten-2 ; Rechten en Plichten-3 ; Rechten en Plichten-4
; Integreren =
Volwassen worden ; Het beheersen ; Het socialisme
; Sociaal
Democratie-1 ; Sociaal Democratie-2
; Sociaal Democratie-3 ; Sociaal
Democratie-4 ; Sociaal Democratie-5 ; God is liefde ; Te erg / te veel
; Leider of Tiran..?
; Klassieke
westerse Elites ; KENNIS
VERGAREN – zie de nummers 61 t/m 66 ; Beschaving oftewel
civilisatie ; De beoordeling van strafbaarheid of rechtmatigheid
ligt wel in handen van de rechter, maar de formulering van het recht niet
; Verzorgingsstaat-1 ; Verzorgingsstaat-2
; Lijfeigene, de Staat, Vrijheid ;
De
verantwoordelijke leiders straffen voor hun misdaden ; een heel concrete macht, in de vorm van de een of
andere vorst die… ; ficties
; Algemeen belang-1
; Algemeen belang-2
; Algemeen belang-3
; Algemeen belang-4
; Gesundes Volksempfinden ;
ISLAM-1 ; ISLAM-2
; ISLAM-3 ; Ongelijkwaardigheid
( nrs. 26 t/m 29 ) ; REDELIJKHEID ; De moderne mens is een
wandelende fictie ; Is de moderne mens een wandelende fictie..?
; Terrorisme-1(36 t/m 40) ; kernraketten ; Gewone mensen-MIDDELMAAT-pag.55/56 ; Big Bang – vanaf 62 ;
liberalisme-1 ; liberalisme-2 ; liberalisme-3 ; gewone mensen ; het
zelfbeschikkingsrecht ; Eenzijdigheid-1 ; Eenzijdigheid-2 ; CHINA ; Economische Groei
; Onverdraagzaam
; filosofie ; godsdienstige
cultuur ; Bandeloosheid
; Rechten van de
Mens-1 ; Rechten
van de Mens-2 ; De Tweede Wereldoorlog - het begrip tweede
wereldoorlog vindt u terug op pagina’s 12, 14 t/m 19 ; 20 en 21, 37, 44, 48
en 68 ; Grieks-Orthodoxe
Ggodsdienst – pag. 54 ;
Derde Rijk-1 ; Het Derde Rijk ; negatief/positief
moment ; cultuuruiting ;
cultuuruitingen
; Mussolini ; Churchill / Eisenhower / Hitler / Mussolini ; Hitler / Mussolini
; Mystiek-1 ; Mystiek-2 ; Mystiek-3 Mystiek-4 Mystiek-5 Mystiek-6
Onze
voorouders gezien vanuit Rome ; ”Onze
voorouders waren onbeschaafde WILDEN” ; kernenergie-1
; kernenergie-4 ; Rechters-1 -nr.
5 ; Rechters-2 -nrs. 23 en
24 ; Vandalisme / Vernielzucht ; de burgers worden een
factor in het oorlogsbedrijf
( lees 16 / 17 ) ; Recht en Wet zijn steeds
instrumenten…(lees 22t/m27) ; Vernederd en gekwetst ; Gekwetst worden
; Parlementaire
Democratie ; Caesar
; Betere Wereld-1 ; Betere Wereld-2 ; onvolwassen zijn
; onvolwassen
mensheid ; onvolwassen
mensen ; Almachtige
God ; Het regiment
is het thuis voor praktisch elke man, de soldatentijd is de mooiste tijd en de
kameraadschap van mannen is het mooiste dat er is. Die groepsvorming was er dus
vanuit de individu zelf ; De laatste kaart nrs. 46 en 47 - ( met o.a. Het (onvolwassen)zelfbewustzijn
heeft geen schuld ) ; De Nederlandse N.S.B. nrs.
19/20 ; Nationaal Socialisten-nrs.17 en 18 ; Iets over de
opvoeding ; Germaanse wereld
; rijkdom en macht
nos.15 en 16 ; Joodse cultuur
; Waarom nu juist in Duitsland. Lees o.a. nrs. 18 t/m 20
; Joodse
cultuur-1 ;
cultuurspanning
; Ze
hebben 6 miljoen joden vermoord ; iets over de
Duitse cultuur ; de ongelovige West Europese cultuur ; Noodzakelijk Kwaad
; Onze
voorouders gezien vanuit Rome ; Hoe te overtuigen ; Bloed en Bodem/Blut
und Boden ; Waarom
juist in Duitsland ; Volksliederen ; Russische
revolutie-1 ; de Russische revolutie-2
; hoe te overtuigen-godsdienst-wetenschap ; Vrije tijd-1 ; Vrije tijd-2 ; Meeleven ; bemoeien en meeleven ; Meeleven en Vrijheid
; zelf
beslissen en meeleven ; bemoeienis van de samenleving ; Onverschillig
zijn , IEDER HET ZIJNE en LEVEN en LATEN LEVEN
; mohammedaans-1
; bemoeizucht
; het je met elkaar
bemoeien ; Oostbloklanden-51
en 52 ; het afschaffen van het slechte ; grens-1 ; grens-2 ; grens-3
; grens-4
; chantagerecht
; Het laatste
cultuurmoment ; Toch worden de mensen volwassen ; rechtsgevoel; analyseren binnen het
samenhangende geheel fraude ; Opstanding ; reïncarnatie ; Armoede ; Zoon van de
mens (voor ons Jezus of Christus)
Vervreemding-1(nr.
3)
en vervreemding-2(nrs. 40, 43 en 44) ; Verkiezingen ; Krijgsgevangene ; Misdadigheid
; New Age ; HELDEN – Lees nrs. 11 t/m 17 ; dubbelhartigheid
; Het probleem van het Nationaal Socialisme. Lees nrs 17 t/m 21
; Politie-
Geweldsmiddelen : leger en vloot, politie ; Loyaal ; Er moet dus als het ware iets aan de mensen toegevoegd
worden. ; Mensenzoon
Jezus ; Wereldbank
; God is mens
geworden ; Het
aspect van de macht ; Wangedrag
; Hersencel-1 ;
Overgang-1 ; Overgang-2 ; Overgang-3 ; FASCISME - nrs. 20/21 ; Fascisme/Klassieke nrs. 10t/m12 ;Opgevoed-1 ; Opvoeden-1 ; Opvoeden-2 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ;
Naar artikelen: Loyaal: zie bladwijzers in Filosofische invallen 1 t/m
26, ; Loyaal: zie bladwijzers in De Kunst van het Filosoferen,
; Loyaal: zie bladwijzers in De Grote Vierslag, ; Loyaal: zie
bladwijzers in Alledaags Commentaar 1
t/m 40, ; Economisch Denken–zie bladwijzers in “De ontwikkeling
van het Denken”, ; Economische denken ; het is het economische denken dat
als vanzelfsprekend bepalend is geworden voor het beoordelen van het welzijn
van de mensen en dus de kwaliteit van de samenleving-zie afl. 21, ; Economische
groei, zie bladwijzers in Beweging en Verschijnsel deel 3, ; Economische
groei, zie Identiteitscrises vrijdenken, ; Economische groei, zie Nihilisme en Anarchisme als
basis van het Atheisme, ; Economische
machthebbers-zie nr. 57 ; Economische slavernij-zie nr. 18, ; Discrimineert
/ onderdrukt de Westerse Cultuur..? zie aflevering 60 / 61 ; Vrijheid ;
Naar artiekelen
met o.a. Verzorgingsstaat als
bladwijzer
Verzorgingsstaat-2-zie bladwijzers
in Waar gaat het in de mensheid nu wezenlijk om,
Verzorgingsstaat-3-zie bladwijzers in De Grote Vierslag,
Verzorgingsstaat-4-zie bladwijzers in “De ontwikkeling van het Denken”,
NIET
WETEN IS BETER DAN VERKEERD WETEN ! Er wordt al genoeg gekletst !
Terug naar, de Startpagina
Terug naar:
Beweging
en Verschijnsel (deel 1)
Beweging
en Verschijnsel (deel 2)
Beweging
en Verschijnsel (deel 3)
Gedachten
over Ontstaan en Bestaan
de Grote Vierslag
(nihilisme, anarchisme, socialisme en communisme)
De ontwikkeling van de West Europese
Cultuur
Bladwijzers: Elite(1) De onechte cultuurontwikkeling nrs.1
t/m 6 ; De RECHTSSTAAT
/ Verenigde Naties - (lees 22t/m28) ; de
politieke elites(2) – 15 t/m 17(SS) ; Beethoven, Rembrandt en Dostojewski-( Cultuurdagers..? ) – De ÉLITES eigenen zich alles toe – pag.
1 t/m 3 ;
Het historische onderzoek
Als wij willen filosoferen over de
ontwikkeling van de West-Europese cultuur, moeten onze bevindingen uiteraard
parallel lopen met die van de moderne historische wetenschappen. Daarom is het
goed ons eerst, bij wijze van inleiding, op de hoogte te stellen van
betrekkelijk recente ontwikkelingen binnen dat vakgebied. Tot voor kort
baseerde de geschiedeniswetenschap zich op de officiële gegevens, zoals die te
vinden waren in de archieven van de verschillende overheidsinstanties. Het is
te begrijpen dat het beeld van de werkelijkheid, dat daardoor ontstond, in
zoverre vertekend was dat het gezien werd vanuit de top van de maatschappij.
Het was een beeld vanuit de hoogte en dat is dan ook goed te merken als wij de
gebruikelijke geschiedenisboeken bestuderen. Eigenlijk gaat het alleen maar
over de staatkundige geschiedenis van Europa, terwijl die van de overgrote
meerderheid van de mensen buiten beschouwing bleef. Voor zover die geschiedenis
wel ter sprake kwam beperkte zich dat tot de economische geschiedenis en in
enkele gevallen tot de zeden- en godsdienstgeschiedenis. En ook daarbij was het
blikveld van bovenaf. Bovendien waren de historici zich nauwelijks bewust van
het feit dat zij als vanzelfsprekend hun eigen normen en waarden bij de
beoordeling van vroeger tijden handhaafden. Een voorbeeld: men kan
deernis hebben met de moeders uit de Middeleeuwen omdat meer dan de helft van
hun kinderen in de eerste levensjaren stierf. Tegenwoordig spreken wij dan van
een hoge kindersterfte. Maar, wij moeten wel bedenken dat voor ons het sterven
van een jong kind een uitzondering is, terwijl het voor die moeders van toen
regel was. Zij wisten niets van hoge of lage kindersterftecijfers en waren
vertrouwd met het sterven. Dat betekent niet dat die moeders geen verdriet gehad
zullen hebben, maar het was als het ware een vanzelfsprekend verdriet,
behorende bij het leven. Zij hadden er geen flauw vermoeden van dat het ooit
nog eens anders zou zijn. Tegenwoordig zijn er meer historici die het
dagelijkse leven van de mensen proberen te achterhalen. Het spreekt vanzelf dat
zij daarbij weinig hebben aan de officiële documenten en meer aangewezen zijn
op bewaard gebleven brieven, rekeningen van dokters, kerkelijke analen en
dergelijke. In een aantal gevallen zijn ook de processtukken van rechtbanken en
de inquisitie van belang. Maar, waar het, zeker voor ons, vooral om gaat is dat
wij er voortdurend op letten dat wij onze eigen, doorgaans niet zelfbewuste,
opvattingen en ideeën niet inplanten in de mensen van toen. Het herkennen van
de eigen conditioneringen is trouwens toch bij het filosoferen noodzakelijk, of
het nu over de geschiedenis gaat of over andere thema’s, de werkelijkheid
betreffende. Filosoferen is niet mogelijk zonder alles in jezelf los te maken,
de zaken in twijfel te trekken en jezelf vertrouwd te maken met een wereld vol
onzekerheden.
De onechte cultuurontwikkeling
Volgens de filosoof Schopenhauer
(1788-1860) berust de cultuur op minderheden. Deze uitspraak is fout, ten
eerste omdat hij gedaan is vanuit een cultuurdrager, die kennelijk een bepaalde
vorm van cultuuruiting, namelijk die van een elite, aanzag voor dé
cultuur. Een vergissing, die herhaaldelijk bij de culturele elite voorkomt.
Ten tweede is deze uitspraak fout omdat
hij geen blijk geeft van het inzicht dat de werkelijke cultuurontwikkeling zich
niet afspeelt in de zogenaamde cultuurdragers - de minderheden, waarover
Schopenhauer spreekt - maar juist bij de gewone
mensen. Waarom dat zo is zullen wij nog bespreken. In
ieder geval is nu reeds van de cultuuruitingen der minderheden, de elites
dus, te zeggen dat die uitingen steeds verschijnen in het licht van de MACHT,
zoals die door de éne mens over de andere uitgeoefend wordt. Beschouwen wij dus
de ontwikkeling van de cultuur vanuit het gezichtspunt van de culturele
elites - en doorgaans doet men dat - dan ontstaat er een geheel vertekend
beeld. Je kunt zelfs stellen dat dit beeld tegengesteld is aan de werkelijke
ontwikkeling, omdat elites, minderheden met macht, op hun wijze de
ONTKENNING zijn van de mensheid als zodanig. De elites hebben zich
buiten en boven het volk gesteld en zijn daardoor geen representant van datgene
dat er werkelijk gaande is. De tot voor kort geschreven geschiedenis behelst de
geschiedenis der mensheid ZOALS ZE NIET IS, hoewel er natuurlijk ook niet
gesteld kan worden dat ze geheel vreemd is aan de werkelijke ontwikkeling. Er
is natuurlijk wel een samenhang, maar dat is een heel andere verhouding dan
gewoonlijk gedacht wordt. Als je die verhouding kent, is het mogelijk uit de
denkinhouden van de culturele elites gegevens te distilleren die de
gedachtegang over de werkelijke ontwikkeling kunnen ondersteunen. Voorbeelden
hiervan zullen wij telkens tegenkomen.
Een bepaalde cultuurontwikkeling is niet
denkbaar zonder een voorspel, een aantal ontwikkelingen dat samenkomt in en een
voedingsbodem vindt in een volgende fase. Voor West-Europa zijn dat
ontwikkelingen uit de oudheid, die in de Romeinse cultuur zijn samengekomen.
Maar ook zijn het ontwikkelingen die helemaal niets met de Romeinse cultuur te
maken hebben, namelijk Moorse, die dus uit het cultuurgebied van de Islam stammen. Deze
worden graag verdoezeld omdat christendom en islam vanouds elkaars doodsvijanden zijn - al doet
men tegenwoordig over en weer erg vriendelijk. Wij zullen ons dus enige tijd
bezig moeten houden met dit voorspel en er daarna de voedingsbodem in moeten
betrekken. Pas dan weten wij wat er in zit en kunnen wij nagaan hoe dat er uit
komt.
Er is ook in west-Europa
een tijd geweest dat het gros van de mensen op de een of andere manier de lijfeigene was van
feodale heren en kerkelijke vorsten. Nu kijken wij daarop terug en vinden dan
dat dit toch erg mensonwaardige toestanden waren. Een mens behoort geen lijfeigene te zijn.
Maar dan verkijken wij ons op die feodale heer en die kerkvorst
en menen, omdat wij daaraan niet meer ondergeschikt zijn, dat wij de tijd van
de lijfeigenschap ver achter ons gelaten hebben. Dat nu is een voorbeeld van
een misleidende associatie In feite zijn wij namelijk méér lijfeigene dan die mensen
van toen, met alleen dit verschil dat wij niet meer onderhorig zijn aan een
bepaald heerschap, maar aan de STAAT. Als je de voor ons geldende
dwingende voorschriften eens op een rijtje zet, zonder daarbij acht te slaan op
het al of niet positieve karakter ervan, dan blijkt dat wij zo ongeveer geen
kant uitkunnen, qua vrijheid. Er is nauwelijks een levensterrein dat
niet door de staat, als maatschappelijke belichaming van de cultuur,
gereglementeerd wordt. Omdat wij er - zeker in ons land - niet zoveel LAST van
hebben, realiseren wij ons dat feit niet zo vlug, maar bijvoorbeeld de mensen
in de derde wereld, of de mensen die zuchten onder een dictatuur, realiseren
zich dat wel degelijk. En zo’n dictatuur behoort tot onze wereld; het is
precies dezelfde macht als die over ons heerst, maar dan in een andere, meer
brute, vorm. De onvrijheden, die ons in een enigszins redelijke vorm opgelegd
worden verschillen niet wezenlijk van die van een dictatuur. Het is daarom nog
maar de vraag wie er meer een lijfeigene was, die mens van vroeger of de mens van nu...
Bladwijzers: ISLAM-1 ; ISLAM-2 ; ISLAM-3 ;
Bladwijzers: Algemeen belang-1 ; Algemeen belang-2
; Algemeen belang-3
; Algemeen belang-4
;
Het filosoferen over de geschiedenis
De filosofie bewandelt, als zij nadenkt
over de geschiedenis, een andere weg dan de geschiedenis- wetenschap. De opgave
van de wetenschapper is de gebeurtenissen op een bepaalde plaats en in een
bepaald tijdsbestek zo volledig en betrouwbaar mogelijk te achterhalen om ze
vervolgens in een zo waarschijnlijk mogelijke samenhang te plaatsen. De aard
van die samenhang wordt bepaald door de opvattingen van de onderzoeker en dus
ook door de cultuurprogrammering, waaraan zij of hij onderworpen is. Die
programmering schrijft allerlei voor met betrekking tot de
wetenschappelijkheid, maar ook met betrekking tot datgene dat mensen tot een
bepaald gedrag beweegt. Van veel van deze voorschriften is men zich gewoonlijk
niet of nauwelijks bewust zodat men eventuele vertekeningen van het beeld niet
opmerkt. Daarom is van de geschiedeniswetenschap te zeggen dat zij ons inzicht
verschaft in zowel vervlogen tijden als in de tijd en de geestesgesteldheid van
de onderzoeker. Filosoferen echter houdt in dat men op de eerste plaats
zichzelf bevrijdt van de cultuurprogrammeringen teneinde er achter te komen hoe
het nu werkelijk met de mens zit. Naarmate dit steeds beter gelukt blijkt het
mogelijk te worden inzicht te krijgen in het ontwikkelingsproces van de
mensheid. Je kunt dan leren begrijpen welke verschijnselen de mensheid
achtereenvolgens vertonen moet en dat kan je toetsen aan de resultaten van het
geschiedkundige onderzoek. Van deze methode is te zeggen dat hij in principe
ZUIVER is: vertekeningen op grond van eigen conditioneringen zijn uitgesloten.
Als je op deze wijze de mensheid en haar ontwikkeling benadert sta je er vaak
zelf verbaasd van hoezeer het nieuwe beeld van de ontwikkeling afwijkt van de
gangbare opvattingen. Maar ook dat dit nieuwe beeld veel logischer is.
De cultuurelites als ontkenning van de
cultuur
In samenlevingen vormen zich steeds elites
die zich beroepen op iets hogers. Iets goddelijks of iets koninklijks of op
hogere geestelijke vermogens die maatgevend zouden zijn. Op grond daarvan
zonderen de elites zich af van de overige mensen, zij staan erboven en oefenen
MACHT uit. In de praktijk blijkt dat zij doorgaans niet tussen de gewone mensen
willen leven, maar zich liever terugtrekken in hun kastelen, landgoederen en,
tegenwoordig, in hun dure buitenwijken. Zodra men tot een elite gaat
behoren gaat men als eerste verhuizen omdat men niet meer tot de gewone mensen
wil behoren. Tegelijk echter met het zich afzonderen treedt er een nieuwe
verhouding tot de gewone mensen op: men gaat hen de wet voorschrijven. Het
leven met de andere mensen wordt omgezet tot heersen over de andere mensen - op
welke manier dan ook. En daarbij pretenderen de elites dat zij de
exponenten, de vertegenwoordigers, zijn van de cultuur, in tegenstelling tot de
gewone mensen, het volk, het onontwikkelde gepeupel. De elites zouden dus
dat, wat zich in de mensheid ontwikkelt, afspiegelen. Maar het is zeer de vraag
of dat werkelijk zo is! De hedendaagse muzikale cultuurelite
bijvoorbeeld, gevormd door de moderne componisten van zogenaamde serieuze
muziek, vertegenwoordigt in geen enkel opzicht de voor ons geldende
cultuurfase. Zij is wel een GEVOLG van die fase, maar niet de UITDRUKKING
ervan. Dit laatste geldt echter wel voor de monotone, harde en agressieve
disco- muziek waaraan vrijwel alle jongere mensen uitgeleverd zijn. Of wij die
muziek mooi vinden of niet, feit blijft dat zij over de gehele wereld
aanspreekt. Zij is echt een, desnoods verontrustend, teken van deze tijd in
tegenstelling tot het elitaire maakwerk van de zogenaamd serieuze componisten.
De tegenstelling tussen de idealen van de vredesbeweging en de opvattingen van
de politieke elites is ook een goed voorbeeld bij onze gedachtegang. De
politieke elites willen bewapenen en op grond daarvan zou men kunnen menen
dat bewapenen een element is van de huidige cultuurfase. Dat is echter niet het
geval: het welhaast ongemotiveerde hunkeren naar vrede behoort wezenlijk tot
onze cultuurfase. De elites zijn op vernietiging uit, maar in de mensen
ontluiken de eerste kiemen van het léven!
De gewone mensen
Het is een opvallend feit dat de gewone
mensen er tot op de dag van vandaag maar een beetje bij hangen: zij zijn goed
om een door de economische en politieke elite veroorzaakte crisis op te
vangen, goed om door hun arbeid de welstand van de elites te vergroten,
goed om op de slagvelden hun bloed te vergieten ter wille van de
machtsconflicten van de elites en net goed genoeg om doormiddel van misleidende
verkiezingsprocedures hun eigen onderdrukkers te kiezen. De elites
hebben de manifestaties van hun cultuur steeds voorgesteld als VERHEVEN zaken -
ook thans nog doen bijvoorbeeld politici het voorkomen alsof zij volkomen
onbaatzuchtig en integer bezig zijn hun leven in dienst te stellen van het algemeen belang. Zij zijn
de dragers en de beschermers van de cultuur. En het volk moet geleid worden,
het moet onderwezen worden en op een hoger en edeler plan gebracht. De
filosofen hebben nagedacht over de mensheid en zij hebben daarbij schitterende
waarden ontdekt van humaniteit. Tegelijk hebben zij ontdekt dat het volk niet
beantwoordde aan die waarden. En nu komt het: het volk moest opgeheven worden
tot die waarden, met andere woorden, de mensen, jij en ik, mochten niet blijven
wie zij waren, zij moesten zich voegen naar HET DENKEN van de (filosofische) elites.
Sinds de 19e eeuw hebben de grote socialistische denkers gestreden voor de
verheffing van het proletariaat en zij hadden daarbij doorgaans goede
bedoelingen. Maar intussen is het toch een feit dat dit proletariaat moest gaan
beantwoorden aan de normen van die denkers. Er is nauwelijks een denker te
vinden die vanuit de gewone mensen en hun ontwikkelingsweg gedacht heeft.
Steeds moesten die gewone mensen iets, huis en haard verlaten voor de heilige
oorlog, tegen het fascisme en het communisme, voor de revolutie - stuk voor
stuk zaken die door de elites zelf verzonnen zijn! Het is dan ook geen
wonder dat het moeite kost de mensen zover te krijgen dat zij in beweging komen
en hun onwil daartoe heet dan: apathie. In de gewone mensen ligt een heel
andere wereld dan in de elites, een wereld waarin de cultuur niet
MISBRUIKT kan worden. Niet dat die wereld nu zo mooi is of zo redelijk of zo
rechtvaardig. Die begrippen zijn in wezen niet van toepassing omdat ook dit elitebegrippen
zijn. Zij liggen wel in de rede en kunnen dus niet afgewezen worden, maar tot
op heden hebben zij een elitaire inhoud, die AFGEDWONGEN moet worden en die dus
in het teken van MOETEN staat. In een dergelijk denken van bovenaf komen jij en
ik niet voor. Sterker nog: MEN KENT ONS HELEMAAL NIET en men spreekt niet onze
taal...
De elites eigenen zich alles toe
De waarlijk grote kunstenaars zijn in hun
kunst niet élitair geweest, ondanks het feit dat zij zich met de mooie dingen
bezig hebben gehouden. Maar zonder mankeren is hun kunst door de elites
in beslag genomen en heeft men de indruk gewekt dat de kunst het werk zou zijn
van de dragers van de cultuur. Beethoven, Rembrandt en Dostojewski echter waren geen
CULTUURDRAGERS, zij waren kunstenaars, d.w.z. mensen die in staat waren een
BEELD VAN DE WERKELIJKHEID te geven. Zo ook hebben de grote revolutionaire
leiders beslag gelegd op bewegingen in de menselijke ontwikkeling om hun eigen
ideeën over maatschappij en samenleving te concretiseren. Lenin is daarvan een
voorbeeld.
Bladwijzers: Elite-1 nrs 1 t/m 6 ; de nieuwe elites
; Algemeen belang-1
; Algemeen belang-2
; Algemeen belang-3
; Algemeen belang-4
;
Bladwijzers: Opgevoed-1
; Opvoeden-1 ; Opvoeden-2 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ; Russische
revolutie-1 ; de Russische revolutie-2 ;
Vladimir
Iljitsj Oeljanov
Oeljanov
(1870 - 1924) is de geschiedenis ingegaan onder de naam LENIN en hij was het
die in 1917 de macht greep in het revolutionaire Rusland. Hij is een van de
weinige voorbeelden van denkers die, denkend vanuit de elite tot een
theorie over de gewone mensen kwam, die nog bleek te werken ook! Hij was de
inspirator en de motor van de Russische revolutie. Maar er is toch iets
merkwaardigs: in 1902 schreef Lenin de brochure: Wat te doen? En daarin stond
hij een elite van beroepsrevolutionairen voor die het proletariaat zou
moeten bevoogden. Maar in 1917, toen bleek dat de arbeiders de fabrieken
overnamen en de boeren het grootgrondbezit, ging het hem plotseling om de massa
die het lot in eigen hand nam en daardoor een begin maakte met het afsterven
van de staat. Dit blijkt uit zijn geschrift Staat en revolutie van 1917.
Blijkbaar speelde hij in op de gevoelens van de gewone mensen, die er geen trek
in hadden wéér allerlei te moeten. Toch greep hij nog in datzelfde jaar de
macht en hij stelde in 1920 een autoritaire partij- organisatie in - na de
opstand van de matrozen in Leningrad. Uiteindelijk ging het hem er dus toch om
de gewone mensen te dwingen zich te voegen naar zijn denkbeelden en was zijn
suggestie, dat het andersom zou moeten, slechts een handige tactiek om de
mensen mee te krijgen. Gaandeweg werden experimenten met nieuwe leefvormen, met
nieuwe onderwijsmethoden en een eerlijker verdeling van de beschikbare goederen
stopgezet en ontstonden weer de gebruikelijke elites. Toch was Lenin
geen bedrieger. Hij heeft al zijn krachten voor Rusland ingezet, maar ook hij
ontkwam niet aan het denken-van-bovenaf, zodat zijn opvattingen over het volk
niet zo erg realistisch waren. Zijn politieke conceptie daarentegen was
uitermate realistisch, hij had dan ook succes.
Een nadere beschouwing over de elites
Als men een week het nieuws op de TV volgt
is het gehele functioneren van de elites, in alle mogelijke vormen, in
kaart gebracht. Men heeft, vaak geheime, beslissingen over bewapening genomen;
men heeft besloten dat de armen het niet beter zullen krijgen; men zal de
boeren straffen als zij teveel voedsel produceren; men is overeen gekomen dat
de door de bevolking niet gewenste kerncentrales er toch zullen komen,
enzovoort. Je behoeft bepaald geen radicale revolutionair te zijn om deze
dingen op te merken en er lering uit te trekken. Maar slechts weinigen doen
dat, want het is vanzelfsprekend geworden dat de elites het wereldbeeld
bepalen. De bevolking onderwerpt zich aan de elites en vindt het
vanzelfsprekend dat die bepalen wat te doen en wat te laten en voorlopig
peinzen de mensen er niet over dat te veranderen, sterker nog: zij menen dat
het zo goed is omdat zij denken dat zij die elites (althans een deel
ervan) zelf gekozen hebben. Dat het voorlopig niet verandert ligt vooral aan de
gewone mensen zelf, die in hun denken meegezogen worden. Het is, bij het leren
begrijpen van de West-Europese cultuurontwikkeling, van groot belang dat wij
het verschil inzien tussen de cultuur als bovendrijvende elitaire macht en de
cultuur zoals zij zich, doorgaans nauwelijks bewust, heeft ontwikkeld in de
grote massa van gewone mensen. Vanuit de elitaire macht MOETEN de gewone mensen
altijd een heleboel dingen en is te zeggen dat zij onvermijdelijk gezien worden
als mensen die zo maar vanuit zichzelf niet deugen. Zij moeten dan ook
geregeerd worden en bestuurd, zij zouden er, zonder leiding een rommeltje van
maken. En de gewone mensen, op hun beurt, verzetten zich daartegen zonder dat
het hun gelukt het juk van zich af te schudden, omdat hun denken met de
elitaire macht van de cultuur méégezogen wordt. Bijgevolg vinden zij zelf dat
hun eigen verzet eigenlijk asociaal en ondemocratisch is en daardoor leggen zij
zich maar bij de gang van zaken neer...
De
zuiging van de elitaire cultuur
Als de gewone mensen denken over hun
cultuur in die zin dat zij er zo hun gedachten over hebben en er zich dus niet
werkelijk in verdiepen, hebben die gedachten dezelfde inhoud als die van de elites.
Dat is niet verwonderlijk als wij bedenken dat zij met die gedachte inhoud
opgevoed zijn, vanuit die gedachte inhoud onderwijs hebben genoten en vertrouwd
zijn gemaakt met de bij die inhoud behorende rechten en plichten. Het
kan dan niet uitblijven dat die zaak hen meezuigt: op de een of andere manier
willen zij graag ook tot een elite behoren en dat betekent dat zij zich
zullen beijveren om zich van hun medemensen af te zonderen en zich boven die
medemensen te stellen. Zij zullen proberen een pet op te zetten om daarmee
blijk te geven van hun hogere status. En zo ontstaat er ook tussen de gewone
mensen een machtsstrijd die de samenleving verdeelt en rijp maakt voor
onderdrukking van bovenaf. Maar wij moeten bij dit alles wel begrijpen dat het
is een zoeken van de elitaire cultuurinhoud, op grond van de ZUIGING daarvan,
en dat het niet om een wezenlijk GEGEVEN cultuurinhoud gaat. Het gaat eigenlijk
om een vreemde inhoud, een zaak die niet bij de gewone mensen behoort. Daarom
mislukt gewoonlijk dat zoeken van een hogere status, er ontstaat een MISLUKTE elite.
En juist op grond van die mislukking, die er fundamenteel in zit, hechten de
gewone mensen zich zo aan hun status en zijn zij soms bereid hun medemensen op
te offeren. Het gewoon-zijn van die mensen heeft in de praktijk dus minder
betrekking op hun GEDOE, dan op hun werkelijke culturele geaardheid. Vanuit die
geaardheid zonderen zij zich niet af van hun medemensen en verheffen zij zich
niet boven hen. Die geaardheid is gemoedelijk en dat wil zeggen dat de
cultuurinhouden verzonken zijn in het geheel van hun PSYCHISCHE werkelijkheid.
Het is voornamelijk een gevoelszaak. En vanuit dat gevoel is er geen behoefte
aan oorlog, geweld en vernietiging, geen behoefte aan het geestdrijven
van de godsdiensten en de ideologieën, geen behoefte aan grootschalige
bedrijvigheid... en wel behoefte aan rust, aan veiligheid, aan vrede en
gezelligheid. Binnen de psychische werkelijkheid springen er geen speciale
dingen-die-moeten naar voren, is er geen status en geen machtsbegeerte. Het zou
echter niet goed zijn als wij uit het bovenstaande zouden afleiden dat de
gewone mensen zo’n edele inborst hebben. In feite zijn zij op gemoedelijke
wijze precies dezelfde cultuur, zoals die bij de elites op een bepaalde
manier zelfbewust is. Bij de elites echter is die zaak afgezonderd, als
de maat gesteld en geldend als een hoger en dwingend principe. Romantisch
gepraat over de nobele proletariër, de goede landman en de liefdevolle
eenvoudige moeder vertekent alleen maar het beeld dat wij ons van de mens
maken. Vooral vanuit de socialistische traditie verschijnen veel van die
romantische voorstellingen. Maar twee wereldoorlogen, waarin de proletariërs
aller landen zonder veel tegenstribbelen elkaar uitmoordden, hebben wel laten
zien dat er nog wel iets anders speelt. Al is de cultuur op gemoedelijke wijze
aanwezig, het is toch een manifestatie van de cultuurfase van dit moment, met
alle erbij behorende misvattingen, vervreemdingen en ficties.
Je kunt zonder overdrijven stellen dat het
Duitse volk het voorbeeld was en is van de zuiging van het elitaire. Het is
bijna traumatisch te noemen, zoals vrijwel iedere Duitser naar een officiële
status hunkerde, en dat tegenwoordig, zij het op democratische wijze, nog
steeds doet. Er is niets mooiers dan het behoren tot de overheid, bij voorkeur
in posities die praktische machtsuitoefening mogelijk maken: bij de politie en het
leger. Dit trauma wordt bevorderd door de bijkans absolute autoriteit die de elites
zichzelf toekennen, mogelijk gemaakt door de patriarchale onderdrukking van het
gemoedelijke psychische...
Naar bladwijzers: Rechten en Plichten-1 Rechten en
Plichten-2 Rechten en Plichten-3 Rechten en Plichten-4 ; Russische
revolutie-1 ; de Russische
revolutie-2 ; Opgevoed-1
; Opvoeden-1 ; Opvoeden-2 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ; Beethoven,
Rembrandt en Dostojewski-( Cultuurdagers..? ) – De ÉLITES eigenen zich alles toe – pag.
1 t/m 3 ;
No. 4
Naar bladwijzers: Opgevoed-1 ; Opvoeden-1 ; Opvoeden-2 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ;
Grondprincipe van de ontwikkeling
De ontwikkeling vindt plaats langs de weg
van de voortplanting, en niet, zoals gewoonlijk gedacht wordt, doormiddel van
het doorgeven van informatie. Het ontwikkelingsproces is er alsof het een
BIOLOGISCH proces was en dat wil zeggen dat het als het ware domweg gebeurt.
Het is dus geen intellectueel proces, maar INHOUDELIJK is de zaak wel
intellectueel en dat verklaart het feit dat men gewoonlijk aan het doorgeven
van informatie denkt. Informatie behoort tot de inhoud van het zelfbewustzijn;
je kunt het een geestesinhoud noemen. Toch is het
wezenlijk ook geen biologisch proces; zou het dat wel zijn, dan zouden zich
LEVENS-PROGGRAMMA’S herhalen, telkens opnieuw en telkens volkomen vastgelegd.
Van ontwikkeling zou geen sprake zijn, hetzelfde zou telkens opnieuw gesteld worden.
Nu echter komt hetzelfde telkens ANDERS voor de dag en hebben we niet te doen
met een programma. Wat zich steeds opnieuw stelt is juist géén programma,
ontwikkeling is: zichzelf blijven en tegelijk veranderen. Dat behoort niet
thuis in het wordingsproces, noch in de evolutie van het leven. Pas als de
evolutie achter de rug is gaat de ontwikkeling optreden: iedere volgende
generatie is hetzelfde, namelijk mens, om tegelijk een beetje anders te zijn.
Dit komt, uiteraard, door het feit dat de mens ook nog zelfbewustzijn is. Als
er namelijk een nieuw mens ontstaat komt er een nieuw zelfbewustzijn voor de
dag en daarvan is het kenmerkende dat het volkomen vrij is, d.w.z. het is niet
geprogrammeerd, niet vastgelegd, niet beperkt - het is iets dat NIET-MATERIEEL
is (geest). Dat komt er voor de dag en pas daarna ontstaan er programmeringen,
via inprentingen in de eerste kindertijd, via opvoeding en onderwijs en via
eigen ervaringen. Dat gehele programma wordt opgelegd aan een VRIJ
zelfbewustzijn en dat kan alleen maar juist omdat het vrij is; was het dat
niet, men zou totaal niets bereiken met inprentingen, opvoeding, onderwijs en
het verwerken van eigen ervaringen. Het ingeboren programma zou zich gewoon
doorzetten! Naarmate iemand wijzer wordt lossen de programma’s zich in meerdere
of mindere mate op (de fundamentele vrijheid blijft doorwerken! ) en worden als
zodanig op hun beurt opgelegd aan de volgende generatie, die ze vanuit eigen
fundamentele vrijheid ook weer enigszins oplost, enzovoort... Langzaam maar
zeker voltrekt zich dus een bevrijdingsproces. En dat is het wezenlijke van de
ontwikkeling. Hoewel er dus voortdurend moraal, waarden, denkwijzen,
levenshoudingen en informatie doorgegeven worden, die alle het leven
conditioneren, is het ontwikkelingsproces juist het tegendeel daarvan: het is
een gestaag voortgaand BEVRIJDINGSPROCES dat zich voordoet als een biologische
zaak en tegelijk als een intellectuele zaak, zonder in feite een van beide te
zijn.
Het vanzelfsprekend-zijn van het
zelfbewuste
In de vroege kindertijd, voordat het kind
ik kan gaan zeggen en voordat het in staat is dingen te leren, wordt het kind
allerlei INGEPRENT - het woord kenden wij al lang voordat het een technische
betekenis kreeg in de elektronica, waar men met prints werkt die overeenkomst
vertonen met gedwongen denkwegen in ons zelfbewustzijn! De ingeprente gedwongen
denkwegen bepalen om te beginnen alles wat er in het kind omgaat: zij bepalen
wat het kind normaal zal vinden, wat het zal afkeuren of bestreven,
wat het logisch zal vinden, enzovoort. In dat licht zal het om te beginnen
alles bekijken en het zal dat VANZELFSPREKEND vinden. Het wéét eenvoudig niet
beter! Het zal het normaal vinden dat god bestaat, dat mensen met elkaar
trouwen, dat kinderen de naam van hun vader dragen, dat de wereld
getiranniseerd wordt door elites en noem verder maar op. En voor
diegenen die wat wijzer zijn geworden zal het steeds verbijsterend zijn om te
moeten constateren dat de mensen de meest simpele waarheden eenvoudigweg niet
kunnen begrijpen. Het is dat de ontwikkeling nu eenmaal zo is, anders zou je
kunnen zeggen dat de inprentingen dé grote handicap voor het realiseren van een
menswaardige wereld zijn. Dat de denkontwikkeling in de mensheid betrekkelijk
traag verloopt komt niet doordat de mensen dom zouden zijn, maar door de
inprentingen. Die, en niets anders, vormen de BLOKKADE, die in de loop van zeer
lange tijd door de mensheid opgeheven moet en zal worden. Die blokkade is dus
een complex van vanzelfsprekendheden, die ongemerkt geldig zijn, maar die in
feite tot de bedenksels gerekend moeten worden, en het is maar de vraag of die
bedenksels houdbaar zijn. Verreweg de meeste zijn dat in ieder geval niet!
Een eigen inbreng?
Omdat de inprentingen terechtkomen in een
volkomen vrij zelfbewustzijn is het steeds nog maar de vraag HOE zij er op
INWERKEN bij de éne of bij de andere mens. Omdat het vrije zelfbewustzijn een
verhouding is in een verschijnsel, in samengestelde materie, speelt de
biologische erfelijkheid wel degelijk een rol. Die bepaalt niet de MATE van
vrijheid: vrij is vrij, er zijn daarin geen graduaties denkbaar, maar die
erfelijkheid speelt wel een rol als het gaat om de vraag IN HOEVERRE die vrije
zaak in dat verschijnsel uit de voeten kan. En behalve die biologische
kwaliteit van het verschijnsel is er ook nog het complex van omstandigheden: is
er voldoende voedsel, is de omringende natuur niet al te ruw, zijn er veel
gevaarlijke ziekten, enzovoort. In hoeverre kan het vrije zelfbewustzijn uit de
voeten als een mens bijvoorbeeld in de moederbuik reeds ondervoed was? Toch
doen wij er goed aan als wij aan de aanleg van een mens geen absolute waarde
toekennen. Hoe ingrijpend de werking daarvan ook is, het vrije, zelfbewustzijn
heeft altijd de mogelijkheid de aanleg te neutraliseren. De mens is niet
gepredestineerd - zoals de calvinisten staande willen houden. Voor de mens
geldt er niets dat onontkoombaar is, behalve de dood. Al met al is te zeggen
dat de programmeringen de geestelijke en de erfelijkheid en de omstandigheden
de lichamelijke kant van de zaak zijn.
Nogmaals de gewone mensen
Hoewel het een feit is dat het
vanzelfsprekend-zijn van het zelfbewuste op zichzelf als een blokkade werkt, is
er tegelijk nog iets anders aan op te merken dat we positief zouden kunnen
beoordelen. Door de vanzelfsprekendheid namelijk blijft de hele zaak besloten
binnen een geheel, zodat er een betrekkelijk onverbrekelijke samenhang is
tussen alle elementen. Voor zover nu die samenhang gehandhaafd blijft, of
beter: dominant blijft, hebben we te doen met gewone mensen. Deze mensen raken
gewoonlijk uit hun doen door de al eerder besproken zuiging van het elitaire,
maar desondanks wordt hun grondgesteldheid gekenmerkt door het geheel. Anders
is het bij de elites: deze halen enkele elementen uit het geheel naar
voren, ontdoen die van de samenhang met de rest, en stellen ze vervolgens als
de maat. Zij doen het voorkomen alsof het in het leven en in de wereld daarom
zou gaan! Het gaat dan om een allesoverheersende en vooral ook DWINGENDE
gedachte, een elitaire cultuurgedachte. Deze komt wel voor in de
algemene voedingsbodem der cultuur, is er bijgevolg niet vreemd aan, maar hij
is er wel UITGELICHT en absoluut gesteld. Dat is in alle culturen het geval en
het zal duidelijk zijn dat hierin het TIRANNIEKE en het VERVREEMDENDE van elke
cultuur geworteld is. Bovendien ligt hier de grond voor de kilheid, de
meedogenloosheid en de hardheid waarmee cultuurwaarden door de elites
bij de gewone mensen afgedwongen worden, gewoonlijk doormiddel van wetten, die
met geweld gehandhaafd worden. De gemoedelijkheid en dat is het verzonken-zijn
in het psychische, is hier ver te zoeken, zoals de geschiedenis en de huidige
praktijk leert.
Bladwijzers: Opgevoed-1 ; Opvoeden-1 ; Opvoeden-2 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ;
Bladwijzers: Concurrentie-1 ; Concurrentie-2
De gemoedelijkheid
Het leven van de gewone mensen wordt
gekenmerkt door de gemoedelijkheid. Dat wil niet zeggen dat zij altijd even
gemoedelijk zijn, want zij kunnen elkaar het leven danig zuur maken doordat zij
zich mee laten zuigen door elitaire waarden die voor hen begerenswaardig zijn.
Vaak ook wordt er van die waarden gebruik gemaakt om hen op te hitsen tegen
zogenaamde vijanden, die - de geschiedenis bewijst dat - door de elites
tot vijand verklaard zijn. Gemoedelijkheid echter wil zeggen dat men van
zichzelf uit niet de drang heeft bepaalde inhouden van het zelfbewustzijn uit
het geheel te lichten om ze als de maat te stellen voor zichzelf en vooral voor
de medemensen. Het bestreven van deze normen en
waarden loopt zo’n vaart niet en over het algemeen is men er zich van bewust
dat de soep niet zo heet gegeten wordt als ze wordt opgediend. Bovendien zijn
de gewone mensen vaak van mening dat ze de kans niet krijgen om hogerop te komen,
zodat zij het daaraan meekomende concurrentiegedoe ook maar laten voor
wat het is. Zij zeggen tegen elkaar. Doe maar gewoon! Zoals gezegd komt het er
dus op neer dat er niets uitspringt uit het geheel van de zelfbewuste inhoud,
van het weten van de mensen. Maar bij de elites is dat niet het geval:
hele landstreken zijn uitgemoord omdat mensen weigerden te beantwoorden aan
normen, die de elites als de maat hadden gesteld. De zogenaamde
overheden zijn nog nooit gemoedelijk geweest, het is nooit voorgekomen dat het
zo’n vaart niet liep. Zozeer zijn de dienaren der overheid vervuld van
plichtsbetrachting (want zo heet dat!), dat het de gewone mensen verbaast als
er eens een enkele keer wat soepeler opgetreden wordt. Een geschikte kerel, een
menselijke ambtenaar en iemand met begrip, wordt er dan gezegd. Het viel
gelukkig een beetje mee! Blijkbaar verwachten ook de gewone mensen dat de elites
niet zo erg gemoedelijk zijn en dat is terecht: elites zijn keihard als
het gaat om de essentie van hun élitair-zijn - waag het niet om oneerbiedig te
zijn of ongehoorzaam, tast hun status niet aan want er zwaait wat... Als er
door een regering een beslissing genomen moet worden terwijl er verschillende
alternatieven voorhanden zijn, wordt onveranderlijk de harde oplossing gekozen:
toch kernraketten, toch kerncentrales, toch een abortuswet, toch euthanasie
verbieden, toch dienstweigeraars in de gevangenis, enzovoort. En men heeft het
dan over zijn plicht doen en over het recht, dat zijn loop zou moeten hebben en
bovendien zijn de elites ervan overtuigd dat het een rommeltje zou worden als
er niet regelend, d.w.z. DWINGEND, opgetreden wordt. Geen gemoedelijkheid dus!
Verzonken zijn
in het psychische
Hoe is nu de situatie als de inhouden van
het zelfbewustzijn binnen het geheel blijven, d.w.z. binnen het gehele pakket
van inhouden? De situatie wordt dan deze dat het de mens onmogelijk wordt de
dingen te doen die hij KAN doen, maar die, als hij ze doet, het geheel van de
werkelijkheid VERBREKEN. We moeten wel beseffen dat er NIEMAND is die ons kan
beletten een ander te vermoorden, te bestelen, te vernederen; dat er niemand is
die de mens kan beletten met een atoombom zijn medemensen te vernietigen of doormiddel
van vernuftige technieken de natuur te veranderen. Wij menen dat rechters, politie,
veiligheidscommissies en ethische normstelsels al die dingen verhinderen, maar
dat is slechts in schijn waar: voor elke schanddaad hebben de mensen altijd
argumenten gevonden en nooit heeft men zich iets aangetrokken van het feit dat
zoiets verboden was. Bovendien: van waaruit kwam men op het idee dergelijke
dingen te verbieden? Ligt daaraan een waterdichte en overtuigende redenering
ten grondslag? Zijn de normen van de ethiek logisch berekenbaar? Neen, dat zijn
zij niet! Uiteindelijk is alle ethiek een GEVOELSKWESTIE, en dat komt doordat
het gevoel is: de ervaring van het PSYCHISCHE in jezelf. Het psychische is er
op grond van het feit dat een mens, voor zover hij lichamelijk en dus materieel
is, meetrilt met zijn eigen BEWUSTZIJN, d.w.z. het trillende beeld van de
werkelijkheid in hemzelf. Het gevoel, als ervaring van het psychische in
jezelf, belemmert het uitvoeren van vernietigende handelingen. De mens is in
staat die handelingen te verrichten omdat hij letterlijk alles kan, maar als
het goed is doet hij het niet omdat zijn eigen psyche
hem dit belet. Zijn gevoel zegt hem dat je die dingen hebt te laten. Dat
gevoel, op haar beurt, wordt ook een zelfbewuste zaak (het is immers een
ervaring!) en daardoor kan een mens er over nadenken, zodat hij zelfs wel kan
gaan menen dat hij zijn eigen ethiek BEDACHT heeft, dat die ethiek een gevolg
is van een logische redenering. Maar geen enkele ethicus kan LOUTER REDENEREND
aantonen dat bijvoorbeeld het vermoorden van een medemens niet te pas komt.
Altijd wordt er een soort van geweten of een ingeboren redelijkheid of Gods wil
in gefrommeld en dat doet men omdat men geen weet heeft van het bewustzijn en
het psychische. Had men dat wel, men zou op de vraag waarom je de werkelijkheid
niet mag verbreken, antwoorden: mijn gevoel zegt het me en dat zou precies het
goede antwoord zijn. Het is echter een antwoord dat de moderne mens niet wenst
te aanvaarden omdat hij van mening is dat de werkelijkheid te BEREKENEN is en
dat het gevoel daar bijgevolg buiten valt. Dus hangt hij liever een verhaal op
over het geweten en dergelijke. De mens voelt de werkelijkheid aan, of, anders
gezegd: als mens voelt de werkelijkheid ZICHZELF aan. Overigens komt van dit
aanvoelen in de praktijk niet zo erg veel terecht omdat de meeste conditioneringen
er op gericht zijn dit aanvoelen te neutraliseren of in geheel andere banen te
leiden. Het is immers een uitermate gevaarlijke zaak! Bijna niemand is gediend
bij inzicht in de werkelijkheid, want het zou dan wel eens kunnen blijken dat
de door de mensen ingerichte wereld helemaal niet deugt! De INHOUD van het
zelfbewustzijn is op zichzelf een versnipperde zaak. Het is een HOEVEELHEID
kennis en dus is het een kwantitatieve aangelegenheid. In het zelfbewustzijn is
geen factor aanwezig die ervoor zou kunnen zorgen dat die hoeveelheid
versnipperde kennis tot één geheel wordt. Het zelfbewustzijn zelf is alleen
maar vrije beweeglijkheid, zodat de kennis alleen maar kan VERVLUCHTIGEN,
oplossen tot niets, opgaan in helderheid. Het zelfbewustzijn als helderheid heeft
niets met het geheel te maken, het begrip het geheel geldt alleen dan als er
samenstellingen, en dus verschijnselen, zijn. En die zaak vinden wij in ons
BEWUSTZIJN en hij wordt via de psyche
voelbaar. Hij kan ook, in de zelfaanschouwing, zichtbaar gemaakt worden, maar
daarover gaat het nu niet omdat dit op het terrein van het inzicht ligt en dat
is in onze cultuur taboe... Willen wij nu dat de INHOUD van het zelfbewustzijn
een samenhangende is die een onverbrekelijk geheel vormt, dan zal die hele zaak
overeen moeten komen met ons BEWUSTZIJN (de werkelijkheid als beeld in
onszelf), en dat kan alleen maar als het een gevoelszaak geworden is. Dat is de
betekenis van de uitspraak verzonken-zijn in het psychische. Dit verzonken zijn
geldt in sterke mate voor de gewone mensen, maar dat wil niet zeggen dat dit
uit wijsheid voortkomt. Zoals gezegd laten zij zich maar al te graag wegzuigen.
Vooral in de moderne westerse wereld zijn het de door de elites geschapen
omstandigheden die een belangrijke blokkade vormen voor het toetreden tot de elite
door de gewone mensen. Hierop komen wij uiteraard nog terug. Van belang is het
om het volgende in te zien: zo er al sprake kan zijn van een mogelijke redding
van de mensheid is die gelegen in het psychische; het zelfbewustzijn
vervluchtigt alleen maar tot nirwana...
Bladwijzers: Concurrentie-1 ; Concurrentie-2 Rechters-1-nr. 5 ; Rechters-2-nrs. 23 en 24
Bladwijzers: Concurrentie-1 ; Concurrentie-2 ; Joodse cultuur
; Joodse
cultuur-1 ;
De zuiging van het elitaire
Over het algemeen kan men zeggen dat de
meeste gewone mensen voorkomen onder de lagere maatschappelijke niveaus, maar
de term verwijst niet alleen maar naar die niveaus. Gewone mensen komen ook
voor in de zogenaamde hogere lagen van de bevolking, maar dan is meestal wel te
zeggen dat die mensen op de een of andere manier een BEWUSTE keuze gemaakt
hebben. Zij hebben zich afgewend van hun eigen milieu. Dus: de gewone mensen
komen in alle milieus voor, maar de milieus zelf zijn resultaat en afspiegeling
van het streven naar het elitaire. Zoals gezegd is het kenmerk van de gewone
mensen dat zij, vanuit zichzelf, niet de drang hebben zich te onderscheiden als
iets beters en iets hogers. Maar de zuiging van dat betere en hogere is er wel:
in belangrijke mate is de reclame toegesneden op die zuiging voor zover die de
mensen suggereert dat het drinken van bepaalde dranken, het nuttigen van
bepaald voedsel, het bezitten van een zeker merk automobiel, enzovoort, een
beter leven verzekert. Dat betere leven wordt onveranderlijk voorgesteld als
dat van de happy few, met alle daarbij behorende attributen, zoals mooie
vrouwen, motorboten, grasgazons en bepaalde sporten.
Was genoemde zuiging er niet, de reclame zou veel meer zijn wat ze behoort te
zijn, namelijk voorlichting. Nu echter wekt zij begeerte op en dat is nodig om
de omzet van de producenten te vergroten. De grote, dure auto wekt begeerte op
en zuigt de mensen weg uit hun gewone doen: zij hebben hem helemaal niet nodig
en de elites hebben hem ook niet nodig, maar deze laatsten bezitten hem
wel als symbool voor hun hogere status. We moeten de zaak vooral niet omkeren
en denken dat de gewone mensen die dure auto (als voorbeeld bedoeld) hebben
opgeleverd. Hij is opgeleverd door de elites, die blijk willen geven van
hun status en VERVOLGENS heeft hij de begeerte opgewekt van een groot aantal
gewone mensen. Wat wij tot nu toe hebben vastgesteld omtrent de elites
is niet bedoeld als een soort van linkse scheldpartij. Het gaat om het
herkennen ervan en het bepalen van de erbij behorende kenmerken. En dat is
nodig omdat een en ander zo essentieel is voor het begrijpen van de
West-Europese cultuur waarin almaar de werkelijke ontwikkeling onder de
oppervlakte blijft en dientengevolge voortdurend grote spanningen in de
maatschappij en de samenleving oproept. Spanningen omdat de elites
telkens weer blijken niet zo VOORBEELDIG te zijn als zij zich voordoen. Er is
meer reden om op de gewone mensen te mopperen dan op de elites omdat die
gewone mensen nog steeds niet door hebben hoe het zit, zich blindelings laten
meezuigen en mede daardoor de elites in stand houden! Als er gemopperd
zou moeten worden zou het daarop moeten zijn...
Het West-Europese machtsstreven
Elitair is het uitlichten van een bepaald
gedeelte uit het geheel van de cultuurinhoud en het vervolgens als de maat
stellen van dat bepaalde, er uit gelichte gedeelte. Het als de maat gestelde is
een HOGER principe waaraan een mens en zijn medemensen moet beantwoorden,
waarnaar zij zich moeten voegen. Zij moeten zich veranderen en zich aanpassen
aan dat principe. En hier ligt het begrip macht. Het jezelf en anderen dwingen
anders te worden, zich aan te passen aan het hogere. Voor zover een mens deze
dwang laat gelden oefent hij macht uit. Dit uitoefenen van macht is kenmerkend
voor de West-Europese cultuur, en dus zijn ook de macht uitoefenende elites
voor die cultuur typerend, reden waarom het nodig was er zo uitvoerig bij stil
te staan. En nu is de vraag aan de orde waarom men dat in de West-Europese
cultuur doet. Hierin spelen verschillende factoren een rol.
Het goddelijke individu
In de West-Europese cultuurontwikkeling
maakt zich het feit waar dat elke afzonderlijke mens er is als individu. Elke
mens is een ondeelbare eenheid, die er is ZOALS HIJ ER IS en die als zodanig
recht van bestaan heeft. Nu zou je denken dat die individu tevreden zou zijn
met zichzelf en met de anderen en iedereen in zijn waarde zou laten. Maar dat
is niet het geval omdat er voor die individu nog iets is gaan gelden dat er de
oorzaak van is geworden dat hij voor zichzelf wel het individu-zijn opeist, maar
het tegelijk aan de anderen ontzegt. Wat er is gaan gelden is het goddelijke.
Aan het begin van West-Europa was er voor de mensen gaan gelden dat zij zelf,
als bestaande mensen, al datgene zijn, dat zij voordien als het hogere, het
verhevene, het bovenaardse - kortom het GODDELIJKE hadden ervaren. Zoals wij
nog zullen zien kwam dat besef tot uiting in het christendom, en dan speciaal
het christendom in haar oorspronkelijke gedaante. Voor dat oerchristendom(zie ook badwijzer Oerchristendom in De ontwikkeling v/h Denken) was
immers het goddelijke mens geworden, zinnebeeldig uitgedrukt in de Christus.
Aan het begin van West-Europa krijgen we dus te doen met een mens, voor wie geldt
dat hij kan zeggen Ik ben er en voor wie bovendien geldt dat hij kan zeggen Ik
ben het goddelijke. Dit tezamen leidt er toe dat elke West-Europese individu
ZICHZELF als de maat kan stellen voor de overige mensen en op grond daarvan een
begin kan maken met de poging over de anderen macht uit te oefenen. Dit is het
begin van één voortdurende machtsstrijd van ALLEN TEGEN ALLEN, alweer: bij de
gewone mensen op een gemoedelijke wijze en bij de elites zelfbewust.
Niemand is dan ook onverschillig voor de machtsstrijd en daardoor kan het
elitaire dan ook zuigkracht uitoefenen op de gewone mensen. Die machtsstrijd
komt niet alleen voor de dag in de politiek, maar op alle terreinen van het
dagelijkse leven: tussen vrouw en man, tussen de kinderen op school, op de
werkvloer, overal is er concurrentie en wij vinden dat al zo
vanzelfsprekend dat wij zijn gaan denken dat het bij de MENS behoort, hetgeen
niet juist is.
Meestal heeft men niet in de gaten dat de
godsdienst een West-Europees fenomeen is. In andere culturen, de Islam even uitgezonderd,
kwam de godsdienst niet voor, wel echter het GELOOF
in allerlei goddelijke machten. Waarom het gaat is het woord dienst, dat wijst
op een stelsel van dienstbaarheden aan hoger gestelde machten. En als zodanig
is het typisch West-Europees. Het behoeft dan ook niet te verbazen dat het
goddelijke zelf er niet zoveel toe doet: tegenwoordig is het meer de
god van de economie en de politiek dan de oude god van de Joodse cultuur. Elke
als de maat gestelde norm kan goddelijk zijn, het goddelijke is
volledig uitwisselbaar, als het maar om een maatgevend principe gaat. Een ideologie
behoort daar ook toe. Dus: de West-Europese cultuur is een GODSDIENSTIGE
cultuur, met de nadruk op het woord dienst. Het draait om de dienstbaarheid en
dat is ook heel goed te zien bij de kerken, die gehoorzaamheid
als feitelijk eerste en enige eis stellen. In hun zogenaamde theologie wordt
niet over god nagedacht, maar over de gehoorzaamheid van de mensen en die wordt
dan zo logisch mogelijk onderbouwd om overtuigend te zijn. Andersdenkenden
werden en worden niet zozeer verketterd om hun denkbeelden, maar om de
ongehoorzaamheid daarvan. De godsdienst moet BELEDEN worden! In de
West-Europese cultuur wordt steeds over geloven gesproken, maar in
werkelijkheid is die cultuur ONGELOVIG. Het woord geloven
betekent voor de West-Europeaan dat men iets aanneemt op gezag van, dat men
bereid is iets voor waar te houden, dat men gehoorzaam gelooft wat er gezegd
wordt door pastoor of dominee. Dit geloven is dus ook door en door verweven met
gezag en derhalve ook met macht.
De kerkgeschiedenis geeft daarvan dan ook ruimschoots blijk, het is eigenlijk
de geschiedenis van een meedogenloos machtsstreven - tot op de dag van vandaag.
Bladwijzers: Elite(1) De onechte cultuurontwikkeling nrs.1
t/m 6 ; de politieke elites(2) – 15 t/m 17(SS) Concurrentie-1
; Concurrentie-2
; Joodse cultuur ; Joodse
cultuur-1 ; ISLAM-1
; ISLAM-2 ; ISLAM-3
;
Bladwijzers: Mystiek-1(nrs7 t/m8) Mystiek-2 Mystiek-3 Mystiek-4 Mystiek-5 Mystiek-6
De
ongelovige West-Europese cultuur
Het is typerend voor de West-Europese
cultuur dat er niet uitgegaan wordt van een INZICHT in de werkelijkheid als
GEHEEL en daarom kunnen wij van die cultuur zeggen dat zij ongelovig is. De
maat ligt niet bij het ZIEN van het geheel, het besef daarvan ligt niet meer op
de voorgrond. Het heeft plaats gemaakt voor het besef dat de werkelijkheid uit
allerlei dingen en mensen bestaat. In feite gaat het nu over de INHOUD van het
geheel. De afzonderlijke mensen en dingen komen in de belangstelling te staan.
Het individuele breekt door: JIJ en IK zijn nu de realiteiten geworden. Als het
gaat over inzicht in het geheel hebben wij te doen met een beschouwingswijze
die als het ware naar binnen gericht is. Daarbij worden de mensen en de dingen
wel van elkaar onderscheiden, maar dat gebeurt binnen de samenhang van het
geheel. Zij komen niet LOS van elkaar. Gaat het echter over de inhoud van het
geheel, dan beschouwt men de mensen en de dingen vanuit één grootheid van die
inhoud: men bekijkt de zaak van het één naar het ander, men gaat het één met
het ander vergelijken en het ander is voor het één een OBJECT geworden. Je zou
hier kunnen spreken van een onderzoekende gesteldheid, terwijl de gesteldheid
die gegrond is in het inzicht in het geheel een beschouwende genoemd zou kunnen
worden. Van deze beschouwende gesteldheid is de basis dat de mens zelf de
werkelijkheid is (of hij dit nu weet of niet!), terwijl de basis van de
onderzoekende gesteldheid daarentegen gelegen is in de opvatting dat de mens
zelf IETS ANDERS IS dan de overige mensen en dingen. Die overige mensen en
dingen ben jij zelf niet, zij zijn iets anders dat buiten jou staat, dat om je
heen is. Het is voor jou de BUITENWERELD, maar voor de beschouwende mens is het
de BINNENWERELD. Over het algemeen weten de beschouwende mensen natuurlijk geen
raad met hun binnenwereld, zij zien die werkelijkheid wel maar weten niet hoe
het daarmee zit en daardoor komen zij met allerlei vormen van
MYSTIEK. Dat zijn verhalen over de binnenwereld, verhalen die zij als de
waarheid beleven. Het zijn voor hen realiteiten. En dit realiteit-zijn van een
verhaal, een mystiek verhaal, dat
gebaseerd is op inzicht in de werkelijkheid als geheel, is, wat ik zou willen
noemen: geloof. Een voorbeeld daarvan vindt men in de Russische cultuur
en dan speciaal zoals die getekend is door Dostojewski. Christus was voor die
mensen een realiteit, hoewel het natuurlijk een verhaal is over, een
verbeelding is van een verhouding binnen de werkelijkheid. Voor zover de
Russische mens dit verhaal, deze verbeelding, leert BEGRIJPEN, treedt er
atheïsme op, zoals bij Iwan Karamazow het geval was.
Dit atheïsme heeft dezelfde inhoud als het geloof, maar het is nu een begrepen
inhoud. Doordat de inhoud dezelfde is, liggen in de Russische cultuur geloof en
atheïsme zo dicht bij elkaar dat het in iemand een conflict kan opleveren. Dat was
bij Iwan Karamazow het geval. Van belang is dit: het
geloof is geworteld in inzichten in de werkelijkheid zelf als een vrouwelijk
geheel, verbeeld in mystieke
verhalen. En deze worden als de Waarheid gezien en gevoeld, zonder dat er ook
maar één mogelijkheid is die waarheid aan te tonen zoals het ook onmogelijk is
de waarheid van een kunstwerk aan te tonen. Het gaat hier om wetenschap, het
weten van een Ongrijpbare werkelijkheid. Voor een West-Europees mens, beschouwd
vanuit zijn cultuur, geldt dit zien en voelen van de waarheid niet. Hij weet
niet hoe de werkelijkheid is, zoals inmiddels dan ook wel duidelijk is geworden!
Het gaat hem om de AANTOONBARE werkelijkheid, die als een onderzoekbaar
geval om hem heen staat. Dat heeft niets meer met geloven te maken: de
West-Europeaan is door en door ongelovig en hij is aangewezen op het
aantoonbare. Hij moet van een waarheid overtuigd worden door haar aan te tonen
en als dat inderdaad gelukt spreekt hij van geloven. De betekenis hiervan is
derhalve dat hij AANNEEMT dat iets waar is. Daarvoor is nodig dat men met
argumenten komt die voor hem steekhoudend zijn. Argumenten die ontleend zijn -
uiteraard - aan de hem omringende werkelijkheid van dingen en mensen. Je ziet
dat in de gehele West-Europese cultuur: steeds maar weer zijn de mensen bezig
zichzelf en elkaar van allerlei waarheden te overtuigen, zowel godsdienstige als
humanistische, zowel gefantaseerde als wetenschappelijke, zowel redelijke als
onredelijke...
Bladwijzers: Gekwetst worden ; Vernederd en
gekwetst ; Gekwetst in hun rechtvaardigheidsgevoel ;
Je kunt een niet gelovig mens
alleen maar overtuigen met argumenten. Vandaar dat bijvoorbeeld de christelijke
godsdienst beschikt over een uitgebreid arsenaal van theorieën om de mensen
zover te krijgen dat zij aannemen dat het waar is wat er door de
vertegenwoordigers van die godsdienst gezegd wordt. Die theorieën draaien
allemaal om concrete zaken (de wereld der dingen) omdat daarin voor de
ongelovige de bewijskracht ligt: Christus moet echt bestaan hebben, de wonderen
moeten echt gebeurd zijn en god moet als een bestaand mens van allerlei wensen,
door allerlei zaken gekwetst worden, wraak nemen en hulp bieden,
enzovoort. De overtuigingskracht van de West-Europese godsdienst ligt in het
als echt bestaand voorstellen van de godsdienstige inhouden. Voor zover dit
gelukt is de West Europeaan bereid aan te nemen dat het allemaal waar is:
hij gelooft het. Hetzelfde geldt voor de wetenschap, maar er is één belangrijk
verschil: de argumentatie voor wetenschappelijke waarheden is anders.
Deze berust namelijk op ONDERZOEK en is daarom typisch West-Europees. Deze
cultuur heeft immers een onderzoekend karakter! Terwijl de godsdienst
een stellend karakter heeft. Op grond van dit onderzoek wordt telkens
datgene dat men gelooft (= aanneemt) ontzenuwd ten gunste van een nieuw geloof,
enzovoort totdat de waarheid aan het licht komt. Voor de West-Europese mens
moet alles aangetoond worden. Dat betekent dat hij de aangevoerde argumenten
werkelijk als ARGUMENTEN moet zien. Om hem zover te krijgen moet hij
geconditioneerd worden; er moet bij hem een programma ingebracht worden dat er
voor zorgt dat het als logisch voorgestelde voor hem ook inderdaad logisch is.
Dat programma is een gehoorzaamheidsprogramma. Als iemand gehoorzaam is, zijn
lesje geleerd heeft, is hij al bij voorbaat bereid alles aan te nemen wat er
gezegd wordt. Reden waarom men juist in de godsdienst zo’n behoefte aan
conditionering heeft. Je behoeft dan niets echt aan te tonen. Je beroept je op
je gezag. Het conditioneren is dus essentieel voor de West-Europese cultuur
omdat de mensen overtuigd moeten worden. Het gaat echter niet alleen om het
gehoorzaam maken, het gaat ook om het aanleren van een bepaalde wijze van
denken die een zeker soort logica voor de mensen inderdaad logisch maakt.
Wetenschapsmensen bijvoorbeeld zijn fundamenteel ongehoorzaam, zij willen de
zaken zelf onderzoeken. Maar zij hebben wel een bepaalde wijze van denken
aangeleerd en daarin schuilt voor een belangrijk deel de oorzaak voor de
moeilijkheid om nieuwe denkbeelden ingang te doen vinden. Men heeft eenvoudig
niet geleerd om anders te denken zodat het nieuwe onzinnig gevonden wordt. In
de politieke en economische werkelijkheid wordt ook maar voortgeborduurd op het
oude stramien en elke nieuwe mogelijkheid wordt als onhaalbaar en onrealistisch
van de hand gewezen. Het zo noodzakelijke aantonen van waarheden verloopt dus
niet zo objectief als je zou verwachten en dat vindt zijn oorzaak in het feit
dat het in West-Europa ook nog om de MACHT gaat, op grond van het goddelijke
individu. Die macht is geen méékomend verschijnsel, het is de essentie van onze
cultuur. Vandaar dat alle onderzoek, hoe voortreffelijk op zichzelf ook, op
directe of indirecte wijze aan de macht onderworpen is en daardoor voorlopig
niet in staat is werkelijk succes te boeken...
Bladwijzers: Mystiek-1(nrs.7t/m7) Mystiek-2 Mystiek-3 Mystiek-4 Mystiek-5 Mystiek-6
; Gekwetst
worden ; Vernederd
en gekwetst ; Gekwetst in hun rechtvaardigheidsgevoel ;
Bladwijzers: Opgevoed-1 ; Opvoeden-1 ; Opvoeden-2 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ;
Een nadere toelichting
Als iemand inzicht heeft in de
werkelijkheid als geheel, en dat wil zeggen dat hij ziet en voelt HOE de
werkelijkheid is, is het nog helemaal niet zeker dat hij die werkelijkheid ook
begrijpt. Er is zelfs te zeggen dat de mensen aanvankelijk helemaal niets van
de werkelijkheid begrepen. Het gevolg daarvan is dat zij doormiddel van
allerlei verhalen met symbolische figuren en dergelijke probeerden een BEELD
van de werkelijkheid en de daarin aanwezige verhoudingen te geven. Voor zover
voor die mensen dat beeld een realiteit is, een onontkoombare levende
werkelijkheid, spreek ik van geloof. Dergelijke gelovige mensen zijn
verhalenvertellers, de cultuur van de oudheid, van het oosten, van de negers en
van de indianen wemelt dan ook van de verhalen. En dat is ook het geval in het
Russische cultuurgebied. Voor de West-Europese mens ligt er niet meer de vraag
hoe de werkelijkheid IS, voor hem gaat het om de vraag hoe die werkelijkheid IN
ELKAAR ZIT. Met het voor de dag komen van deze zaak vervalt het vermogen om verhalen
te vertellen (ook in de literatuur) totdat het ook in de kunst alleen nog maar
Om analyses gaat. Analyses die als een verhaal verpakt worden doormiddel van
een opeenvolgende reeks van gebeurtenissen. Ook het zogenaamde geloof van de
West-Europese mens baseert zich op een opeenvolging van gebeurtenissen, waarvan
men aan moet nemen dat zij echt plaatsgevonden hebben. Meer inhoud heeft dat
zogenaamde geloof niet en dat blijkt duidelijk uit het gedrag van de
West-Europese gelovigen: nimmer laten zij hun zogenaamde waarheden gelden in de
praktijk van het leven, altijd kiezen zij de harde oplossingen, zijn zij uit op
eigen voordeel en het eigen gelijk. Het zijn juist de zogenaamde gelovigen die
steeds weer onverzoenlijk bleken te zijn en zo de mensen tot oorlogen dreven.
De inhoud van het zogenaamde westerse geloof is uitermate banaal. Als je
aannemelijk kunt maken dat god echt zijn zoon naar de aarde gestuurd heeft en
dat hij echt ten hemel gevaren is, echt wonderen heeft verricht en uit de dood
is opgestaan, dan gelooft de westerling. Het is een AANNEMEN dat iets feitelijk
waar is. En vervolgens worden die zogenaamde feitelijkheden in een causaal
verband geplaatst in en door de theologie en zo ontstaat datgene dat voor
West-Europa typerend is: de GODSDIENST. In die godsdienst gaat het om de
dienstbaarheid, het zich onderwerpen aan zaken die als hoger voorgesteld
worden. Het gaat niet om de inhoud van het godsdienstige verhaal, het gaat niet
om een reële werkelijkheid en niet om inzicht - het gaat om de dienstbaarheid
aan het hogere. En het bestaan van dat hogere wordt aangetoond met een beroep
op de bijbel zonder dat daarbij argumenten worden aangevoerd. De bijbel is het
argument en dat is zelfs nog het geval in de moderne en inderdaad zeer
menselijke bevrijdingstheologieën. Die bijbel is de
geschreven manifestatie van het hogere en als zodanig is die natuurlijk niet
kritisch te benaderen. Er is daarvoor geen argumentatie nodig en dat vind je
dan ook niet in de gehele westerse theologie. Zodra dat wel zou gebeuren,
bijvoorbeeld in de filosofie van Nietzsche, gaat god onmiddellijk dood. Hetgeen
niet als een belemmering wordt gezien om dan een nieuwe god te verzinnen De
westerse mens moet met argumenten overtuigd worden omdat hij in wezen ongelovig
is: hij ziet niet hoe de werkelijkheid is. Maar om te kunnen overtuigen moet de
ongelovige vertrouwen hebben in die argumenten en om dat tot stand te brengen
zijn er de conditionerings-mechanismen. En die spelen juist in de West-Europese
cultuur de hoofdrol. Dat betekent dat al datgene dat men de mensen, van ouder
op kind, wijsmaakt inzake de hogere werkelijkheid, er als een
vanzelfsprekendheid ingebakken zit. Het is letterlijk ingeprent. Met als gevolg
dat de wijsgemaakte inhouden het karakter van een realiteit krijgen. Men
behoeft daarvan niet meer overtuigd te worden: men is bij voorbaat al
overtuigd. Het gaat om een vanzelfsprekende waarheid. Daardoor gaan de
overtuigde mensen denken dat zij het allemaal echt geloven, zoals bij een
inzicht het geval is. Dat is de reden dat men hetzelfde woord gebruikt: geloof.
Maar, wel degelijk met een andere betekenis omdat het geloof van de westerling
geconditioneerd is. Dat geconditioneerde geloof brengt natuurlijk op zijn wijze
allerlei gevoeligheden teweeg, zoals ontroering, begeestering en solidariteit.
Men voelt zich veilig bij Jezus en opgenomen in het huis van de Vader, men
voelt zich in moeilijke omstandigheden getroost en beschermd. Maar nogmaals
(het is van het allergrootste belang dit niet uit het oog te verliezen): alles
is het gevolg van een conditionering en niet van een reëel inzicht. Bijgevolg
wordt diezelfde Jezus gemakkelijk de laan uitgestuurd als alles een beetje
tegenzit en men daardoor tot bepaalde andere inzichten is gekomen, wat in feite
betekent dat men (onbewust) zijn conditionering bijgesteld heeft. Overigens:
dit verschijnsel kwam al voor bij de oude Germanen, die bij wanprestatie ook
een godheid afschaften. In ieder geval wordt het geconditioneerde geloof
gekenmerkt door KINDERLIJKHEID: het zich overgeven aan de beschermende vader,
die tegelijk een strenge vader is en die de normen stelt en het gedrag van het
kind oordeelt. Het feit dat de westerse gelovige zijn relatie tot god als een
kind-vader verhouding ervaart wijst onmiskenbaar op een conditionering in de
vroege kindertijd. Er is geen sprake van dat deze kinderlijke gelovige zijn god
beleeft als het grootse, het oneindige, het niet-meer-bepaalde. En hij beleeft
hem ook niet als het voorbeeldige, hetgeen blijkt uit de eigenschappen die de
westerling zijn god toekent: jaloers, wrekend, gauw beledigd, egocentrisch,
enzovoort. Behoudens bij enkele mystici
is voor de westerling zijn god een benepen, arrogante en tirannieke OPPERHEER,
die voortdurend tevreden gesteld moet worden. Het zijn allemaal voorstellingen
uit de kinderwereld... Van deze voorstellingen is bijna niet af te komen, zoals
iedereen weet die afstand heeft genomen van zijn godsdienstige opvoeding. Veel
humanisten en vrijdenkers denken exact op dezelfde wijze als de godsdienstigen, alleen met een ander object. Van de
conditioneringen kom je niet gemakkelijk af, en dat is zeker geen zaak van
verstandelijk denken alleen! De godsdienst is een MACHTSSTELSEL, omdat het de
mensen gedienstig maakt aan een hogere macht. De mensen moeten zich voegen naar
die macht, zij moeten anders worden dan zij zijn. Waar zo’n machtsstelsel
opereert kan geen geloof (in de zin van inzicht in het geheel) aanwezig zijn;
de West-Europese cultuurmens is ONGELOVIG. Een illustratie hiervan vinden we
bij het Hindoeïsme, dat, zij het enigszins verwaterd, nog steeds leeft.
Het gaat in het Hindoeïsme om het één worden met de werkelijkheid als
heldere, vluchtige, dansende zaak. Dat betekent dus: geloof. Maar binnen dat
geloof moet een ieder maar zien hoe hij dat klaarspeelt. Er is dus een vrijwel
onbeperkte tolerantie. Ieder moet maar zien hoe hij zichzelf als het goddelijke
waarmaakt en het zou juist fout zijn zichzelf te moeten veranderen. Resultaat:
een godsdienstig machtsstelsel is in principe onmogelijk - wat natuurlijk niet
wil zeggen dat individuele priesters geen macht uitoefenen als zij de kans
krijgen! Maar voor zover de Hindoe gelooft ziet hij hoe de werkelijkheid
is, en die werkelijkheid is hijzelf. Er is dus geen dwang tot veranderen,
d.w.z. géén macht. Aan datgene dat je zelf bent kan je niet dienstbaar zijn.
Aan werkelijkheid die boven je staat en die hoger is kan dat wel, moet dat
zelfs. Behalve het Hindoeïsme zijn er natuurlijk meer voorbeelden die
laten zien dat geloof en godsdienst elkaar in principe uitsluiten: de cultuur
van het Russische volk is doordrenkt van geloof en dat is in niet onbelangrijke
mate de oorzaak van de wrijvingen met het Westen...
Bladwijzers: Opgevoed-1 ; Opvoeden-1 ; Opvoeden-2 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ; Mystiek-1(nrs7t/m8) Mystiek-2 Mystiek-3 Mystiek-4 Mystiek-5 Mystiek-6
Bladwijzers: Joodse cultuur ; Joodse cultuur-1 ;
De godsdienstige voorstellingen
Opmerkelijk is dat de voorstellingen,
waarvan het christendom zich bedient, allemaal uit de oudheid stammen. Sommige
daarvan gaan zelfs terug tot in het grijze verleden, zoals bijvoorbeeld de
maagd met het kind en de opstanding uit de dood. En dan is er ook nog het beeld
van de heelmeester, die het vermogen zou hebben de gehele werkelijkheid weer
gezond te maken. Wat er in dit verband over de Westerse Christus verteld wordt
komt nauwkeurig overeen met de oude verhalen over Dionysos en Asklepios. De cultus van Maria is eigenlijk die van de
Egyptische godin Isis, enzovoort. Behalve die voorstellingen zijn het ook de
rituelen en sacramenten, die al lang in zwang waren voordat de christelijke
kerk ze voor zich opeiste met de pretentie dat het iets nieuws zou zijn: het
rinkelen van een belletje tijdens de mis, het symbool van het kruis en van het bloed,
het symbool van de goede herder met het lam. Ook was de hostie al lang bekend
als symbool van het brood, dat op zijn beurt weer een vervanger was van het
lichaam. Hoe dan ook, al die voorstellingen, symbolen en rituelen, die in de
eerste eeuwen van onze jaartelling door de kerk van Rome tot goddelijke zaken
werden verklaard, behoorden tot het erfgoed van de Oudheid zoals dat in Rome
bijeengekomen was, nadat het zijn spirituele inhoud feitelijk al verloren had.
Het was al lang geen GELOOFSZAAK meer, in de zin van een op inzicht berustende
realiteit. Geen wonder dus, dat men niet of nauwelijks begreep waarover het
ging en dat was zelfs al het geval met de Evangelische verhalen, die eigenlijk
toch nog betrekkelijk jong waren. Men greep terug op tradities, op
intellectuele inhouden en allerlei uiterlijkheden, en niet op oude INZICHTEN.
Het is van groot belang dit laatste goed in de gaten te houden.
Het aspect van de macht
Aan het begin van Europa krijgen we te
doen met een mens die er als individu is, zij het in principe en dus nog niet
uitgewerkt. Dat is een heel andere mens als die van de Oudheid, voor wie de
werkelijkheid in de eerste plaats één in zichzelf besloten geheel was dat zich
afspiegelde in elke afzonderlijke mens: de mens als microkosmos. Als nu macht
betekent: de wil om vanuit een hoger principe jezelf en anderen te dwingen aan
dat principe te beantwoorden, is de vraag te stellen hoe die microkosmische mens dit beleefde. Welnu, die mens beleefde
dat helemaal niet, omdat er nog geen scheiding bestond tussen de afzonderlijke
mens en het geheel, het goddelijke. Die mens was nog niet BUITEN het goddelijke
gaan staan, het gold voor hem als zijn eigen vervolmaking en als zodanig was
het wel begerenswaardig, de moeite waard om er in terecht te komen, maar het
was geen hogere, boven en buiten de mens staande oppermacht. Dus ontbrak de wil
om aan hogere normen te beantwoorden. Die ontbrak ook ten aanzien van de medemens,
men oefende over elkaar geen macht uit. Als er echter van macht sprake was,
gold dit een machtsstrijd tussen vorsten, die ieder voor zich de eer opeisten
de enige werkelijke vertegenwoordiger te zijn van het geheel. In feite eisten
zij dus de gehele wereld op: zij spanden zich voortdurend in de wereld te
veroveren. Macht berust op een tweeledige SCHEIDING: de scheiding tussen het
hogere en de rest en de scheiding tussen de afzonderlijke mensen, die uit HET
GEHEEL getreden zijn. Als de inhoud van het geheel zich gaat laten gelden wordt
het goddelijke een UITWENDIGE zaak, terwijl de inhoud een verzameling van
losstaande elementen (mensen en dingen) wordt. De mensen gaan dan IK zeggen en
zich onderscheiden van NIET-IK. Bovendien ontstaat de verbinding: ik en het
goddelijke. Ieder claimt voor zichzelf het hogere. Nu was dat hogere inmiddels
ontwikkeld tot de volslagen abstractie. Die volslagen abstractie vinden wij in
de Joodse cultuur
als Jahwe, die geen naam had, geen vorm en geen bestaan. Hij was een verterend
vuur. In Jahwe is al het bestaande ontkend. En dat gebeurt in de vorm van de
ontkenning: er wordt gezegd wat hij allemaal NIET is. Later echter gaat men
zeggen wat die abstractie wel is: hij is het ineen-zijn van alles wat er is,
mits alles van zijn bestaan ontdaan is, d.w.z. teruggebracht is tot nietigheid,
geen eigen vorm of persoonlijkheid meer bezit en niet meer stoffelijk is. Deze
niet-stoffelijke liefde (=ineen-zijn) wordt nu de god van de afzonderlijke
mens, die uit het geheel getreden is. De volgende stap is deze dat die
afzonderlijke mens zijn god tot mens laat worden en daarmee god in zichzelf
opneemt. Gebeurd is in feite het volgende: 1. de mens is zelf het geheel; 2. de
mens treedt uit het inmiddels abstract geworden geheel (ik en god) en 3. de
mens neemt het geheel in zich op ( God is mens geworden). Het onder 3. vermelde
komt voor de dag in het Oerchristendom.
Hierbij ligt de nadruk op god: ik ben het goddelijke. Maar er is ook nog een
andere mogelijkheid, namelijk: IK ben het goddelijke. Dit komt voor de dag in
het ROOMSE christendom. En hier begint de macht van individuele mensen over
elkaar, want ieder acht zich hoger dan de ander op grond van eigen
goddelijkheid. Die in de mens opgenomen god is namelijk nog steeds het hogere
omdat hij van buitenaf komt: uit hoge hemel daal ik neer.. Het gaat er nu niet
meer om het goddelijke deelachtig te worden, mezelf te vervolmaken, maar het
gaat om de macht. Ik ben de dienstknecht des Heren en als zodanig ben ik
machtig en eis ik gehoorzaamheid. Ik ben het hoogste wat er is.
Als Europa begint zet de ontwikkeling in
van de mens als IK en die IK is een machtsfiguur omdat hij een dienstknecht des
Heren is. Hij heeft het niet over het feit dat WIJ in dienst van god staan -
dan zou het wellicht wat gemoedelijker zijn toegegaan in Europa. Maar de
individu is zich aan het ontwikkelen en dus gaat het steeds om MIJ. En IK ben
altijd de maat voor alle anderen. Het gaat mij om MIJ. En iedereen zal zich
daarnaar schikken. Voor het uitoefenen van macht zijn machtsmiddelen
noodzakelijk en dat gelukt alleen maar als men de beschikking heeft over een
maatschappelijk instituut dat door het aantal deelnemers geweld kan gebruiken.
Zo’n instituut was in het beginnende Europa voorhanden in de vorm van het
Romeinse rijk. Dit rijk was een geweldsinstituut, het berustte eenzijdig op
wapengeweld en in geen geval op een hoger principe. De Romeinen dwongen de
onderworpenen niet zich te voegen naar iets hogers (= machtsuitoefening), maar
naar het geweld van de wapenen. Voor het hogere waren zij onverschillig, reden
waarom allerlei vormen van geloof vrijelijk uitgeoefend konden worden. Ook de
republikeinse staatsvorm wijst op het ontbreken van een maatgevend hogere. Pas
bij de vergoddelijkte keizers begint het maatgevend hogere zich te manifesteren
en dat loopt al spoedig uit in het tot staatsgodsdienst verklaren van het
christendom. De Romeinen waren er niet op uit de onderworpenen tot
dienstbaarheid aan een god te dwingen. Zij lieten elke cultuur in haar eigen
waarde, mits zij boog voor de wapenen. Het ging om bezit, de Romeinen waren
rovers die alles wilden inpikken en daartoe geweld gebruikten, maar zij waren
(aanvankelijk) geen MACHTHEBBERS. Zij drongen geen ideologie noch een
godsdienst op. Zij probeerden alles te verzamelen. En dat laat zich niet rijmen
met macht die het bestaande vernietigt om het naar zijn hand te zetten. Een
verzameling vooronderstelt de erkenning van de verschillen tussen de
samenstellende delen en niet het opheffen van die verschillen. Daarom was er
ook de senaat, een verzameling verschillende bestuurders, die later
machthebbers werden en zich omzetten tot de Roomse kerk.
Bladwijzers: Joodse cultuur ; Joodse cultuur-1 ;
Buiten het geheel treden (het noodzakelijke
kwaad; rob van es)
Aan het einde van de Oudheid treedt er in
de ontwikkeling van de mensen een omwenteling op. In de cultuuruitingen van de elites
is daarvan voorlopig nauwelijks iets te merken omdat zij, zoals gebruikelijk,
vasthouden aan datgene dat als maatgevend uitgelicht is uit het volledige
cultuurgoed van de mensheid. Dit cultuurgoed zelf echter, dat verzonken ligt in
het psychische, verandert ingrijpend. De essentie van die omwenteling in de
ontwikkeling is de volgende: de individualiteit van de mensen, die eerst verzonken
lag in het geheel van de werkelijkheid en daarin als het ware naamloos aanwezig
was, wordt nu datgene waarom het gaat. Dat betekent dat de inhoud naar voren
gaat komen, en dat is de werkelijkheid die bestaat uit ditten
en datten, de werkelijkheid als het één en het ander.
Hiervoor geldt dat het één BUITEN het ander ervaren wordt, er is nu een uiteen-zijn
gaan optreden. Voorheen waren beide in-een in het
geheel. In deze situatie waren de mensen niet los van het geheel, zelfs als
zij van zichzelf vonden dat zij aan het grootse en goddelijke van dat geheel
niet volledig beantwoordden. In laatste instantie beleefden zij dat goddelijke
als een zaak die zij zelf waren, een zaak waarin zij tenslotte zouden uitlopen.
Een zaak waartoe zij zich zouden vervolmaken. Als het één buiten het ander
ervaren gaat worden komt ook het geheel buiten de individuele mens te staan.
Voor deze mens gaat nu gelden: ik en het goddelijke en die twee grootheden zijn
van elkaar gescheiden. Het goddelijke is nu niet meer mijn werkelijkheid, maar
een andere die mij te boven gaat. En in deze verhouding gaat het allemaal om
MIJ, omdat IK degene ben die uit het geheel naar voren is getreden. Ik kan nu
dus gaan spreken van mijn god, als zou het om iets gaan dat mijn bezit
is, iets wat bestaat ter wille van mij. Gods zoon is naar de aarde
gekomen ter wille van mij, hij is in mij neergedaald. Dit betekent voor mij dat
ik nu méér ben dan de ander; ik ben in zekere zin uitverkoren omdat god met mij
is. Intussen is het een feit dat ditzelfde ook voor de ander geldt, maar
daarmee heb ik niets te maken omdat het allemaal is gaan draaien om mij als
individu. En nu is het op deze gesteldheid dat het westerse christendom als
godsdienst is gebaseerd. Hoewel deze godsdienst het voorstelt alsof god er voor
iedereen zou zijn, zodat iedereen wat dit betreft gelijk is, ligt de zaak in
feite zo dat iedereen die god voor zichzelf claimt, er een particuliere zaak
van maakt. En deze particuliere zaak is er een van MACHT. De individu kan zich
op zijn god gaan beroepen en daarmee macht gaan uitoefenen over de ander,
waarmee hij niet meer ineen is binnen het geheel, maar waar hij nu buiten
staat, volledig gescheiden en zonder samenhang. Vergeleken bij de gesteldheid
van de Oudheid is die van de nieuwe tijd zo anders, dat je van een omwenteling
kunt spreken. Dat heeft men in het Westen altijd al aangevoeld, vandaar dat men
aan de Oudheid een duidelijk eindpunt toekent en de historische tijd met dat
eindpunt laat beginnen.
Het
Romeinse rijk, Europa en de godsdienst
We hebben al gezien dat het Romeinse rijk
eigenlijk geen machtsinstituut was, maar een geweldsinstituut. Het ging de
Romeinen om het TOTAAL van de werkelijkheid. Dat wil zeggen dat de eerste stap
gezet is om uit het geheel te treden: de inhoud van het geheel is een
totaliteit, een verzameling. Die komt als eerste tot gelding - in het willen
bijeengaren van alles wat er is - en pas daarna gaat die totaliteit zich
differentiëren, zodat de samenstellende delen voor de dag komen: het één en het
ander. In de periode van het verval van het Romeinse rijk kwamen die
samenstellende delen steeds meer naar voren en ontkrachtten daarmee de
grondslagen van de Romeinse cultuur. Hetgeen op zijn beurt weer de basis werd
voor de Roomse kerk. Bij die basis behoort dat men ZICHZELF ging stellen als
god. In de Oudheid waren de heersers goddelijk omdat zij het goddelijke
vertegenwoordigden, maar de Romeinse keizers waren van mening dat zij zelf god
waren en dat zij dan ook aanbeden moesten worden. Uiteraard riep dat de behoefte
aan een staatsgodsdienst op en daarvoor bleek, na enig geharrewar, het
christendom uitermate geschikt te zijn. Het is dan nog maar een kleine stap
naar de paus van Rome. Weliswaar heeft deze paus zijn god weer buiten zichzelf
geplaatst (Ik en mijn god), maar hij is toch de hoogste dienstknecht, de
plaatsvervanger! Deze wereldbeschouwing gaat nu verbreid worden over het gehele
Romeinse rijk, maar hij vindt slechts echt een voedingsbodem bij de Germaanse
culturen van West-Europa. Bij alle andere Romeinse bezittingen gelukt het
beduidend slechter. De Griekse wereld scheidt zich na verloop van tijd af
terwijl de rest al spoedig mohammedaans wordt. De heersers over de
Germanen (hier als verzamelnaam bedoeld) veranderden geleidelijk van soldaten
in monniken, die de mensen kwamen onderwerpen aan hun god, d.w.z. de god van
zo’n monnik, vanuit de gedachte: MIJN god is de god van ons allen.
En jij hebt je aan mijn god te
onderwerpen. Jij hebt je te voegen naar de normen van mijn god en ik zal, met
een beroep op hem, macht over jou uitoefenen. Daartoe zal ik het geweld niet
schuwen.. . Het geweld is nu machtsmiddel geworden en dat is een zaak die nu,
voor Ons, nog steeds geldt. Het behoeft dan ook niet te verwonderen dat dit
machtsmiddel een monopolie van het hogere is, in ons geval van de boven ons
allen uitgaande STAAT. Zonder die verbinding met het hogere is voor ons besef
het geweld uit den boze (= uit de duivel!). Ook de staat past liever geen
geweld toe, hij geeft de voorkeur aan de vrijwillige onderwerping aan de macht.
Maar: niet goedschiks, dan kwaadschiks. .. Voor de Germanen was het
christelijke godsdienstige verhaal best aanvaardbaar; zij boden meer weerstand
tegen het geweld dat er aan meekwam dan tegen de godsdienstige voorstellingen.
Zij accepteerden echter deze voorstellingen niet vanwege hun geestelijke
inhoud, maar vanwege de gesteldheid, die er uit sprak. Deze gesteldheid is een
machtsgesteldheid, geldend tussen de individuele mensen. En juist dat kwam met
het karakter van hun eigen cultuur overeen. Zij reageerden dus precies op
datgene dat door het christendom niet uitgesproken werd, maar dat er wel de
essentie van was: de menselijke werkelijkheid als een tussen de mensen
wederzijds bestaand dienstenstelsel. God verricht diensten aan de mensen en de
mensen verrichten diensten aan god. Net zoals het thans nog altijd is, zowel op
het terrein van de godsdienst als op dat van de maatschappelijke betrekkingen.
Het is al dienst en wederdienst wat de klok slaat en als de wederdienst niet
voldoende is worden de betrekkingen verbroken want op zo’n manier kan je geen
zaken doen! . De Germanen waren voortdurend met elkaar in strijd gewikkeld, de
Germanen stuurden hun goden bij wanprestatie de laan uit, allebei
verschijnselen die behoren bij een in aanleg individuele mens voor wie de
onderlinge betrekkingen op dienst en wederdienst berusten. Precies datgene dat
wezenlijk voor de christelijke godsdienst geldt. Maar het verhaal van die
godsdienst ging over liefde en redding voor de mensen en jezelf tot een beter
mens maken.
Kortom:
het stichten van het koninkrijk Gods.
Ook hier zien wij weer het onderscheid
tussen de elites en de zogenaamde gewone mensen: de christelijke elites
kwamen met het verhaal van het Koninkrijk Gods, gebrouwen uit de verhalen van
de klassieke elites
en voor een deel ook die van de Romeinse denkers, terwijl de gewone mensen
reageerden - uiteraard zonder het bewust te weten - op de onder de schone
schijn van het verhaal liggende realiteit. .
BLADWIJZERS: FASCISME – nrs.20/21 ; Fascisme/Klassieke nrs.
10t/m12 ;
BLADWIJZERS: HELDEN – Lees nrs.
11 t/m 17 ;
Onze voorouders, gezien vanuit Rome
Op de Romeinse geschiedschrijvers,
legeraanvoerders, handelslieden en later ook de Roomse geestelijken maakten
onze voorouders nu niet bepaald een beschaafde indruk. Men wist te vertellen
dat het drinkebroers waren en gokkers die op primitieve wijze in de bossen
leefden. Bovendien waren het vechtersbazen, die voortdurend onderling oorlog
voerden. Hun relatie tot de goden was uiterst merkwaardig en op kunstzinnig
gebied was er al helemaal niets aan de hand: geen bouwkunst, geen
beeldhouwkunst en geen literatuur. De landbouw, die naast de jacht beoefend
werd was eigenlijk meer een soort van roofbouw en de schepen van de Germanen
waren, volgens onze betrouwbare geschiedenisboekjes niet veel meer dan
uitgeholde boomstammen. Hun kleding bestond uit dierenvellen! Vervelend was ook
dat zij zich niet aan plechtig gesloten overeenkomsten hielden en blijk gaven
van weinig eerbied voor het gezag. Kortom: onze voorouders waren onbeschaafde
wilden. Vermeld moet ook nog worden dat het onmogelijk was voor die Germanen om
tot een staatkundige eenheid te komen; de verbrokkeling was groot en eigenlijk
wilde iedereen zijn eigen baas zijn om vervolgens ook de baas over anderen te
spelen. Wij moeten echter het volgende bedenken: al die berichten over de
Germanen komen van mensen, die stevig in de klassieke cultuur geworteld waren.
Voor hen betekende beschaving architectuur, kunst, literatuur, filosofie
en een daarmee overeenstemmende verfijnde levenswijze. Zo gezien waren de
Germanen nergens! Maar de berichten over de Germanen berustten op een
waardeoordeel en ze zeggen eigenlijk meer over de Romeinen dan over de
Germanen. Ze maken duidelijk dat er totaal geen oog was voor die andere
leefwijze, voor die andere beschaving...
Wat aan het licht gekomen is
Het moderne historische onderzoek werpt
een heel ander licht op onze voorouders. Kunstzinnig waren zij bijvoorbeeld wel
degelijk: zij maakten prachtige sieraden, gebruiksvoorwerpen en wapens en ook
kenden zij heel mooie (helden)sagen en andere verhalen. De religieuze
voorstellingen van de Germanen behelsden zowel moederlijke als vrouwelijke en
mannelijke verhoudingen. Er was dan wel geen bouwkunst volgens de klassieke
normen, maar de boerenhoeven waren degelijk gebouwd en praktisch ingericht en
dat verhaal van die uitgeholde boomstammen sloeg al helemaal nergens op, want
de Germanen kenden een hoog ontwikkelde scheepsbouw, zoals gebleken is uit
vondsten in moerassen en drooggelegde meren. In de plaats van staten waren er
eedgenootschappen, waarin de mensen zich tot een bepaald doel verenigden,
zonder daarbij de eigen zelfstandigheid prijs te geven en zich te onderwerpen.
En, de Germanen waren ook handelaars; zij brachten bijvoorbeeld barnsteen uit
de Oostzee gebieden naar Griekenland en zij voerden veel brons en, later, ijzer
in. Er zijn tegenwoordig heel wat publicaties beschikbaar over onze
West-Europese voorouders en dus volsta ik met deze algemene opmerkingen. Zij
geven voldoende informatie om het karakter van die Germaanse cultuur bloot te
leggen en om te begrijpen dat dit karakter fundamenteel verschilde van dat van
de klassieke wereld die zich er over uitspreidde. Het is dan ook niet
verwonderlijk dat de klassieke elites vol afschuw die woestelingen
bekeken, maar er tegelijk wel dankbaar gebruik van probeerden te maken voor hun
geweldsinstituut: voor de weergaloze dapperheid van de Germanen en hun
doodsverachting hadden zij, ondanks hun eigen verfijnde beschaving, het
grootste respect. De Germaanse gewelddadigheid paste goed in het straatje van
de Romeinse legeraanvoerders en al spoedig waren de Germaanse legioenen alom
gevreesd. Het ontwikkelingsmoment, waarin de Romeinse wereld samenviel met de
Germaanse, had dus het geweld tot inhoud, terwijl het, wat betreft de Roomse
kerk en de Germanen om de macht zal blijken te gaan.
Het Germaanse karakter
Alle verschijnselen, die ik genoemd heb,
wijzen er op dat wij wat betreft de West-Europese bevolking te doen hebben met
mensen in wie de ontwikkeling tot individu een aanvang heeft genomen. Nemen wij
als voorbeeld de (ontbrekende) bouwkunst. Vanuit de klassieke wereld stond deze
in het teken van HET GEHEEL: de schoonheid en harmonie van “de werkelijkheid
als geheel” kwam er in tot uitdrukking. Het ging niet om een bouwsel voor de
individuele mens, zoals dat met een Germaanse boerenhoeve wel het geval was, maar
om de werkelijkheid, gecomprimeerd tot een teken. Voor de Germaan ging het
evenwel om een praktische voorziening voor hemzelf. En hetzelfde is te zeggen
van de eedgenootschappen, van de sieraden en al die andere dingen. Nooit is het
uitdrukking van het geheel en steeds verwijst het naar de individuele persoon,
ook al komt dat nog zo kinderlijk voor de dag. En kinderlijk kan je het wel
noemen: de verhalen waren niet of nauwelijks opgeschreven, laat staan dat er
dichtkunst was zoals bij de klassieken, of een filosofie met een prachtig
taalgebruik. Dus vonden de klassieke mensen het niet veel zaaks. En eigenlijk
is men dat blijven vinden tot in de 20ste eeuw. Een behoorlijke opleiding was
een klassieke opleiding, de filosofie steunde op de oude Grieken en de
wetenschap bediende zich van klassieke formuleringen. Pas in deze 20ste eeuw
kwam er waardering voor de inhoud van de Germaanse heldensagen, terwijl tot op
de dag van vandaag een musicus met enig zelfrespect een klassieke opleiding en
opvatting moet hebben. Op volksmuziek wordt laatdunkend neergekeken, muziek
maken voor je plezier is amateuristisch getob en de huidige westerse
volksmuziek (beatmuziek en dergelijke) is zonder meer onartistiek lawaai.
Waarom het gaat is dit: uiteraard was de Germaanse wereld kinderlijk (alles
moest nog beginnen!), maar hij was niet minderwaardig aan de klassieke die
zichzelf élitair als de maat stelde en in feite de Germaanse gesteldheid
afwees. Daarmee werd de individuele persoonlijkheid afgewezen en in de grond
van de zaak betekent dit dat datgene dat wij inmiddels hebben leren herkennen
als een humane zaak, geldend voor alle mensen, vanuit de klassieke optiek geen
recht van bestaan had. Onze individuele rechten en bestaanswaarborgen danken
wij niet aan het klassieke erfgoed, maar aan het West-Europese. Voor het
klassieke bestonden jij en ik in feite niet.
De aansluiting met de Germaanse wereld
Het christelijke verhaal van de elites
sloot niet aan op dat van de Germanen; zij geloofden er niets van en moesten
bijgevolg OVERTUIGD worden om bereid te zijn de zaak voor waar aan te nemen.
Daartoe diende onder andere het boek, de bijbel, waarin god hoogstpersoonlijk
had uiteengezet hoe de vork in de steel stak. Na wat aanpassingen door Rome was
dat verhaal best aanvaardbaar. Daarvan behoefde je je verder niet veel aan te
trekken - wat men dan ook nooit gedaan heeft! Maar het verborgen
ontwikkelingsmoment, verzonken in het psychische, lag wel goed bij de
West-Europese bevolking omdat het ging over de individuele macht van de éne
mens over de andere mens, gefundeerd op IK en MIJN god. Op kinderlijke wijze
waren de Germanen daarmee ook bezig. Alleen ontbrak het hun nog aan een
almachtige god om zich, ter wille van de macht, op te beroepen. Maar het
christendom leverde die supermacht zodat de Germaanse machtsgesteldheid zich
verder kon ontwikkelen. En dat gebeurde in een voortdurende wisselwerking: de
één die de ander de macht betwist. Dat was dan ook door alle eeuwen heen het
beeld van het zich ontwikkelende Europa.
Bladwijzers: (Liberalisme-1 Liberalisme-2 liberalisme-3) Mystiek-1 Mystiek-2 Mystiek-3 Mystiek-4 Mystiek-5 Mystiek-6
Fascisme/Klassiek – nrs. 10t/m12
; fascisme – nr. 20 : Socialisme,
Sociaal Democratie, Communisme, Liberalisme, Fascisme en Nationaal Socialisme ;
Tweede Wereldoorlog - het begrip tweede
wereldoorlog vindt u terug op pagina’s 12, 14t/m18, 20 en 21, 37, 44, 48
en 68
De voortgang van de ontwikkeling
Aan het begin van de West-Europese
ontwikkeling treffen wij een periode van betrekkelijke duisternis aan; het
cultuurgoed van de klassieken zet zich niet zonder meer door in Europa. Wat er
wel gebeurt is het volgende: het Romeinse geweldsinstituut zet zich om in een
machtsinstituut, namelijk de Roomse kerk, en dat machtsinstituut legt zich over
West-Europa uit. Dat kon een succes worden omdat er in de West-Europese
bevolking een voedingsbodem klaar lag voor het zich ontwikkelen van de macht
van de éne individu over de andere. Voor deze ontwikkeling is nodig dat de éne
mens zich inderdaad onderscheidt van de andere mens, dat voor mij de ander
BUITEN MIJ staat, terwijl bovendien nodig is dat ik mij met argumenten kan
beroepen op iets hogers, op een absolute heerser. Een heerser die, erkend of
niet, ook over de andere mensen heerst. Ik moet er dus van overtuigd zijn dat
mijn opperheer tevens de opperheer van de andere mensen is, ongeacht de vraag
of die andere mensen dat nu erkennen of niet. Het hogere is essentieel voor de
macht. Zonder dat hogere kunnen de mensen zichzelf ook als buiten elkaar
ervaren terwijl zij toch geen macht over elkaar willen uitoefenen. Zij kunnen onverschillig voor
elkaar zijn en zeggen: ieder het zijne of leven en laten leven -
een soort van liberalisme dus. Dit liberalisme
komt later dan ook voor de dag in Europa als god voor een aantal mensen is
komen te vervallen, maar, het ontkomt toch niet aan het machtsbewustzijn van de
Europese mens, zodat er uit naam van de zelfstandigheid en vrijheid
van de mens een zelfs wel meedogenloze uitbuiting kon ontstaan.
Aan
de Germanen
ontbrak om te beginnen het voor iedereen geldende hogere principe: de absolute
god hadden zij nog niet ontdekt. Zij kenden wel hogere beginselen, allerlei
goden en godinnen, maar die waren niet absoluut. Zij waren in alle opzichten
beperkt, zoals blijkt uit het feit dat zij dienden voor bepaalde doelen: voor
de oorlog, voor de oogst, voor de vruchtbaarheid, enzovoort. En de
verschillende stammen hadden ook andere goddelijke helpers, doorgaans
afhankelijk van de materiële omstandigheden waaronder zo’n stam of groep
leefde. De goden hadden een particulier karakter en geen absoluut. Via de
Roomse elites ging het verhaal van de Oudheid, het verhaal van god is
liefde, van de mensenzoon Jezus, van het koninkrijk en van de Bergrede naar
West-Europa. Let wel: het verhaal van de OUDHEID - en dat was voor de Germaan
eigenlijk een nietszeggend verhaal. En op grond van zijn fundamentele
ongelovigheid ontstond de noodzaak hem van de waarheid van dat verhaal te
overtuigen. Ongelovigheid en overtuigen behoren bij elkaar. Een echte gelovige,
die ziet hoe de werkelijkheid is en daarover desnoods de meest
onwaarschijnlijke mystieke verhalen
vertelt, kan nooit overtuigd worden dat het anders zit. Argumenten en bewijzen
helpen hier niet, want de zaak steunt daarop nu eenmaal niet. Maar een
ongelovige, die niet in het teken van het zien staat, kan wel overtuigd worden
- als je maar de goede argumenten gebruikt en als die argumenten maar
aansluiten bij zijn conditionering. Voor zover dit het geval was bij de Roomse elites
kostte het niet al te veel moeite de Germanen ervan te overtuigen dat het
christelijke verhaal waar was: je behoefde er maar op te wijzen dat het
allemaal echt gebeurd was en dat er van die gebeurtenis getuigenissen waren,
verzameld in Gods eigen boek! Het echt gebeurd zijn is het argument en dat
argument is zelfs nog voor de moderne mens overtuigend. Ook van de moderne
christen is de geloofszekerheid gebaseerd op de feitelijke historische
waarheid. Precies dat maakt de banaliteit van de christelijke geloofsinhouden
uit. Zoals al eerder gezegd: het onuitgesproken verhaal van het christendom, in
feite dus het machtsverhaal, kwam wel degelijk goed terecht in de Germaanse
wereld en deed een cultuur
ontstaan die op alle niveaus, van de slaapkamer tot en met de Verenigde Naties,
doortrokken is van en gebaseerd is op machtsverhoudingen. Zelfs als de absolute
god terrein verloren heeft blijven de machtsverhoudingen gelden, gebaseerd op
nieuwe absolute waarden: een ideologie, de economie, de technologie,
een oosterse goeroe, enzovoort. En die waarden worden niet aanvaard op grond
van mogelijkheden tot verheldering van ons begrip van de werkelijkheid, maar op
grond van mogelijkheden tot het uitoefenen van macht. De ideologie bijvoorbeeld
van het Leninisme-Marxisme is wezenlijk niet aanvaard vanwege zijn humane
inhoud, zoals inmiddels ook gebleken is, maar vanwege zijn mogelijkheden tot
machtsuitoefening. Frappant is dan ook dat deze ideologie precies dezelfde
maatschappelijke werking heeft als de christelijke godsdienst: onverdraagzaam
naar alternatieve ideeën, een wantrouwende fatsoenlijke burgermansmentaliteit,
heilige gezagsgetrouwheid en de voortdurende angst om onderuit gehaald te
worden. Het Russische arbeidersparadijs is in wezen de Europees christelijke
wereld, toegesneden op de Russische mensen. Het gaat dus niet om het
Leninisme-Marxisme, maar louter om de MACHT. De ontwikkelingsvoortgang van Rome
naar West-Europa is dus de overgang van geweld naar macht.
Bladwijzers: (Liberalisme-1 Liberalisme-2 liberalisme-3)
Het
zich doorzetten van de Germaanse wereld
Je kunt zeggen dat de Germaanse wereld pas
echt voor de dag is gekomen sinds de tweede wereldoorlog. Dat begon
uitermate gruwelijk met Hitler en zijn nationaal socialisme (niet het fascisme,
want dat is eigenlijk klassiek te noemen). Het draaide er op uit dat de
culturele elites meer en meer hun klassieke waarden vervingen door
Angelsaksische. De wetenschappelijke taal is het Engels geworden en de wijze
van denken is definitief in het teken komen te staan van het positivisme,
d.w.z. afwijzend tegenover niet-materiële
werkelijkheidsverhoudingen (metafysica) en zich richtend op het meetbare en
aantoonbare concrete. De denkprincipes van Aristoteles werden gaandeweg
losgelaten en de filosofie verloor haar idealistische trekjes. Ook de sterk
toegenomen westerse frustratie ten aanzien van de Russische cultuur van zowel
voor als na de revolutie wijst op een verschuiving van het klassieke naar het
Angelsaksische. De individueel ingestelde Germaan staat vijandig tegenover de mystieke, op het geheel gerichte
Russische mens en deze, diep in het psychische verzonken, vijandigheid staat
vandaag de dag ten voeten uit...
Het opnemen van het klassieke erfgoed
Het klassieke erfgoed bestond natuurlijk
niet alleen uit het christelijke verhaal. Het stelde eigenlijk niet veel voor:
veel Roomse priesters en monniken konden hun eigen (Latijnse) bijbel niet eens
lezen! Maar de mooie dingen van de Oudheid, de kunst, de wetenschap en de
religieuze inzichten werden niet door Rome naar West-Europa gebracht. Dat
erfgoed bereikte ons via de Moren vanuit Klein-Azië, Noord-Afrika en Spanje. De
Moren zijn het geweest die werkelijk de culturele ontwikkelingslijn van de
Oudheid naar de nieuwe tijd doorgetrokken hebben. En dat werd pas echt
effectief aan het einde van de Middeleeuwen. De renaissance zou niet mogelijk
zijn geweest zonder de kennisoverdracht door de Moren, die in feite geheel
buiten de Roomse kerk Omging.
Nog iets over het geweld
De Romeinen wilden alles bezitten en
bijgevolg waren zij gewelddadig en dat wil zeggen dat het over een culturele
karaktertrek ging. Maar de Roomse kerk is niet gewelddadig; zij is op macht uit
en om dat te realiseren PAST ZIJ GEWELD TOE als overreding geen succes heeft.
Bladwijzers: (Liberalisme-1 Liberalisme-2 liberalisme-3) Mystiek-1 Mystiek-2 Mystiek-3 Mystiek-4 Mystiek-5 Mystiek-6
Tweede Wereldoorlog - het begrip tweede
wereldoorlog vindt u terug op pagina’s 12, 14t/m18, 20 en 21, 37, 44, 48
en 68
Fascisme/Klassiek
– nrs. 10t/m12 ; fascisme – nr. 20 : Socialisme,
Sociaal Democratie, Communisme, Liberalisme, Fascisme en Nationaal Socialisme ;
No. 13
De Germaanse heldenverhalen
Het kenmerkende van een held is dat hij
uitsteekt boven de gewone mensen, door de voortreffelijkheid van zijn daden, de
adel van zijn geest, zijn moed, kracht en intelligentie. Je kunt je echter
afvragen waaraan zo’n held zijn hogere status ontleent: komt dat doordat hij
afstamt van een hogere werkelijkheid, het goddelijke, of komt het door zijn
verheffing boven de gewone mensen. Anders gezegd: is het goddelijke zijn
oorsprong of is het zijn doel? In de Germaanse heldensagen is het laatste het
geval: de held stijgt uit boven de gewone mensen. In het Nibelungenlied
had de held Siegfried sterfelijke mensen als ouders. Het waren slechts zijn
begaafdheid en zijn daden die hem buitengewoon maakten en we kunnen hier dus
spreken van een lijn van beneden naar boven. Een lijn die je ook vindt in de
Germaanse opvattingen over de goden, die eigenlijk gedacht werden als een soort
van uitvergrotingen van de mens. Niet dat die goden van menselijke oorsprong
waren, maar de hen toegeschreven kwaliteiten waren dat wel degelijk. En het is
niet ondenkbaar dat die goden in het grijze verleden toch een menselijke komaf
hadden.
De Griekse helden
Hoewel de Griekse helden ongeveer
hetzelfde gedrag vertoonden als de Germaanse, is er toch een wezenlijk
verschil: zij werden namelijk van boven naar beneden gedacht. Hun oorsprong is
in meerdere of mindere mate goddelijk: de held Achilles bijvoorbeeld was de
zoon van de godin Thetis, terwijl zijn vader Peleus een sterfelijke man was. In principe is de held
Achilles onsterfelijk, maar toch is er één mogelijkheid om hem te doden en dat
gebeurt dan ook.
De Germaanse goden en helden waren
vergrotingen van sterfelijke mensen. Dat sloot aardig aan bij het christelijke
verhaal dat Christus op aarde geboren was en zich door zijn gedrag en zijn
wijsheid van de gewone mensen onderscheidde. Ook dit maakte het gemakkelijk de
Germanen van de waarheid van het christelijke verhaal te overtuigen. Het gaat
echter om het volgende: de godenwereld van de Germanen was een PROJECTIE van de
mens zelf tegen de hemel. De bestaande individuele mens werd uitvergroot tegen
de hemel geprojecteerd. Als voor die bestaande mens het begrip macht gold werd
deze kwaliteit tot almacht uitvergroot, als voor de bestaande mens zoiets als
een persoonlijkheid gold werd dit uitvergroot tot een superpersoonlijkheid.
Alle menselijke kwaliteiten en eigenschappen werden van hun beperktheid ontdaan
en absoluut gemaakt. Deze gang van zaken nu is typisch Germaans en het is
beslist niet zo dat dit bij alle godsdiensten het geval is, zoals doorgaans
wordt aangenomen. De verschillende godsdiensten zijn uiteraard wel menselijke
voorstellingen, maar het zijn lang niet altijd projecties, uitvergrotingen
tegen de hemel. Wat bijvoorbeeld in het Westen almacht wordt genoemd heeft in
het klassieke denken een geheel andere inhoud. Het is daar de alles doordringende
grondslag van de werkelijkheid, een grondslag waarin alle mogelijkheden
aanwezig zijn zodat je kunt zeggen dat hij allesbepalend is. In de Oudheid en
in het Oosten wordt er eigenlijk niet gesproken over de macht van het
goddelijke, maar over het alles doordringende zijn ervan. In het Westen echter
ging het al onmiddellijk over de macht. Men redetwistte dadelijk over de vraag
of bijvoorbeeld de almachtige god een steen kon maken, zo groot dat hij hem
zelf niet zou kunnen optillen! Het centrale punt in de christelijke godsdienst
is steeds de goddelijke almacht geweest. En verder ging het over menselijke
miezerigheden zoals beledigd zijn en wraaklustig, vergevingsgezind zijn en
tegelijk tot in het zoveelste geslacht straffen, in alles de dienst uitmaken en
toch vinden dat de mensen alles verkeerd doen, enzovoort. De klassieke
geloofsinhouden bestonden uit menselijke VOORSTELLINGEN, die in feite
uitdrukking gaven aan een min of meer vaag besef van de mensen omtrent hun
eigen wezen, hun eigen verhouding in de kosmos en ook een vermoeden van eigen
toekomstige mogelijkheden. Men zag het goddelijke immers als de werkelijkheid
waarin men zelf zou uitlopen! Niet alleen was die werkelijkheid de grondslag
van het bestaande, maar ook was zij daarvan het slotakkoord. Zij was de alpha en de omega. En daarvan sprak men het VERMOEDEN uit
in allerlei voorstellingen. In de projectie evenwel speelt het slotakkoord geen
enkele rol: men vergroot eenvoudig zichzelf, als individuele sterfelijke zaak,
tegen het oneindige en men spreekt geen enkel vermoeden uit over het eigen
wezen. Integendeel: welbeschouwd gaat het over eigen WENSEN, de wens om
almachtig te zijn en alles te kunnen overheersen. Het gaat dus over de eigen
kleinheid, die vergroot wordt, maar die al met al toch kleinheid is en blijft.
De westerse god is de kleine, benepen mens, tot in het oneindige vergroot. Geen
wonder dat het een onmogelijke tiran is. En dat dit een feit is moge blijken
uit de gruwelen die de dominees iedere zondag opnieuw namens god voor de mensen
in petto hebben. Zelfs de vernietiging van de Joden
diende een goddelijk doel! En als je kind sterft heeft god een plan met dat
kind en eigenlijk zou je daar blij om moeten zijn! Kortom: het is allemaal
uitvergrote menselijke schurkachtigheid. Er is nog een verschil tussen de
godsdienstige projectie en de geloofsvoorstellingen: de geprojecteerde godheid
bestaat uit een complex van meer of minder aangename menselijke eigenschappen
en vermogens, terwijl hem feitelijk geen leven toegedicht wordt; er gebeurt
niets met hem en er spelen zich om hem heen geen gebeurtenissen af. Maar de
voorgestelde godheden leven wel degelijk en zij maken van alles mee, zoals de
godin Afrodite, die op het slagveld voor Troye zelfs een verwonding opliep en de god Zeus, die met
zijn vrouw Hera ruzie heeft. In de voorstellingswereld gebeurt allerlei, maar
de projectie is wezenlijk statisch, ondanks het feit dat hij de oorzaak van
verschillende krachten en machten is. In zekere zin is de projectie abstract te
noemen.
De moderne Science
fiction
Het is opvallend dat men in sciencefiction
films een heel stereotiep mensbeeld gebruikt. Ook dat is een projectie. Men
projecteert zichzelf in de toekomst en in de ruimte en men voorziet zichzelf
van technologische en wetenschappelijke almacht. Maar ondanks dat heb je toch
te doen met een vergrote kleinheid. Er komt nooit een echt ruimtelijk mens in
voor, begiftigd met wijsheid, vredelievend en redelijk, en er is als maar een
Star War aan de gang met de daarbij behorende totale vernietigingscapaciteit. Er
is een totale gewelddadigheid en het is veelzeggend dat de huidige droom van
Star Wars leeft in het brein van mensen die met hun gehele geestesgesteldheid
staan in de traditie van de christelijke Angelsaksische projectie. De
banbliksem van god is vervangen door de trefzekere en allesvernietigende
laserstraal, de mensen zijn materieel en niet-materieel tegelijk en in staat om
overal tegenwoordig te zijn. Bovendien zijn die mensen tot alles in staat, of
beter: hun technologie is almachtig. Het is het verhaal van de Germaanse goden,
dat via de almachtige christelijke god en technologie, tot nieuw leven is
gekomen en dat nog net zo begeesterend werkt als vroeger. En dat op grond van
zijn kleinheid ook weer levensgevaarlijk zal blijken te zijn.
Bladwijzers: verzorgingsstaat-1 ; verzorgingsstaat-2 Mystiek-1 Mystiek-2 Mystiek-3 Mystiek-4 Mystiek-5 Mystiek-6
Tweede Wereldoorlog -
het begrip tweede wereldoorlog vindt u terug op pagina’s 12, 14 t/m 19, 20 en 21, 37, 44, 48
en 68 ; Nationaal
Socialisme ; Hitlers agressie
tegen het klassieke Westen – o.a. nrs.
14 t/m 21… ; Socialisme,
Sociaal ;Democratie, Communisme,
Liberalisme, Fascisme en Nationaal
Socialisme ; De term Nationaal Socialisme ; Het
probleem van het Nationaal Socialisme nrs 17 t/m 21
; De
misdadigheid van het Nationaal Socialisme ; Het Nationaal
Socialisme ; Klassieke ;
Elites ; HAAT
tegen…de Russen en Joden – JodenHAAT,
OORZAAK..! - HAAT ; DE HAAT
en de wreedheid ; Geloof en Godsdienst ;
Nogmaals: de projectie
0mdat ik hier en daar de begrippen geloof
en godsdienst door elkaar heen gebruikt heb en dit aanleiding kan geven tot
onduidelijkheid, nog even dit: als wij echt te doen hebben met een godsdienst,
waarbij dus de mens als het lagere gescheiden is van een hogere godheid, treedt
het verschijnsel van de projectie op, het verschijnsel van het zichzelf
uitvergroten. Gaat het echter om een geloof, dan hebben wij te doen met
voorstellingen, die uiteraard wel een menselijke inhoud hebben, maar dat
betreft dan juist gewone eigenschappen, zwakheden zelfs. De goden is niets
menselijks vreemd en van uitvergrotingen is geen sprake. Het deelnemen aan de
strijd bij Troye door Afrodite
kan je moeilijk een uitvergroting noemen - eerder is het een verkleining, een
verlevendiging van het goddelijke.
Angelsaksische cultuurverschijnselen
Hoewel het wetenschappelijk misschien niet
helemaal juist is, wil ik toch een onderscheid maken tussen het Angelsaksische
en het Germaanse. Dan bedoel ik met dit laatste de kinderlijke basiscultuur van
al die stammen in Europa, die ik met de verzamelnaam de Germanen heb aangeduid,
terwijl ik al datgene Angelsaksisch noem dat als doorwerking van dat
oorspronkelijke Germaanse voor de dag is gekomen. Bij die doorwerking heeft
uiteraard de klassieke cultuur een letterlijk overheersende rol gespeeld, maar
ondanks dat was het resultaat toch dat het kinderlijke Germaanse niet ten onder
ging, maar zich juist na verloop van tijd ontwikkelde tot een Angelsaksische
cultuur, die zich op een zeker moment zelfs op een afschuwelijke wijze ging
wreken op alles wat op de een of andere manier klassiek genoemd kan worden. Die
haat tegen het klassieke vormde de (onbewuste) drijfveer van de zogenaamde nationaal-socialisten tot de gewelddadigheden van de tweede
wereldoorlog. Het Angelsaksische heeft zich sinds die tweede
wereldoorlog in geheel de moderne wereld doorgezet. Ook bij mensen van een
niet-Germaanse afkomst, zoals het merendeel van de Amerikanen en de elites
van de 3e wereld. Die veranderde mentaliteit is niet door deze wereldoorlog
ontstaan, maar hij is er sinds die oorlog. En er is een samenhang tussen een
aantal opvattingen van de nationaal-socialisten
en de ideeën die na 1945 onder de moderne mensen gemeengoed zijn geworden.
Genoemd heb ik al de bijna hysterische haat tegen de Russen, maar ook
die tegen de Joden is er een voorbeeld van. Die haat berust op een cultuurspanning
en zoiets uit zich op niet-rationele wijze: men kletst maar wat zonder
te weten waarover het gaat, als die ander maar als slecht en onmenselijk
afgeschilderd kan worden. En er is een duidelijke psychische blokkade tégen
elke redelijke argumentatie waaruit zou kunnen blijken dat die ander helemaal
niet slecht is. Welnu, die cultuurspanning is sinds de nationaal-socialisten
algemeen manifest geworden. Niet voor niets sprak men van de koude oorlog.
Hoewel men dit tegenwoordig niet graag toe zal willen geven is de idee van de verzorgingsstaat in wezen ook nationaal-socialistisch, d.w.z. dat het bedoeling van het
Duizendjarig Rijk was het leven van alle daartoe behorende mensen te omvatten
en te verzorgen - uiteraard volgens militaire normen, patriarchaal en
gewelddadig. En deze verzorgingsstaat
is er gekomen, zij het anders uitgewerkt, maar even allesomvattend als de nationaal-socialisten voor ogen stond. Het zich realiseren
van zo’n staat is een Angelsaksisch cultuurverschijnsel. Het is de uiterste
uitwerking van het dienstenstelsel waarover ik al eerder sprak. Wat ook sinds
de tweede wereldoorlog normaal is geworden is het denken in
vernietiging. Men verwijt de Duitsers dat zij hun militaire geweld op weerloze
burgers richtten en inderdaad zijn zij daarmee op grote schaal begonnen, maar
intussen denkt de gehele moderne wereld in termen van vernietiging: het gaat
niet meer om zaken (hoe kwalijk desnoods ook), maar het gaat om individuele
mensen die vernietigd moeten worden. En ook dat ligt in de Angelsaksische
gesteldheid. Hoe men het tegenwoordig ook belieft te noemen, het strategische
denken is een denken dat op vernietiging is gericht en dat was voor 1933 niet
het geval: de burgers moesten ontzien worden want de oorlog diende niet tot het
uitroeien van mensen, maar tot het opleggen van je wil aan die mensen. Op
zichzelf natuurlijk ook krankzinnig, maar toch geheel iets anders dan
vernietiging.
Iets over het nationaal socialisme
De afwijzing door de westerse wereld van
het nationaal socialisme lag meer op het terrein van de wijze waarop die zaak
gerealiseerd werd, de gebruikte methoden, dan op het inhoudelijke terrein. En
in Hitlers agressie tegen het Westen lag geen wezenlijke haat tegen het Angelsaksische Westen, voor zover
zich dat begon af te tekenen, mààr tegen
het klassieke Westen. Zijn agressie richtte zich tegen de klassieke
Westerse elites, die hij niet handelingsbekwaam, karakterloos en uit de
tijd vond, geschoold als zij waren in de idealistische klassieke traditie,
waarin er voor de bestaande individuele mens geen plaats was. Die mens immers
moest wijken voor allerlei gemeenschappelijke idealen en de daaraan meekomende
normen en waarden.
Hitler
schoffeerde dan ook de staatslieden uit het Westen en de met hen gesloten
overeenkomsten hadden voor hem geen morele waarde, hoogstens een incidentele
politieke. Het verbranden van boeken, het afwijzen van ontaarde kunst, het
diskwalificeren van Joodse
kunstuitingen, het zijn allemaal reacties op het élitair klassieke. En daar
tegenover staat het ophemelen van het zogenaamde volkse. Men had het steeds
over het volkse karakter, over bloed en bodem en over de oude Germaanse
verhalen, die door Wagner zo typisch Duits verklankt waren in zijn opera’s. En
de nationaal-socialistische elites waren
volkse elites, doorgaans afkomstig uit de meest onontwikkelde sociale
milieus, geprogrammeerd op Vaderlandsliefde, gehoorzaamheid en eer. We moeten
ons echter wel realiseren dat in de gehele westerse wereld een hang naar het
volkse aanwezig was. Er was een overal toenemende belangstelling voor
volksliederen, voor volkskunst, voor de eigen (Germaanse) identiteit.
In alle mogelijke verhandelingen, krantenartikelen en ook filosofische
beschouwingen treft men steevast verwijzingen aan naar het volkskarakter, ook
in kringen die traditioneel afwijzend stonden tegenover Duitsland en het
nationaal socialisme. Ook de echte socialisten hielden zich, vooral in de
jeugdbewegingen, met het volkse bezig: men danste om de meiboom, men zong
volksliedjes bij de blokfluit en men wees de traditionele statussymbolen af,
bijvoorbeeld in de kleding.
Over het algemeen kunnen wij zeggen dat
sinds de tweede wereldoorlog het democratische socialisme (= het macht
zoekende socialisme) overal wortel geschoten heeft. Ook als men zich in partij-
politieke zin niet socialistisch noemt denkt men in socialistische termen.
Daarbij is de verbinding met het volkse duidelijk: de hedendaagse politieke en
wetenschappelijke elites
zijn uit het volk gevormd. Hun status berust niet langer op hun afkomst. Dat
was voor de oorlog nog wel het geval: allerlei adellijk onbenul zat in de
regering, het parlement en op de leerstoelen van de universiteit. Dat is met de
tweede wereldoorlog verdwenen.
Bladwijzers: verzorgingsstaat-1 ; verzorgingsstaat-2
; Nationaal Socialisme ; Socialisme,
Sociaal Democratie, Communisme,
Liberalisme, Fascisme en Nationaal
Socialisme ; Hitlers
agressie tegen het klassieke Westen –
(nrs. 14 t/m 21)… ; De term Nationaal Socialisme ; Het
probleem van het Nationaal Socialisme nrs 17 t/m 21
; De
misdadigheid van het Nationaal Socialisme ; Het Nationaal
Socialisme ; Klassieke
westerse Elites ; HAAT
tegen…de Russen en Joden – JodenHAAT,
OORZAAK..! - HAAT ; DE HAAT
en de wreedheid ;
Bladwijzers: Elite(1) De onechte cultuurontwikkeling nrs.1
t/m 6 ; De Nieuwe elites(2)
– Lees 15 t/m 17(SS) ;
(Sociaal Democratie-1 ; Sociaal Democratie-2 ; Sociaal Democratie-3 ; Sociaal Democratie-4; Sociaal Democratie-5 ) ;
Parlementaire Democratie ; Klassieke
westerse Elites ;
Kinderlijk en primitief
Je kunt van de oude Germanen zeggen dat
zij Kinderlijk waren, maar het is fout om in dit verband te zeggen dat zij
primitief geweest zouden zijn. Van primitief kan je spreken als en voor zover
er op allerlei gebieden van het leven betere praktische methoden en helderder
denkbeelden voorhanden zijn en men desondanks daarvan geen gebruik maakt,
doorgaans omdat bepaalde conventies dat verbieden. Primitieve mensen en
culturen blijven beneden hun mogelijkheden. Als het echter om kinderlijkheid
gaat hebben wij te doen met een situatie waarbij de mogelijkheden zich nog
moeten uit wikkelen en dus op een nog eenvoudige wijze voortdurend benut
worden. Het kan zijn dat anderen op bepaalde gebieden verder zijn, zoals dat
met de Romeinen het geval was, en dan is dat voor die Romeinen reden om de
Germanen Primitief te vinden, maar het ontging hen daarbij dat de Germanen met
iets heel anders bezig waren en daardoor geen belangstelling hadden voor de
Romeinse verworvenheden. Maar op hun eigen gebied waren zij bepaald niet primitief.
Een goed voorbeeld van primitiviteit levert de moderne westerse mensheid,
vooral in haar politieke, economische en militaire denken. De verhalen van de
generaals van de NAVO
blinken uit door het negeren van voorhanden mogelijkheden, van ervaringen uit
de geschiedenis en van verantwoorde politieke alternatieven. Die mogelijkheden,
ervaringen en alternatieven zijn wel degelijk voorhanden, maar zij worden toch
afgewezen omdat men vast wil houden aan eenmaal ingenomen standpunten en
denkbeelden. In onze moderne wereld is nagenoeg alle kennis en technologie
aanwezig om er op zeer korte termijn een gezellige wereld van te kunnen maken,
maar men blijft maar doormodderen met volledig achterhaalde denkmodellen. Dat
kan je zonder meer primitief noemen!
De nieuwe elites
Aan
de basis van de Angelsaksische wereld treffen wij een drietal elites aan,
die elk op hun eigen wijze een rol gaan spelen. Het spreekt vanzelf dat we als
eerste te doen hebben met de traditionele elites, bestaande uit de adel en de
afstammelingen van de vroegere regenten. De leden van deze groeperingen
behoorden automatisch tot de bovenlaag van de maatschappij, louter op grond van
hun afkomst. Aanvankelijk werden er aan deze mensen nauwelijks intellectuele
eisen gesteld, maar met het zich doorzetten in de 19e eeuw van het
wetenschappelijke denken werd enige ontwikkeling op intellectueel gebied toch
wel wenselijk geacht: men ging de universiteiten bezoeken en men eiste de
universitaire vorming voor zichzelf op. Het werd een voorrecht van de
bovenlaag, in tegenstelling tot voordien, toen er veel begaafde mensen uit het
volk tot de universiteit doordrongen. Tot aan de tweede wereldoorlog
echter waren het die geschoolde klassieke elites die de dienst uitmaakten.
Echte politieke figuren waren zij niet, het waren geboren machthebbers, die, in
het beste geval, tamelijk liberale opvattingen hadden. Zij waren tegen een
allesoverheersende staat en zij juichten een zo groot mogelijke persoonlijke
vrijheid toe, ook de vrijheid om in het gedrang vertrapt te worden. Een ieder
moest zijn eigen bonen maar doppen. De staat was eigenlijk hun bezit, zoals zij
in het verleden de wereld bezaten als feodale heren. Maar na de tweede
wereldoorlog verdwijnen deze elites gaandeweg van het staatkundige toneel:
zij zijn hoogstens nog goed voor ambassadeursposten en decorum bij vorstelijke
vertoningen. Als representanten van de klassieke wereld hebben zij afgedaan; op
grond van hun afkomst is er voor hen geen plaats meer in de Angelsaksische
wereld, zoals die zich sinds 1945 doorgezet heeft. Wie echter wel bij die
nieuwe Angelsaksische wereld behoren zijn de zogenaamde nieuwe rijken. Dat zijn
mensen die op de een of andere manier rijk geworden zijn, doorgaans ten gevolge
van activiteiten in de koloniën. Zij hadden ook een belangrijk aandeel in de
geldhandel. Deze nieuwe rijken kwamen voor het merendeel voort uit de burgerij;
zij konden zich in geen enkel opzicht op een deftige afkomst beroepen. De
beruchte Colijn bijvoorbeeld (1869 - 1944) was ook als koloniaal begonnen en
rijk geworden door de olie. Maar hij bracht het wel tot premier en
verschillende ministersfuncties. Toch is er ook bij deze soort van elite een
verandering opgetreden: de wijze waarop je rijk geworden bent is een rol gaan
spelen. Tegenwoordig is wetenschappelijke vorming vereist en bovendien hecht
men waarde aan een economische carrière. Je moet concerns achter je hebben en
dat tekende zich ook al af bij een figuur als Colijn. Van belang is evenwel dat
dergelijke elites min of meer uit het volk voortgekomen zijn. Een echte
politieke gesteldheid hadden zij echter niet; hun machtsbewustzijn was in wezen
tiranniek, gericht op de sterke man. Een duidelijke calvinistische inslag was
kenmerkend. Tot nu toe heeft deze elite zich weten te handhaven, zij het met
enige wetenschappelijke aanpassingen. De belangrijkste Angelsaksische bovenlaag
wordt tegenwoordig gevormd door de nieuwe politieke elite. Het gaat deze mensen
louter om de politiek en dat komt in de praktijk natuurlijk neer op macht. De
basis van deze machtsgroep is gelegd door het politieke socialisme, zoals dat
zich in de sociaal democratie doorgezet heeft. Of men nu tot een
socialistische politieke partij behoort of niet, toch komt men uit die basis
voort. En die elite is de maat voor alles wat de staat betreft. Afkomst en
rijkdom spelen geen rol, een concern als achtergrond is zelfs ongewenst,
terwijl wetenschappelijke vorming vereist is. Met recht kunnen wij zeggen dat
in deze elite de Angelsaksische gesteldheid zich effectief heeft waargemaakt.
En dat is een feit geworden na de tweede wereldoorlog. In dit verband is
het opmerkelijk dat heel veel mensen niet in de gaten hebben dat deze
verandering van gesteldheid heeft plaatsgevonden. Nog minder wil men inzien dat
er een verband bestaat tussen deze veranderingen en het nationaal socialisme:
beide zijn manifestaties van de Germaanse cultuurwereld, de één op
democratische wijze, de ander op dictatoriale. Maar het verschil tussen die
twee is niet zo groot als gewoonlijk gesuggereerd wordt.
Enkele belangrijke punten
Van de klassieke bovenlaag en van de
nieuwe rijken kan gezegd worden dat beide opereerden ten koste van de
bevolking. Wat hen van elkaar onderscheidt is vooral de wijze waarop zij hun
macht verworven hadden: in het eerste geval door de afkomst en in het tweede
door het zich uitwerken boven de gewone mensen. Maar de politieke elites was
het om de gewone mensen te doen; zij gingen aan de slag ter wille van het volk
en als gevolg daarvan werden zij elites.
Tegenwoordig vindt iedereen het normaal
dat een politicus zich voor het volk inspant en dat is niet eens een loze
kreet: men is inderdaad bezig voor het volk, maar het is wel de vraag wat men
onder het volk verstaat en welke waardeoordelen men daaraan hecht. Als je de macht
wilt hebben om het volk te regeren, gaat het je dan om het volk? Het je
inzetten voor je medemensen met als gevolg dat je je boven hen verheft en
élitair wordt, is typisch voor het Germaanse en het huidige Angelsaksische
denken. Het gaat uit van de individu en het wordt tot een zaak en van die zaak
wordt een bepaalde individu de representant, hij wordt de leider van een aantal
andere individuen met de bedoeling die zaak te realiseren. Wij zien dit, in het
groot en in het klein, overal om ons heen en wij steunen die grote en kleine
leiders vanuit ons eigen individu-zijn: wij wijzen hen als leider aan!
Bladwijzers: (Sociaal Democratie-1
;
Sociaal
Democratie-2 ; Sociaal Democratie-3 ; Sociaal Democratie-4; Sociaal Democratie-5 ) ;
Parlementaire Democratie ; Klassieke
westerse Elites ;
Bladwijzers: (Sociaal Democratie-1
;
Sociaal
Democratie-2 ; Sociaal Democratie-3 ; Sociaal Democratie-4; Sociaal Democratie-5 ) ;
Parlementaire Democratie ; Leiderschap-1 ; Leiderschap-2 ; Klassieke westerse Elites ;
De Angelsaksische staat
Sinds de tweede wereldoorlog zijn
de elites, die de staat in handen hebben, van karakter veranderd. Het zijn geen
mensen meer die op hun afkomst of hun rijkdom kunnen bogen, maar het zijn
mensen uit het volk, die op de een of andere manier een politieke carrière
hebben gemaakt. Voor hen is de politiek niet meer een bezigheid, die
vanzelfsprekend aan hun status meekomt, maar een vak dat beoefend moet worden
en dat dus ook door bepaalde bekwaamheden gedragen wordt. Daarbij ligt de
verhouding zo, dat die bekwaamheden meer benut worden voor het versterken van
de eigen positie en dus ook de eigen macht, dan voor het efficiënt besturen van
de staat - wat dit ook mag betekenen. Het staatsbelang heet het doel te zijn,
maar in werkelijkheid gaat het om de persoonlijke macht en dus om het eigen
leiderschap, de dictatuur. Doordat men in dat streven niet alleen staat en het
iedereen vrij staat aan het machtsspel deel te nemen, is een echte dictatuur
vrijwel onmogelijk. Maar die onmogelijkheid betekent niet dat de mentaliteit
van het politieke streven niet dictatoriaal zou zijn, zelfs als men het
doet voorkomen alsof de wil van het volk de maat zou zijn. In feite gaat het
niet om de wil van het volk, maar om het aantal kiezers waarop men meent te
kunnen steunen. Om die kiezers zover te krijgen moet men hen ervan overtuigen
dat zij iets willen en als dat gelukt betekent dat MACHT voor de gekozene. Die
gekozene kan dan deel gaan nemen aan de politieke strijd en zoveel mogelijk
macht verwerven. Dat verwerven, die strijd om de macht, dat nu is typisch
Angelsaksisch en dus modern Germaans. De vroegere toestand, ruwweg die van voor
de tweede wereldoorlog, was in zoverre anders dat de toenmalige elites
vanzelfsprekend de macht hadden. Zij behoefden die niet of nauwelijks op het
volk te baseren en daarmee samenhangend was er dan ook weinig enthousiasme voor
het algemeen kiesrecht. Pas in 1917 kwam er in Nederland algemeen kiesrecht
voor mannen en in 1922 voor vrouwen! . Daar begon dus de nieuwe ontwikkeling en
die werd pas na 1945 echt een feit. En thans moet men de macht veroveren.
Daarbij gaat het niet meer om iemands afkomst of rijkdom, hoewel die natuurlijk
in de praktijk wel meespelen: het maakt de studie gemakkelijker en er staan wat
meer invloedrijke kruiwagens ter beschikking. Maar, je kunt wel staande houden
dat we te doen hebben met een soort van democratie, omdat de steun van het volk
onontbeerlijk is voor de strijd om de macht. Het verwerven van die steun
behoort tot het politieke vak en te zeggen is dat dit een moeilijk vak is: hoe
krijg je het voor elkaar om zoveel duizenden mensen louter met beloften en
verhaaltjes achter je te krijgen? Mensen bovendien, die zo langzamerhand goed
in de gaten hebben gekregen dat je toch niet doet wat je beloofd hebt - want
over die leugenachtigheid zijn vrijwel alle kiezers het eens.
De aanloop tot de Angelsaksische
democratie
Het spreekt vanzelf dat er in de
geschiedenis een aanloop tot de moderne toestand is geweest. Op betrekkelijk
korte termijn zie je de idealistische socialisten die sinds het einde van de
vorige eeuw een rol zijn gaan spelen in de westerse politiek en er daarbij
onveranderlijk op uit waren de macht te veroveren. Zij spraken zelfs wel van de
wenselijkheid van een dictatuur van het proletariaat. In ieder geval was de
staatsmacht een noodzakelijk middel om de macht aan het volk te doen toevallen.
En dan komen er ook nog andere partijen op, die zich niet graag socialistisch
noemen maar zich liever op de bijbel of de godsdienst beroepen, om in feite net
zo socialistisch te zijn in hun streven het volk te verheffen en de, inderdaad
erbarmelijke, toestand van de mensen te verbeteren. Deze vormen van socialisme
hebben nauwelijks iets gemeen met datgene dat je echt onder socialisme zou
kunnen verstaan en dat geldt ook voor de zich socialistisch noemende politieke
partijen. Wat er eigenlijk doorbreekt is de moderne, Angelsaksische vorm van de
oude Germaanse cultuur, waarin de individuele mens en zijn individuele macht
centraal staan, met daarbij ook het zich boven het volk uit verheffen van de
helden, die als leiders van dat volk gaan fungeren. Omdat dit het is wat er werkelijk
gaande is heeft het zin wat uitvoeriger bij de feitelijke ontwikkeling stil te
staan. Er ligt achter deze historische veranderingen een belangrijk filosofisch
thema verscholen, zoals inmiddels hopelijk duidelijk is geworden. En: aan
werkelijk socialisme is het Westen nog lang niet toe. Over een langere termijn
beschouwd zie je het ontstaan van het Britse parlementaire stelsel. Al bij de
Magna Charta in 1215 kregen de edelen zeggenschap; later voegde zich de
geestelijkheid daarbij en al spoedig ook de vertegenwoordigers van de burgerij.
Tijdens Edward 1 (1272 - 1307) was de politieke invloed van die laatste groep
niet meer te verwaarlozen, hoewel die groep uiteraard nog lang niet de basis
was van het staatsbestel. Dat gebeurde pas met de geleidelijke uitbreiding van
het kiesrecht. Tekenend is dat de aanzet tot de parlementaire democratie nu juist in een land plaatsvond met sterke
Germaanse tradities en een weinig ontwikkelde klassieke bovenlaag. Daar kon de
Angelsaksische mentaliteit zijn eerste groei doormaken en de kracht opdoen om
later, in onze tijd, de nieuwe cultuurgesteldheid te worden. Die aanzet
vertoonde zich dus niet, en zeker niet levensvatbaar, in de cultuurgebieden met
een klassieke bovenlaag. Pogingen van het volk om het fundament van de staatsmacht
te worden zijn er in die gebieden natuurlijk wel geweest en te zeggen valt dat
de Franse revoluties van 1789 en 1848 als min of meer geslaagde pogingen kunnen
worden beschouwd. Maar, de
Engelsen waren al 500 jaar eerder begonnen!
Wat is er van het Angelsaksische te
verwachten?
Hoewel het zeker een feit is dat sinds
1945 de bevolking een rol is gaan spelen bij het vormen van de staatsmacht en
je dit bijgevolg een stap vooruit kunt noemen, is het evenzeer een feit dat
hiervan voorlopig, menselijk gesproken, nog bitter weinig te verwachten valt.
De rol van de bevolking is beperkt tot de machtsvorming en heeft niets te maken
met het besturen van de staat, want dat is een relatief dictatoriale
aangelegenheid in de huidige omstandigheden. Het gaat daarbij om MIJN macht;
macht is egocentrisch, ik moet daarvan het middelpunt zijn want aan de macht
van een ander heb ik niets. Was vroeger voor een aantal mensen die
egocentrische macht vanzelfsprekend, thans moet ik voor die macht vechten met
alle fraaie en vooral minder fraaie middelen die mij ten dienste staan. En deze
strijd is de strijd van de individu voor wie voorlopig het zichzelf-zijn
beperkt blijft tot de meest simpele mogelijkheid, namelijk MIJN individuele
macht. Het doorbreken van de individu, de afzonderlijke en persoonlijke mens is
uiteraard een stap voorwaarts, vergeleken bij de klassieke wereld, maar er is
in geen geval van te zeggen dat het nu goed is. Wij moeten oppassen dat wij een
stap verder niet zonder meer associëren met kwalitatief beter. Voor het denken
kan de zaak desnoods wel als beter gelden, maar voor de praktijk van het leven
van de mensen is dat geenszins het geval. Elk nieuw moment voegt er iets aan
toe en verandert tegelijk het traditionele (= datgene dat al naar voren is
gekomen), maar pas als alle verhoudingen er zijn kan het echt beter gaan
worden.
Bladwijzers: Leiderschap-1 ; Leiderschap-2 ; Sociaal Democratie-1 ; Sociaal
Democratie-2 ; Sociaal Democratie-3 ; Sociaal
Democratie-4; Sociaal Democratie-5 ; Parlementaire Democratie
Bladwijzers: Nationaal
Socialisme ; Socialisme,
Sociaal Democratie, Communisme,
Liberalisme, Fascisme en Nationaal
Socialisme ; De term
Nationaal Socialisme ; Het probleem van het Nationaal Socialisme. Lees nrs 17 t/m 21 ; De
misdadigheid van het Nationaal Socialisme ; Het Nationaal
Socialisme ; Klassieke
westerse Elites ; De Nederlandse
N.S.B. nrs. 19/20 ; Nationaal Socialisten-nrs.17 en 18 ;
Wir haben es nicht gewusst… hoe zit dat? Lees o.a. de nrs
17, 18, 19 ; HELDEN – Lees nrs. 11 t/m 17 ;
Nog iets over het beter worden
Het valt niet te ontkennen dat de situatie
van de mensen, sinds het begin van deze eeuw en vooral sinds de tweede
wereldoorlog, aanzienlijk verbeterd is, als je althans let op een aantal
deelterreinen van het maatschappelijk leven. Dat geldt vooral in
Noordwest-Europa, een gebied waarvan je kunt zeggen dat daar de Angelsaksische
mentaliteit het duidelijkst en het redelijkst aan de dag treedt. Toch heeft de
bevolking van dat gebied niet bepaald het gevoel dat het leven zoveel verbeterd
is. En dat gevoel is terecht: het OVERLEVEN is er wat gemakkelijker op
geworden. Maar al met al heeft dat nauwelijks iets met leven te maken. Leven
doe je vanuit een geheel en dat is alleen maar mogelijk als de inhoud van dat
geheel aanwezig is en tot zijn recht kan komen. Pas als dat het geval is kan
het leven zich gaan uit wikkelen en pas dan kan je zeggen dat het beter wordt.
Dat is een kwalitatieve zaak, terwijl de zogenaamde verbeteringen van
kwantitatieve aard zijn: meer geld, meer voorzieningen, meer inspraak, meer recht,
enzovoort. In het algemeen: meer veiligheid, al is het desnoods
doormiddel van de dreiging met vernietigingswapens. Je kunt de ogen niet
sluiten voor deze kwantitatieve vooruitgang, de inhoud van het geheel
moet zich realiseren en daartoe draagt de Angelsaksische mentaliteit in niet
geringe mate bij - omdat de basis daarvan de individu is. Het zijn vooral
socialistische partijen en vakbonden die de eer daarvan plegen op te eisen,
maar dat is natuurlijk onterecht. De nieuwe mentaliteit was toch wel
doorgebroken, met de daarbij behorende kwantitatieve maatschappelijke
vooruitgang. Overigens, dat die vooruitgang kwantitatief is blijkt uit de
tegenwoordig beschikbare producten: er is van alles een overvloed, maar de kwaliteit
is, ondanks de technologische ontwikkeling, slechter dan ooit. Dat is bepaald
niet toevallig!
Je kunt relativerend denken over het
geweld en de misdadigheid, die de mensen in oorlogen aan de dag leggen. Dat kan
je ook doen ten aanzien van de tweede wereldoorlog, maar zelfs dan
blijft het een feit dat de gewelddadigheid van de nationaal socialisten alle
perken te buiten gaat. Daarbij moeten we echter letten op gewelddadigheid die
méér is dan alleen maar die van een oorlog. De zaken zijn evenwel moeilijk van
elkaar te onderscheiden, omdat veel aspecten van de tweede wereldoorlog
niet specifiek Duits waren, maar Angelsaksisch en dus, voor het Westen,
algemeen geldend. Eerst maar eens wat opmerkingen om de gedachten te bepalen:
de eerste wereldoorlog was eigenlijk een soldatenoorlog, een oorlog die
typerend was voor het militarisme. Die oorlog werd gevoerd door militairen,
hoge generaals en dergelijke. Die maakten de dienst uit, stelden de doelen vast
en bepaalden de strategie. Hoewel de zaak uiteraard niet zonder politiek gedoe
was, hadden de politici toch nauwelijks wat in de melk te brokken.
In
de tweede wereldoorlog lag dat anders: de leiders van die oorlog waren
politici, zoals Churchill, Mussolini
en Hitler en deze figuren legden de militairen hun wil op, ook waar het de
militaire strategie betreft. De geallieerde generaal Eisenhower
was niet zozeer een briljant generaal als wel een politicus, hetgeen later ook
bleek. En Hitler wist zelfs de ongenaakbare Pruisische generaals op de knieën
te krijgen, hetgeen bepaald geen kleinigheid was! De eerste leden van de nationaal-socialistische beweging waren soldaten uit de le. WO Zij hadden zich georganiseerd tot de zogenaamde Freikorpsen en zij vochten al vrij kort na die eerste
wereldoorlog in het oosten, bijv. de Baltische staten, tegen het communisme.
Toen al was er de behoefte om Europa tegen de rode vloedgolf te beschermen.
Maar naarmate Hitler sterker werd ging hij zelf militaire organisaties vormen,
zoals de SS, en dat
waren politieke eenheden, die na verloop van tijd de veteranen uit de le w.o. met geweld uitschakelden. Aan de macht kwamen de politieke
soldaten; zij gingen op den duur zelfs de dienst uitmaken voor het gewone
leger, de Wehrmacht. Al met al is te zeggen dat de tweede
wereldoorlog een politieke oorlog was, een oorlog tussen politieke
ideologieën. Een ander opmerkelijk feit heb ik al eerder genoemd: de
burgerbevolking wordt inzet van de strategie. De oorlogshandelingen
beperken zich niet meer tot militaire doelen. De nadruk komt zelfs te liggen op
de vernietiging van de bevolkingscentra; de burgers worden een factor in het
oorlogsbedrijf. Dat was tot aan de tweede wereldoorlog ongewoon, nog in
Genève hadden de Westerse landen vastgesteld dat oorlogen zuiver militair
moesten zijn en dat het misdadig was de burgers als doelwit te gebruiken. En
kort daarna begonnen de vernietigings-bombardementen: Warschau, Rotterdam,
Coventry en daarna de Duitse steden en Hiroshima , Nagasaki. Sinds die
tijd vindt men het heel gewoon dat de steden van het Westen en oosten
voortdurend bedreigd worden met vernietiging. De burgers, als zelfstandige
individuen, komen nu naar voren en worden strategisch van belang.
Als
het nationaal socialisme opkomt is er als het ware een renaissance van het oude
Germanendom. Die renaissance is het eerste moment van de nieuwe tijd in die zin
dat hij het negatieve aspect van dat eerste moment vertegenwoordigt. In dat
nationaal socialisme wordt de gehele klassieke cultuurmentaliteit vernietigd.
Dat alles deugt niet, is leugen en bedrog, is decadentie, en wat goed is, dat
zijn de oude Germaanse waarden. Die waarden moeten herleven, zij zijn
karakteristiek voor de Germaanse volkeren, zij zijn volkseigen. En bij dat
herleven behoort ook dat die Germaanse volkeren raszuiver zijn en het juiste bloed door de aderen
heeft stromen. Dat is het bloed van de helden, de leiders, de Übermenschen! Het
spreekt vanzelf dat men geen notie had van de werkelijke waarden en mentaliteit
van de oude Germanen. Men stelde een aantal stereotiepen
als de maat, ingegeven door een bepaald soort van romantiek, zoals men die
proefde uit de verhalen. Wagner heeft die romantiek in zijn opera’s ten top
gevoerd. En die romantiek sprak de mensen aan omdat de cultuurontwikkeling het
punt had bereikt dat het modern Germaanse, het Angelsaksische door zou gaan
breken. Daarvan dus is het nationaal socialisme het negatieve aspect. Je kunt
dus niet zonder meer stellen dat het Duitse volk misleid is geworden: het sprak
wel degelijk aan! De mensen waren er ontvankelijk voor. Hopelijk wordt de term
nationaal socialisme nu wat duidelijker: het nationale is het (vermeend)
authentieke Germaanse en het socialisme is gebaseerd op het besef dat de
individuen tot gelding moeten komen, een besef dat voor de gehele Westerse
wereld gold. Misschien is het moeilijk de opkomende waardering voor de individu
te rijmen met het militaristische karakter van het nationaal socialisme, maar
dan moet je bedenken dat het formeren van groepen vooronderstelt dat er
elementen, eenheden zijn die elkaar in een ideaal vinden en zo een groep kunnen
vormen. In verband met dat ideaal wordt het begrijpelijk dat de politieke
vorming zo belangrijk was. De niets ontziende gewelddadigheid van het nationaal
socialisme vindt zijn grond in het feit dat het om de totale ontkenning ging
van de toenmalige Westerse wereld, voor zover die klassiek was. Die wereld
moest vernietigd worden ter wille van de nieuwe mens, levende in een nieuwe
tijd en burger van een duizendjarig rijk dat de gehele Germaanse wereld zou
omspannen. Voor dat nieuwe moest het oude uitgeroeid worden!
Bladwijzers: Elite(1) De
onechte cultuurontwikkeling nrs.1 t/m 6 ; De Nieuwe elites(2)
– Lees 15 t/m 17(SS)
; (Sociaal Democratie-1
;
Sociaal
Democratie-2 ; Sociaal Democratie-3 ; Sociaal Democratie-4; Sociaal Democratie-5 ) ;
Parlementaire Democratie ; Mussolini ; Churchill / Mussolini ; Hitler / Mussolini
; De laatste kaart nr. 47 ; Nationaal Socialisme ; Socialisme,
Sociaal Democratie, Communisme,
Liberalisme, Fascisme en Nationaal
Socialisme ; De term Nationaal Socialisme ; Het
probleem van het Nationaal Socialisme nrs 17 t/m 21
; De
misdadigheid van het Nationaal Socialisme ; Het Nationaal
Socialisme ; Klassieke
westerse Elites ;
Bladwijzers: HAAT tegen…de
Russen en Joden – JodenHAAT,
OORZAAK..! - HAAT ; DE HAAT en de wreedheid ;
Het probleem van het nationaal socialisme
Het is opvallend dat het nationaal
socialisme, zoveel jaren nadat het aan de macht was, nog steeds voor een
heleboel mensen een probleem is, een probleem dat niet in de eerste plaats
veroorzaakt wordt door het vele leed, dat de mensen is aangedaan - dat was in
andere oorlogen ook het geval - maar door het onbegrijpelijke karakter er van.
Het massaal sterven van soldaten aan de fronten is voor de mensen geen
onbegrijpelijk verschijnsel en zelfs het bombarderen van bevolkingscentra is
nog wel te vatten, maar het systematisch uitroeien van mensen is dat niet. Achteraf is iedereen er van overtuigd dat de hele zaak misdadig
was: ze hebben 6 miljoen Joden vermoord, maar de vraag is en blijft of
die misdadigheid ook herkend zou zijn geworden als die feiten niet bekend
waren. Met andere woorden: herkende
men de misdadigheid louter en alleen aan de nationaal socialistische
mentaliteit en eventueel aan de ideologie?
Het antwoord moet zijn nee, behoudens
natuurlijk heel enkele uitzonderingen, waarvan de meeste dan ook nog steunden op bekend geworden feiten.
De Nederlandse communisten bijvoorbeeld komt de eer toe vanaf het begin tegen
het nationaal socialisme gekant te zijn geweest, maar ook dat is nauwelijks een
verdienste te noemen omdat zij tegen waren op grond van hun eigen ideologie,
die toevallig op een ander principe berustte dan de nationaal socialistische.
Dat was dus een partijpolitiek oordeel en van daar uit schroomde men niet de
ander een misdadiger te noemen! Een kwalificatie waarmee de communisten altijd
al erg vlug klaar hebben gestaan. (We hebben het niet geweten ) Het probleem
voor de mensen is dat zij niet in staat bleken de misdadigheid te herkennen, ze
hebben het inderdaad niet geweten, zelfs niet als de feiten bekend waren, en
dat komt doordat zij, enigszins op andere wijze, zelf die zaak waren. De
opkomst van de Angelsaksische wereld houdt nu eenmaal het teruggrijpen naar de
oorsprong in. Dat negatieve moment is er niet uit te denken. De Duitse
jeugdbeweging van voor 1933 was sterk op de natuur gericht, het woud met
eventueel de heilige eik speelde een bijna mystieke
rol, maar het ging niet om de natuur zelf, maar om de associatie met de “oerbodem”, de grond waarop de Germaanse cultuur geboren
was. Bovendien waren die jeugdbewegingen er op gericht een
gehoorzaamheidscultus aan te kweken: het zelfbewust geworden individu moest
zich willens en wetens onderwerpen aan de totaliteit van de groep, de partij en
de staat, vertegenwoordigd door de almachtige leider.
Let op dat het
om een leider ging en niet om een tiran, het begrip leider
vooronderstelt de aanwezigheid van een zelfbewust individu, dat naar het
verheven doel geleid moet worden. Absolute gehoorzaamheid is dan vereist en
precies dat is de inbreng van onderaf van die Germaanse mens.
Waarom nu juist in Duitsland?
Sommige mensen
betwijfelen of het nationaal socialisme specifiek een Duits verschijnsel
genoemd kan worden. Ik denk dat hieraan geen twijfel mogelijk is. In geen enkel
ander land heeft het wortel geschoten en als het desondanks enig succes boekte
berustte dit vooral op politieke doelstellingen, gericht tegen de overheersing
door de klassieke elites. Maar in Duitsland ging het doorbreken van de
nationaal socialistische gedachte onmiddellijk gepaard met terreur, een terreur
die merkwaardig genoeg als vanzelfsprekend straffeloos kon plaats vinden en die
dan ook gaandeweg omvangrijker werd. Totdat daar tenslotte miljoenen mensen
vermoord werden, gelegaliseerd door wat men de staat beliefde te noemen.
Blijkbaar is er een verbinding tussen de bewust geworden Germaanse ideeën en
waarden en de automatisch optredende terreur. En, inderdaad, die betrekking is
er en hij zal duidelijk worden als we ons realiseren dat het uiteindelijk
allemaal om de individu draaide. Voor die individu is ik de enige realiteit,
naast mij kan er niemand zijn en als er toch iemand is moet die vernederd
worden. Dat is het eerste en dus ook vanzelfsprekend concrete moment van het
individu-zijn: het enig bestaande ding dat alles en iedereen in de schaduw
stelt. Het eerste moment van het individu-zijn is negatief omdat het zijn hele
omgeving ontkent en, in concreto gesproken, uitroeit.
Psychologisch werd dat bij de Duitsers versterkt door de streng patriarchale
cultuurgesteldheid. In de gezinnen bestond er maar één echt: de vader en in de
maatschappij: de overheid. Geen wonder dat gezag en orde, gehoorzaamheid en
plichtsbetrachting juist als kenmerken van de zelfbewuste individu werden
gezien. De paradox is dat de gehoorzame en plichtsgetrouwe gezagsdrager de enig
bestaande concrete individu is. Hij hoort er echt bij, bij de clan van waardige
mensen, de groep van gelijken is zijn thuis, vandaar zijn voorliefde voor leger
en overheid, want daarin behoeft de gelijkheid niet bevochten te worden: die is
(van god) gegeven en die staat onwrikbaar vast. Groepsvorming op basis van
(relatieve) gelijkheid is voor zo’n autoritair patriarchale cultuur kenmerkend.
Het regiment is het thuis voor praktisch elke man, de soldatentijd is de
mooiste tijd en de kameraadschap van mannen is het mooiste dat er is. Die groepsvorming
was er dus vanuit de individu zelf, hij zocht zelf zijn thuis in die groep -
dit in tegenstelling tot de fascistische gedachte van de bundeling, die in
principe van bovenaf geschiedt en dus wezenlijk bij de klassieke wereld
behoort. De nationaal-socialistische mens denkt
inderdaad van onderaf en maakt vervolgens van zichzelf iets unieks, een held en
uiteindelijk een Übermensch. Heldendom was in die wereld de mooiste domheid.
Wie zover niet kwam was een lafaard, die niet verdiende te overleven. Zo vond
Hitler dat het Duitse volk als geheel ten onder moest gaan als het zich niet
als heerser waar kon maken en de oorlog zou verliezen. Tenslotte probeerde hij
dan ook het Duitse volk ten onder te laten gaan.
De haat en de wreedheid
Je kunt nu wel tot een groep van unieke
individuen behoren, maar de gehoorzaamheid behoort toch tot de deugden. Eigen
voortreffelijkheid gaat samen met eigen slaafsheid, met eigen waardeloosheid.
De aanwezigheid van deze verhouding leidt tot een allesoverheersende haat en
een niets ontziende wreedheid ten aanzien van diegenen die als minderwaardig
worden beschouwd. Haat zowel als wreedheid vragen om een object en dat object
is voorhanden in de mensen die niet in het teken van het unieke en het
gehoorzame staan. Die mensen kunnen eenvoudig niet met rust gelaten worden, men
moet hen vernietigen. En dat deed men dan ook. Op de staatsburelen werden
bijvoorbeeld de Joden ter dood veroordeeld en dat was een administratieve
kwestie, maar de haat en de wreedheid werden in de lagere regionen uitgeleefd
omdat ze daar het sterkste aanwezig waren. En ook hier is weer opvallend dat
het straffeloos kon gebeuren.
De meeste mensen denken, dat het
zogenaamde Derde Rijk hecht georganiseerd was volgens bepaalde
staatsopvattingen. Maar dat was niet het geval. De clans van unieke individuen
laat geen organisatie toe, wel echter een terreur-apparaat waarin eigenlijk
iedereen bezig is de ander te bestrijden om macht te krijgen, om echt uniek te
worden. Zelfs het streven naar een hechte organisatie van de maatschappij
ontbrak.
Bladwijzers: De laatste kaart nr. 47
; De
Nederlandse N.S.B. nrs. 19/20. ; Nationaal
Socialisten-nrs.17 en 18 ; HAAT tegen…de
Russen en Joden – JodenHAAT,
OORZAAK..! - HAAT ; DE HAAT
en de wreedheid ;
No. 19 ( zie ook het voorgaande)
Bladwijzers: Opgevoed-1 ; Opvoeden-1 ; Opvoeden-2 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ; Nationaal
Socialisme ; Socialisme, Sociaal Democratie, Communisme,
Liberalisme, Fascisme en Nationaal
Socialisme ; De term
Nationaal Socialisme ;
De misdadigheid van het Nationaal Socialisme
De Nederlandse N.S.B. nrs.
19/20 ; Het Nationaal Socialisme ; Antisemitisme-( o.a.
pag. 19 / 20) ;
De misdadigheid van het nationaal
socialisme
Er
zijn in de geschiedenis allerlei voorbeelden aan te wijzen van grootscheepse
gewelddadigheden, die achteraf toch niet onmiddellijk als misdadig beoordeeld
worden. De wereldverovering door de Romeinen en die van Napoleon hebben heel
wat ellende teweeggebracht en de geschiedenis ervan wemelt van de misdaden,
maar toch worden die toestanden als zodanig niet als misdadig beoordeeld - maar
natuurlijk ook niet als humaan. Het nationaal socialisme echter, zelfs ongeacht
het feit dat het een oorlog begon, wordt wel degelijk als misdadig ervaren.
Enkelen hebben dat destijds al meteen uit de ideologie afgeleid, maar nadat
alles achter de rug was en de feiten bekend geworden waren, twijfelde niemand:
het nationaal socialisme is misdadig. Men heeft dan ook getracht de zaak
aan het geldende recht te toetsen en, hoewel dat juridisch niet zo erg goed in
elkaar zat, de poging gewaagd de verantwoordelijke leiders voor hun misdaden te
straffen. Daarmee is men trouwens nu nog bezig... We zetten de
belangrijke punten op een rijtje: de kern van de zaak ligt natuurlijk bij de
individu, die ontwaakt en daarbij zijn eerste negatieve moment
realiseert, te weten de alles buiten zichzelf uitsluitende ik. Ten
tweede ligt daar de vraag naar de hoedanigheid en de inhoud van die ik.
Dat blijkt dan een ik te zijn, die zichzelf voortdurend naar boven
projecteert en dus niet als gelijke onder de andere ikken vertoeft, maar
almaar boven die anderen uit wil gaan. Een held wil zijn. Het derde punt
is dat die zogenaamde held de andere ikken als minderwaardig gaat
beschouwen en daaraan het recht ontleent die anderen te vernederen en tenslotte
zelfs te vernietigen. In het moderne Angelsaksische besef komt dat niet voor.
Vanuit het ik beschouwt men de anderen in ieder geval als medemensen en
men is ervan overtuigd die medemensen niet te discrimineren, terwijl men onder
die overtuiging door zijn medemensen onbewust vernedert. Bij de nationaal-socialisten echter behoorde het tot de
overtuiging en de ideologie dat de anderen tot de ondermensen gerekend moesten
worden. Er was dan ook geen ideologische rem op het moorden en op de terreur,
het ongedierte moest vertrapt worden, meedogenloos en machinaal. Het waren
immers geen mensen! Vooral dit laatste, het als minderwaardig zien van de
anderen, is specifiek Duits, zoals wij nog bespreken zullen. De combinatie van
de drie genoemde punten levert de misdaad op. Misdaad is het verbreken van het
geheel, het ontkennen van datgene dat er nog meer is (dat geldt ook ten aanzien
van de overige verschijnselen, de bodem, de planten en de dieren).
Overigens moet opgemerkt worden dat men in
de Westerse wereld vooral onder de indruk kwam van de omvang van
het moorden. Eigenlijk schrok men niet zozeer van de feiten zelf (men weet er
immers zelf ook best raad mee) als wel van het aantal ( te
veel )vermoorde mensen. Men zou eventueel wel willen aanvaarden dat het erg
was, maar dit was duidelijk te erg, dit ging alle perken te buiten. We
hebben dus met een kwantitatieve norm te doen, die als een kwalitatieve gesteld
wordt, voornamelijk om het eigen geweten te sussen. Het is zeer de vraag of men
net zo overtuigd gereageerd zou hebben als het over enkele duizenden mensen was
gegaan en als die ordelijk en beschaafd weggewerkt waren, zoals men dat
bijvoorbeeld in de Ver. Staten met de Indianen probeert te doen en in
Zuid-Afrika met de zwarte mensen. Voor de Westerse denktraditie is de omvang
van een misdaad meer doorslaggevend dan die misdaad zelf. Het aantal gruwelijke
details schokt de Westerse mens het meest. Hierop berusten dan ook steeds de
argumenten om het nationaal socialisme als misdadig te kwalificeren,
maar eigenlijk is dat niet de kern van de zaak
Het samengaan van een aantal factoren
heeft er toe geleid dat juist in Duitsland het nationaal socialisme zo
verschrikkelijk kon toeslaan. Het merkwaardige is namelijk dat in bepaalde
streken van Engeland (Wales) en in Ierland de Germaanse geesteswereld veel
sterker is blijven leven dan in het door de Klassieke wereld overspoelde
Duitsland. In de eerstgenoemde gebieden bleef vooral de sfeer bewaard, zich
uitend in sprookjes, dichtkunst en liederen - een beetje een magische wereld.
Maar in Duitsland was het meer een herinnering, een soort van nostalgie, die
vooral met de macht te maken had. Duitsland was, tot in de 20ste eeuw, verdeeld
in een groot aantal vorstendommen
en ook thans nog spreekt men van een Bondsrepubliek. Van een echte staatkundige
eenheid was geen sprake, ondanks herhaalde pogingen om dit wel te realiseren.
De bevolking is dus almaar geconfronteerd geweest met een heel concrete macht,
in de vorm van de een of andere vorst die zij vaak persoonlijk kenden en met
wie zij dagelijks praktisch te maken hadden. Er was dus nauwelijks een
abstracte macht, zoals in een democratie. Men was gehoorzaamheid verschuldigd
aan een niet te miskennen persoon, die een absoluut heerser was. Hij beschikte
over alles en zijn wil was wet. En in de gezinnen werd die verhouding
afgespiegeld door de vader, die als een vorst heerste en met buitengewone
hardheid de kinderen opvoedde tot gehoorzame staatsburgers van wie de eigen wil
moest samenvallen met die van de patriarchale vader. Diezelfde hardheid vinden
wij terug ten aanzien van ten dode opgeschreven ondermensen, die in de vrieskou
naakt op het appel moesten staan, doodgeranseld werden en van hun menszijn beroofd. De harde opvoeding door de vader
reproduceerde zich in de wreedheden. De vele Duitse vorstendommen waren een voortzetting van de
Germaanse stammen en clans, met daar overheen gelegd de klassieke
machtsverhouding van bovenaf. Het zogenaamde culturele leven speelde zich dan
ook aan de hoven van die vorsten af. Daarbuiten was iedereen, in de meest letterlijke
zin, gehoorzaam onderdaan. Ook de Reformatie heeft aan het ontstaan van het nationaal socialisme
bijgedragen. Het ging immers om de individuele ondergeschiktheid van de mensen
aan god, die beschikte over leven en dood! Als vooral de boeren ook hun
staatkundige vrijheid opeisten en als individu gewaardeerd wilden worden werden
zij genadeloos onderworpen tijdens de Boerenoorlog in 1525. Luther koos de
zijde van de vorsten, hoewel hij toch ook voorstander was van de nationale
éénwording van Duitsland. Tijdens de 30 jarige oorlog (1618 - 1648) werd de
macht van de vorsten praktisch absoluut. De nationale eenheid was daarmee
voorlopig van de baan, maar tegelijk werd daardoor toch ook de voedingsbodem
voor het latere extreme nationalisme gelegd.
Zoals gezegd was (en is?) de Duitse
opvoeding van de kinderen gericht op absolute gehoorzaamheid. En tot in
wetenschappelijke kringen was men er van overtuigd dat een dergelijke opvoeding
al bij de wieg moest beginnen. De eigen wil van het kind moest gebroken worden
en dat kon het meest effectief gebeuren door het kind met geweld te deformeren
voordat het zich van zichzelf bewust zou worden. De eerste levensjaren
waren dus van groot belang omdat in die periode de basis voor een fatsoenlijk
mens gelegd kon worden. Het kind zou zich zijn leven lang niet meer kunnen
herinneren hoe het vernederd en gekwetst
was en het zou als vanzelfsprekend voldoen aan de gestelde eisen van fatsoen en
eer. De gevolgen van deze zwarte pedagogie zijn: een lage drempel voor
collectieve misdadigheid, meedogenloosheid en wreedheid
en een behoefte aan gezag, militaire organisatie, vaderlandsliefde en eer.
Bladwijzers: Opgevoed-1 ; Opvoeden-1 ; Opvoeden-2 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ; Gekwetst worden ; Vernederd en
gekwetst ; Gekwetst in hun rechtvaardigheidsgevoel ; Tweede Wereldoorlog - het begrip tweede wereldoorlog vindt u terug op
pagina’s 12, 14t/m19, 20
en 21, 37,
44, 48 en 68
; De
laatste kaart nr. 47 ; Nationaal
Socialisme ; Socialisme, Sociaal Democratie, Communisme,
Liberalisme, Fascisme en Nationaal
Socialisme ; De term
Nationaal Socialisme ; De
misdadigheid van het Nationaal Socialisme ;; Het Nationaal
Socialisme ; Wir haben es nicht gewusst… hoe zit dat? Lees o.a. de nrs
17, 18, 19 ;
Bladwijzers: Fascisme/Klassiek – nrs. 10t/m12
; fascisme – nr. 20/21
:Socialisme,
Sociaal Democratie, Communisme, Liberalisme, Fascisme en Nationaal Socialisme ; Tweede
Wereldoorlog -
het begrip tweede wereldoorlog vindt u terug op pagina’s 12, 14t/m19, 20 en 21, 37, 44, 48 en 68
; Nationaal
Socialisten-nrs.17 en 18 ;
Het verdelen in vakken
Het is gebruikelijk om de geschiedenis in
vakken te verdelen. Dat is op zichzelf wel te verdedigen, maar toch schuilt er
het gevaar in dat je voorbij gaat zien aan de ontwikkeling, die er ook nog
plaats heeft. Als voorbeeld de tweede wereldoorlog: die is inderdaad in
mei 1945 opgehouden, wat betreft Europa, met het staken van de gevechten. Maar,
er speelde natuurlijk veel meer dan alleen maar dat vechten. Genoemd heb ik al
het systematisch vernietigen van mensen en ook het ingetreden vernietigingsdenken op politiek-militair gebied. Ook zou je
moeten denken aan de inmiddels normaal geworden communistenhaat en natuurlijk
aan het zich doorzetten van de Angelsaksische wereld. De ontwikkeling van deze
zaken is gewoon doorgegaan en, hoewel de oorlog zelf er nauw mee samen hing, is
die oorlog daarvoor toch niet bepalend. Die oorlog echter had een duidelijk
begin- en eindpunt, het was een tijdperk. Als je alleen daarop zou letten zou
je geen ontwikkelingen zien, maar min of meer toevallige gebeurtenissen, die
eventueel wel zakelijk verklaard zouden kunnen worden als je de achtergronden
bestudeert, maar die je toch niet echt leert begrijpen. Dat laatste is pas
mogelijk als je oog krijgt voor datgene dat zich in de mensen ontwikkelt.
Moeilijk is het echter om er achter te komen waarop je dan zou moeten letten.
Als voorbeeld het nihilisme. Zo ongeveer iedereen is daartegen fel gekant en
dat is vaak zo emotioneel, dat men er niet eens toe komt er over na te denken.
Nihilisme is een ramp, en daarmee uit! Toch zie je overal om je heen dat de
zaken geleidelijk ontwaarden. Dat geldt ten aanzien van dingen, maar ook van
ideeën. Die ontwaarding brengt onverschilligheid met zich en daardoor vervallen
veel gronden voor onenigheid onder de mensen. Nog niet zo lang geleden was de arbeid
de enige bron van rechtvaardiging van je bestaan. Arbeid betekende leven. Maar
nu speelt men steeds meer met de gedachte aan een basisinkomen, een inkomen dus dat geheel en al
waardevrij is. Er behoeft niets tegenover te staan, het is vrij van verplichtingen.
Het nihilisme
zet zich door ondanks de ertegen ondernomen kruistocht van de zijde van
idealistische humanisten. Let je alleen op die kruistocht aan de oppervlakte
dan zie je niet wat er werkelijk gaande is: je zou denken dat men idealistisch
is, terwijl men in feite meer en meer nihilistisch is - zonder die term te
willen accepteren. In het licht van het bovenstaande zeg ik: in 1945 hielden de
gevechten inderdaad op, maar het broeien van nieuwe inzichten in de mensen is
gewoon doorgegaan.
De begrippen fascisme en nationaal
socialisme worden tegenwoordig almaar door elkaar gehaald. Dat is wel enigszins
te begrijpen als je bedenkt dat de verschijnselen, die aan beide concreet
meekomen, veel op elkaar lijken en vaak naast elkaar bestaan, terwijl het
tevens de gewoonte is die concrete verschijnselen als basis voor een analyse
van de situatie te benutten. Er lopen zoveel dingen door elkaar heen dat men er
niet goed in slaagt het fascisme van het nationaal socialisme te onderscheiden.
Maar er komt nog iets bij: de herinnering aan de door beide bewegingen
teweeggebrachte ellende blokkeert het nadenken daarover. Men wil de vele
overeenkomsten met het moderne Angelsaksische denken, en dus met het eigen
denken, zover mogelijk wegdringen in het zelfbewustzijn. Er mag eigenlijk niet
goed over nagedacht worden. Het gevolg is dus een tamelijk verwarde en
emotionele toestand. Vanuit onze gedachtegang echter is het verschil tussen die
twee rampen niet zo erg moeilijk. Het fascisme behelst de bundelings-gedachte,
d.w.z. het gaat er om de mensen bijeen te brengen, te bundelen tot één
totaliteit. Die totaliteit is een groep en in laatste instantie: de
staat. Dat bundelen geschiedt van buiten- en van bovenaf, door een elite, een
aristocratie. Iemand of iets moet de mensen bundelen; zij zijn dus lijdend
voorwerp. Zij zijn niet meer dan een element van die bundel en als zodanig
gelden zij als volwaardig. Dit is niet denkbaar zonder dat de mensen er zijn.
Zij moeten dus als individuen herkend en erkend zijn. Dit nu zagen wij al
eerder, namelijk in het Angelsaksische denken en wij zagen het als
cultuurmoment bij de Germanen. Het zijn nu echter niet de mensen zelf, die zich
aaneensluiten tot een groep om zich vervolgens omhoog te projecteren (nationaal
socialisme), maar het is een elite die hen samenbundelt. In het fascisme
geschiedt de groepsvorming van bovenaf, en dat betekent dat wij te doen hebben
met de klassieke variant van het individualisme. De zaak is van boven naar
beneden gedacht.
De
fascisten spraken niet voor niets van de wedergeboorte van het Romeinse rijk! Mussolini zag zichzelf
als een caesar en hij studeerde zelfs de daarbij behorende houdingen en gebaren
in. Tekenend is ook dat de Roomse kerk als machtsinstituut zeer gewaardeerd
werd en qua organisatie zelfs ten voorbeeld gesteld werd. Men had ook
uitgesproken ideeën over de staatsinrichting. Weliswaar varieerden die ideeën
over geheel West-Europa, maar gemeenschappelijk was toch een of andere vorm van
de corporatieve staat, een soort van standenmaatschappij. De West-Europese
elites waren wel gevoelig voor het fascisme en niet zo erg voor het nationaal
socialisme, omdat het de KLASSIEKE variant was. Het traditionele
van-bovenaf-denken kon er mee uit de voeten. Het nationaal socialisme
daarentegen was gegrond op het tuig van de straat, dat zich ten aanzien van de
Weimar-republiek anarchistisch opstelde - uiteraard tot het zelf macht kreeg.
Maar de fascisten kwamen met elites en een absoluut heersende aristocratie. Dat
was een bekend geluid voor de West-Europese bovenlaag! Het omhoog projecteren
van de Germaanse nationaal-socialist had, zoals reeds
besproken, als consequentie het niet als mens beschouwen van grote groepen van
andersdenkenden. Van bovenaf gezien echter telde ieder element mee en dus was
er geen ontkenning van het menszijn . Er waren in feite slechts politieke tegenstanders
en inderdaad zag het er voor die mensen niet zo best uit: zij werden uit de weg
geruimd, maar niet omdat zij Untermenschen zouden
zijn. De agressie tegen bijvoorbeeld de Joden was in principe nauwelijks
aanwezig; de toch wel overal aanwijsbare vormen van antisemitisme hadden vooral een
politiek en economisch karakter. De basis voor vanzelfsprekende misdadigheid
was niet aanwezig. Maar gemoord werd er natuurlijk volop. Echter niet op grond
van rassen onderscheid of de overtuiging dat andere mensen geen mensen zouden
zijn. Deze verschillen moeten wij goed in de gaten hebben, temeer omdat
gaandeweg fascistische en nationaal-socialistische
ideeën door elkaar heen gingen lopen: veel nazi’s waren van oorsprong fascisten
en buiten Duitsland was er voor het nationaal socialisme bij vele fascisten
nauwelijks waardering en dat werd erger toen de Duitsers steeds meer imperialistisch
werden en geen visie op de staat bleken te hebben. Het Derde Rijk wilde
de veroverde staten niet samenbundelen tot een soort van statenbond, maar het
wilde ze inlijven - vernietigen dus. Dat stuitte overal op verzet, zelfs bij
bewegingen die zichzelf nationaal-socialistisch
noemden, zoals de
Nederlandse N.S.B. Deze laatste was trouwens ook niet zo gecharmeerd van
de jodenvervolging; pas na de bezetting in
1940 werd dat programma geaccepteerd. Na de oorlog werd het woord fascisme
uitgebannen, maar op tal van gebieden heeft de bundelingsgedachte zich
doorgezet.
Bladwijzers: Fascisme/Klassiek – nrs. 10t/m12
; fascisme – nr. 20/21
:Socialisme,
Sociaal Democratie, Communisme, Liberalisme, Fascisme en Nationaal Socialisme ; Mussolini ; Churchill / Mussolini
; Hitler / Mussolini
; De Nederlandse N.S.B. nrs.
19/20 ; Nationaal
Socialisten-nrs.17 en 18 ; Antisemitisme-( o.a. pag. 19 / 20)
;
No. 21
Bladwijzers: Fascisme/Klassiek – nrs. 10t/m12
; fascisme – nr. 20/21
: Socialisme,
Sociaal Democratie, Communisme, Liberalisme, Fascisme en Nationaal Socialisme ;(Sociaal
Democratie-1 ; Sociaal Democratie-2 ; Sociaal Democratie-3 ; Sociaal Democratie-4; Sociaal Democratie-5 ) ;
Parlementaire Democratie ; Klassieke
westerse Elites ; (Liberalisme-1
Liberalisme-2
liberalisme-3)
; Nationaal
Socialisme ; Socialisme,
Sociaal Democratie, Communisme, Liberalisme, Fascisme en Nationaal Socialisme ; De term
Nationaal Socialisme ; Nationaal
Socialisme ; Het probleem van het Nationaal Socialisme nrs 17 t/m 21 ; De
misdadigheid van het Nationaal Socialisme ; Het Nationaal
Socialisme ; Klassieke westerse Elites ;
Negatief en positief moment
Zoals altijd het geval is als er een
nieuwe geest in de mensheid gaat waaien, treedt er ook bij het doorbreken van
het besef van het individuele een negatief moment op, naast een positief. Maar
beide zijn toch tekenen van dat doorbreken. Zo zijn fascisme en nationaal
socialisme allebei negatieve momenten, terwijl van diezelfde zaak het
socialisme, communisme en het sociaal-democratische
positieve momenten zijn. Hieruit volgt dat het fascisme en het nationaal
socialisme zowel vijandig staan ten opzichte van de klassieke elites als ten
opzichte van socialisme, communisme en de sociaal democratie. Zij wijzen
de bestaande toestand af. Desondanks zijn zij ook weer verschillend: het
nationaal socialisme gaat uit van het volk, maar het fascisme van de staat. Dat
laatste is op zichzelf ook autoritair, maar men dacht niet aan de bestaande
staat; Het ging om de voor-Europese-staatsvorm, bijvoorbeeld die van de
Romeinen. Ga je uit van de staat, dan kom je terecht bij het volk; ga je uit
van het volk, dan kom je bij de staat terecht. In het negatieve moment is de
staat absoluut en autoritair en het volk moet zichzelf bundelen of het moet
gebundeld worden. Resultaat: blinde gehoorzaamheid, een militaristische
gesteldheid, mannelijke hardheid en absolute intolerantie. Bovendien is er de
liefde voor het uniform en het marcheren, terwijl allerlei vaandels en vlaggen
als heilige symbolen worden beschouwd. De vertegenwoordigers van het negatieve
moment zijn als machtsfactor tijdens de tweede wereldoorlog uitgeschakeld,
maar veel van hun opvattingen zijn nog overal waar te nemen, vaak ondergedoken
in de sociaal democratie. Zo zijn er in het zogenaamde alternatieve
denken, waarin (terecht) de moderne denkmodellen bekritiseerd worden, vele
aspecten die bij dat negatieve moment behoren, voor zover men probeert de zaak
politiek te vertalen. Denk maar aan sommige ideeën van groene partijen. De
romantische hang naar de natuur, het landleven en oude mystieke voorstellingen is hiervan een uiting. Kenmerkend is de afkeer
van het denken: of men gaat over tot mystiek
gedroom, of men wenst handelend op te treden, maar in beide gevallen blijft het
denken onderontwikkeld.
Bladwijzers: (Liberalisme-1 Liberalisme-2 liberalisme-3)
Eigenlijk is het socialisme de essentiële
uitdrukking van het positieve moment. Ik leg nogmaals de nadruk op het feit,
dat het gaat om het individuele wakker worden van de gewone mensen, het volk.
We hebben dus te doen met een beweging van onderaf. Bij de elites was
het individuele al lang doorgebroken; het liberalisme is hiervan een uiting. Maar
als socialisme zet de zaak zich van onderaf door en hij houdt in: IK ben er, en
als IK er ben, ben JIJ er vanzelfsprekend ook. Uiteraard is dit een positieve,
bevestigende gesteldheid. In de praktijk vertoont zich dit in de vorm van de sociaal
democratie en niet, zoals veelal gemeend wordt, in antikapitalisme. Het
kapitalisme is nergens door de socialisten feitelijk bestreden, zij hebben het
aan zichzelf aangepast zodat het een kapitalisme van onderaf is geworden. Het
is namelijk niet mogelijk, in dit stadium van de individuele ontwikkeling,
niet-kapitalistisch te zijn. Dat blijkt zelfs uit de huidige ontwikkelingen in
Oost-Europa en in de Sovjet-Unie. Socialisme is het er zijn van IK en JIJ, als
positief moment van het individuele. Het is hierbij de vraag welke inhoud men
vervolgens geeft aan die IK en die JIJ. Fascisten en nationaal-socialisten
staan hier negatief tegenover, kunnen het echter niet ongedaan maken en nemen
dus hun toevlucht tot het letterlijk en figuurlijk uniformeren van IK en JIJ.
Maar anderen kijken er positief tegenaan.
Communisme
De inhoud van de communistische gedachte
is deze, dat IK en JIJ zouden moeten opgaan in het geheel, als zouden beiden
cellen zijn van één levend organisme. Daarbij gaat het natuurlijk om dat
organisme, dat levende geheel. Het behoeft dan ook niet te verwonderen dat er
een elite ontstaat, die dat geheel vertegenwoordigt en dat de cellen (ik en
jij) daaraan ondergeschikt gemaakt worden, zodat het praktische resultaat is
dat wij niet zozeer opgaan in het geheel, als wel er in Ondergaan. In zoverre
speelt het negatieve moment wel degelijk mee, maar het is niet de basis van de
communistische ideologie. Door dit meespelen echter vertoont bijvoorbeeld de
Sovjet-Unie duidelijke fascistische en nationaal socialistische trekjes -
hetgeen natuurlijk hartstochtelijk ontkend wordt en zelfs als beledigend wordt
beschouwd! Welbeschouwd echter is de gedachte van het opgaan in het geheel een
juiste gedachte, mits men inziet dat alleen maar volledig tot hun recht komende
individuen kunnen opgaan in het geheel. Maar daarvan is voorlopig nog geen
sprake: men vreest een dergelijke individu als de pest, met een afschuwelijke,
benauwde burgerlijkheid. Maar, toegegeven moet worden dat dit slechts (!) het
mééspelen van het negatieve moment is en daarom is er van het zogenaamde communisme
best wel wat te verwachten op den duur. Ook in het communisme is het
kapitalisme aangepast; het geldt ook van onderaf, om vervolgens toegeëigend te
zijn door de elites van de partij. Wij komen hierop nog terug.
Bladwijzers: (Sociaal Democratie-1
;
Sociaal
Democratie-2 ; Sociaal Democratie-3 ; Sociaal Democratie-4; Sociaal Democratie-5 ) ;
Parlementaire Democratie ; Klassieke
westerse Elites ;
De
sociaal democratie
Bladwijzers: Sociaal Democratie-1 ;
Sociaal Democratie-2
; Sociaal Democratie-3 ; Sociaal
Democratie-4; Sociaal Democratie-5 ;
Parlementaire
Democratie ;
Het mééspelen van het negatieve moment is
ook in de sociaal democratie te herkennen, echter niet als een
belemmeren van de individualiteit (een ieder mag zich vrijelijk ontplooien),
maar als een verengen van IK en JIJ tot alleen maar machtsfactoren. Wij maken
zelf een keuze uit het aanbod van machtzoekers, maar
dat wij zouden méé besturen is een fictie, die het gevolg is van een laag
denkniveau van de Westerse mens. Vanuit de Angelsaksische gesteldheid wordt
bestuur vereenzelvigd met macht en daardoor wordt de individu tot een
machtsfactor in plaats van een medewerker. Een ander voorbeeld is het meerderheids denken, waarin het niet gaat om de inbreng van
elk individu, op grond van zijn inzichten en bekwaamheden, maar om het aantal
individuen dat bereid is een plan of een programma te ondersteunen. In de
Nederlandse politiek zien wij tegenwoordig duidelijk dat er blokvorming plaats
heeft en andere meningen in een politieke groep geweerd worden: de individu als
machtsfactor!
Een
verwarrende zaak ( lees ook het voorgaande)
Alles bij elkaar hebben wij dus te doen
met een vijftal grondpatronen, te weten: 1. socialisme, 2. communisme, 3.
fascisme, 4. nationaal socialisme en 5. sociaal democratie. Het 3e en
het 4e patroon zijn negatief, maar de andere drie zijn hiervan ook niet geheel
vrij, omdat het allemaal tot één zaak behoort. De verwarring op dit terrein is
dan ook erg groot en meestal weet men geen raad met al die verschillende
verschijnselen. Duidelijk zal echter zijn dat fascisme en nationaal socialisme
pas dan effectief konden worden toen er eenmaal sterke socialistische en
communistische stromingen ontstaan waren. Hierin immers manifesteerde de
individu concreet zichzelf. Maar veel van deze individuen vonden geen houvast
in hun nog nieuwe en kinderlijke besef, zodat zij zich maar al te graag bij de
vertegenwoordigers van het negatieve lieten inlijven. Zelfs veel anarchisten en
nihilisten sloten zich daarbij aan; Hitler noemde zichzelf aanvankelijk
anarchist en Mussolini
was een overtuigde en actieve socialist en voor beiden gold dat zij de
weg van de absolute macht en van het imperialisme opgingen en
dus het negatieve kozen.
Naar bladwijzers: Sociaal
Democratie-1 ; Sociaal
Democratie-2 ; Sociaal Democratie-3 ; Sociaal
Democratie-4; Sociaal Democratie-5 ; Parlementaire Democratie ; (Liberalisme-1 Liberalisme-2 liberalisme-3) ;
Fascisme/Klassiek
– nrs. 10t/m12 ; fascisme – nrs. 20/21
: Socialisme,
Sociaal Democratie, Communisme, Liberalisme, Fascisme en Nationaal Socialisme ; Mussolini
; Churchill / Mussolini ; Hitler / Mussolini
; Tweede Wereldoorlog - het begrip tweede wereldoorlog vindt u terug op
pagina’s 12, 14t/m19, 20 en 21, 37, 44, 48 en 68 ; Nationaal
Socialisme ; Socialisme,
Sociaal Democratie, Communisme, Liberalisme, Fascisme en Nationaal Socialisme ; De term
Nationaal Socialisme ; Nationaal
Socialisme ; Het probleem van het Nationaal Socialisme nrs 17 t/m 21 ; De
misdadigheid van het Nationaal Socialisme ; Het Nationaal
Socialisme ; Hitlers
agressie tegen
het klassieke Westen – o.a. nrs. 14 t/m
21… ; Het
probleem van het Nationaal Socialisme. Lees nrs 17 t/m 21 ;
Bladwijzers: (Sociaal Democratie-1
;
Sociaal
Democratie-2 ; Sociaal Democratie-3 ; Sociaal Democratie-4; Sociaal Democratie-5 ) ;
Parlementaire Democratie ; Rechten van de Mens-1
; Rechten van de
Mens-2 ; De RECHTSSTAAT
/ Verenigde Naties - (lees 22t/m28) ; (Rechtvaardigheidsgevoel
/ de Rechtsstaat / Recht en Wet zijn
steeds instrumenten, … / lees nrs. 22 t/m 28)
;
De rechtsstaat
Je zou je kunnen afvragen of de term sociaal
democratie wel de juiste benaming is voor de moderne Angelsaksische staat.
Misschien is het beter van een rechtsstaat te spreken. Het bezwaar van deze
laatste benaming is echter dat het begrip rechtsstaat eigenlijk voor elke staat
van elke tijd geldt. De overheden van alle staten beroepen zich op het recht;
het is zelfs één van de gronden voor de rechtvaardiging van de eigen macht. Je
kunt zeggen: recht en wet zijn steeds instrumenten, die de
machthebbende elites gebruiken om de samenleving te overheersen. Dus is de term
rechtsstaat in wezen een loze term, die altijd weer de vraag oproept: over welk
recht heb je het en in hoeverre geldt dat recht? Ik heb de moderne staat een sociaal
democratie genoemd omdat in zo’n staat de sociale en zelfs wel
socialistische beginselen de maat der dingen zijn, ongeacht de vraag of men
zich socialist wenst te noemen of niet en ongeacht de vraag wat er van
terechtkomt. Zoals al eerder gezegd: alle politieke partijen zijn min of meer
socialistisch bezig. Men kan daar niet meer omheen omdat de gedachte als
IK er ben, ben JIJ er ook tot het zelfbewustzijn van de
mensen doorgedrongen is. Het woord sociaal democratie wordt gewoonlijk
opgeëist door de socialistische partijen, maar dat is, volgens bovenstaande
gedachtegang, niet terecht. De staatsopvatting van de socialisten verschilt
niet wezenlijk van die van de liberalen of confessionelen. In hoofdzaak
beperken de verschillen zich tot de economische opvattingen, althans, in de
praktische uitwerking daarvan. Want het basisprincipe, namelijk dat van de
noodzakelijk geachte groei van de markt, wordt door allen onderschreven. Bij
vergelijking van de verschillende verkiezingsprogramma’s valt de overeenkomst
meer op dan het verschil en als er al een partij is, die op een belangrijk punt
echt een ander standpunt inneemt, bijvoorbeeld ten aanzien van de bewapening,
is dat steevast een kleine partij. Het stemgedrag van de bevolking moet volgens
mij dan ook eerder verklaard worden uit ingeprente (geconditioneerde)
tradities, dan uit politieke standpunten - om van een visie op maatschappij en
samenleving maar helemaal te zwijgen!
Het officiële recht
Gewoonlijk wordt de geschiedenis van het
recht beschreven vanuit dat recht zelf. Als vanzelfsprekend gaat men er van uit
dat er in de mensen een soort rechtsbesef zou leven en dat dit besef almaar
helderder wordt. Ter ondersteuning van deze gedachte laat men dan zien hoe de
zaak zich ontwikkeld heeft van de Oudheid, via het Romeinse recht naar de
moderne inzichten, en men wijst er op dat in het moderne recht een principiële
gelijkheid aanvaard wordt van alle individuen. Het is inderdaad een feit dat
wij zo langzamerhand tot dat inzicht zijn gekomen. Dat blijkt onder andere uit
de formulering van de rechten van de mens,
door de Verenigde Naties
in 1948. Door de beschrijving vanuit het recht zelf ontstaat de indruk
dat we te doen zouden hebben met een ideële zaak, die in zekere zin
vooruitloopt op de praktische ontwikkelingen in de samenleving, een zaak die
zelfs bij de mensen afgedwongen zou moeten worden ter wille van de humaniteit.
Die indruk wordt versterkt door het feit dat aan de rechts- instituten de macht
wordt toegekend om zaken te kunnen afdwingen, bijvoorbeeld via de justitie. We
spreken dan ook van de rechterlijke
macht. Men ziet blijkbaar het recht als een hogere norm waaraan de
mensen onderworpen moeten zijn. Een norm, die al denkend tot bewustzijn wordt
gebracht en die als een geestelijke waarde uitgewerkt, geformuleerd en
afgedwongen moet worden. Al met al blijken wij weer met een denken-van-bovenaf
van doen te hebben en ook hier is het de vraag of de gegeven voorstelling de
juiste is.
Recht en ethiek
Je kunt je afvragen waarom het recht en de
ethiek inhoudelijk zijn zoals ze zijn. Dat betekent dat hier de vraag ligt:
waardoor worden beide qua inhoud gerechtvaardigd. Als gesteld wordt dat je een
ander mens niet mag aantasten kan je vragen: waarom niet? Meestal wordt op deze
vraag een causaal antwoord gegeven en dat komt er bijvoorbeeld op neer dat
anders het eind zoek zou zijn, of dat je anders van je eigen leven ook niet
zeker kunt zijn, of dat wij geen dieren zijn. De geleerden in de ethiek en in het
recht houden het liever op een soort van ingeboren hogere redelijkheid of op de
door god aan de mens geopenbaarde wetten. Hoe dan ook, noch het recht, noch de ethiek kunnen zichzelf rechtvaardigen,
omdat ze geen van tweeën een onbetwistbaar uitgangspunt hebben. Ze nemen hun
toevlucht tot een of andere grootheid, waarvan ze aannemen dat die bestaat en
dat die, zonder uitzondering, geldt voor alle mensen. Gedachteloos wordt die
grootheid gezocht in de menselijke geest en bijgevolg wordt er zonder meer van
uitgegaan dat intellectueel ontwikkelde mensen hiermee het best vertrouwd
zullen zijn en er steekhoudende dingen over kunnen zeggen. Dit nu is in strijd
met de feiten, ook in historisch opzicht. Het door de mensen aanvoelen van wat
recht en ethisch is komt niet voort uit de menselijke Geest,
noch is het een resultaat van voortschrijdend Denken(ontwikkeling v/h), maar ligt
besloten in Het
Bewustzijn dat via de Psyche voelbaar is. Wat recht
is en wat ethisch wordt door de mensen gevoeld en de inhoud van dat gevoel is
dat je het hebt te laten de werkelijkheid te verbreken. Als bewustzijn is die
werkelijkheid één
geheel waarin alles tot zijn recht (!) moet komen. Omdat het
bewustzijn zich laat aanvoelen is het geen intellectuele zaak, maar een
psychische en alleen van daaruit kunnen er zinnige dingen over gezegd worden.
De mensen hebben goed en kwaad, recht en
onrecht steeds aangevoeld. Omdat dit een aanvoelen is, een zaak van de psyche, heeft het steeds los gestaan van de geldende
cultuurmodellen. Die immers zijn een geestelijk goed, een inhoud van het
zelfbewustzijn. Tot die inhoud kan best een heldere en redelijke formulering en
toepassing van recht en ethiek behoren, maar dan nog blijven beide een
psychische zaak. Dit verklaart waarom de gewone mensen hun recht altijd weer
hebben moeten bevechten, moeten afdwingen van de heersende elites. Ook het
taalgebruik wijst daarop: je moet je recht halen, je kunt je recht krijgen en
recht hebben op... . Blijkbaar beseffen de mensen dat er geen recht IS als je
het niet op de een of andere manier afdwingt. Uit de geschiedenis blijkt dat
alle recht chantagerecht is: de gewone mensen hebben de elites met het een of
ander gechanteerd zodat zij stap voor stap moesten toegeven. Bekend is het
afdwingen van privileges door de opkomende burgerij en tekenend is dat je het
woord privilege moet vertalen met voorrecht. Er werden GUNSTEN afgedwongen. In
een grijs verleden zijn er machthebbers ontstaan, die de mensen, doorgaans met
geweld, hebben duidelijk gemaakt dat zij de baas waren. Steeds weer blijkt dat
die mensen dat niet begrepen en dat zij voelden zich te moeten verzetten. Daar
ligt de werkelijke grond voor het recht en niet bij datgene dat die
machthebbers decreteerden. Door het voortdurend aanvoelen van wat recht is door
de gewone mensen is er enigszins recht gekomen in de wereld en de intellectuele
elites hebben dit recht pas erkend toen zij er mee gechanteerd konden worden.
En dat is ook thans nog het geval: het recht op abortus en euthanasie, op
dienstweigeren en op bestaansmogelijkheden, op vrije ontplooiing en op kennis,
het is allemaal bevochten op o zo ethische en rechtvaardige elites, die recht
en ethiek volgens hun denkmodellen formuleerden en als de maat stelden.
Bladwijzers: (Sociaal Democratie-1
;
Sociaal
Democratie-2 ; Sociaal Democratie-3 ; Sociaal Democratie-4; Sociaal Democratie-5 ) ;
Parlementaire Democratie ; Rechten van de Mens-1
; Rechten van de Mens-2
;
Het recht als een psychische zaak
De werkelijkheid als bewustzijn is de
werkelijkheid, die als een trillende verhouding zichzelf kenbaar maakt doordat
zij zichzelf als samengestelde materie (= het verschijnsel) laat meetrillen.
Dat meetrillen op zichzelf is het psychische, dat in de mens voor de dag komt
als een allesomvattende zaak, maar dat in de overige levende natuur in relatief
beperkte mate aanwezig is. Het bewustzijn, die trillende werkelijkheid dus, kan
door de mensen vanuit het zelfbewustzijn aanschouwd worden en is dan een
geestelijke zaak, en het wordt door de mensen gevoeld omdat zij als
verschijnsel tot meetrillen geraken. Dit laatste is onvermijdelijk, d.w.z. het
is er altijd, maar de interpretatie van dat voelen verschilt van tijd tot tijd,
van cultuur tot cultuur, omdat het interpreteren van het gevoel weer een zaak
van het zelfbewustzijn is. Omdat dit laatste het geval is, kan je in het
algemeen zeggen: hoe minder een mens onder de macht van het eigen
zelfbewustzijn staat, hoe zuiverder het interpreteren van het gevoel is. Beter
is wellicht nog om te zeggen: hoe meer de mensen het gevoel laten gelden als
iets vanzelfsprekends. Hoewel het recht als geestelijk goed een stelsel is van
door de mensen uitgedachte normen, zodat het op het terrein van het zelfbewuste
ligt, is het rechtsgevoel een psychische zaak. En dat rechtsgevoel komt steeds
het sterkst naar voren bij de gewone mensen. Dus bij de mensen die weinig onder
de druk van de zelfbewuste cultuur staan. Hier ligt de verklaring voor het feit
dat de zogenaamde rechten steeds van onderaf door de mensen afgedwongen zijn
van de cultuurelites. Die elites hebben, bij wijze van spreken, de rechten
nooit voor de mensen voor geleefd, al hebben zij wel vaak geprobeerd die indruk
te wekken. Talloos zijn de historische voorbeelden waaruit blijkt dat die
elites, als het er op aan kwam, voor zichzelf toch een ander recht lieten
gelden, gebaseerd op het voor hen vanzelfsprekende feit de macht in handen te
hebben. Van die macht is langzamerhand steeds meer afgeknabbeld en die
prijsgegeven elitaire rechten zijn daarna geformuleerd, in wezen meer om
zichzelf tegen een nog groter verlies van rechten te beschermen, dan om
rechtvaardig te zijn tegenover het volk. Het is dan ook niet verwonderlijk dat
het geldende recht meer bescherming biedt aan de gevestigde machten en de
daarbij behorende belangen (bezit onder andere) dan aan de gewone mensen.
Het
samengaan van recht en macht
In de moderne democratie wordt als
principe gesteld dat het recht onafhankelijk zou zijn. Zelfs de zogenaamde
overheid moet voor dat recht bukken. Tegelijk echter wordt het geldende recht
door diezelfde overheid geformuleerd, in de vorm van wetten en in de
vorm van interne voorschriften die een minister van justitie aan de recht
handhavers doet uitgaan. Die recht handhavers staan weliswaar tegenover de
rechters, maar zij zijn het toch wel die in eerste instantie bepalen of er al
dan niet inbreuk op de rechtsregels is gepleegd. Daarom: de beoordeling van
strafbaarheid of rechtmatigheid ligt wel in handen van de rechter, maar de
formulering van het recht niet. Als wij nogmaals bedenken dat alle
zogenaamde recht afgedwongen is van machthebbers, en dat dit tot en met vandaag
het geval is, dan zal het duidelijk zijn dat macht en recht bij elkaar behoren
en dat wij het recht zouden kunnen omschrijven als geformuleerde en vastgelegde
prijsgegeven macht. Dat houdt echter in dat wij het recht moeten zien als een
tijdelijk verschijnsel, slechts geldend voor zover en zolang de mensen nog onvolwassen
zijn en als gevolg daarvan machten en machthebbers boven zich
dulden. Hiermee vervalt bijgevolg ook de verheven status van het recht, als zou
het in principe absoluut zijn.
De waardering van het recht
Uit het voorgaande zou je kunnen afleiden
dat het geldende recht op geen enkele waardering aanspraak zou kunnen maken.
Dat zou echter een grote vergissing zijn. Er is namelijk een samengaan van
macht en recht en in dat samengaan fungeert het recht als tegenpool, als een
voortdurende weerstand tegen de macht. Het recht beknot wezenlijk de macht, ook
die van de mensen onderling. De macht, die je bijvoorbeeld hebt om je medemens
te doden, wordt vrijwel geheel geneutraliseerd door het geldende recht. Dat betekent
dat het recht de verhoudingen tussen de mensen onderling reglementeert. Die
mensen leven allemaal in een onvolwassen wereld, die op alle mogelijke manieren
bedreigend is. Tegen die bedreigingen biedt het geldende recht een zekere mate
van bescherming; het stelt, althans in de moderne democratie, het leven van de
individuele mensen tot op grote hoogte veilig. Juist omdat wij in een
onvolwassen wereld leven, en recht dus onlosmakelijk verbonden is met macht, is
het bestaan van het recht te waarderen als een goede zaak. Omdat een
onvolwassen wereld onvermijdelijk een machtswereld is, is het goed dat het
tegelijk een rechtswereld is. We hebben in het recente verleden gezien - en we
zien op allerlei plekken op de wereld nog steeds - dat er van de betrekkelijke
veiligheid van het individu niets over blijft als het recht verkracht wordt.
Denken wij eens aan de slaven in het Romeinse Rijk: voor die mensen was het een
zegen dat er in het Romeinse recht aan hen ook rechten werden toegekend. Dat
die rechten tot stand gekomen waren vanuit politieke en economische motieven
van de heersende elites, doet in de praktijk niet af aan het feit dat die
slaven in ieder geval enige rechten hadden. Hetzelfde geldt voor de negerslaven
in Amerika. De motieven voor hun bevrijding waren zelfzuchtige: een
(honger)loon betalen aan een zwarte arbeider werd gaandeweg goedkoper dan een
slaaf met eventueel diens gezin in leven houden en onderdak verlenen! De
economische en politieke argumenten gaven en geven bij de machthebbers de doorslag
bij het toekennen van rechten, maar het tot bewustzijn komen van die rechten en
het opeisen daarvan gebeurt vanuit de onderliggende en onderworpen groepen van
gewone mensen.
Waarom is het recht een psychische zaak?
Hopelijk heb ik duidelijk kunnen maken dat
een mens, voor zover die psychisch is, de werkelijkheid als bewustzijn
aanvoelt. Wat voel je dan aan? Je voelt aan dat de werkelijkheid bestaat uit
een groot aantal verschijnselen, waarvoor geldt dat die allemaal tot hun recht
moeten komen, en dat al die verschijnselen onlosmakelijk met elkaar
samenhangen. Tot hun recht komen houdt in: getrouw zichzelf zijn. Dat laatste,
met het onderling samenhangen, is de meest essentiële karakteristiek van de
werkelijkheid, voor zover het gaat om het bestaande en dus de werkelijkheid als
het begrip inhoud. Psychisch zijnde voelt een mens dus deze karakteristiek aan
als het wezenlijk rechtvaardige milieu om in te leven. Dat milieu behoeft niet
geregeld te worden in de vorm van een recht, het behoeft er alleen maar te zijn
en in alles tot gelding te komen. De samenhang tussen de afzonderlijke
verschijnselen is niet een gevolg van iets - het recht bijvoorbeeld - maar het
is een gegéven dat almaar in alles blijft doorwerken en steeds weer de kop
opsteekt in de vorm van een rechtsgevoel en een behoefte aan rechtvaardigheid.
Ontwikkeling van rechtsgevoel en rechtvaardigheid is onmogelijk omdat beide een
gegéven karakteristiek van de werkelijkheid zijn. Wat wij ontwikkeling plegen
te noemen is het steeds weer de kop opsteken van dat gegeven, met als gevolg
dat het pakket van afgedwongen rechten zich almaar uitbreidt. Het gaat over
steeds méér rechten en dat is op zichzelf dus een kwantitatieve aangelegenheid.
Bladwijzers: Opgevoed-1 ; Opvoeden-1 ; Opvoeden-2 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ; Gekwetst worden ; Vernederd en
gekwetst ; Gekwetst in hun rechtvaardigheidsgevoel ;
In ons land valt het mee
Ik heb er op gewezen dat het recht in deze
wereld nog steeds voorkomt in de sfeer van de gunst. Je mag blij zijn dat je
een groot aantal rechten hebt. Bovendien wordt de inhoud van het recht bepaald
door de overheden en niet door onafhankelijke rechters. Deze laatsten zijn er
slechts om het gelden van het recht, de toepassing daarvan, te toetsen en, waar
nodig, correcties aan te brengen. Die toetsing dient onafhankelijk te zijn, en
het is een feit dat in een land als het onze daaraan redelijk goed de hand wordt
gehouden. Je zou het zo kunnen zeggen: in ons land heb je er betrekkelijk
weinig last van dat recht en macht samengaan, maar dit feit mag niet verhullen
dat wij toch met een complex van gunsten van doen hebben als het over ons recht
gaat. Dat recht wordt toegekend; je mag er aanspraak op maken. Wat die
onafhankelijkheid van de rechters betreft kunnen wij stellen dat die bij ons
behoorlijk groot is, maar het is toch tekenend dat er zo bij tijd en wijle
gevallen in het nieuws komen, die blijk geven van een belangenverstrengeling
tussen bedrijfsleven, overheid en confessie enerzijds en de onafhankelijke
rechter anderzijds. Ook gaan er toch steeds weer stemmen op over
klassenjustitie, maar ook wat dat betreft valt het allemaal wel mee, zeker als
je een vergelijking met het buitenland maakt. Wat men klassenjustitie noemt is
doorgaans een aanvoelen van de sfeer van het recht, de sfeer van de gunst van
bovenaf. Dat die sfeer voelbaar is moge blijken uit het feit dat rechters en
daaromheen actieve figuren, zich tooien met bepaalde tekenen der waardigheid,
hun toga en dergelijke. Als mogelijk symbool van rechtvaardigheid heeft zoiets
geen betekenis, maar als symbool van verhevenheid des te meer. Dat is een zaak
die menselijk niet deugt, niet omdat men in die verhevenheid (uiteraard) tekort
schiet, maar omdat verhevenheid op zich onzinnig is en niets met
rechtvaardigheid te maken heeft.
Rechtvaardigheid
Zoals gezegd is het rechtsgevoel een
psychische kwestie. De mensen voelen het, zij het gewoonlijk uiterst flauwtjes,
aan. Omdat die zaak psychisch is komt daarin de werkelijkheid zelf voor de dag,
terwijl het ons zelfbewustzijn is dat die werkelijkheid vertekent, wegdrukt en
daarna verstandelijk interpreteert. Geen wonder dus, dat het resultaat een
ratjetoe is! Maar, ratjetoe of niet, voor die werkelijkheid gelden twee
essentiële begrippen: ten eerste tot zijn recht komen en ten tweede onderling
samenhangen. Voor zover nu de mensen geïnspireerd worden door deze twee
begrippen, die tegelijk en met elkaar verweven op moeten treden, spreek ik van
rechtvaardigheid. Dit sluit aan bij de praktijk: mensen zijn gekwetst in hun rechtvaardigheidsgevoel
als zij, of een ander, niet tot zijn recht kunnen komen en hetzelfde is het
geval als zij, of anderen, buitengesloten worden. Vooral bij kinderen is waar
te nemen dat het steeds om deze zaken gaat. Dat het rechtvaardigheidsgevoel
juist bij kinderen zo opmerkelijk is, is op zichzelf ook een aanwijzing voor
het feit, dat wij te doen hebben met voor de werkelijkheid zelf geldende
verhoudingen, die zich niet lenen voor beïnvloeding of ontwikkeling. Zij kunnen
alleen maar bevrijd worden van, door het cultuur denken ingegeven, frustraties.
Dus: juist omdat de rechtvaardigheid een gegeven verhouding is, steekt zij
steeds weer de kop op, en wel precies daar waar de onderdrukking ondraaglijk
geworden is. Helaas betekent dit ook dat er in een redelijk functionerende
rechtsstaat, waarin men van de onderdrukking weinig last heeft, nauwelijks
inspiratie geput wordt uit het rechtvaardigheidsgevoel.
Het heeft zin om er, in verband met het in
de mensen aanwezige Rechtvaardigheidsgevoel,
op te wijzen dat dit gevoel niet alleen weggedrukt kan worden, maar ook
gemanipuleerd. Dit manipuleren geschiedt natuurlijk vanuit het zelfbewustzijn.
Je doet het voorkomen alsof je de belemmeringen wegneemt en vervolgens richt je
het rechtvaardigheidsgevoel, dat min of meer vrijgekomen is, op een bepaald
doel. Je wijst bijvoorbeeld schuldigen aan, of vijanden of tegenstellingen. De
Joden zijn de schuld van de misère, de Russen willen ons vernietigen en de Albigensen (ketters) zijn volgelingen van de duivel!
Inderdaad heb je dan het gevoel van de mensen wakker geroepen, je hebt ze
rechtvaardigheid gesuggereerd. Maar in feite heb je de mensen hysterisch
gemaakt, zodat ze je blindelings, als in een roes, zijn gaan volgen. Het
behoeft geen betoog dat dit zogenaamde Gesundes Volksempfinden in plaats van gezond griezelig ongezond is.
Het heeft dan ook niets te maken met het rechtvaardigheidsgevoel waarover wij
op dit moment nadenken. Dit immers moet geheel en al vrij zijn, wil het voor de
mensheid betekenis hebben. Deze vrijheid is slechts mogelijk bij volwassen
mensen. Voor dat het zover is kunnen wij niet anders dan het recht respecteren
en uitbreiden. Uiteraard legden de nationaal-socialisten
de nadruk op het gevoel vanuit het volk, dus het gevoel van onderaf, als zou
dat iets nieuws zijn. Maar het aardige van het recht is, dat dit altijd al van
onderaf gerealiseerd is! Daarvoor hebben wij geen ontwakend Germaans besef
nodig.
Rechtvaardigheidsgevoel
en misdadigheid
Een moeilijk punt is altijd het vraagstuk
van de misdadigheid. Als rechtvaardigheid in de mensheid is gaan gelden, en het
recht geen functie meer heeft, komt er dan nog misdaad voor en wat moet je er
dan mee? Welnu, het is niet denkbaar dat er dan geen misdaad zal zijn. Je moet
dan ook de vraag stellen: hoe groot zou de kans op het zich doorzetten van de
misdaad zijn. En dan moet het antwoord zijn: uiterst klein. Om dit in te zien,
moet je je goed indenken waarom het gaat. We spreken over een wereld waarin beide,
het tot zijn recht komen en het onderling samenhangen van kracht zijn. In zo’n
wereld is al onmiddellijk één essentiële voorwaarde tot het zich ontwikkelen
van misdadigheid komen te vervallen, namelijk het individuele isolement. Het
niet, of in geringe mate bij elkaar behoren van de individuen is voor
misdadigheid een basisvoorwaarde. Misdaad immers is het verbreken van het
geheel en dat herkennen wij nog in de Duitse taal: das Verbrechen.
Gezien vanuit de samenleving, als die volwassen is, behoort misdaad tot de
onmogelijkheden, maar gezien vanuit de individuele mens ligt het anders. Het
kan in iemand fout zitten. Maar vanuit het tot zijn recht komen komt dit al in
een vroeg stadium voor de dag, terwijl vanuit de onderlinge samenhang een
voortdurende bijsturing plaats vindt. In een dergelijke situatie vervalt het
onverwachte en verborgen karakter van de misdaad. Men heeft zoiets al lang zien
aankomen en er ook voortdurend rekening mee gehouden. Een misdadige gesteldheid
heeft nauwelijks kans zich te ontwikkelen, en dat is precies het tegengestelde
van de situatie waarin wij thans leven: vrijwel iedereen is van de andere
mensen geïsoleerd, vrijwel niemand leeft met de anderen méé en ook kan vrijwel
niemand tot zijn recht komen. Dit laatste betekent in dit verband, dat een
misdadige aanleg verborgen blijft, in de opvoeding weggedrukt wordt zodat hij
niet aanwezig schijnt te zijn, om dan plotseling, onverwacht en in het geniep,
los te breken. En dan weten wij niets anders te doen dan de misdadiger nog meer
te isoleren: de gevangenis. Consequent gedacht vanuit de rechtvaardigheid is
zoiets in een volwassen wereld onmogelijk.
Bladwijzers: Opgevoed-1 ; Opvoeden-1 ; Opvoeden-2 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ; Gekwetst worden ; Vernederd en
gekwetst ; Gekwetst in hun rechtvaardigheidsgevoel ;
Rechters-1-nr. 5 ; Rechters-2-nrs. 23 en 24
Bladwijzers: Algemeen belang-1
; Algemeen belang-2
; Algemeen belang-3
; Algemeen belang-4
; Betere Wereld-1 ; Betere Wereld-2
Het vooruitgangsgeloof
De meeste denkers uit de 19e eeuw waren
van mening dat de mensheid langzaam maar zeker op weg zou zijn naar een betere wereld. Uiteraard
zou die betere wereld
het gevolg zijn van een grotere ontwikkeling van de individuele mensen en dus
was het zaak die ontwikkeling te stimuleren. Daarbij verwachtte men alles van
de zogenaamde redelijkheid, en men stelde zich daarbij voor dat de mensen hun
zaken meer en meer objectief zouden gaan benaderen en beoordelen. Als maatstaf
voor die objectiviteit zou dan de wetenschappelijke denkmethode moeten dienen,
omdat men in de mening verkeerde dat de formule 2 x 2 = 4 een algemene
geldigheid bezat, zodat die formule, namelijk die van de onloochenbare
waarheid, de maat zou kunnen zijn voor het denken van de mensen. Afgewezen
werden dus zaken als intuïtie, gevoel, inzicht en inspiratie, ze zouden te
persoonlijk te subjectief zijn, en dus niet voor de waarheid deugen. De
zakelijke werkwijze van de toenmalige wetenschap, die er op neer kwam dat het
denken zijn eigen weg zou kunnen volgen ONGEACHT de denker zelf, werd als
ideaal gezien en men dacht dat het geleidelijk aanleren daarvan door de
volgende generaties de weg zou openen naar een betere wereld. Van die betere wereld maakte men zich uiteraard
allerlei voorstellingen, die in het beste geval, namelijk bij de sociaal
bewogen denkers, een grote mate van vrijheid en gelijkheid voor de mensen
inhielden. Men ging zelfs zover, dat men de staat en de overheid wegdacht en
deze verving door associaties, op alle mogelijke grondslagen, van vrije mensen,
die allemaal in staat waren zichzelf weg te cijferen ter wille van het algemeen belang. Er
bestaat over deze utopieën een hele massa literatuur. Ook tegenwoordig nog
beweegt het weer opgeleefde anarchistische denken zich voornamelijk op het
terrein van de mogelijke organisaties, waartoe vrije mensen in de toekomst
zouden kunnen komen. Voor ons is echter van belang dat er onveranderlijk iets
van de mensen verwacht wordt, iets dat de mensen op den duur zouden kunnen
léren en dat je hen dan ook zou moeten aanleren. Er moet dus als het ware iets
aan de mensen toegevoegd worden, iets dat tot nu toe nog niet aanwezig zou
zijn. Intussen is dat vooruitgangsgeloof door de meeste moderne denkers te
water gelaten. De mode is thans het denkbeeld dat er absoluut geen vooruitgang
te bespeuren valt, dat men nooit iets leert van de geschiedenis (wat inderdaad
zo lijkt te zijn!) en dat wezenlijk almaar dezelfde patronen zich herhalen.
Nadenken over vooruitgang vindt men dan ook zinloos, en het zou gebaseerd zijn
op geloof in plaats van feiten. Opmerkelijk is daarbij dat men, om aan te tonen
dat er geen vooruitgang zou zijn, met feiten aan komt dragen die met het al of
niet aanwezig zijn van een positieve ontwikkeling niets te maken hebben:
economische en politieke feiten, waarvan gezegd kan worden dat die nu juist het
gevolg zijn van een volkomen vastgelopen denken. Hierbij zijn dus niet de
feiten maatgevend (die zijn inderdaad afschuwelijk), maar het vastgelopen-zijn.
En dat wil men doorgaans nu juist niet zien! Anderzijds meent men dan weer dat
wetenschap en technologie wel vooruitgang boeken en alweer, men somt dan de
feiten op en wijst tevreden op het vermeerderen van onze kennis. Juist dat
vermeerderen echter heeft niets met een al of niet optredende vooruitgang te
maken! Of men nu al of niet de vooruitgang afwijst, steeds zijn die opvattingen
gebaseerd op een foutieve beoordeling van onze werkelijkheid en daarmee hangt
samen dat men voortdurend van bovenaf denkt, eisen stelt naar beneden toe en
steevast de ervaring opdoet dat aan die eisen niet voldaan wordt, ondanks het
feit dat de redelijke ontwikkeling van de (moderne) mensen op een veel hoger
plan is gekomen sinds de vorige eeuw. De vervulling van de droom der rede heeft
dus in feite een gigantische teleurstelling opgeleverd. Blijkbaar red je het
niet met het leren werken met de rede en heeft er in de mensen een ander proces
plaats.
Toch
worden de mensen volwassen
Als ik nu beweer, dat op den duur de
mensen volwassen zullen worden en dat je dat proces overal en voortdurend in de
mensheid kunt waarnemen, dan baseer ik die bewering op geen enkele EIS aan de
mensen. Ze moeten dus niets leren inzien, nergens toe opgeleid worden en zich
geen enkele denkwijze eigen maken. Al die eisen komen vanuit de hogere sferen;
van het zelfbewuste, cultuurgebonden, intellect. Inhoudelijk kunnen die eisen
soms wel houdbaar zijn, maar de fout zit hem dus hierin dat zij als eisen
gesteld worden. Je moet dus uitgaan van de gegeven structuur van de mensen en
dan ook nog bij voorkeur van de - al eerder besproken - gewone mensen,
ongeacht de vraag of je datgene dat die mensen vertonen nu zo aangenaam vindt
of niet. Het volwassen
worden van de mensheid is derhalve geen wens van mij, of iets
waarnaar ik verlangend uitzie, maar een proces dat je zakelijk kunt ontdekken -
als je weet waar je op moet letten. In de filosofie is men nooit van die gewone
mensen uitgegaan; wat valt er nu aan de slager op de hoek te bedenken, behalve
dat je er een lapje vlees kunt gaan halen? Economisch is die slager desnoods
interessant en eventueel sociologisch ook nog wel, maar daarmee houdt het op.
De door de socialisten zo beminde proletariërs bijvoorbeeld moesten wel aan een
aantal eisen voldoen om van belang te worden gevonden. Als gewoon mens moet je
steeds wat om mee te kunnen tellen en dus word je zelf niet beschouwd als een
zinvol uitgangspunt voor het denken over de ontwikkeling van de mensheid. Vanuit
dat wat in de gewone mensen aanwezig is, en dat zich uit in het
rechtvaardigheidsgevoel en in de gemoedelijkheid, kan je bedenken dat de
mensheid inderdaad volwassen wordt. En daarmee is dan bedoeld te zeggen dat de
essentiële verhoudingen van de werkelijkheid, aanwezig in het bewustzijn van de
mensen, namelijk tot zijn recht komen en tegelijk onderling samenhangen,
langzaam maar zeker een realiteit worden, al of niet zelfbewust in het denken,
maar zeker onbelemmerd qua psyche. Verder is
er niets aan de hand. Je kunt dan ook met geen mogelijkheid zeggen hoe die
volwassen wereld er dan uit zal zien in de praktijk, maar wel kan je een aantal
dingen (verhoudingen) afleiden uit dit gegeven.
De onderlinge samenhang
Het is interessant om op te merken dat de
sociaal gerichte denkers uit de 19e eeuw vooral de nadruk legden op de
onderlinge samenhang tussen de mensen. Het gevolg hiervan was, dat de individu
gaandeweg meer in de verdrukking kwam en men zag geen kans dit probleem op te
lossen. Max Stirner (1806 - 1856) bijvoorbeeld kwam
er toe de individu dan maar als absoluut te stellen; het IK als de maat van
Alles en de wereld (- dat waarmee je samenhangt) als het min of meer bruikbare
terrein waarop dat IK opereert. Maar meestal bleef men zitten op de
samenhang en dat is zelfs vandaag nog het geval - en het probleem - bij
anarchistische denkers. Als het beste compromis beschouwt men de theorie van
het vrijwillig samenwerken en het wederzijds dienstbetoon. In enkele gevallen,
bijvoorbeeld in het Marxistisch-Leninistisch denken, heeft de individu het
onderspit gedolven, hoewel hij thans weer - schoorvoetend - van stal gehaald
wordt. In het moderne Westerse denken echter was hij niet te elimineren, zodat
men er toe over is gegaan hem zo redelijk mogelijke beperkingen op te leggen,
beperkingen die intussen het redelijke al verre overschreden hebben!
Bladwijzers: Algemeen belang-1
; Algemeen belang-2
; Algemeen belang-3
; Algemeen belang-4
; Betere Wereld-1
; Betere Wereld-2
Bladwijzers: Opvoeden-1 ; Opgevoed-1 ; Opvoeden-2 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ; De zwakke
mens in alles steunen..! of tot
aanpassen dwingen..? – lees o.a nrs. 26 en 27
Toekomstvoorstellingen
Er zijn natuurlijk in de loop der tijden
nogal wat ideeën geweest over een mogelijke toekomstige wereld. Dergelijke
utopieën zijn steeds van bovenaf gedacht, d.w.z. vanuit een of ander hoger
standpunt, en onveranderlijk zijn er aan de gewone mensen eisen gesteld, die er
op neer kwamen dat zij zich zouden moeten verbeteren. Die hogere standpunten
geven er aanleiding toe stelsels te verzinnen waarin de macht een centrale
plaats inneemt. In de meeste gevallen heeft men geprobeerd aan die macht een
redelijk tintje te geven, door hem namelijk eerlijk te verdelen, maar uiteraard
zijn er ook utopieën waarin de macht als een onaantastbare zaak boven de mensen
gesteld wordt. Alleen al op grond van het feit dat men, in het denken over een
verre toekomst, de macht handhaaft kunnen dergelijke utopieën zonder meer als
onzin worden afgewezen. De enige utopieën, waarin men pertinent geen macht
inbouwt, zijn de anarchistische en het valt dan ook onmiddellijk op dat deze
een veel vriendelijker karakter hebben en aanzienlijk minder benauwend zijn
voor een mens met nog enig rechtvaardigheidsgevoel. Maar het euvel van het
van-bovenaf-denken treedt ook hier op en waarschijnlijk zal dit er de oorzaak
van zijn dat het anarchistische denken, vooral tegenwoordig, beperkt blijft tot
organisatorische vraagstukken die mee zouden komen aan een anarchistische
maatschappij. Bovendien speelt een rol dat men gewoonlijk de begrippen
maatschappij en samenleving verwart en ook dat men het begrip nihilisme niet
betrekt in het anarchistische denken. Er kan niet genoeg de nadruk op gelegd
worden, dat het de kunst is werkelijk van onderaf te denken, uit te zoeken wat
er voor een mens geldt ongeacht zijn wensen, verlangens en zijn wil, om
vervolgens op grond van die gegevens tot een conceptie over de toekomst te
komen. De weg naar
volwassenheid blijkt dan een niet zelfbewuste te zijn, zodat er geen
concrete doelstellingen mogelijk zijn. Bovendien wordt die weg gekenmerkt door
een GEVOEL (het rechtvaardigheidsgevoel) en niet door een berekening. Dat betekent
in de praktijk dat een en ander domweg tot werkelijkheid wordt. Het is dan ook
dat domme dat de intellectueel ingestelde mensen steeds weer stoort en
teleurstelt. Men betreurt het dan dat er nauwelijks een anarchistische beweging
(meer) is, met de daarbij behorende begrippenkaders en geestelijke bagage,
terwijl men er tegelijk geen oog voor heeft dat de gewone mensen veel minder
respect hebben voor de macht en er zelfs al tamelijk onverschillig tegenover
staan. Doordat deze ontwaarding van de macht buiten het patroon van de leer
omgaat en daarvan dus geen navolging is, zien veel anarchisten het zich
verbreiden van het anarchisme niet. Het is met dat van bovenaf denken altijd
hetzelfde: de ideeën kristalliseren zich uit tot een leer en die leer verdient
navolging; de mensen volgen de leer niet na, zodat men ontgoocheld vaststelt
dat de mensen dom zijn en het goede niet willen. Maar in feite hebben de
ontwerpers van de leer een fout gemaakt.
Wat te zeggen van een volwassen mensheid
Als je je voorstelt dat volwassen mensen
bijvoorbeeld redelijk zouden moeten zijn, dan is dat een eis, die je aan de
mensheid stelt. Maar, als je daarop doordenkt kom je tot de conclusie dat je
een groot gebied van het menselijk leven uitsluit: het individuele karakter van
mensen, de meerdere of mindere hartstochtelijkheid, het vermogen om fouten te
maken, in het algemeen het psychische, enzovoort. Tenslotte houd je een
standaardmens over en bovendien: wie bepaalt wat redelijk is? De norm van redelijkheid wordt bepaald in en
door het denken en hij wordt door de mensen dwingend opgelegd aan zichzelf en
aan de anderen. Als dus tenslotte iedereen redelijk geworden zou zijn, kan
niemand meer uit de voeten. Dat geldt voor elke eis die je aan de mensheid
stelt; denk je daarop door, dan ontdek je aan het einde van je gedachtegang een
totale onvrijheid en dus een onmogelijkheid. Simpel omdat er niets de
maat kan zijn. Met het vrijheidsbegrip is het net zo. Men zegt: mijn vrijheid
wordt begrensd door de vrijheid van de ander. Als je hierop doordenkt kom je
niet bij vrijheid uit, maar bij totale onvrijheid. Iedereen staat dan om
je heen en naar alle richtingen geldt begrenzing. Dus ook die vrijheid, als
doel voor de mensen, is tenslotte onhoudbaar. Over een volwassen mensheid is
eigenlijk niets te zeggen, behalve dit éne: de verhoudingen tot zijn recht komen
en onderling samenhangen zijn dan in de mensen vrijgekomen. En daarmee ook een
cluster van verhoudingen, die uit die twee zijn af te leiden. Als we die
verhoudingen samen vatten onder het begrip rechtvaardigheid dan hebben wij wat
dat betreft niet te doen met een eis aan de mensen, maar met iets wat zich
ontplooien zal, zoals een plant zich zal ontplooien tot een bloem als wij die
plant daarin niet belemmeren. Van de plant te eisen dat hij gaat bloeien zou
onzin zijn: hij gaat zéker bloeien als ik hem dat niet belet. Een volwassen
mensheid is een mensheid die rechtvaardig is geworden, zodat iedereen tot zijn
recht komt en allen met allen samenhangen. Dat heeft niets te maken met
intelligentie, met wijsheid, met organisatie of met grootse ideeën; het is
gewoon een zichzelf aanvoelen als de werkelijkheid. En het is in de grond van
de zaak psychisch, zeg maar: een levensgevoel. Dat levensgevoel wordt in een onvolwassen
mensheid steeds onderdrukt en gekanaliseerd en steeds steekt het weer de
kop op, totdat het tenslotte vrij komt. Meer is er werkelijk niet aan de hand.
En dat zien we dan ook gebeuren als de mensen hun rechten steeds meer opeisen
en de machten almaar meer onmogelijk maken. Het is een bevrijdingsproces. Wat
dan onder andere ook weer vrij komt is de creativiteit, die bepalend is voor
het begrip arbeid - wij zullen dit nog bespreken. Maar voorlopig is te zeggen
dat in een volwassen wereld alles mogelijk is omdat elke menselijke
variatie tot zijn recht kan komen. Het eisen van het betere komt voort uit het
denken, dat zich zelfbewust een voorstelling maakt van de werkelijkheid. Die
werkelijkheid zelf echter kent geen beter of slechter, zodat gezegd kan worden
dat het willen opvoeden van de mensen tot iets beters een hersenschim is.
Bovendien: wie is de opvoeder, wat staat hem voor ogen, en waar haalt hij het
recht vandaan? Het is allemaal verbeelding als gevolg van van-bovenaf-denken.
In een onvolwassen wereld bemoeien
de mensen zich met elkaar. Ze vinden namelijk dat ze elkaar nodig hebben en dat
ze dus elkaar van nut kunnen zijn. Ze verwachten dat nuttige dan ook van
elkaar. Maar dat kan alleen maar als de één denkt dat hij buiten de ander is,
dat is voorondersteld aan het elkaar gebruiken. Om dit gebruik mogelijk te
maken probeert de één de ander tot iets te dwingen en dat is de bemoeizucht
die door de onvolwassen wereld heenloopt. Altijd bemoeien de mensen zich
met elkaar, maar dat is heel iets anders dan het meeleven, dat voor volwassen
mensen geldt. Meeleven houdt in laten leven, het leven niet belemmeren of
dwingen anders te zijn dan het is. Bemoeien betekent gebruik maken van
de ander en uitbuiting van de zwakke; meeleven daarentegen de ander met
rust laten en de zwakke ondersteunen. Meeleven betekent ook dat er geen
grenzen zijn tussen jou en mij, zodat mijn vrijheid niet ophoudt bij jou, en de
jouwe niet bij mij: mijn leven is op andere wijze het jouwe...
Opvoeden-1 ; Opgevoed-1 ; Opvoeden-2 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ;
Bemoeien en meeleven
Volgens de Westerse levensbeschouwing
staan de mensen buiten elkaar als aparte, van elkaar gescheiden, gevallen.
Tussen deze aparte gevallen kunnen gedachtewisselingen plaats hebben, er is
communicatie. Deze communicatie wordt gezien als een soort van verbinding
tussen twee of meer mensen. Bij deze verbinding spelen allerlei zaken een rol,
maar in hoofdzaak komt het er op neer dat de mensen elkaar nodig hebben. Omdat
de één de ander nodig heeft verwachten en verlangen de mensen almaar iets van
elkaar en van zichzelf. Die verlangens en verwachtingen worden bepaald door het
nut dat de ander VOOR MIJ heeft en voor zover die ander daaraan wil voldoen
past hij zich aan mij aan, terwijl ik me op mijn beurt weer aan anderen aanpas.
Tegenwoordig is men het er over eens dat in dit aanpassingsprogramma de
zogenaamde redelijkheid als maat genomen moet worden, maar desondanks
kun je constateren dat die redelijkheid een ander karakter aanneemt naarmate er
meer macht uitgeoefend kan worden. De redelijkheid van een overheidsdienaar
ten opzichte van een onderdaan is van een ander gehalte dan die van twee
onderdanen onderling. De ongelijkwaardigheid
van overheid en onderdaan bepaalt de kwaliteit van de redelijkheid, van de
verbinding tussen twee aparte mensen en dus ook van de mate van aanpassing van
de één en de ander. Voor zover de éne mens van de andere qua aanpassing
allerlei verlangt, spreek ik van zich met elkaar bemoeien. Bij dit ge bemoei
gaat het nooit werkelijk om die ander, maar om datgene dat die ander VOOR MIJ
waard is. Bijgevolg kan die ander, wat mij betreft, nimmer tot zijn recht
komen; in feite komt die ander tot MIJN recht. Dit alles is een gevolg van de
opvatting dat mensen van elkaar gescheiden zouden zijn door een wel te
overbruggen, maar niet op te heffen kloof. Wanneer je echter inziet dat de
mensheid één levend organisme is, zich manifesterend in een groot aantal
variaties (Spinoza: bestaanswijzen), komt de zaak heel anders te liggen. Dan is
er geen kloof tussen de mensen, er behoeft dan dus ook geen verbinding gelegd
te worden en daarmee vervalt het gehele aanpassingsprogramma. Het één-zijn gaat
dan gelden en om dat te verwerkelijken moeten alle variaties optimaal tot hun
recht komen. Voor mij wordt het dan van levensbelang dat de andere mensen zo
getrouw mogelijk zichzelf zijn en dat ik dat voor mijzelf ook zo goed mogelijk
waar maak. De andere mens moet dan niet meer tot MIJN recht komen, maar tot
haar of zijn eigen recht. Als deze situatie voor mij, en voor de anderen, is
gaan gelden spreek ik van meeleven. Omdat in deze situatie de ander voor mij
niet meer nuttig is kan ik die ander niet meer gebruiken en dus misbruiken. In
plaats van de zwakke
uit te buiten op grond van het feit dat ik hem gemakkelijk tot aanpassen kan
dwingen, zal ik hem in alles steunen opdat hij zo getrouw mogelijk tot zijn
recht kan komen. Je kunt zelfs wel zeggen dat ik daar alle belang bij heb. Overigens betekent het bovenstaande ook dat ik
nooit van tevoren zal kunnen (en willen) zeggen hoe een ander mens zijn moet;
elke idealistische eis ten aanzien van een ander mens, hoe nobel ook, is een
aantasting van het werkelijke leven. Ik kan geen redelijkheid verlangen, geen
rechtvaardigheid, geen liefde, geen solidariteit, niets van dit alles. Als er
al iets te verlangen valt zou dit leven moeten zijn.
De opvatting dat mensen van elkaar
gescheiden zouden zijn brengt logischer wijs met zich mee, dat de inhoud van
het begrip vrijheid ook alles met die scheiding te maken heeft. Ik heb er al op
gewezen dat bijna iedereen van mening is dat iemands vrijheid daar ophoudt waar
die van een ander begint en dat dit uiteindelijk betekent dat wij allemaal
omringd zullen zijn door anderen, die Onze vrijheid bepalen. In een dergelijke
situatie kan er van het tot mijn recht komen niet verwacht worden dat dit ooit
zal gelukken. Mijn eigen zijn is in alle opzichten begrensd. De grens,
die er op deze manier, aan dat eigen zijn gesteld is, blijkt weer een
afscheiding te zijn. En ook hier kan je weer proberen het probleem op te lossen
door de een of andere redelijkheid ten tonele te voeren, maar hoe je het ook
plooit, je ontkomt niet aan reglementering van de vrijheid en het leven, in die
zin dat de mensen zich zullen moeten aanpassen aan de normen, door anderen
gesteld. Ook dit vervalt als je niet meer in apartheden denkt. Je vrijheid
wordt dan nergens meer door bepaald, zodat zij zich tot in het oneindige
uitstrekt. En dat geldt dan voor iedereen, zodat je kunt zeggen dat die
vrijheden elkaar overlappen en versterken, zoals het licht van de éne kaars
niet belemmerd wordt door dat van de andere, maar wel het geheel lichter maakt.
Vanuit het voor ons gangbare denken is een dergelijke idee over de vrijheid
uiteraard moeilijk te begrijpen, maar wellicht wordt het iets duidelijker als
wij ons afvragen of de mensen elkaar niet voortdurend zullen storen als zij
allemaal in het teken van een oneindige vrijheid zullen staan. Welnu, zij
zullen elkaar niet storen. Wij moeten namelijk, bij het nadenken hierover, niet
vergeten dat het gaat over rechtvaardige mensen. Het tot zijn recht komen- in
dit geval wat betreft de persoonlijke vrijheid - is TEGELIJK onderling
samenhangen, zodat er altijd te vragen is of iemand met zijn gedoe het geheel
niet verbreekt. Op het niet verbreken van het geheel, het éne gevarieerde
organisme, kom je onvermijdelijk altijd weer uit bij het nadenken over een
volwassen mensheid. Je zou dus kunnen zeggen dat de maat ligt bij het geheel
van de werkelijkheid; bij de vraag of iemand de andere mensen stoort is alleen
het al of niet verbreken van dat geheel bepalend. Als je daarop doordenkt
bemerk je dat je nu niet meer aan bepaalde andere individuen verantwoording
verschuldigd bent, maar als het ware aan het geheel. Omdat elk individu zelf op
eigen wijze dat geheel is, ben je ook zelf degene die er voor oppast de anderen
niet te storen. In dat geval lever je niets in en je past je ook niet aan, je
bent zelf die niet-storende individu. En omdat dat zo is heb je ook niet de
voortdurende behoefte om je eigen grenzen te verleggen, zoals dat bij
onvolwassen, aan de begrensdheid gelovende mensen, wel het geval is. Niet voor
niets kun je overal opmerken dat de mensen uit onze cultuur almaar proberen
voor zichzelf de grenzen van hun vrijheid naar buiten toe te verleggen. Zij
proberen hun eigen terrein zo groot mogelijk te maken, zij maken zich zoveel
mogelijk breed. Dit kan niet plaats vinden zonder daarbij macht uit te oefenen
en macht kan je op allerlei manieren verwerven, bijvoorbeeld doormiddel van
geld. De mensen proberen dan ook met hun geld vrijheid (d.w.z. wat er voor door
moet gaan) te kopen en juist omdat wij in grenzen denken gelukt dat nog
ook, tot op zekere hoogte. Maar tegelijk voelen veel anderen aan dat zoiets
toch niet helemaal in orde is, dat een dergelijke vrijheid ten koste gaat van
medemensen.
Bladwijzers: Overgang-1 ; Overgang-2 ; Overgang-3 ;
Het zal inmiddels duidelijk zijn dat in
onze, analytische, splitsende, cultuur het begrip grens een eenzijdige
betekenis heeft. De betekenis namelijk van afscheiding. Het is een muur tussen
het één en het ander. Het begrip grens betekent echter ook overgang van het één
naar het ander en als zodanig reikt het tot in de oneindigheid.
Bladwijzers:
De zwakke mens in alles steunen..! of tot aanpassen
dwingen..? – lees o.a nrs.
26 en 27 ;
No. 28
Fictieve grenzen
Als je over de grens nadenkt, dan blijkt
er een drietal onderscheidingen te maken te zijn, die alle drie een geheel
ander licht op dit begrip werpen. Voor ons ligt het het
meest voor de hand om het begrip grens op te vatten als de afscheiding tussen
twee grootheden. Je benoemt de grens dan vanuit die grootheden: waar het één
eindigt begint het ánder. We hebben dan te doen met een statisch begrip; de
grenslijn ligt daar en nergens anders - althans, zo lijkt het. Je kunt de grens
ook beschouwen als een overgang van het één naar het ánder en dan heb je met
een dynamische zaak te maken. Het woord overgang is weliswaar een statisch
woord, maar dat woord heeft inhoudelijk geen betekenis als er niet
daadwerkelijk van het één naar het ander overgegaan wordt. Beter is het
wellicht om van het overgaan te spreken. In ieder geval is het zo bedoeld, in
dit verband. Maar ook in dit geval wordt de grens benoemd vanuit de twee eerder
genoemde grootheden. Ten derde kan je je aandacht op die grens zelf richten,
maar dan kom je tot de ontdekking dat je het niet over iets bestaands hebt. Je
kunt alleen maar spreken van noch het één, noch het ánder. Met de ontkenning
van die twee laat je al het bestaande vervallen, je spreekt eigenlijk over niet
iets, en dus over niets. Je kunt nu ook niet meer over dynamisch of statisch spreken,
maar wel over een synthese van die twee en dan kom je terecht bij het begrip
trilling. Als je statisch over de grens denkt ben je bezig met iets fictiefs.
De werkelijkheid is namelijk door en door beweeglijk, zoals men inmiddels ook
bij het natuurkundige onderzoek ontdekt heeft. De rand van een tafel
bijvoorbeeld is qua zintuiglijke ervaring wel precies te bepalen, maar in de
subatomaire werkelijkheid blijkt hij een heen en weer gaan van deeltjes te
zijn, een uitstoten en opnemen van beweeglijkheden, zodat niet te zeggen valt
waar de grens nu precies is. De rand van de tafel blijkt, hoe zintuiglijk
concreet ook, in feite fictief te zijn. Hij laat zich niet bepalen. Door alle
tijden heen hebben de mensen geprobeerd grenzen te trekken en altijd weer hebben
diezelfde mensen die grenzen overschreden; zij waren het nimmer eens over de
vraag waar zo’n grens lag en bestreden elkaar op leven en dood ter wille van
deze fictie. Als iets fictief is, dan moet je iets vaststellen en die
vaststelling blijkt nooit te kloppen. Een landsgrens is een fictieve
scheidingslijn tussen het éne en het andere land. Hij moet door een grenspaal
en prikkeldraad aangegeven worden, anders zou je hem niet zien. Dat klopt, want
in feite is hij er niet, het is een bedenksel, een fictie. Anders ligt de zaak
als je dynamisch over de grens denkt. Je weet dan dat zijn plaats niet te
bepalen is zodat je dat achterwege laat, maar dat je overgaat van het één in
het ánder weet je wel. De rand van de tafel gaat ook over in de omringende
lucht, dat is iets wat je zeker weet. Je hebt hier dus niet met een fictie te
doen, maar met een realiteit en het aardige daarvan is dat hij niet te bepalen
is. Dit is aardig om op te merken omdat wij thans in een wereld leven waarin
juist het vastgestelde, maar wezenlijk fictieve, als een realiteit wordt
gezien, terwijl dat wat niet vastgesteld kan worden als een fictie wordt
beschouwd. De omgekeerde wereld dus. Maar, deze omkering van de verhouding
fictie-realiteit is helaas wel de oorzaak van een heleboel misvattingen op
velerlei gebieden, die vandaag de dag opgeld doen. Een hele filosofie is hierop
gebaseerd, namelijk de zogenaamd positivistische - althans in haar extreme
vormen. Aangezien de grens niet te bepalen is als je denkt in termen van in
elkaar overgaan, kan je deze beweging doordenken tot in het oneindige. Je kunt
dan spreken van een voortdurend in elkaar overgaan. Als je inzicht krijgt in
deze verhoudingen ontstaat er vanzelf een geheel ander beeld wat betreft het
begrip vrijheid. Je houdt op met je met de andere mensen te bemoeien en je komt
er toe met de anderen mee te leven. Bovendien wordt dan het begrip onderling
samenhangen duidelijk. In dit begrip gaat de grens gelden als een ontkenning,
als noch het één, noch het ander en je kunt staande houden dat je de grens pas
dan echt gedefinieerd hebt.
Beweeglijke verhoudingen
De oer situatie van de werkelijkheid is
deze, dat ze niet is dan beweeglijkheids-verhoudingen van de beweeglijkheden.
Die verhoudingen zijn dus ook beweeglijk. Toch kan je wel, in je denken, het
begrip afscheiding gebruiken. Je kunt namelijk staande houden, dat de éne
beweeglijkheid de ándere NIET is, en ook dat op de plaats van de één de Ander
niet kan zijn. Maar, je denkt dan in begrippen. Het begrip afscheiding is te
denken, maar het bestaat niet. Dit laatste, het niet bestaan van iets dat als
begrip denkbaar is, is vaak te weinig in de filosofie ingecalculeerd. Je hebt
dan te doen met een soort van metafysica die, vertaald naar de realiteit, tot
heel vreemde zaken kan leiden. God is daarvan een voorbeeld. Je kunt zoiets
best denken, maar een realiteit is het niet. Het is een fictie, en dat is iets
dat denkbaar is, maar niet reëel is. Maar zoiets als het begrip liefde is wel
een realiteit en hij hangt ten nauwste samen met de grens als overgang.
Het
zelfbewustzijn en de grens
Het zelfbewustzijn van een mens is die
situatie van de werkelijkheid waarin de samengestelde materie in een zodanige
innerlijke verhouding is komen te verkeren dat zij zich gaat gedragen alsof ze
géén materie was. Dat betekent dat de zaak in principe weer volkomen beweeglijk
is geworden en het betekent dus ook dat de grens als afscheiding is komen te
vervallen, voor zover die in het voor- menselijke leven (planten en dieren) wel
voortdurend gesteld werd, denk aan het territoriumgedrag van de dieren. Omdat de
mensen zichzelf en elkaar conditioneren onderwerpen zij zichzelf ook aan een
dergelijk gedrag. Zij dwingen hun denken te gaan langs bepaalde wegen,
begrenzen hun gedachtegangen en stellen zichzelf daardoor in het teken van de
afscheiding, de statische grens. Maar het dynamische, de overgang is hun
eigenlijke gesteldheid. Voor hun denken kan eigenlijk het één ook het ander
zijn, in het denken gaat het steeds van het één over naar het ander. Is dat,
door de ingeprente denkprogramma’s onmogelijk geworden, dan ervaren wij aan de
mensen benauwdheid, bekrompenheid en ook een onvermogen om iets te begrijpen.
Verboden en geboden, moraal en ethiek, recht en onrecht, zij beheersen allemaal
het leven. Maar wezenlijk is een mens onbegrensd. En het is belachelijk dat
mensen zich uitdossen met tekenen van hun waardigheid, die in feite inhouden
dat de mensen hun grenzen aangeven: tot hiertoe en niet verder, terwijl ze
vanuit die waardigheid tevens proberen hun eigen grenzen in de richting van de
anderen te verleggen. Maar, zoals gezegd, een dergelijke grens bestaat niet,
hij moet dus almaar gesteld worden en dat is een fictieve en dus belachelijke
bezigheid. Onze wereld is nog steeds belachelijk. En daarmee is zij
levensgevaarlijk. Overigens is het opmerkelijk dat het in de tegenwoordige
mensheid steeds moeilijker wordt om de grenzen van allerlei zaken te bepalen.
Het dynamische karakter van de verhouding tussen het één en het ander begint
zich te laten gelden. Voorlopig echter wordt dat nog negatief beoordeeld omdat
men nog niet in staat is dynamisch te denken.
Bladwijzers: Overgang-1 ; Overgang-2 ; Overgang-3 ; De RECHTSSTAAT
/ Verenigde Naties - (lees 22t/m28) ;
De grenzen, die in onze cultuur door
vrijwel alle mensen om zich heen getrokken worden, zijn eigenlijk ficties. Maar
intussen bepalen die ficties wel het hele gedoe in het dagelijkse leven,
terwijl zij bovendien een discussie als die over de euthanasie in een
gigantische spraakverwarring doen uitlopen. Als mensen grenzen trekken
belemmeren zij ten eerste hun eigen en andermans ontplooiing, omdat het maar
tot hier toe en niet verder mag, en ten tweede maken zij de onderlinge vrijheid
onmogelijk, omdat er altijd een (al of niet overbrugde) kloof tussen de éne
mens en de andere blijft gapen. Daarbij komt dan ook nog dat de twee
onlosmakelijk met elkaar verbonden begrippen tot je recht komen en onderling
samenhangen tot van elkaar gescheiden grootheden worden teruggebracht, met als
gevolg dat er een eindeloos gescharrel aan de gang is om het individuele met
het sociale in evenwicht te brengen. Als ik zou zeggen: ik beslis uitsluitend
zelf over mijn leven en mijn sterven, dan laat ik buiten beschouwing dat ik ook
nog samenhang met de andere mensen. Ik zie mezelf dan als een geïsoleerd wezen.
Dit ligt in de lijn van ons cultuur denken. Maar evenzeer ligt het in de lijn
van dit denken om te stellen: neen, de samenleving beslist mede. Vooral deze
laatste uitspraak wordt sterk benadrukt omdat de gedachte dat de mensen een
collectiviteit moeten vormen, in de staat bijvoorbeeld, een vrijwel
onaantastbaar dogma is geworden. Hierop namelijk steunt de gehele staatsmacht,
met zijn regels en voorschriften, zijn plichten waaraan de mensen zich te houden
zouden hebben. De nadruk op ik beslis zelf zou de fundamenten onder de
staatsmacht wegslaan. Dit is natuurlijk niet de bedoeling en daarom wordt er
naarstig gezocht naar, alweer, de grenzen waarbinnen de burgers zelfbeschikkingsrecht
zouden kunnen hebben. Maar de vraag blijft liggen: beslis ik nu zelf of niet?
Een beetje zelf beslissen staat gelijk aan NIET zelf beslissen. Dat is dan ook
de reden waarom machthebbers er tegen zijn om aan de mensen het recht op
abortus en euthanasie toe te staan. Het gedweep met bescherming van het leven
is ten eerste een hypocriet argument, omdat die bescherming staat of valt met
de gestelde doelen (volksgezondheid of oorlog) en dus relatief is, en ten
tweede is het een argument dat op een geheel andere zaak slaat, namelijk het
AANWEZIGE leven. Zowel abortus als euthanasie slaan echter op de polen van het
leven, namelijk begin en einde en daarin ligt het accent op de begrippen nog
niet leven en niet meer leven. In het kort gezegd geldt voor de menselijke
werkelijkheid de dubbelslag ik en mijn samenhang met de anderen. Dat moet ik
laten gelden, niet omdat iets of iemand mij dat voorschrijft, maar omdat zo de
werkelijkheid is. Daarom besluit IK altijd in samenhang met andere mensen en
geen enkel mens kan dat NIET doen. Als ik niet in begrensdheden denk zal ik
niets doen zonder die samenhang, zodat mijn beslissing altijd ook de beslissing
en de verantwoordelijkheid van de anderen is. Zo ben ik dus ook betrokken in en
verantwoordelijk voor het leven en de beslissingen van de andere mensen. Bedenk
echter wel, dat dit alles alleen maar geldt als ik GEEN grenzen trek en de
anderen dit ten opzichte van mij ook niet doen. Dus als het begrip meeleven van
kracht is. Het is dus nooit zonder die andere mensen.
Naar bladwijzers: Rechten en Plichten-1 Rechten en Plichten-2 Rechten en
Plichten-3 Rechten en Plichten-4
;
We hebben al gezien dat in onze cultuur de
mensen zich met elkaar bemoeien; ze wrikken en duwen aan elkaars (fictieve)
grenzen om zichzelf en elkaar aan te passen aan elkaars wensen, behoeften en
normen. Zo zijn zij ook bezig wat betreft de zelfbeschikking over abortus en
euthanasie. Men tracht regels op te stellen om te bepalen hoever IK gaan mag
met mijn autonomie (niet zo erg ver natuurlijk!) en regels om te bepalen hoever
de ANDEREN gaan mogen ten opzichte van mij (liefst zo ver mogelijk!). Die anderen
moeten evenwel het recht daartoe krijgen en dus ga je van tevoren vastleggen
wie dat zijn zullen. Uiteraard worden dat dan de deskundigen en ook diegenen,
die FORMEEL met mij in verbinding staan: de familie. Wij denken nog steeds in BLOEDverwantschappen (aanwijsbaar! ) en nog nauwelijks in
GEESTVERWANTSCHAPPEN (ongrijpbaar!). Het zijn dus de deskundigen en de familie
die zich rechtens met mij mogen bemoeien en dat zijn nu precies de mensen voor
wie ik op de een of andere manier een belang vertegenwoordig, welk belang dan
ook. Uitgerekend de mensen met wie ik NIET (mee)geleefd heb krijgen rechten
inzake mijn leven en sterven.
Als het gaat over grenzenloos
leven en meeleven vervalt elke van tevoren opgestelde norm. Als ik wil sterven
spelen noch medische, noch psychologische, noch juridische normen een rol: als
ik dat wil, wil ik dat. Met de mensen met wie ik LEEF zal ik daarover van
gedachten wisselen, zoals ik dat met alles doe. Indien nodig zullen zij mij
helpen om toch verder te leven of om menswaardig te sterven en dat is een zaak
waarmee niemand zich heeft te bemoeien. Eisen, die men op het ogenblik wil
stellen, zoals Uitzichtloos en ondraaglijk lijden en het verkeren in een
stervensfase, zijn menselijk gesproken idioot; zij komen voort uit het denken
in grenzen en dus wederzijdse belangen. Juist het vaststellen van dergelijke
normen werkt het misbruik in de hand, terwijl men juist beweert dat men dit
tegen wil gaan! Welbeschouwd is juist het beslissingsrecht van deskundigen en
familie misdadig. Dat voelt men in de verte wel aan en daarom probeert men
steeds de verantwoording, die men zelf genomen heeft, te ontlopen. Zo meent een
arts de zaak te ontlopen door te beweren dat het staken van een medische
behandeling niet als een ingrijpen aangemerkt mag worden. Dat mag dan misschien
technisch juist zijn, maar hij heeft wel een beslissing genomen over een ander
mens, een mens over wie hij niet te beslissen had. Waarop het in feite neerkomt
is dit: mijn onvervreemdbare recht om zelf te beslissen houdt in dat het
onmogelijk is om dat zonder de mensen te doen met wie ik lééf en het houdt ook
in dat verder niemand zich er mee te bemoeien heeft. Als de zaken zo liggen
doet het er ook weinig meer toe of ik, op het kritieke moment, mijn wil nog
kenbaar kan maken of niet, omdat die wil onverbrekelijk samenhangt met die
andere mensen die met mij meeleven. Zij kunnen voor mij beslissen.
De euthanasiediscussie
Voor het huidige euthanasie probleem zal
men nooit een echt bevredigende oplossing vinden omdat men niet weet wat
zelfbeschikking inhoudt. In feite wordt het verzet tegen het recht op
euthanasie ingegeven door de onwil om aan de mensen VRIJHEID toe te kennen. Het
is geen ethisch probleem, geen juridisch probleem en nog minder een politiek
probleem; het is het niet willen laten gelden van de menselijke vrijheid. Dat
verklaart waarom juist godsdienstige mensen zo tégen zijn: god is immers degene
die over ons lot beslist! En als het god niet is, is het de overheid wel. Als
jij je, met je méélevende vriendinnen en vrienden, maar niet verbeeldt dat je
zelf iets te beslissen hebt. Je mag daartoe niet de vrijheid hebben, aan je
vrijheid zijn grenzen gesteld.
Toen we spraken over het begrip
rechtvaardigheid hebben we als inhoud daarvan ontdekt de begrippen tot zijn
recht komen en onderlinge samenhang. Deze begrippen behoren onlosmakelijk bij
elkaar, maar zij zijn voor het Westerse analytische denken nauwelijks als
zodanig te bevatten. We zien dan ook dat zij wel voor de dag gekomen zijn en
vooral maatschappelijk voortdurend een rol spelen, maar dan niet binnen het
geheel van het begrip rechtvaardigheid, maar daarentegen als tégenstellingen,
die elkaar eigenlijk uitsluiten. Het onderling samenhangen sluit dan op
zichzelf het tot zijn recht komen, het zichzelf zijn, uit en dat zou dan ook
omgekeerd gelden. Omdat die twee begrippen met elkaar in strijd worden gezien,
vanuit de analyse en dus het trekken van grenzen, komt men er op zijn best toe
een evenwicht te zoeken. Waar ligt de grens van het zichzelf zijn en
waar die van het samenhangende? Waar begint de éne zaak de andere aan te
tasten? Er is een voortdurend gedrang op de denkbeeldige grens tussen dat wat
tot de privacy en
dat wat tot het sociale zou behoren. Zoals gezegd is het vanuit deze wijze van
denken niet mogelijk om zelfs maar in de verte in te zien dat ik alleen maar
dan tot mijn recht kan komen als ik zo volledig mogelijk met de anderen
samenhang, en dat die samenhang alleen maar dan optimaal kan zijn als alle
individuen zo volledig mogelijk tot hun recht komen. Je eigen lichaam
functioneert het beste, d.w.z. is gezond, als alle cellen van je lichaam
optimaal functioneren en de samenhang daarvan door niets verstoord wordt. Dan
houdt de samenhang de cellen in leven en de cellen de samenhang. Een strijd
tussen de samenhang en de afzonderlijke cellen zou beide tot een lager niveau
van functioneren dwingen. Op het ogenblik kunnen wij constateren dat er in de
maatschappij een verharding gaande is. Regerende machthebbers zijn, in de
gehele Westerse wereld, van mening dat de burgers meer doordrongen moeten
worden van hun plichten.
Typisch is dat er daarbij niet van rechten besproken wordt, maar dat die
rechten wel stelselmatig ingeperkt worden. Wie kan er dan nog ontkennen dat die
zogenaamde rechten eigenlijk alleen maar gunsten zijn? En die verharding houdt
in dat het evenwicht tussen individu en maatschappij verschoven wordt ten
nadele van die individu. Dat heeft alles met macht te maken, want macht is het
inklemmen van het individu door van buitenaf werkende maatgevende krachten, die
beogen het individu anders te laten zijn dan het vanuit zichzelf is. Denk je de
begrippen zichzelf zijn en onderling samenhangen als verhoudingen binnen één
zaak, dan is het onmogelijk dat er zoiets als macht bestaat. Je komt dan uit
bij het anarchisme, dat als enige utopie elke vorm van macht uitgebannen heeft.
Helaas hebben de anarchisten tot nu toe de betekenis van het begrip samenhangen
niet goed doordacht of zelfs helemaal niet doordacht en daardoor zitten zij
almaar te zeuren over toekomstige mogelijke organisatie vormen van een
anarchistische maatschappij, terwijl er vanuit het samenhangen van de mensen
maar één proces mogelijk is: de zelforganisatie van de op een bepaald moment en
op een bepaalde plaats samenlevende mensen. Daarvoor zijn geen regels te geven
en daarvan is geen analyse te maken omdat het een levend iets is waarin
vanzelf, zoals bij alles wat leeft, een efficiënte zelforganisatie Gaat
optreden. Zelforganisatie is een zichzelf niet verbrekende samenhang. In feite
IS die zaak georganiseerd zodra er rechtvaardigheid is en hij behoeft dus niet
geregeld te worden. Ons begrip organisatie is geworteld in het in grenzen denken
en het is dus niet van toepassing op een anarchistische maatschappij.
Naar bladwijzers: Rechten en Plichten-1 Rechten en Plichten-2 Rechten en Plichten-3 Rechten en
Plichten-4 ;
Nog iets over het begrip samenhang
De overheid zegt dat alle Nederlanders
samenhangen in de Nederlandse Staat. Zij bedoelt daarmee dat alle burgers zich
moeten invoegen in het geheel van de staat. Al naar gelang de zwaarte van het
begrip staat heeft dat invoegen een veelomvattender betekenis: in de
Sovjet-Unie betekent het een vrijwel volledig prijsgeven van de geestelijke
individualiteit (het onderdrukken van eigen meningen), terwijl het bij ons
nauwelijks iets meer betekent dan een zich economisch en politiek invoegen. Als
je aan dat laatste niet voldoet word je geïsoleerd en men gaat daarbij zo ver
dat men je wil doen geloven dat je jezelf geïsoleerd hebt. Invoegen en meedoen
wil dan ook zeggen dat je je vereenzelvigt met datgene wat je met recht de
massa zou kunnen noemen. Of dat nu betekent dat je je mond moet houden, of dat
het betekent dat je je moet houden aan de spelregels van het economisch
politieke stelsel, maakt niet zo erg veel uit, want in beide gevallen moet je
je aanpassen en dus iets van jezelf NIET laten gelden. Je moet jezelf omvormen
tot een standaardproduct, tot een genormaliseerd artikel. Het is altijd weer de
vraag hoe iemand met volwassen inzichten zou kunnen functioneren in een onvolwassen
maatschappij. Ook hier, op het terrein van het trekken van grenzen, het
terrein van de rechtvaardigheid, ligt deze vraag. Het antwoord op deze vraag
moet luiden dat je in zo’n maatschappij niet uit de voeten kan, zodat je zou
moeten proberen het te overleven, in feite door slim te zijn. Je kunt dat zijn
doordat je in de gaten hebt hoe de zaken in elkaar zitten, terwijl je in het
dagelijkse leven aangewezen bent op die enkele mensen voor wie dat ook geldt.
Verder is het zaak om goed op te letten dat je niet binnen de vangarmen van de
macht komt, want daar helpt ook je slimheid niet. Je kunt onder die zaak gebukt
gaan, je voortdurend benauwd voelen, maar beter is het te erkennen dat die
wereld nou eenmaal nog onvolwassen is en er maar het beste van maken, d.w.z. zo
rechtvaardig mogelijk zijn.
Analyse en samenhang
Een werkelijk samenhangende wereld, dus
een organisch samenhangende wereld, is niet toegankelijk voor analyse. Maar de
cultuuropvatting van samenhang is die van een door VERBINDINGEN aaneen
geklonterde samenstelling. Zoiets is natuurlijk wel voor analyse toegankelijk
en dat levert dan het (onverwachte en onbedoelde) resultaat op dat die
samenstelling tenslotte uiteen gevallen blijkt te zijn. Wij zijn dus almaar
bezig ons als samenstellingen te gedragen, terwijl wij tegelijk diezelfde zaak
ontleden en versnipperen. Aan de behoefte om tot samenstellingen te komen wordt
dus steeds minder voldaan, het mislukt steeds meer. Dat verschijnsel vertoont
zich in onze moderne wereld in toenemende mate. Of het nu gaat over technische
constructies of politieke of economische, men ziet er steeds minder kans toe om
tot een oplossing te komen. Dat wijt men aan de onoverzichtelijk wordende
informatiestroom en men heeft niet in de gaten dat die stroom er juist is door
de analyse. Juist daardoor mislukken de constructies, het opbouwen van
samenstellingen. Niet alleen dat er politiek nauwelijks meer iets te
construeren valt, maar ook wetenschappelijk is dit het geval. Is kernenergie
nu te gebruiken of niet? Sommige deskundigen bevestigen dit (inderdaad is er
energie uit de atoomkern te halen), terwijl anderen het ontkennen (het kost
teveel moeite). Maar een werkelijk gefundeerd antwoord ontbreekt.
En dat geldt voor zowel voor- als tégenstanders! In feite ligt de zaak echter
dan als volgt: hoe dieper je doordringt in de materie, hoe ongrijpbaarder alles
wordt, dus ook minder beheersbaar, dus minder nuttig, maar daar tegenover:
gevaarlijker en duurder.
Even een uitstapje naar
de gevolgen van de analyse (Rob van Es)
No. 31
Het energieprobleem
De gehele kosmos is een beweeglijk netwerk
van energetische processen en dat is in geconcentreerde mate het geval bij de
levende wezens. Die hebben, om te leven, energie nodig. Maar ook zetten zij
energie om van latente tot actieve energie. In de haver, die het paard te eten
krijgt zit een massa (zonne)energie opgeslagen, maar
die latente energie is zo zonder meer niet bruikbaar. Is die energie echter
actief geworden, doordat het paard de haver opgegeten heeft en daardoor
krachten heeft opgedaan, dan is die energie via het paard wel bruikbaar
geworden. Dat wil zeggen: bruikbaar voor de mensen, voor zover die in hun
arbeidsproces de voorhanden (natuurlijke) werkelijkheid Omzetten tot hun eigen
(menselijke) werkelijkheid. Zo’n natuurlijk omzettingsproces, dat de latente
energie voor de mensen tot actieve en bruikbare energie omzet, houdt zichzelf
in stand. Zolang er leven is vinden die omzettingen plaats. Er zijn nog andere
voorbeelden van natuurlijke omzettingsprocessen; je kunt gebruik maken van de
energie van de wind, van het water en tegenwoordig ook rechtstreeks van de zon
via zonnecellen. Hoe dan ook, er zijn tal van mogelijkheden om de energie te
halen waar ze is. Het draaien van de aarde bijvoorbeeld kan ook als een enorme
krachtbron beschouwd worden. Maar steeds gaat het over ONUITPUTTELIJKE
krachtbronnen. Met het doorbreken van het industriële tijdperk zijn de mensen
gebruik gaan maken van krachtbronnen, die niet meer onuitputtelijk zijn: de
steenkolenvoorraden raken op, die van de aardolie eveneens en zo ook met de
voorraad uraan, dat voor de kerncentrales gebruikt wordt. Behalve
het uitputten van die voorraden speelt er nog iets een rol. Als je namelijk je
energie uit de materie haalt, moet je die materie op de een of andere manier
splijten, kapotmaken om zo de latente energie te activeren. Dat levert onvermijdelijk
een grote hoeveelheid meer of minder gevaarlijke afvalproducten op, die de
planeet steeds meer vervuilen. Je kunt natuurlijk proberen die vervuilende
afvalstoffen te neutraliseren en eventueel nuttig aanwenden, maar daarvoor heb
je een belangrijk deel van de energie nodig, die je zojuist opgewekt hebt. Op
de een of andere manier loop je met die splijtingsenergie op den duur vast en
in de grond van de zaak komt dat doordat de hedendaagse mensen de zaak
eenzijdig analytisch benaderen. Eenzijdige analyse loopt onafwendbaar in
vernietiging uit.
De energie balans
Om de latente energie in de materie te
activeren heb je energie nodig omdat de samengestelde materie zich verzet tegen
splijting. Je moet als het ware de bindende krachten opheffen. Bij het
verbranden van een stuk hout of steenkool is het splijtingsproces betrekkelijk
gemakkelijk, maar bij het splijten van atoomkernen heb je een heel ingewikkelde
installatie nodig, niet in het minst door de uitgebreide voorzieningen ten
behoeve van de veiligheid. Als je nu eens alle energie, die je nodig
hebt om met zo’n installatie wat elektriciteit op te wekken, bij elkaar voegt,
dan blijkt dat je er veel meer energie in moet stoppen dan je er uit krijgt. En
dat is allemaal energie, die al voor de mensen bruikbaar was en die dus
eigenlijk niet nog eens omgezet behoefde te worden. Voorwaarde is echter wel,
dat je alles incalculeert. Gebruikelijk is het om dat niet te doen omdat
er een aantal energievormen is waaraan men weinig waarde hecht, zoals
bijvoorbeeld denkenergie, maar ook het energetisch opname vermogen
van het water, dat voor de koeling van die installaties gebruikt wordt.
Alles bij elkaar genomen is bij splijtingsprocessen, ook verbranding en
dergelijke, de energie- balans voor de mensen nadelig.
De economische balans
Als we ons even bepalen tot de meest
extreme splijtingsmethode, die van de kernenergie, dan kunnen wij
ons afvragen waarom de mensen dan toch van mening zijn met een goede krachtbron
te doen te hebben. De verklaring hiervoor ligt bij het economische denken en
wel speciaal bij het egocentrische karakter daarvan. Dat karakter drukt zich
uit in de winst in die zin, dat het om MIJN voordeel gaat. Dat voordeel kan ik
binnenhalen door reeds aanwezige bruikbare energie (arbeidskracht bijv.)
goedkoop in te kopen en ze vervolgens om te zetten in duurdere energie.
Bovendien moet ik het zo spelen dat een zo groot mogelijk deel van mijn
(installatie)kosten door anderen betaald worden: de gemeenschap. Als ik dat
voor elkaar krijg kan ik mijn winsten binnenhalen terwijl ik in feite niet voor
nieuwe energie gezorgd heb. Ik heb slechts goedkope BRUIKBARE energie in dure
BRUIKBARE energie omgezet. Omdat de hoogwaardige technologische nucleaire
industrie in belangrijke mate een staatsaangelegenheid is, is ze economisch voor
een bepaalde elite zo aantrekkelijk: veel gemeenschapsgeld vloeit naar de
kassen van die elite. Zouden ze werkelijk alles zelf moeten betalen, zij zouden
zich wel wachten om aan een dergelijke industrie te beginnen. Het is
opmerkelijk dat in de gehele wereld de kernenergie in een waas
van geheimzinnigheid gehuld is. In oost en west liegt en bedriegt men naar hartelust over de gevaren, maar vooral ook over de
economische balans, omdat men wel weet dat deze laatste slechts positief
gemaakt kan worden door de gemeenschap te laten betalen. Dat is overigens ook
het geval met de bewapeningsindustrie, die al lang niets meer met het
verdedigen van vrijheid en andere waarden te maken heeft. Beide,
kerntechnologie en bewapeningstechnologie, zijn uiterst geraffineerde economische
methoden om de burgers uit te plunderen en natuurlijk moeten die methoden
geheim gehouden worden. Niemand mag ontdekken dat er in feite niets aan het
welzijn van de mensen bijgedragen wordt. De mensen leveren energie (geld) in om
er niets, behalve een gigantisch levensgevaar, voor terug te krijgen. In feite
is alle analytische economie bedrog, maar over het algemeen krijgen de mensen
er nog iets voor terug omdat de aarde inderdaad omgezet wordt in bruikbare
goederen. Maar met bovengenoemde industrieën is dat niet het geval.
Toegankelijk zijn voor analyse
Eigenlijk is alles wat samengesteld is, en
dus elk verschijnsel, uit elkaar te halen. Je kunt laten gelden dat de
werkelijkheid bestaat uit ditten en datten. Laat je dit echter EENZIJDIG gelden, dan vernietig
je alles. De ditten en datten
in de werkelijkheid hangen echter ook nog met elkaar samen, en juist dat maakt
die werkelijkheid tot wat ze is. Dat betekent in de praktijk dat je met je
analyse altijd de werkelijkheid opheft en in een fictie terechtkomt. Maar, het
is ook mogelijk om niet-eenzijdig te analyseren door alle ditten
en datten blijvend in hun samenhang te zien. Wellicht
is de term nuanceren hier te gebruiken, in die zin dat je de ditten en datten zo verfijnd
mogelijk opvat als nuances in en van het samenhangende geheel. Om dat te kunnen
doen moet je wel in staat zijn om te analyseren, maar je moet tegelijk in
kunnen zien dat deze analyse slechts een MIDDEL is om de nuances te zien, en
niet een DOEL. Als het gaat om het leren kennen van de werkelijkheid heeft een
zo verfijnd mogelijke nuancering zin, terwijl een geanalyseerde werkelijkheid
geen enkel begrip oplevert, maar slechts een grote hoeveelheid uiteindelijk
zinloze kennis. Gaan we diezelfde kennis echter beschouwen als nuances van het
geheel, dan heeft de aanvankelijke analyse zin gehad.
No. 32
Analyse
Bij het denken over de werkelijkheid komen
steeds twee begrippen naar voren die onafscheidelijk zijn, maar wel van elkaar
te onderscheiden, namelijk de begrippen totaal en geheel. Het begrip totaal
heeft een aantal verschillende aspecten, die evenwel ook weer alle bij elkaar
behoren en samenhangen. Als eerste is er de verzameling waaruit het totaal
bestaat. Vervolgens is te zeggen dat die verzameling is opgebouwd uit
samenstellingen en dat die samenstellingen tenslotte zijn terug te brengen tot
de oermaterie. De Oermaterie kan op zichzelf ook weer als een verzameling van
oneindig veel ietsen opgevat worden, maar uiteraard
ook kan je een Iets op zichzelf bekijken. Dan kom je tot de conclusie dat zo’n
iets een samenspel is van een vijftal beweeglijkheden, die op zichzelf volledig
onbepaalbaar zijn. Er is evenwel tussen die vijf een
samenhang en wel in die zin dat zij samengaan en dat wil zeggen dat zij ten
opzichte van elkaar dezelfde beweging maken, zodat zij TEN OPZICHTE VAN ELKAAR
stil staan, zonder dat zij voor zichzelf stil staan, want dat is niet denkbaar.
Als het gaat over de werkelijkheid als totaal, dus als verzameling, is er de
mogelijkheid de zaak uit elkaar te halen. De verzameling is toegankelijk voor
analyse. Dat geldt uiteraard voor Alle verschijnselen, maar er is toch een
verschil tussen het uit elkaar halen van een levend verschijnsel en de
zogenaamde dode materie. Deze laatste blijft bij het splitsen lange tijd
zichzelf en wordt slechts kwantitatief kleiner (een steeds kleiner wordende
steen), totdat wij toegekomen zijn aan het splitsen van de atoomkernen (soms
eerder: bij het splitsen van de moleculen, maar dat maakt voor de gedachtegang
geen verschil). Het splitsen van een levend wezen echter levert al onmiddellijk
het vervallen van een kwaliteit op, namelijk het zich opheffen van het leven,
het doodgaan dus. Vervolgens echter kun je naar hartelust
verder splitsen. Elke analyse is er op gericht de samenhang van de
samenstellende delen te verbreken. Voor zover bij die analyse blijkt dat er
oorspronkelijk toch een samenhang geweest is, wordt vertaald in relaties,
d.w.z. onderlinge betrekkingen, wederzijds op elkaar inwerkende krachten. Er
wordt dus iets bij verzonnen, een buiten de uit elkaar gehaalde elementen
staande derde grootheid, die op beide inwerkt: de een of andere kracht. Zo
levert de analyse op: ten eerste delen en ten tweede betrekkingen. Een
betrekking echter vooronderstelt een uit elkaar zijn, zodat je kunt zeggen dat
een betrekking iets geheel anders is dan een samenhang. Hij wordt er wel vaak
voor aangezien, maar dat is fout.
Je houdt niets over
We kunnen het nu niet aantonen, maar het
is een feit dat de materie tenslotte bij voortgezette analyse verdwijnt. Zodra
je je verdiept in de oermaterie op zichzelf krijg je te doen met de al eerder
genoemde beweeglijkheden en deze zijn volledig onbepaald. Ze onttrekken zich
aan elke categorie van het bestaande. Zij bestaan - letterlijk - niet, hoewel
ze er toch zijn. Dat betekent dat wij bij analyse tenslotte NIETS overhouden,
dat alles uit onze handen glipt, zelfs de kennis over de werkelijkheid. Deze bestaat
dan ook dank zij de SAMENHANG en niet dank zij de beweeglijkheden. Met deze
laatsten gebeurt niets; zij zijn en blijven ongrijpbare beweeglijkheden en dat
wordt niet tenietgedaan door het feit dat zij met andere beweeglijkheden gelijkop bewegen, maar dit gelijkop
bewegen doet op den duur wel een verschijnselenwereld ontstaan, een wereld die
er is dank zij dat gelijkop bewegen en dus dank zij
de samenhang. Als je inziet dat het zo zit, begrijp je ook dat er geen sprake
kan zijn van een derde grootheid, iets dat zich als iets verbindends
tussen de ietsen bevindt. De materie wordt niet
bijeengehouden door krachten of iets dergelijks; het lijkt voor Ons zo omdat
wij krachten nodig hebben om haar uit elkaar te halen. De samenhang heeft op
zichzelf niets met relaties te maken: relaties komen voor Ons voor de dag als
wij de samenhang opheffen door de zaak te analyseren. Het begrijpen hiervan -
maar dit is voor onze wijze van denken niet gemakkelijk - opent ook geheel
nieuwe perspectieven bij het nadenken over de mensen en de mensheid, vooral
waar het betreft het begrip rechtvaardigheid, dat immers ook niet te vatten is
zonder inzicht in de samenhang. Je zou kunnen menen dat het je verdiepen in de
wezenlijke situatie van de materie een abstracte bezigheid is, die voor het
dagelijkse leven niet van belang is, maar zo’n mening is dom, want bij verder
nadenken blijkt dat de verhoudingen in de materie nauwkeurig door alle vormen
van leven (dus ook de menselijke) afgespiegeld worden. Omgekeerd opent het
leren kennen van het wezenlijke van de menselijke levensvorm de deur voor het
leren kennen van de gehele werkelijkheid! De opvatting van de oude denkers, dat
je de werkelijkheid kunt leren kennen door jezelf te leren kennen, is dan ook
een juiste opvatting, maar toegegeven moet worden dat je met een dergelijke
wetenschap geen bruggen en raketten kunt bouwen, wel echter kan je berekenen
dat zoiets als bijvoorbeeld nucleaire technologie op den duur iets rampzaligs
zal blijken te zijn...
Hoe dieper je analytisch in de materie
doordringt, hoe meer het daartoe benodigde systeem (je apparatuur) méé gaat
doen met de analyse. Het reactorvat, waarin je een kernsplitsing laat
plaatsvinden, wordt zelf een onderdeel van die splitsing. Tot op zekere hoogte
kan je dat voorkomen door speciale materialen te kiezen, maar tenslotte, bij
een nog diepere splitsing, zal je dat niet meer gelukken. Op grond hiervan kan
je zeggen dat de nucleaire technologie in feite een onmogelijke technologie is
en dat wij waarschijnlijk thans al op de grens van het onmogelijke
zitten. Niet alleen echter gaat je materiële systeem meedoen, je eigen denken
doet dat ook. Dacht men aanvankelijk dat je eigen denken vrij zou kunnen
blijven van zijn eigen werkzaamheid (het analyseren), thans gaat men meer en
meer inzien dat je er qua denken niet aan kunt ontkomen onderdeel te worden van
het analytische proces. Je eigen denken lost zich dus ook op! Tenslotte kan je
er niets meer mee doen zonder krankzinnig te worden. In plaats van duidelijker
en begrijpelijker wordt alles steeds verwarrender en minder te bevatten door je
denken. Verder van waar
u het uitstapje maakte (Rob van Es)
Betekenis van de analyse
Omdat de verschijnend: werkelijkheid
samengesteld is, en omdat het menselijk zelfbewustzijn zich als niet materieel
laat gelden behoort het analyseren bij de mensen. Er is dus op zichzelf geen
kwaad woord van te zeggen. Analytisch onderzoek kan en mag niet wegblijven,
maar het gaat wel om de vraag hoe je daar tegenaan kijkt. De analytisch
verworven kennis kan in feite slechts het MATERIAAL zijn om de samenhangende
werkelijkheid genuanceerd te begrijpen en de analyse is het gereedschap. Fout
is het om dat materiaal voor DE werkelijkheid aan te zien en de analyse als DE
methode tot begrip te waarderen. De werkelijkheid IS samenhang en het nagaan
daarvan leidt tot begrijpen. Daarbij gebruik je onder andere de analyse en je
voegt de daardoor verkregen kennis IN het geheel in, maar elke andere wijze van
doen, bijvoorbeeld het samenstellen van een werkelijkheid uit elementen en
relaties (zoals men in de wereldpolitiek probeert) is bij voorbaat tot
mislukken gedoemd omdat op deze wijze geen samenhang tot stand gebracht kan
worden, slechts een constructie.
No. 33
Samenhang en betrekking
Als je de werkelijkheid gaat analyseren
haal je er de samenhang uit, maar als je dat laatste doet houd je tenslotte
niets over, omdat de werkelijkheid in feite niets anders dan samenhang is.
Weliswaar is deze samenhang niet te denken zonder datgene dat samenhangt,
namelijk de beweeglijkheden, maar deze zijn en blijven volledig onbepaald. En
dat is ook het geval voor zover ze deel uitmaken van het een of andere
verschijnsel. In welke situatie ze ook verkeren, zelf blijven ze onbepaald;
voor hen geldt dus geen enkele verandering, noch in situatie, noch in
beweeglijk-zijn. Door hun onbepaald zijn hebben ze geen enkel belang, waar het
om gaat is het feit dat er onvermijdelijk een ten opzichte van elkaar stilstaan
op gaat treden omdat gelijk op bewegen niet uit kan blijven. Hierdoor ontstaat
een verschijnselenwereld. Er bestaat dus geen kracht en geen middenstof die de
beweeglijkheden aan elkaar bindt; zij zijn niet aan elkaar geplakt door wat dan
ook. Trouwens: waar zou dat plaksel vandaan moeten komen? Behalve de
beweeglijkheden IS ER NIETS. De beweeglijkheden zijn volledig onbepaald, geheel
en al onaantastbaar, nergens in betrokken, en zo blijft dat! Door dat nergens
in betrokken zijn behoeven zij ons dan ook niet te interesseren. Het gaat om de
samenhang. En dat is het wat ik ophef als ik tot analyse overga: ik ben
begonnen de werkelijkheid op te heffen. De werkelijkheid verzet zich tegen de
analyse, hoe dieper ik met die analyse ga, hoe meer moeite het mij kost. Het
verzet, vanuit de samenhang, wordt steeds groter. Hoe komt dit nu op mij over?
Ik constateer dat er blijkbaar krachten zijn, betrekkingen, die de boel bij
elkaar houden. Ze zitten blijkbaar aan elkaar vast geplakt, die moleculen en
die atomen en nog kleinere deeltjes. En ik concludeer dat er blijkbaar een
soort van bindende factor aanwezig is, een relatie, een betrekking tussen het
één en het Ander. Maar wat ik licht vergeet is dit, dat ik die zogenaamde
bindende factor gevonden heb bij ANALYSE van de werkelijkheid, zodat ik mij af
kan vragen: is die bindende factor nu een element van de werkelijkheid, Of is
het een element van de analyse? Inderdaad blijkt dat de bindende factor bij de
analyse behoort; dat ik hem meen te ontdekken komt juist doordat ik aan het
analyseren ben. Bij de analyse doe ik twee soorten van fundamentele kennis op:
de kennis omtrent de materie, die overigens in niets uitloopt, en de kennis
omtrent betrekkingen tussen de materiele dingen, en die kennis berust op een
fictie omdat hij voortgekomen is uit mijn DENKEN, mijn analyse, en niet uit de
werkelijkheid zelf. Wat is er nu gebeurd? Je hebt de samenhang opgeheven; bij
het opheffen daarvan ontdekte je dat er samenhang was (door de weerstand tégen
het opheffen); nadat je de zaak toch uit elkaar gehaald hebt is datgene dat
eerst samenhang was nu een betrekking geworden. Dat betekent dat je, in je
denken, iets aan de werkelijkheid toegevoegd hebt, iets dat er eigenlijk niet
is, een fictieve bindende factor. Een factor dus, die zich TUSSEN het één en
het Ander zou bevinden. Je hebt de samenhang vertaald in betrekkingen, die je
in allerlei wetenschappelijke formules uitdrukt. Dit neemt evenwel niet weg dat
het toch allemaal fictief is; er zijn geen betrekkingen tussen de dingen. Het
begrijpen hiervan heeft, vooral maatschappelijk, verstrekkende gevolgen, met
name waar het gaat over het begrip organisatie. Wat er wel is, is de samenhang
en dat betekent dat het één en het Ander samen bewegen en daardoor ten opzichte
van elkaar stil staan. Tussen die twee is er NIETS: er zit geen lijm, geen kracht
of wat dan ook tussen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat men in de
natuurkunde almaar tevergeefs zoekt naar de bindende krachten; telkens als men
meent die gevonden te hebben blijkt het toch weer niet te kloppen. En, op grond
van die fictieve betrekkingen hebben wij intussen een gehele wereld opgebouwd
van wolkenkrabbers en raketten, een wereld die heel ondoelmatig blijkt te zijn
en die steeds minder mogelijkheden biedt om in te leven, terwijl hij tegelijk
op een steeds grondiger kennis berust. Dit is een tegenspraak die gaandeweg
duidelijker aan het licht treedt, allicht, want met het verdiepen van de
analyse neemt ook het aantal fictieve betrekkingen toe, terwijl de samenhang
tussen al het bestaande afneemt. Daarmee nemen de levensmogelijkheden af.
Een sociologische levensbeschouwing
Tegenwoordig worden beweringen over de
samenleving niet meer serieus genomen als je geen socioloog bent. Dat betekent
dus dat de samenhang van de samenleving vertaald wordt in betrekkingen die te
formuleren en eventueel te berekenen zouden zijn. Vervolgens wordt het stelsel
van geformuleerde betrekkingen aangezien voor dé samenleving. Groot is dan de
verbazing als de praktijk van het samenleven iets geheel anders laat zien dan
op grond van het sociologisch stelsel van betrekkingen te verwachten was. De mensen
houden zich niet aan de sociologische theorieën. Je kunt hen dat kwalijk nemen
en hen van allerlei beschuldigen, maar in feite ligt de fout in het
sociologisch denken zelf. Vanuit dat denken, wetenschappelijk verantwoord op
grond van onderzoek, bouwt men de organisatie van bijvoorbeeld de staat op en
men dwingt de mensen, door geweld en door overtuiging, zich naar dat stelsel te
voegen, met uiteindelijk steeds weer als resultaat: de mensen gehoorzamen niet,
zelfs niet als zij grondig op dat gehoorzamen geconditioneerd zijn. De oorzaak
ligt in het niet-reële, het fictieve karakter van de betrekkingen die men tot
een stelsel georganiseerd heeft. Dat de mensen zich hierbij niet laten inlijven
is volkomen terecht, maar de sociologisch geschoolde organisatoren houden de
mensen voor dat zij zich aan de spelregels zouden moeten houden. En als zij dat
niet doen zijn zij onredelijk.
De organisatie
Als je, in welk verband dan ook, de mensen
organiseert ben je bezig met met afdwingen van
onderlinge betrekkingen, die er eigenlijk niet (kunnen) zijn. Zo’n stelsel van
onderlinge betrekkingen noemt men tegenwoordig een scenario. De moderne
militaire strategen bijvoorbeeld maken met behulp van computers hele
oorlogsscenario’s. Zij organiseren al bij voorbaat een komende oorlog. Anderen
hebben modellen voor conflicten bestudeerd, menende dat dit kan helpen de
problemen op te lossen. Overal is men bezig de samenhang van de werkelijkheid
door een stelsel van betrekkingen te vervangen. En dit nu is organiseren! Het
is het onderbrengen van het leven, dat alles met samenhang te maken heeft, in
scenario’s die wetenschappelijk uitgedokterd worden. Een dergelijk organiseren
loopt op chaos uit en dat begint zich in onze moderne wereld al aardig te
realiseren. Langzamerhand gaat het leven van de mensen aan scenario’s
beantwoorden, veel verschillende scenario’s desnoods, uitermate pluriform, maar
toch: scenario’s. Het gaan en staan van de mensen wordt van tevoren uitgerekend
en het wordt van bovenaf aan de mensen opgelegd, voornamelijk met behulp van
het inprenten van zogenaamd sociaal gedrag. Het moderne begrip organisatie
heeft dus niets met een samenhangende menselijke werkelijkheid te maken, maar
met een verzonnen stelsel van onderlinge betrekkingen, afhankelijkheden en
belangen waarin niemand zich thuis kan voelen en dat, naarmate het beter
georganiseerd wordt, steeds minder functioneert...
No. 34
Een opmerking over het kunnen
Te zeggen is: ik kan de werkelijkheid
analyseren, maar tegelijk is ook het tegendeel staande te houden: ik kan de
werkelijkheid NIET analyseren. De uitdrukking ik kan heeft in beide gevallen
een andere betekenis; in het eerste geval duidt het op een in staat zijn tot en
in het tweede geval, in combinatie met het woordje niet gaat het over iets dat
ik, om welke reden dan ook, heb te 1aten. Dat iets laten vooronderstelt dat ik
wel tot iets in staat ben, dat iets binnen mijn macht, mijn vermogen ligt. Zo ben
ik in staat de werkelijkheid te analyseren, maar ik heb dat te laten omdat ik
daarmee alles vernietig en, vanaf het eerste moment, het leven aantast. Op
grond van die analyse en de daarmee opgedane kennis zijn wij bijvoorbeeld in
staat om bij een mens het erfelijk materiaal te veranderen, maar toch zullen de
mensen eens ontdekken dat je zoiets maar hebt te laten omdat zo n verandering
de oorspronkelijke samenhang verbreekt. De mensheid nadert het punt dat zij tot
alles in staat zal zijn om tegelijk tot het inzicht te komen dat je het
allemaal achterwege hebt te laten. Dat achterwege laten is een zelfbewuste
aangelegenheid, je doet dat op grond van je inzichten in de werkelijkheid zelf
en niet op grond van je, door analyse verkregen, kennis van de delen en de
betrekkingen.
De verschuiving naar functioneel denken
Aanvankelijk was het analytische denken
gericht op het ontdekken van de delen. Je constateert immers als eerste dat
alles samengesteld is en dus ga je dat uit elkaar halen om te zien waaruit het
bestaat. Pas daarna ga je je in de betrekkingen verdiepen; je gaat je afvragen
hoe die gevonden delen ten opzichte van elkaar functioneren. Je gaat daarover
dan theorieën opstellen. De volgorde is dus: eerst de delen en daarna de
betrekkingen. Deze volgorde is in de geschiedenis van de moderne wetenschappen
terug te vinden. Een tekenend voorbeeld daarvan vinden wij in de natuurkunde
waarin de rol van de relativiteit steeds belangrijker is geworden. Maar het is
niet alleen daar dat men aan de betrekkingen aandacht is gaan besteden, ook in
het maatschappelijke en politieke denken is een verschuiving naar het
functionele aan te wijzen. In een modern bedrijf bijvoorbeeld gaat het niet
meer in de eerste plaats om de posities van de afzonderlijke werknemers, maar
om hun functioneren in de gehele organisatie. In de hedendaagse technologie is
het bestuurscentrum het belangrijkste gedeelte en dat is ook het geval bij
overheden die binnen het kader van een staat de betrekkingen tussen de mensen
proberen te regelen. Dat was vroeger nauwelijks het geval: die betrekkingen
lagen al bij voorbaat vast en iedereen behoorde zijn plaats te weten. Thans
echter ligt de nadruk op het meewerken, op het zijn rol spelen en dus op het
functioneren. In de moderne wetenschap der bestuurskunde houdt men zich met dit
soort van zaken bezig. Sommigen zijn van mening, dat met het verschuiven van
het denken naar het functionele het analytische terrein verliest, maar dat is
niet juist. We hebben juist met een verdergaande analyse te doen omdat het niet
om samenhang gaat, maar om betrekkingen die door de analyse te voorschijn zijn
gekomen. Betrekkingen die steunen op de mening dat de delen van de
werkelijkheid op de een of andere manier aan elkaar geplakt zijn. Zo lijkt het
immers als je de samenhang vernietigt! Inderdaad is het functionele een stap
vooruit in het denken van de mensen, maar het is wel een stap vooruit in het
analytische denken. Door het fictieve karakter van het functionele denken kan
er geen samenhangende mensheid uit ontstaan, zoals sommige holistische denkers
verwachten.
De moderne organisaties
Als gevolg van het voortgaande analytische
denken en dus ook op grond van een steeds groter aantal betrekkingen worden er
in de moderne wereld almaar ingewikkelder organisaties tot stand gebracht. Dat
gebeurt met een grotere kennis van zaken zodat je zou verwachten dat dit betere
resultaten zou opleveren. Maar dat is niet het geval; opvallend is daarentegen
juist dat de resultaten van de ingewikkelder organisaties zienderogen minder
worden. Dit komt doordat de fictie zo langzamerhand allesoverheersend wordt.
Van hieruit beweren de organisatoren, de regelaars, dat zij grote successen
boeken, dat zij bijvoorbeeld de economie weer gezond gemaakt hebben, terwijl
gemakkelijk geconstateerd kan worden dat dit maar praatjes zijn, ten eerste
omdat er niets gezond is geworden en ten tweede omdat eventuele veranderingen
of verbeteringen niet aan die regelaars te danken zijn, maar aan betrekkelijk
ongrijpbare werkingen binnen het geheel van de mensheid. Dus: men doet alsof
men de zaken goed geregeld heeft terwijl in feite de verwarring alleen maar
groter is geworden. De idee, dat bij het kennen van de delen en de betrekkingen
een goed functionerende maatschappij op te bouwen zou zijn, is een waanidee.
Het gehele moderne organisatiebegrip is op de delen en de betrekkingen
georganiseerd, maar op die manier wordt een organisatie geen echte organisatie;
de zaak blijft steken in een dwangsysteem waarin alles en iedereen beneden zijn
niveau blijft en niets tot zijn recht komt. Voor zover er dan toch nog een
tijdje iets van terechtkomt gelukt dit niet dankzij de organisatie, maar
ONDANKS de organisatie. Telkens weer blijkt dat het slagen van een project het
gevolg is van persoonlijk initiatief dat het organisatorische netwerk
doorbreekt. De ontkenning van de organisatie kan welslagen tot gevolg hebben.
De oorzaak hiervan is gelegen in het aanvoelen, meer of minder duidelijk, van
SAMENHANGEN.
Wat is chaos
Het opsplitsen in steeds kleinere delen
loopt tenslotte in niets uit en het laten gelden van almaar meer betrekkingen
loopt in een alles overheersende fictie uit. Dat levert chaos op. Ik versta dus
onder chaos een uiteengevallen gefingeerde werkelijkheid, die voortgekomen is
uit een volledig samenhangende. De chaos is dus een resultaat van menselijke
activiteit, in tegenstelling tot het Griekse begrip chaos dat betrekking heeft
op een vermeende beginsituatie van de werkelijkheid: voor dat er iets was, was
er chaos. Ik zeg: door het analytische menselijke denken ontstaat er chaos.
Chaos betekent dus een uit elkaar gehaalde werkelijkheid, een vernietigde
samenhang.
Het nut van de dingen.
Al het voorgaande is bedoeld om duidelijk
te maken waarin ons analytische denken OP ZICHZELF uitloopt. Maar aan dat
denken komt wel een aantal dingen mee waarvan te zeggen is dat zij nuttig zijn.
Dit betekent dat het gaat over dingen die voor de gebruikers een rol zijn gaan
spelen in de samenhang van hun leven. Dat heeft niets meer met chaos te maken.
De fabricage echter van die spullen stond wel in het teken van de fictie, want
daarbij ging het om de winst, het zichzelf bevestigen buiten de samenhang om: het
zichzelf verrijken. Winst maken houdt ook vernietiging van de samenhang in en
daarom behoort dit begrip tot de analytische denkwereld. Er wordt niets
gefabriceerd als het niet de belofte van winst inhoudt, maar anderzijds is op
te merken dat het fabriceren van spullen vereist dat zij te gebruiken zijn, in
te passen zijn in de samenhang van het leven. Veelal echter wordt dat nut
alleen maar gesuggereerd, maar zelfs de wapenfabrikanten moeten het doen
voorkomen alsof hun producten nuttig zijn, bijvoorbeeld voor de verdediging van
de cultuur en de zogenaamde democratische vrijheden van de mensen.
Bladwijzers: Mystiek-1
Mystiek-2 Mystiek-3 Mystiek-4 Mystiek-5 Mystiek-6
De teruggang van de analyse
Sommige moderne denkers zijn van mening
dat de mensen zich gaandeweg af zullen wenden van het analytische denken, omdat
dit geen praktische resultaten kan opleveren en feitelijk alleen maar in
vernietiging uit kan lopen. Zij menen dat wij holistisch zouden moeten gaan
denken. Op zichzelf is dit juist gezien: als je onder holisme verstaat, in het
kort gezegd, het denken in samenhangen, is het zeker een feit dat wij daar naar
toe zouden moeten. Maar vanuit de analyse kan je niet tot een samenhang komen:
in het beste geval gelukt het je om zo verfijnd mogelijke, betrekkingen tot
stand te brengen. Je kunt dan een uitermate geraffineerde constructie maken
waarin alle onderdelen nauwkeurig in elkaar grijpen, terwijl je doormiddel van
een meet- en regelsysteem de hele zaak kunt controleren en, waar nodig,
corrigeren. Het is zelfs zo sterk dat de voortdurende controle, die zelfs de
kleinste betrekkingen in de gaten moet houden, een nog belangrijker plaats gaat
innemen dan de constructie zelf. In de moderne technologie is dit al waar te
nemen en er zijn al ontwikkelingen gaande die er toe moeten leiden dat ook het
controle systeem efficiënt gecontroleerd kan worden. Een dergelijke
ontwikkeling heeft ook in de moderne maatschappij plaats en er is zelfs wel te
zeggen dat wij toegaan naar een wereld, vol van elkaar controlerende systemen.
In het holistische denken verkijkt men zich hierop nogal eens doordat men over
het hoofd ziet dat de zogenaamde feedback processen, waarbij bepaalde
betrekkingen gecorrigeerd worden op grond van informatie uit een verder stadium
van een bepaald proces, evenzeer tot de fictieve werkelijkheid van de
betrekkingen tussen de dingen behoren. Vanuit de analyse zelf is geen holisme
mogelijk, als je daaronder althans het denken in samenhangen wilt verstaan.
Bedoel je echter het toewerken naar een alomvattend systeem, waarin alle
onderdelen hun functie hebben, dan kan je wel spreken van een zich naar het
holisme ontwikkelend denken. In deze laatste betekenis echter behoort het
holisme wel degelijk tot het analytische denken; het is daarvan de meest
verfijnde uitwerking. Dan is er nog iets: de mensen kunnen zich niet van het
analytische denken afwenden omdat het hun cultuur is en ook omdat er geen rust
zal zijn voordat men de werkelijkheid effectief uit elkaar gehaald heeft. Met
andere woorden: een cultuur proces gaat door totdat het alles heeft waargemaakt
wat er in verborgen was en zo gaat de analyse door totdat er echt niets meer is
overgebleven. Er valt dan ook op te merken dat diegenen, die zich bewust gaan
worden van andere denkmogelijkheden, vrijwel zonder uitzondering bevangen
blijven in de analyse. Daardoor weten zij met die andere mogelijkheden niet
goed raad zodat het gevolg is dat er een romantisch mystiek denken ontstaat dat nauwelijks verder komt dan een min of
meer religieuze bewondering voor en verbondenheid met de kosmos, het heelal,
het vrouwelijke, het oosten en dergelijke. En dat gaat dan gepaard aan een
aversie tegen het denken, en het wetenschappelijk denken in het bijzonder. Men
heeft doorgaans niet in de gaten dat men zelf het denken en de wetenschap
verengd heeft tot eenzijdige analyse en dat het zaak is deze verenging te boven
te komen.
Het nuttig zijn en het nodig zijn
Bij het leven van de mensen op de planeet
behoort dat zij de natuur omzetten tot zichzelf. Zij maken de aarde tot inhoud
van hun geest, van hun zelfbewustzijn, en het proces waarlangs dit gebeurt is
het arbeidsproces. Genoemde omzetting levert een grote verscheidenheid aan
spullen op en van die spullen is te zeggen dat zij tot mens geworden natuur
zijn. Duidelijk zal zijn dat de KWALITEIT van die spullen afhankelijk is van de
visie, die de mensen omtrent zichzelf hebben. Vinden zij van zichzelf dat zij heersers
moeten zijn, dan vinden ze tot wapentuig omgezette natuur nuttige spullen en
zij vinden ook dat zij die beslist nodig hebben. Anderen zullen
landbouwwerktuigen nuttig en nodig vinden. Hier ligt dus de vraag: wanneer gaat
het werkelijk over de kwaliteit van de spullen? Als de werkelijkheid en dus ook
de menselijke werkelijkheid analytisch benaderd wordt, dan zal daarin de norm
voor de kwaliteit liggen. Dat betekent dat het zal gaan om zoveel mogelijk
spullen en om de betrekking tussen het ene ding en het andere. Het eerste uit
zich in de voortdurende behoefte aan groei en het tweede in een waarden systeem
dat door alles heengaat en dat alles beheerst. Beide verschijnselen zijn voor
onze moderne wereld typerend. We verdrinken zo langzamerhand in de spullen en
de waarde daarvan wordt steeds meer fictief, d.w.z. almaar minder uit te
drukken in een eenheid van waarde, geld bijvoorbeeld. Bovendien regelt de
hoeveelheid spullen de betrekking tussen de ene mens en de andere: wie het
meeste heeft is de machtigste. Over de werkelijke kwaliteit van de spullen gaat
het niet; voor zover er toch een norm gesteld wordt voor kwaliteit wordt die
bepaald door de verkoopbaarheid, die immers alleen maar bevorderd kan worden
door de producten niet al te slecht te maken. Meer dan eens is gebleken dat
bepaalde producten slechter worden naarmate de producenten een groter aandeel
in de markt verworven hebben. Men gaat er dan heel voorzichtig toe over
goedkopere en minder goede onderdelen en grondstoffen te gebruiken. Zo zijn er
tal van voorbeelden. In het algemeen kan men vaststellen dat met het ruimer
voorhanden zijn van spullen de kwaliteit daarvan afneemt. Tegenwoordig is
technisch bijna alles mogelijk, wat de productie betreft, maar de kwaliteit van
de producten is aanzienlijk minder geworden. Er is maar één mogelijkheid om de
spullen tot hun recht te laten komen en die is gelegen in een volwassen visie
van de mensen op zichzelf. Volgens die visie hangt alles met alles samen en dat
heeft tot gevolg dat je heel anders tegen het nuttig zijn en het nodig hebben
aan gaat kijken. In de eerste plaats vervallen het zoveel mogelijk en de
waarde, zodat een groei-economie die op winsten gericht is tot de
onmogelijkheden gaat behoren. Bovendien vervalt het geschraap van iedereen, die
voor zichzelf zoveel mogelijk wil binnenhalen. Als het gaat om de samenhang der
dingen gaat het uitsluitend om datgene dat die samenhang bevordert en dat heeft
niets met zoveel mogelijk te maken. Eerder gaat het om zo weinig en zo
doelmatig mogelijk. Alles wat hierboven uit gaat is luxe die geen rol kan
spelen in de samenhang en die dus onnut en onnodig is. Met luxe besteel je
eigenlijk de anderen, want Of je pakt het echt van iemand af Of je bent er
oorzaak van dat het teveel geproduceerd is. In een volwassen economie is de
productie spaarzaam; dat betekent niet dat iedereen zich allerlei moet
ontzeggen - en dat geldt nooit voor de slimmeriken - maar dat iedereen zich
houdt bij datgene dat nodig is. Niemand kan voor een ander bepalen wat er nodig
is. Voor elk mens gelden andere behoeften en dat is van kracht voor alle
mogelijke soorten van producten. Aan die behoeften moet voldaan worden, maar
dat is geen enkel probleem: de productiviteit zal daardoor, vergeleken bij de
huidige, eerder dalen dan toenemen omdat wij er thans nog op uit zijn méér dan
het nodige in de wacht te slepen en aan die hebberigheid kan ook voldaan
worden. Niemand behoeft voor anderen te bepalen wat zij nodig hebben en niemand
behoeft dat te controleren omdat een volwassen mens nu eenmaal geen luxe wenst,
d.w.z. niet méér wil hebben dan nodig is. In deze situatie gelden de
betrekkingen tussen de dingen ook niet meer zodat het waardeoordeel is
vervallen. Op basis daarvan benijdt men elkaar de dingen niet meer en ook dat
maakt luxe onmogelijk.
Bladwijzers: Mystiek-1
Mystiek-2 Mystiek-3 Mystiek-4
Mystiek-5
Mystiek-6
Bladwijzers: Algemeen belang-1
; Algemeen belang-2
; Algemeen belang-3
; Algemeen belang-4
; Doen alsof ; Terrorisme-1(36 t/m 40) ; Het
fictieve wereldbeeld-(36 t/m 41) ; ER MOET ORDE ZIJN - pagina 48/49
;
Een vreemde moeilijkheid
Door onze analytische denkwijze hebben wij
zoveel kennis verworven, dat het nauwelijks meer mogelijk is enige slagorde in
de dingen te krijgen. Zoals ik al eerder gezegd heb valt die kennis in zekere
zin uiteen in kennis van de materiële dingen en kennis van de niet-materiële
betrekkingen tussen die dingen. Maar die kennis van de betrekkingen bevordert
het in slagorde brengen van de kennis van de materiële dingen niet, al was dit
wel de verwachting. Het merkwaardige is evenwel dat de verwarring, die het gevolg
is van de analyse, niet in de eerste plaats voor de dag komt binnen het kader
van dat analytische denken zelf, maar in de praktijk van het leven in de
maatschappij. De deskundigen denken systemen, plannen en voorschriften uit,
geven oplossingen voor bepaalde problemen, zijn er zelfs van overtuigd de
maatschappij te besturen en zij maken daarbij gebruik van een vaak erg
ingewikkelde wetenschap, maar toch blijkt het alles in de praktijk een slag in
de lucht te zijn. In de praktijk gebeurt er of helemaal niets, of de
zaak werkt heel anders uit dan de bedoeling was, vaak zelfs geheel averechts.
Nu kan je zeggen dat het niet-uitwerken, of anders-uitwerken of verkeerd
uitwerken eigenlijk de geheime bedoeling van die deskundige bestuurders was,
maar dat is niet zo. Een leugenachtig plan, dat iets anders op moet leveren dan
gesuggereerd wordt, is immers nog altijd een plan dat moet werken, dat succes
moet hebben. Maar ook dergelijke plannen blijken telkens weer een slag in de
lucht. Daarom kunnen wij nu, bij het overdenken van dit probleem, alle
mogelijke kwade bedoelingen en valse voorspiegelingen - waarvan het natuurlijk
wemelt! - gevoeglijk buiten beschouwing laten. Ook de kwade plannen blijven
hangen in het luchtledig... Wij mogen ons niet laten misleiden door het feit
dat het altijd weer bepaalde elites zijn die door de plannen en regelingen
bevoordeeld worden. Voor zover die elites de regelingen ten eigen bate
opstellen is dat te danken aan het van bovenaf denken dat aan de onvolwassen
mensheid meekomt en als zodanig is dat het vanouds bekende gedoe. Hoe
democratisch ook, de wereld is nog steeds het bezit van de elites. Voor zover
echter de plannen en regelingen bedoeld zijn voor het zogenaamde welzijn van de
burgers, zijn het ook steeds de elites die er het meeste voordeel van hebben.
Dat echter danken zij aan hun grotere mogelijkheden om zich aan het algemeen belang te
onttrekken: een grote onderneming is ook verplicht om belasting te betalen,
doet dat dan ook, maar: dank zij allerlei juridische en fiscale trucs komt het
betaalde weer ruimschoots terug uit de schatkist. Dit soort zaken echter zijn
pragmatisch, men slaat zijn slag als de kans zich in de praktijk voordoet. Wij
kunnen dus de pragmatische activiteiten ook terzijde laten. Het gaat louter en
alleen om wetenschappelijk beredeneerde systemen met betrekking tot de
werkelijkheid, systemen die binnen het denken verantwoord zijn, maar die
daarbuiten elke realiteit missen en dat dan niet omdat er fouten in zitten (wat
natuurlijk wel vaak het geval is), maar omdat zij nergens op slaan. Zo zijn er
allerlei plannen om de werkgelegenheid te bevorderen en enkele daarvan
zijn tot maatregelen uitgewerkt. Wat het resultaat daarvan ook is, de werkgelegenheid
is er niet door toegenomen, misschien juist wel afgenomen, en de ondernemingen,
alert als altijd, hebben het geld met scheppen binnengehaald. Niemand heeft
zelfs maar gemerkt dat er een werkgelegenheidsplan was. Hetzelfde geldt
voor het bestrijden van de misdaad, het vandalisme en het terrorisme en
straks ook voor de zogenaamde sancties tegen Zuid-Afrika. Het blijft allemaal
bij theorie, bij gepraat en geschrijf en gereken
terwijl het verband met de realiteit steeds ver te zoeken is.
Het fictieve
wereldbeeld Die
vreemde moeilijkheid is gelegen in het fictieve karakter van onze cultuur; het
loopt door alle verschijnselen heen en is vaak moeilijk te onderscheiden van
welbewuste al of niet kwade bedoelingen van machthebbers. President Reagan van
de USA, is die nu de verpersoonlijking van het kwaad of leeft hij voornamelijk
in een fictieve werkelijkheid, die alleen maar voor een aantal deskundigen
reëel is? Deskundigen uiteraard, die op zichzelf tot de haviken gerekend moeten
worden. Welnu, als je je verplaatst in de gedachtewereld van zo’n havik
(daarvoor is geen grote intelligentie vereist!), dan bemerk je dat ook zijn havikplannen nergens op slaan. Zij berusten doorgaans wel
op een grote kennis van militaire en strategische zaken, maar zijn tegelijk
gespeend van elk militair en strategisch inzicht. In de praktijk zouden die
plannen helemaal niet werken! Je kunt zeggen dat er in de moderne wereld twee
gescheiden ontwikkelingslijnen waar te nemen zijn, lijnen die met elkaar
nauwelijks raakpunten hebben en die toch tegelijk optreden. De éne lijn zou je
de intellectuele kunnen noemen - de werkelijkheid van de moderne maatschappij
zoals die gedacht wordt - en de tweede lijn die de praktische is - de
werkelijkheid zoals die gedaan wordt. Wellicht kan je beter zeggen: de
pragmatische lijn. Dit onderscheid wordt gewoonlijk niet gezien, maar als je
het eenmaal in de gaten hebt zie je het overal: bij de abortus en euthanasie
kwestie, in het strafrecht, het ouderenbeleid, het onderwijs, de economie. Steeds
is de gedachte werkelijkheid een andere dan de pragmatische. De moderne mens
is een wandelende fictie, hij doet alsof hij praktisch handelt en hij gelooft
daar ook in, maar in feite slaat het absoluut nergens op. De kunstenaars
bijvoorbeeld doen alsof zij zich met de kunst bezig houden, maar in
feite volgen zij een intellectueel beredeneerd gedragspatroon dat met
kunstenaarschap niets gemeen heeft. De medici doen alsof zij de
mensen genezen, ménen dat ook werkelijk, en hebben niet in de gaten
dat zij met een economisch programma bezig zijn en wezenlijk de mensen eerder
ziek maken dan genezen. De hulpverleners doen alsof zij de mensen
helpen, maar zijn in feite bezig met hun eigen maatschappelijke
rechtvaardiging. Zo kan je eindeloos doorgaan... Let op: bedoel ik nu dat men
de boel belazert? - Neen, dat bedoel ik niet; behoudens enkele uitzonderingen
is men eerlijk bezig. Men heeft gewoon niet in de gaten dat vrijwel alle gedoe
een doen alsof is. Men is vervreemd van eigen menszijn en men bevindt
zich in een fictieve werkelijkheid. Daarin heeft men zelf geen erg, allicht
niet, want zodra je het in de gaten krijgt kan je niet anders dan er
onmiddellijk mee ophouden. Geen mens kan leven in een illusie.
Vanwaar die fictie?
Steeds hebben wij er al op gewezen dat bij
de analyse van de werkelijkheid niet alleen de elementen (materieel) voor de
dag komen, maar ook de relaties (= de betrekkingen, immaterieel). ( Zie het
hoofdwerk Beweging en Verschijnsel deel 1; 2 en 3 ). Die relaties evenwel zijn
een gevolg van de analyse, in die zin dat zij alleen maar dan optreden als wij
analyseren. Ze bestaan alleen in ons analytische denken. Zij zijn de schijnbare
samenbindende krachten die wij bij analyse tegenkomen en zij berusten op het zich
verzetten van de samenhangende werkelijkheid tegen het uit elkaar halen. Dat
verzet interpreteren wij als een samenbindende kracht, maar in feite bestaat
die kracht helemaal niet, het is een door het uit elkaar halen opgeroepen
fictie, een illusie. Voor zover dus in het moderne denken de relaties aan
belang winnen wordt de fictie sterker en krijg je een toename van het doen
alsof men zich met de samenbindende krachten bezig houdt: sociaal
zijn, solidair zijn, democratisch zijn, zorgzaam zijn, artistiek zijn, enz.,
terwijl de praktijk steeds weer van het tegendeel blijk geeft.
Bladwijzers: Algemeen belang-1
; Algemeen belang-2
; Algemeen belang-3
; Algemeen belang-4
; Doen alsof – zie A , B , C-67/68 ;
No. 37
Bladwijzers: Tweede Wereldoorlog -
het begrip tweede wereldoorlog vindt u terug op pagina’s 12, 14t/m19, 20
en 21, 37, 44, 48 en 68
De medische wetenschap, een opmerking
Het is beslist een feit dat de medische
wetenschap, net als trouwens andere wetenschappen, een enorme voortgang heeft
geboekt. Maar, zoals steeds moet je je ook hierbij afvragen: wat versta je
onder voortgang, welke normen leg je daarvoor aan? Gaat het dan over het
vermeerderen van kennis, dus over de groei daarvan, dan kan je van vooruitgang
in de medische wetenschap spreken en dat geldt ook op het terrein van de
medische techniek en het stellen van diagnoses. Maar als je vindt dat het moet
gaan over het vermogen tot genezen, tot het herstellen van de gezondheid, dan
is het resultaat eigenlijk erg pover. Zelfs is te zeggen dat dit vermogen
achteruit gegaan is, althans lang geen gelijke tred heeft gehouden met de groei
van de kennis. En deze achterstand wordt nog aanzienlijk vergroot door de
enorme toename van de zogenaamde iatrogene ziekten die door de behandelingen
der medici veroorzaakt worden. Dat heeft betrekking op minstens drie
doelstellingen: ten eerste de bedoeling om de ziekten via hun symptomen te bestrijden,
gegrond op de misvatting dat het symptoom de ziekte is (het gezwel is de
kanker); ten tweede de bedoeling om biologisch zinvolle, maar voor een modern
mens lastige verschijnselen weg te werken (zwangerschap, hoofdpijn, koorts,
stress); ten derde de bedoeling om mensen onredelijk lang in leven te houden
(ouderdomskwalen). Bijna alle moderne geneesmiddelen hebben kwalijke
bijwerkingen. In feite is dat woord bijwerking misleidend, want het gaat er
heel gewoon om dat die geneesmiddelen een mens ziek maken. De toename van
kennis leidt niet tot een groter genezend vermogen. Dat vindt zijn oorzaak in
het feit, dat die kennis door analyse verkregen is en dus niet betrekking heeft
op het lichaam als geheel, maar op het lichaam als een verzameling op zichzelf
beschouwde onderdelen. Zo’n geneesmiddel werkt wel op een bepaald onderdeel
(maar heel vaak ook niet) en kan daar schijnbaar genezen, maar het herstelt de
samenhang van het geheel niet. Eigenlijk verstoort het die samenhang zelfs. De
essentie van de werkelijkheid is de samenhang. Als je die verbreekt door
bijvoorbeeld een ijzeratoom te splitsen gebeurt er niet zoveel bijzonders want
dat ijzeratoom wordt getypeerd door het begrip samenstelling, terwijl het
begrip samenhang op de achtergrond ligt. Maar als menselijk lichaam staat de
werkelijkheid wel in het teken van de samenhang (met de samenstelling op de
achtergrond) en dus moet je die leren doorgronden om te kunnen genezen. Dat
evenwel gebeurt niet in de moderne medische wetenschap. Van alle moderne wetenschappen
is de medische de meest aansprekende waarmee wij allemaal wel eens te maken
krijgen en waarin wij allemaal steeds meer teleurgesteld worden. Wij
ondervinden letterlijk aan den lijve dat de analyse wel kennis, maar geen wéten
oplevert. De onmogelijkheid van Onze cultuur staat hier ten voeten uit. Dan is
er nog iets: sinds de tweede wereldoorlog hebben de medici gaandeweg het
monopolie van de gezondheid opgeëist; het is hun product geworden dat aan de
consumenten gesleten moet worden. Bovendien hebben zij het recht genomen om als
enigen te mogen bepalen wat ziek-zijn is en wat gezondheid, en dat op grond van
normen die zij zelf opgesteld hebben. Vanuit deze onaantastbare positie doen
zij het voorkomen alsof zij het zijn die ook inderdaad voor de gezondheid
zorgen. Maar onderzoekingen hebben uitgewezen dat het aandeel van de medici
daarin maar uiterst klein is: de vooruitgang in de volksgezondheid is vooral
aan maatschappelijke en sociale factoren te danken. De medici hebben slechts in
enkele gevallen enige inbreng gehad. Ook nu er tegenwoordig zoveel klachten
zijn over de slechte kwaliteit van het voedsel hoor je de medici niet, maar wel
lopen zij rond met het air de volksgezondheid te bevorderen!
Nog iets over de fictie
Je kunt je afvragen waarom de moderne
mensen, bijvoorbeeld de medici, niet in de gaten hebben dat het allemaal niet
zo goed zit en maar stug doorgaan met hun heilloze programma. Het antwoord op
die vraag hebben wij eigenlijk al gegeven: het is het fictieve karakter van
onze cultuur. Toch is er nog wel het een en ander aan toe te voegen. Van belang
is in de gaten te hebben waar die fictie zit. Op een gegeven moment laat een
aantal beweeglijkheden zich gelden als materie, niet omdat die beweeglijkheden
aan elkaar geplakt raken door bijv. aantrekkende krachten of iets dergelijks,
maar doordat zij in een situatie komen te verkeren dat zij ten opzichte van
elkaar stil staan. Er zijn dus geen samenbindende krachten in het spel,
trouwens, waar zouden die vandaan moeten komen, er zijn immers alleen maar
beweeglijkheden! Dat ten opzichte van elkaar stil staan ervaren WIJ als aan
elkaar vast zitten, als bijeengehouden worden door krachten. Wanneer bemerken
wij dat? - Dat bemerken wij als wij de boel uit elkaar gaan halen: de
werkelijkheid verzet zich daar tegen. Steeds moeten wij onze krachten inspannen
om ons doel te bereiken. Dat is logisch omdat wij bezig zijn de samenhang te
verbreken. En die samenhang is het, er zijn van de werkelijkheid; de
werkelijkheid vertoont geen samenhang, zij IS samenhang. Gemorrel aan die
samenhang betekent in wezen Opheffen van de werkelijkheid. Als je daarmee bezig
bent ervaar je de samenhang als een tegenkracht, als een weerstand, als een
reactie en je trekt dan de verkeerde conclusie dat de werkelijkheid door
krachten bijeen gehouden wordt. Die conclusie is fictief, die krachten bestaan
niet, maar zij schijnen er te zijn juist doordat wij de zaak uit elkaar
haalden, analyseerden. Krachten zijn relaties, betrekkingen tussen dingen. Relaties
zijn dus fictief, zij bestaan alleen maar in ons denken. Omdat dit denken
kenmerkend is voor onze cultuur kan je zeggen dat wij steeds dieper ingaan op
iets dat niet bestaat, maar dat voor ons toch dermate concreet is dat wij er
zelfs berekeningen over kunnen maken en onderzoekingen naar kunnen doen. Binnen
het kader van ons denken levert dat een aantal resultaten op en pas als die
resultaten op de werkelijkheid toegepast worden blijkt hun fictieve karakter.
Er zijn dus twee werelden: die van de gedachte werkelijkheid met haar netwerk
van betrekkingen, concreet en berekenbaar, en de echte werkelijkheid waarin al
dat fraais een slag in de lucht blijkt te zijn.
Bladwijzers: Overgang-1 ; Overgang-2 ; Overgang-3 ;
Als twee of meer beweeglijkheden gelijk op
bewegen staan zij ten opzichte van elkaar stil. Zij onderscheiden zich dan niet
meer van elkaar en dat betekent dat zij in elkaar overgaan. Er bevindt zich
niet iets tussen die twee (relatie, betrekking), maar de één is onmiddellijk de
ander en blijft tegelijk zichzelf. Niet-analytisch denken houdt dus in: denken
in overgangen, de werkelijkheid beschouwen als een weefsel van overgangen en
niet als een verzameling détails. Een overgang is niet te berekenen omdat hij
niet te bepalen is en dat is iets dat in het moderne natuurkundige onderzoek
steeds duidelijker blijkt. Maar in de wereld van de grovere verschijnselen ligt
het voor ons zichtbare onderscheid meer op de voorgrond en daarom kan je, wat
die wereld betreft, best wel in relaties denken, als je maar weet dat het
eigenlijk ficties zijn. Elke ingenieur weet bijvoorbeeld dat het zogenaamde in
elkaar passen van de onderdelen van een machine maar een benadering is en dat
echt in elkaar passen toch een illusie is. En elke hersenonderzoeker weet dat
het niet lukt in de hersenen, hoe materieel op zichzelf ook, onderscheidingen
aan te brengen en werkingen te bepalen en te berekenen. Met andere woorden: bij
voortgaand onderzoek blijkt steeds weer het vluchtige karakter van de
werkelijkheid.
Bladwijzers: Overgang-1 ; Overgang-2 ; Overgang-3 ; Tweede
Wereldoorlog -
het begrip tweede wereldoorlog vindt u terug op pagina’s 12, 14t/m19, 20
en 21, 37,
44,
48 en 68
Bladwijzers: Hersencel-1 ; Overgang-1 ; Overgang-2 ; Overgang-3 ;
Een voorbeeld van samenhang in de fysica
Al in de dertiger jaren werden de
natuurkundigen geconfronteerd met een heel merkwaardig verschijnsel dat de
geschiedenis in zou gaan als het EPR-effect, genoemd naar Einstein, Podolsky en Rosen. Dat effect
ontstaat als volgt: je zondert twee deeltjes die bij elkaar behoren van elkaar
af zodat ze ieder als het ware een kant opgaan; vervolgens beïnvloed je,
doormiddel van magneten, het gedrag van één van die deeltjes en dan blijkt dat
het andere deeltje onmiddellijk ook zijn gedrag verandert en wel op dezelfde
manier. Omdat ertussen beide deeltjes een afstand bestaat is die reactie van
dat andere deeltje op zijn minst raadselachtig. Waar vandaan krijgt het zijn
informatie om te reageren? Volgens de gangbare opvattingen in de fysica zou er
een signaal van het éne naar het andere deeltje gegaan moeten zijn, maar het
bleek dat dit signaal dan een snelheid zou moeten hebben, veel groter dan die
van het licht (een superluminale snelheid). Men dacht
dat zoiets onmogelijk was, maar men was nu wel genoodzaakt hierover te gaan
nadenken. Er werden ook nog andere mogelijkheden overwogen maar een oplossing
is er niet gekomen. In die hele geschiedenis vallen een paar dingen op. Ten
eerste natuurlijk het merkwaardige verschijnsel zelf, maar, ten tweede, de
verwarring bij de natuurkundigen, die zelfs wel op ruzies uitliep. Voor de
meesten namelijk moest er een signaal zijn, een betrekking tussen het één en
het ander; de gedachte dat die er niet zou zijn was onverdraaglijk. Enkelen
echter aanvaardden het ontbreken van een betrekking (al begrepen zij er niets
van) en waagden zich aan de veronderstelling dat ons hele denken over de
grondslagen van de werkelijkheid fout zou zijn. Het ziet er naar uit dat dit
inderdaad het geval is; hoe het ook zij, bij nadenken over de relatie, de
betrekking tussen het één en het ander, blijkt die hele zaak fictief te zijn
omdat hij een gevolg is van de analyse en dus van een bepaalde wijze van
denken. De boven beschreven natuurkundige proef is voor ons moeilijk te
beoordelen, maar het is heel goed mogelijk dat hier het fictieve karakter van
de relaties voor de dag gekomen is en dat zich tevens het begrip, samenhang in concreto vertoond heeft. Daarbij is dan ook duidelijk
geworden dat die samenhang ten enenmale niet te bepalen is, d.w.z. hij laat
zich niet berekenen noch aantonen maar hij blijkt uit het gedrag van die
deeltjes.
Nogmaals het begrip overgang
De beste definitie van het begrip overgang
is: het één is onmiddellijk het ander terwijl beide tegelijk zichzelf blijven.
Dat komt doordat de beweeglijkheid van de één dezelfde is als die van de ander
en daardoor één beweeglijk-zijn vertonen terwijl het toch twee beweeglijkheden
zijn. Dit is alleen maar te begrijpen als je je goed realiseert dat de
werkelijkheid niet uit dingen bestaat maar beweeglijkheden IS. Als overgang is
er één beweeglijkheid van twee (of meer) beweeglijkheden. In die situatie is niet
te bepalen wat qua beweeglijkheid de één is en wat de ander. Het is niet te
bepalen, maar wel blijft denkbaar dat je te doen hebt met afzonderlijke
beweeglijkheden. Deze, wellicht wat vreemde, situatie vinden wij terug bij de
mens als zelfbewustzijn. Van hersencellen is niet te zeggen of zij nu tot de
éne combinatie behoren of tot de andere, juist omdat het begrip overgang er
voor geldt. De werkelijkheid als samenhang, met als inhoud daarvan de overgang,
komt tenslotte als menselijke hersenen voor de dag en het functioneren daarvan
ervaren wij als het zelfbewustzijn. Dit is dan ook een en al beweeglijkheid
want zonder dat is geen samenhang mogelijk. Het begrip overgang duidt dus niet
op het in elkaar overgaan van ietsen, van dingen
(zoiets is ondenkbaar), maar van beweeglijkheden - desnoods zeg je: van
bewegingen. Als voorbeeld zou je kunnen denken aan het atoom. Dat werd
aanvankelijk begrepen als één ondeelbaar ding, maar later ontdekte men dat het
meer dingen waren. Dat atoom kwam als een en ondeelbaar over omdat het totaal
van alle bewegingen (de resultante) zich als een ten opzichte van elkaar
stilstaan vertoonde. Bij splijting van het atoom komen die verschillende
bewegingen weer voor de dag; splijting is dan ook uiteen-gaan.
Bij alle uit-elkaar-halen gaan er dingen uiteen, het is altijd een zaak van
bewegingen. Zonder beweging is er geen uit elkaar-halen mogelijk. Dit laatste
betekent dan ook dat je de onderdelen hun eigen beweeglijkheid teruggeeft - bij
wijze van spreken, want er valt niets terug te geven omdat er nooit iets
afgenomen was. Er was slechts een gelijk op bewegen en dat hef je op bij
splijting. De gehele verschijnende werkelijkheid is één groot systeem van
overgangen, de werkelijkheid is samenhang. Die samenhang wordt in het
analytische denken verbroken en ervoor in de plaats komen de betrekkingen. Je
kunt dus zeggen dat betrekkingen door het denken verstarde overgangen zijn. Op
grond van hun verstard-zijn vertonen ze zich ook zodat wij ze in een berekening
kunnen vangen. Maar die berekeningen kloppen nooit, ze zijn hoogstens meer of
minder waarschijnlijke benaderingen. Het in elkaar overgaan is niet te bepalen,
het is op zichzelf dus nooit aan te tonen. De werkelijkheid als samenhang
vertoont zich niet. Althans niet als een objectief waarneembare zaak.
Het fictieve karakter van onze cultuur
Je zou je kunnen afvragen waarom juist
onze cultuur een fictief karakter heeft. Het analytische denken, het
onderzoeken van de werkelijkheid, is toch een menselijke mogelijkheid die in
vroegere culturen ook voorgekomen moet zijn. Dat is inderdaad het geval, maar
het bleef bij analytische elementen in het denken. Waar gedacht wordt is ook
analyse. Het gaat er dan ook niet om de analyse te verwerpen als iets dat
onmenselijk zou zijn, maar het gaat er om de analyse haar juiste plaats in het
denken te geven. Onze cultuur staat in het teken van de analyse en daardoor
staat zij in het teken van de fictie. In vroegere en andere culturen kan je een
aantal fictieve elementen aanwijzen. Bijvoorbeeld in wetboeken waarin men de
onderlinge betrekkingen tussen de mensen dacht te regelen. En men had een grote
hoeveelheid gedragsvoorschriften. Allemaal op grond van bepaalde analyses. Maar
de werkelijkheid zelf werd geen fictie. Bij ons is dat wel het geval en dat
neemt gaandeweg toe. Wij kunnen wetenschappelijk en technisch zo ongeveer
alles, maar de wereld is nog nooit zo hopeloos verward geweest als nu, zo
wanhopig uitzichtloos. Men praat uitvoerig over veranderingen en er gebeurt
absoluut niets. Men stelt een jaar van de vrede in en doet niets dan praten en
zich bewapenen met steeds gruwelijker wapens. Talloze mensen verzetten zich
tegen die gang van zaken, maar alles gaat gewoon door alsof de werkelijkheid
buiten de mensen omgaat. Daarom: de vrede, een schoon milieu, het uitbannen van
de honger, verdeling van
de welvaart, het zijn allemaal dingen die
eenvoudig niet bestaan. Het zijn ficties in de hoofden van van
zichzelf vervreemde mensen die in oplossingen geloven die helemaal geen
oplossingen zijn. De economische groei is geen oplossing voor een economie die
in een crisis verkeert; ontwapeningsbesprekingen zijn geen oplossing voor de
oorlogsdreiging en ook vredesdemonstraties zijn dat niet. Terrorisme is niet
met een versterkte politie te bestrijden en het gebruik van drugs
verdwijnt niet als je het strafbaar stelt en de handelaren grijpt. Producten
worden niet goedkoper als je ze grootschalig produceert en kerncentrales
leveren geen energiewinst op.
Bladwijzers: Overgang-1 ; Overgang-2 ; Overgang-3 ; Het fictieve
wereldbeeld-(36 t/m 41) ;
Bladwijzers: Hersencel-1 ; Doen alsof – zie A , B
, C-67/68 ;
Ficties vroeger en nu
In de Oudheid en in niet Westerse
culturen, voor zover die nog bestaan, komen tal van fictieve elementen voor,
overal namelijk waar men betrekkingen tussen bepaalde verschijnselen dacht te
herkennen. Voor Indianen in Amerika was er een betrekking tussen het uitvoeren
van rituelen en de komst van de regen. Dat was uiteraard een fictie, duidelijk
herkenbaar en aantoonbaar. En dat geldt in het algemeen voor alle vroegere en
niet-Westerse religies. Maar al die ficties tastten het wereldbeeld als één
samenhangend, doorgaans als moederlijk beleefd, geheel niet aan. Het waren
interpretaties van dat samenhangende geheel. Men gaf, zo nauwkeurig en zo
helder mogelijk, een verklaring van datgene dat men als werkelijkheid zag en
het gaat niet aan zoiets vanuit onze opvattingen belachelijk te maken en zeker
niet als wij ons realiseren hoe door en door fictief wij zelf bezig zijn. De
werkelijkheid zelf, als objectief gegeven, gaat niet kapot door onze analyse,
hoogstens bij een noodlottige ontwikkeling gaat onze planeet er aan. Maar
daarom gaat het nu niet, het gaat om de cultuur, om de wijze waarop mensen hun
wereld beleven en wat zij daarover denken. En dan is te zeggen dat de moderne
cultuur geen interpretatie van de werkelijkheid als een samenhangend geheel
oplevert, maar een interpretatie van een steeds meer niet-samenhangende zaak,
waardoor die interpretatie fictief wordt. Dus : in de moderne cultuur is de
werkelijkheid qua denken zelf fictief geworden, maar in de andere culturen zijn
alleen maar de interpretaties fictief. Dat laatste komt natuurlijk in de
moderne cultuur ook voor, maar dat doet er niet zoveel toe omdat alles een slag
in de lucht is. Er zijn foutieve denkbeelden en redelijk goede, men is in staat
een groot aantal afgrijselijke ontwikkelingen te herkennen en te vrezen en
zelfs af te wijzen, maar men is niet in staat er achter te komen waar dat
allemaal vandaan komt, zodat men bijgevolg ook met onmogelijke oplossingen aan
komt zetten.
Enkele voorbeelden
Het is treurig om te zien hoe verward men
reageert op het gebruik van drugs. Die middelen zijn altijd en overal
gebruikt, denk maar aan de opiumkitten van het vroegere CHINA. Maar in het Westen zijn de drugs,
vooral in de vorige eeuw en het begin van deze eeuw, een voorrecht van bepaalde
elites geworden. Kunstenaars, artsen, staatslieden en rijkelui hebben er
ontzaglijk veel gebruik van gemaakt. Ik denk dat dit meespeelt in de reactie
van tegenwoordige elites op het drugsgebruik en dat er daardoor een
schijnheilig gedrag ontstaan is. Ten aanzien van de drank is men veel minder
schijnheilig, maar dat is dan ook nooit als een élitair privilege beschouwd.
Die elitaire schijnheiligheid is er de oorzaak van dat men de drugs moet
verbieden en niet wil erkennen dat het vrijgeven ervan vrijwel het gehele
probleem terugbrengt tot wat het werkelijk is: een individueel probleem van
bepaalde mensen, die geen raad weten met de verwarrende, bedreigende,
onsamenhangende wereld waarmee zij geconfronteerd worden. Die bepaalde personen
lopen een groot risico door hun vlucht in de drugs, vanwege de enorm
verslavende werking ervan, maar het is en blijft hun zaak, hoe ellendig wij het
ook vinden. Maar men heeft er een criminele zaak van gemaakt met alle gevolgen
van dien. Er zou geen misdadige handel zijn als de zaak zelf niet als misdadig
gesteld zou zijn door elites die eigenlijk vinden dat het hun privilege is om drugs
te gebruiken. Vaak gebruiken ze zelf wel! Maar intussen doet men toch alsof men
de bevolking wil beschermen tegen dit gevaar, en neemt de éne inefficiënte
maatregel na de andere. Er is ook een voorbeeld van hypocrisie te geven wat
betreft het drankmisbruik. In de twintiger en dertiger jaren werd er
verschrikkelijk gedronken, overigens ook in samenhang met de armoede en
uitzichtloosheid van de bevolking. Toen is men allerlei campagnes gestart, maar
niet om het welzijn van de mensen te bevorderen: zij verschenen s maandags niet
op het werk omdat zij hun roes lagen uit te slapen. De economie leed schade! En
op het ogenblik dreigt de hulpverlening te duur te worden. Maar let op: het
gaat er niet om drugs en drank als iets onschuldigs voor te stellen, het
gaat er om dat persoonlijke zaken, hoe ellendig ook, voorgesteld worden als
maatschappelijke en dat men de goede zaak zou dienen door strafmaatregelen te
nemen.
Een ander voorbeeld vinden wij in het
terrorisme. De moderne terrorist vertoont zich als een soldaat, tot de tanden
bewapend, doorgaans grondig getraind, gehoorzaam aan zijn superieuren en
voorzien van een ideologie. Hij wil, als hij gepakt wordt, als een krijgsgevangene
of in ieder geval als een politiek gevangene beschouwd worden want dan kan men
hem zijn misdaden niet aanrekenen, zoals dat bij alle soldaten het geval is.
Uiteraard heeft zo’n soldaat een vijand en die moet bestreden worden. Tot zover
zou het allemaal nog kunnen; het is waanzin die tot nu toe nog steeds heel
gebruikelijk is in deze wereld. Maar nu komt het: onze dappere strijder trekt
vervolgens ten strijde tegen mensen die helemaal zijn vijanden niet zijn,
vakantiegangers in een vliegtuig, ongewapend en vredelievend, biddende Joden in
een synagoge, mensen die op een terras een biertje drinken. De held DOET ALSOF
hij vijanden heeft zonder het zelf in de gaten te hebben; zijn hele gedoe is
fictief, mist in feite elke realiteit. De confrontatie met echte vijandelijke
soldaten wordt zorgvuldig vermeden, neen, een bus met schoolkinderen opblazen,
dat is nog eens een heldendaad! Men doet alsof men oorlog voert. Je kunt het
begrip doen alsof in de praktijk heel goed hanteren als je naar onze
wereld kijkt. Overal zie je het doen alsof: doen alsof je
geneesmiddelen ter genezing van zieke mensen maakt, doen alsof je de
derde wereld wilt helpen, doen alsof je tegen de apartheid bent, doen
alsof je het land bestuurt, doen alsof je je kiezers vertegenwoordigt,
doen alsof je een kunstenaar bent, enzovoort, en dan in de stellige
overtuiging verkeren werkelijk met de zaak zelf bezig te zijn. Maar dat bezig
zijn gaat in feite niet verder dan er over praten, vergaderen, nota’s schrijven
en modellen opstellen. Het is natuurlijk een feit dat het willekeurig
doodschieten van mensen moet ophouden. Je moet dus iets (gewelddadigs) doen
tegen het terrorisme. Maar je moet je niet verbeelden dat je daarmee de zaak
zelf uit de wereld kunt helpen. Je bent bezig met symptoombestrijding en, hoe
nodig dat onder omstandigheden ook is, het is geen genezing. Het terrorisme is
één van de symptomen van een fictieve cultuurgesteldheid, het is een vorm van
het doen alsof. Dat betekent dat allerlei vormen van terreur gaandeweg
in hevigheid toe zullen nemen, zoals zich ook al af begint te tekenen. Ook de
officiële militairen treden steeds meer terroristisch op: wat is het dreigen
met en eventueel het gebruik maken van nucleaire vernietigingswapens anders dan
terreur? Men doet alsof men op militaire wijze oorlog voert, maar in feite
terroriseert men.
Wij leven
allemaal nu op deze wereld en wij hebben geen keus. We zullen dus tegen
allerlei zaken concreet weerstand moeten bieden. Maar de grond van de ellende
ligt in de fictie en de genezing daarvan moet in het denken
gezocht worden, niet door het eenzijdige analytische denken af te schaffen (wat
onmogelijk is), maar door het echte denken te gaan beoefenen, hetgeen neerkomt
op analyseren BINNEN het samenhangende geheel en niet analyseren VAN het
geheel.
Bladwijzers: Doen
alsof – zie A , B , C-67/68 ;
Fictie en organisatie
In verband met het feit dat de zogenaamde
betrekkingen bij nadere beschouwing fictief blijken te zijn, en het feit dat
wij in onze moderne cultuur in toenemende mate in termen van betrekkingen zijn
gaan denken, is het goed om de gangbare opvattingen over het begrip organisatie
eens nader te bekijken. Daartoe wil ik op voorhand de volgende drie punten
onder de aandacht brengen: 1e men denkt wat betreft de organisatie steeds van
bovenaf, 2e men stelt als norm dat men de organisatie moet kunnen beheersen, met
behulp van bepaalde berekeningen, en 3e het voortdurende mislukken van
Opgezette organisaties op grond van de fictie, die overigens niet als zodanig
herkend wordt. Deze drie aspecten van het organisatiebegrip hangen uiteraard
ten nauwste met elkaar samen, maar ik wil toch proberen ze enigszins los van
elkaar te bespreken.
Het beheersen
Het woord beheersen ligt in het
spraakgebruik. Het is echter een beetje versluierend, evenals het woord
besturen In feite gaat het namelijk over het uitoefenen van absolute macht over
een organisatie en die macht wordt mogelijk gemaakt door het nauwkeurig
berekenen van de betrekkingen tussen de elementen van een organisatie. Die
absolute macht heeft een geheel ander karakter dan die van een tiran of een dictator. Zo iemand
organiseert ook wel allerlei, maar die organisatie gebruikt hij als middel om
de elementen, in feite dus de mensen, in zijn macht te krijgen. Doorgaans
organiseren dictators
dan ook alleen maar terreurprogramma’s, terwijl van het organiseren van een
functionerende maatschappij (vanuit welke doelstelling dan ook) niet of
nauwelijks sprake is. Alle dictaturen, van zowel links als rechts, helpen het
maatschappelijk leven zonder mankeren naar de knoppen. Ik bedoel: het mislukt
in het licht van hun eigen doelstellingen. De oorzaak ligt dus bij het zoeken
van macht over de individuele mensen. Overal waar men er sinds het begin van de
20ste eeuw toe overgegaan is de organisatie van de maatschappij primair te
stellen kan je zien dat het wel gelukt is en alweer: ongeacht de vraag of je
het met een bepaalde organisatievorm eens kunt zijn of niet. Gelukt is het in
de Westerse landen. Natuurlijk moet je dat zien vanuit de optiek van de elites
die het management in handen hebben; zie je het vanuit de gewone mensen, dan
blijkt de zaak volkomen onhoudbaar te zijn omdat het de verkeerde
organisatie is die zich doorgezet heeft. Maar die verkeerde organisatie
heeft (voorlopig) wel succes. Het lukt zelfs om er bij verkiezingen een
meerderheid van stemmen mee binnen te halen. De door mij bedoelde vorm van
absolute macht is dus die van de managers en niet die van de dictators. Voor die
managers gaat het om de organisatie en niet in de eerste plaats om de mensen;
zij houden dan ook staande dat er in de Westerse staten vrijheid heerst,
d.w.z. individuele vrijheid, maar iedereen kan aan den lijve voelen dat je, wat
betreft de door de staatkundige organisatie gestelde eisen en verplichtingen,
geen enkele kant uit kunt. Je behoeft de baas niet meer met de pet in de hand
te groeten, je bent niet meer verplicht een bepaalde godsdienst aan de hangen
en dergelijke, maar je bent wel verplicht een groot aantal organisatorische
verplichtingen na te komen, meestal in de vorm van formulieren die je almaar in
moet vullen. Je bent een administratief nummer geworden en de tijd van de
persoonlijke, lijfelijke onderworpenheid is voorbij. Het is tekenend dat steeds
meer mensen het regeringsapparaat benoemen met het woord administratie, een
organisatorische term. Hoewel het de moderne managers om het beheersen van de
organisatie gaat en ook te constateren is dat de moderne organisatie redelijk
functioneert, kan en moet je je wel afvragen ter wille van wie zo’n systeem
opgezet is en dan moet natuurlijk het antwoord luiden: ter wille van de moderne
elites en zeker niet ter wille van de bevolking. Dit feit wordt uiteraard
zoveel mogelijk versluierd, hoewel op te merken valt dat men sinds enige tijd
openlijker en cynischer van het elitaire eigenbelang blijk geeft. Vooral in de
Verenigde Staten komt dat schaamteloos voor de dag. Als je aan het hoofd staat
van een organisatie kan je alleen maar absolute macht daarover hebben als je
hem door en door kent en als je er voor zorgt dat die organisatie optimaal
draait. Men is dus steeds bezig het functioneren te verbeteren en men probeert
angstvallig te vermijden dat maatregelen de zaak kunnen stagneren. Het hoofd
van zo’n organisatie kan dus niet naar willekeur (zoals een dictator) handelen; hij
moet zelfs wetenschappelijk exact te werk gaan. Daarbij moet hij bovendien de
verschillende elementen zo goed mogelijk tot hun recht laten komen en dat
betekent voor die elementen: kennis van zaken. Nogmaals :dit alles versluiert
in hoge mate het feit dat de hele zaak er toch is voor de elites en niet voor
de mensen. Door die versluiering verlenen verreweg de meeste mensen
betrekkelijk veel medewerking aan het systeem en zij voelen zich gevleid
medewerker genoemd te worden. Dat die medewerkers welbeschouwd niet meer zijn
dan brandstof voor de organisatie en dat zij na vele jaren medewerking vrijwel
geheel opgebrand zijn is ook iets dat nauwelijks meer opgemerkt wordt. In
zekere zin kan je zeggen dat de machtsuitoefening van een dictator menselijker is
dan die van een manager omdat die dictator altijd nog met mensen bezig is, zij het op een
uitermate negatieve manier. Dat is dan ook de reden dat op de misdadigheid van
zo’n dictator veel
hartstochtelijker gereageerd wordt door de mensen, terwijl zij tegen de macht
van de manager amper bezwaar hebben. Die macht is immers abstract geworden en
heel ongrijpbaar omdat hij op de betrekkingen tussen de mensen stoelt en zelfs
onbewust als fictief ervaren wordt. De vervreemding is derhalve in een
moderne organisatiestaat groter dan onder dictatoriale omstandigheden. Vervreemdend is
overigens ook dat de talenten van de mensen nauwelijks meer in tel zijn:
verlangd worden opleiding, kennis en een bepaald gedrag en in principe uit den
boze zijn zaken als creativiteit, vindingrijkheid, fantasie en eigen
initiatief. Je behoeft voor een bepaalde functie geen talent meer te hebben
maar een opleiding en een dergelijke opleiding is helemaal verzopen in de
overdraagbare kennis zonder ook maar het geringste beroep te doen op de
feeling, het aangeboren inzicht van de student. Je behoeft nergens meer aanleg
voor te hebben, hoogstens de aanleg om veel dingen in je op te kunnen nemen.
Overigens kan een computer zoiets veel beter... In het moderne
organisatiebegrip gaat het dus niet over de mensen zelf, maar over de
betrekkingen tussen de mensen. De zaak moet zo soepel mogelijk draaien en het
welzijn van de afzonderlijke mensen komt pas daarna aan de orde. Zelfs de
vakbonden, die er toch eigenlijk heten te zijn voor het welzijn van de mensen,
onderschrijven de stelling dat eerst de industriële organisatie in orde moet
zijn wil het de mensen beter gaan en dus zijn zij het ermee eens dat die
zogenaamde economie, ten koste van de burgers, met enorme bedragen gesteund
wordt. De vraag waar de voorheen verdiende gigantische kapitalen gebleven zijn
wordt niet gesteld en zelfs bijna onzedelijk gevonden. En men ziet er
gemakshalve langsheen dat de verbetering van de economische organisatie op geen
enkele wijze het welzijn van de mensen bevorderd heeft, integendeel! Anderzijds
geldt dat je de mensen niet al te zeer kunt laten verpauperen...
Bladwijzers: Terrorisme-1(36 t/m 40) ;
No. 41
Bladwijzers: Opgevoed-1 ; Opvoeden-1 ; Opvoeden-2 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ;
Verstarring
Het fictieve karakter van de betrekkingen
tussen de mensen komt, wat betreft de organisaties, voor de dag in de
verstarring, die onvermijdelijk na enige tijd binnen het systeem gaat optreden.
Vooral de economen putten zich uit in het zoeken van verklaringen. Dat zijn
doorgaans uitwendige verklaringen: men zoekt het bij de wereldmarkt, bij de
waarde van de verschillende muntstelsels, bij oorlogsdreigingen etc. Eventueel
gaat men ook na of binnen de organisatie alles nog wel volgens de regels gaat,
maar zo’n interne reorganisatie komt meestal neer op het ontslaan van een
betrekkelijk willekeurig aantal medewerkers. Daardoor dalen de kosten, maar de overblijvenden worden overbelast. Toch constateert men dan
tevreden dat de organisatie weer gezond is. In feite echter moet die
verstarring wel optreden; er komt gewoon uit wat er in zit, het systeem legt
zijn wezenlijke karakter bloot, namelijk zijn onmogelijkheid op grond
van de fictie. Zo efficiënt kan een organisatie niet zijn of na verloop van
tijd komt het onmogelijke er uit en dat is eigenlijk helemaal geen treurig
feit: het is de werkelijkheid zelf die zich niet laat vervormen en die zichzelf
altijd weer corrigeert. Je moet voor dit soort van ontwikkelingen wel oog
hebben. Heb je dat niet, dan word je almaar meer pessimistisch wat betreft de
toekomst van de mensheid. Je ziet dan steeds meer dingen mislukken.
Karakterverandering van de macht
In zijn naakte gedaante komt de macht voor
de dag als de concreet gewelddadige dwang om andere mensen te laten zijn zoals
IK wil dat zij zijn. Een voorbeeld van een dergelijke machtsuitoefening vinden
wij bij de Opvoeding van kinderen: zij moeten worden zoals de ouders zich
voorstellen dat zij zouden moeten zijn. Weliswaar gebeurt die opvoeding
tegenwoordig niet meer zo wreed als dat vroeger het geval was, maar het
grondprincipe bestaat nog steeds, het kind moet gevormd worden. Deze
gesteldheid, namelijk het vormen van mensen, is typerend voor onze cultuur,
tenminste voor zover dat met machtsmiddelen gebeurt. Echter, de macht zoals die
in een organisatie werkzaam is, is een versluierde macht, er wordt bewust of
onbewust gedaan of hij er niet is. Dat is mogelijk doordat het niet meer om de
mensen gaat, maar om de betrekkingen tussen de mensen. Het persoonlijke leven
van de mensen blijft buiten beschouwing maar vereist wordt een efficiënt
functioneren in het betrekkingennetwerk van de organisatie. Die organisatie
evenwel wordt door managers beheerst en die rekenen, ter wille van zichzelf,
uit hoe jij hebt te functioneren. Die machtsuitoefening zou je abstract
gewelddadig kunnen noemen: direct (lichamelijk) geweld is afwezig.
Toch is de persoonlijkheid in het geding
De abstract-gewelddadige machtsuitoefening
lijkt langs de persoonlijkheid heen te gaan: talent, creativiteit en
overtuigingen zijn niet meer van belang en een ieder wordt daarin vrij gelaten.
Je bent een organisatorisch, een administratief nummer. Hier ligt de vraag: hoe
ben je zo geworden, wat is er met je gebeurd dat je dat nummer zijn kan? Hoe
ben je daarvoor geschikt geworden, hoe ben je geconditioneerd? Feit is dat je,
voordat je ging functioneren, omgevormd bent. Je bent voor de maatschappij
klaargestoomd, je bent er op voorbereid, er voor opgeleid. Als dat achter de
rug is ga je automatisch meer of minder goed functioneren en dan behoeft er
nauwelijks meer een concreet gewelddadige macht over je uitgeoefend te worden.
Je bent al tot een braaf mens gevormd. Van een braaf mens, in de zin die ik
bedoel, is te zeggen dat hij niet of nauwelijks tot verzet in staat is en
tevens dat hij bijkans overgevoelig is voor zogenaamde redelijke argumenten.
Elke hartstocht, elke emotie, elk gevoelsargument is verdacht en ongepast.
Vrijwillig legt men zich neer bij de gang van zaken. Dat gebeurt doormiddel van
het compromis. Is dat eenmaal tot stand gekomen, dan werkt men verder braaf
mee. Men schaamt zich om dwars te gaan liggen, om voet bij stuk te houden, om
onredelijk gevonden te worden. Vanuit het geconditioneerde denken voegen de
mensen zich vanzelfsprekend in het netwerk van de organisatie. En zij verzetten
zich alleen nog maar als hun meedoen op de een of andere manier niet naar
behoren gewaardeerd wordt. Vroeger was dat anders. In het begin van de 20ste
eeuw waren bijvoorbeeld de socialisten hartstochtelijk in verzet tegen de
maatschappij en zijn elites en het kwam niet in hen op mee te gaan doen. Als je
vandaag de dag hun uitspraken over die maatschappij leest sta je verbaasd over
hun scherpe en radicale inzichten. Zij wisten precies te vertellen ter wille
van wie hun maatschappij ingericht was. Logisch, want de organisatie cultuur
moest zich nog doorzetten en de machtsuitoefening was nog concreet en gewelddadig
aanwezig. Er was van braafheid geen sprake, revolutie moest er komen, niks geen
compromissen, weg met de staat en zijn instituten! Let wel: het gaat nu niet om
de vraag of je het al of niet eens kunt zijn met die oude socialisten, maar om
het feit dat zij niet in het organisatiesysteem ingekapseld waren en dat gold
uiteraard ook voor diegenen die een andere politieke opvatting toegedaan waren.
Bij de discussies over burgerlijke
ongehoorzaamheid is gebleken dat bijna geen enkele politieke figuur zoiets
aanvaardbaar vindt en dat is te begrijpen, want ongehoorzaamheid houdt in dat
je je buiten de organisatie plaatst en dat is zo ongeveer het ergste wat je
kunt doen. Daarom raadt men dan ook steeds aan om langs de daartoe geëigende
democratische wegen (lees: organisatorische wegen) van zijn opvattingen blijk
te geven. Zo wordt het demonstreren, mits ordelijk en geweldloos, gezien als
een democratisch recht. Ook vindt men dat mensen kritisch moeten zijn, maar ook
daarbij gaat het om redelijke, d.w.z. brave, kritiek binnen het systeem - niet
kritiek op het systeem. De gehoorzaamheid, als resultaat van een uiterst
geraffineerde conditionering, is zo langzamerhand iets zo vanzelfsprekends
geworden dat bijna niemand zelfs nog begrijpt dat juist Ongehoorzaamheid
wezenlijk menselijk is, op grond van de begrippen vrijheid en rechtvaardigheid.
Toen de mensen nog niet of nauwelijks ingekapseld waren in de organisatie, toen
zijn nog geen medewerkers waren, was ongehoorzaamheid veel duidelijker
aanwezig, evenals trouwens het geweld om die ongehoorzaamheid de kop in te
drukken. Maar nu zijn wij deel van het systeem geworden, mopperend soms, maar
toch loyaal.
Leger en kerk
Zowel het leger als de kerk zijn
instituten die nog weinig in het teken van de organisatie staan. Beide
instituten functioneren dan ook nauwelijks maar voor zover er mensen zijn die
mee willen gaan werken gaat het plotseling beter. Vanuit hun wezen echter
verzetten leger en kerk zich tegen die medewerking; beide zijn gefundeerd op
macht ten aanzien van de mensen persoonlijk. Vooral bij de Roomse kerk is de
strijd tussen het medewerken en de blote macht een interessant verschijnsel; je
kunt daarbij duidelijk zien dat de organisatie een ander machtsobject heeft dan
de hiërarchie. Bij de eerste gaat het om medewerking en bij de tweede om
ondergeschikte mensen. Bij de eerste gaat het over versluierde macht en bij de
tweede om rechtstreekse concreet gewelddadige macht.
Bladwijzers: Opgevoed-1 ; Opvoeden-1 ; Opvoeden-2 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ; Het fictieve
wereldbeeld-(36 t/m 41) ; ER MOET ORDE ZIJN - pagina 48/49
;
No. 42
Het geweld
In een op de organisatie gerichte
maatschappij- opvatting is het geweld behoorlijk op de achtergrond gedrongen,
maar toch mogen we zeker niet stellen dat het verdwenen zou zijn. Omdat het in
zo’n organisatie niet meer in de eerste plaats om de macht over concrete
individuen gaat is het directe lichamelijke geweld, de concrete gewelddadige
dwang, een zaak geworden die men afwijst. Maar toch zijn de geweldsmiddelen
ruimschoots voorhanden in de vorm van mobiele eenheden, bewakingskorpsen en het
leger. Die middelen worden achter de hand gehouden voor ongehoorzame mensen,
die zich buiten de organisatie geplaatst hebben door, met betrekking tot
bepaalde doelstellingen, geen democratische wegen te bewandelen. Het op die
mensen toegepaste geweld is gewoonlijk erg hard. Het niet concreet lichamelijke
geweld dat bij de abstracte machtsuitoefening behoort is echter volop aanwezig
in de vorm van allerlei manipulatie en conditionerings-technieken. Doorgaans
kunnen we spreken van verbaal en intellectueel geweld. Het wordt vanaf jonge
leeftijd op de kinderen toegepast in het onderwijs. De opvatting is te
verdedigen dat jonge mensen een zekere hoeveelheid kennis moeten opdoen, al was
het alleen maar om met anderen te communiceren (lezen en schrijven). Maar toch
zou je de vraag moeten stellen: waarom eigenlijk doormiddel van een
dwangsysteem dat eigenlijk al begint als de kinderen nog niet of nauwelijks
blijk geven van de behoefte om iets te willen weten. Bovendien worden de
kinderen als gelijkvormig beschouwd, met als gevolg dat diegenen die aan dat
eenheidsmodel niet beantwoorden gediskwalificeerd worden. Zij kunnen niet goed
mee. Dat oordeel echter wordt uitgesproken in het licht van een bepaalde kijk
op de maatschappij, een kijk die bij een voorgaande generatie behoort en dus in
principe achterhaald is. Het nieuwe moment, dat in de kinderen besloten ligt,
kan zich dan al bij voorbaat niet ontplooien. Op zo’n manier maak je de
ontwikkeling van de maatschappij en de samenleving in principe onmogelijk. Je
bent bezig de gevestigde opvattingen door te zetten. Het gaat nu niet om de
vraag of die gevestigde opvattingen juist of onjuist zijn, het gaat er om dat
er zo’n proces in het onderwijs gaande is. In de praktijk zie je dan ook dat er
telkens momenten zijn dat men bemerkt dat het onderwijs achtergebleven is bij
nieuwe ontwikkelingen. Doorgaans geeft men dan de schuld aan de verouderde
leerstof, en niet geheel ten onrechte, maar in werkelijkheid komt het dus door
het bij voorbaat afgrendelen van de weg naar nieuwe ontwikkelingen in de geest
van de kinderen. Vanuit de gangbare opvattingen zal men er voorlopig zeker niet
voor open staan, maar eigenlijk zou je de kinderen geen onderwijs moeten
opdringen en rustig af moeten wachten tot zij zelf de kennis willen opdoen
waaraan zij behoefte gevoelen. Voor volwassenen vinden wij dat normaal, maar
waarom dan niet voor de kinderen? Het antwoord ligt bij het machtsbewustzijn
dat de kinderen aangepast wil zien aan eigen voorstellingen. Zo worden ze
gevormd tot bruikbare elementen in de organisatie. Van het scheppen van
voorwaarden om tot ontplooiing te komen is dan ook over het algemeen geen
sprake. Een ander punt is dat men doorgaans van mening is dat de kinderen nooit
iets zullen willen leren als zij daarin vrijgelaten zouden worden. Dat is een
misvatting die voortkomt uit het ontbreken van samenhang binnen de huidige
wereldbeschouwing. Zag men die samenhang wel, dan zou men onmiddellijk
begrijpen dat kinderen zich niet eens zouden kunnen onttrekken aan het opdoen
van kennis. Ze kunnen zich immers niet onttrekken aan de wereld waarin zij
geboren zijn en waarin zij opgroeien! Dat is hun wereld en het geheel van de
daarin voorkomende verworvenheden is een voor hen onmiskenbare realiteit. Het
blijkt dan ook telkens dat de kinderen zich opmerkelijk goed vertrouwd voelen
met hun wereld: zij bewegen zich met een voor de volwassenen onbegrijpelijk
gemak door het verkeer, zij zijn heel snel vertrouwd met moderne apparatuur en
het spreken van vreemde talen is ook al nauwelijks een probleem dank zij de media.
Met computers kunnen zij vaak beter overweg dan de volwassenen. De vrees dat
zij intellectueel achter zullen blijven bij niet opgedrongen onderwijs is
ongegrond; je zou je zelfs af moeten vragen of de kinderen met ons huidige
systeem nu wel zo’n goede intellectuele vorming krijgen. Veel van de leerstof
zegt hen niets zolang zij zelf nog geen behoefte aan die kennis hebben en op
het moment dat zij zo’n behoefte wel gaan voelen is het vaak te laat. Het
resultaat kan niet anders dan ver beneden de maat zijn.
Filosofisch denken
Allerlei gedachtegangen worden
tegenwoordig filosofieën genoemd: de filosofie achter de aanschaf van een
bankstel, achter een politiek besluit, achter een godsdienstige overtuiging.
Dat alles heeft echter niets met filosofie te maken, evenmin trouwens datgene
dat in academische zin filosofie genoemd wordt. Men vraagt zich nog nauwelijks
af hoe het zit met de werkelijkheid en bepaalt zich vrijwel uitsluitend tot het
in kaart brengen van de gedachten van anderen. Daarbij hanteert men een
analytische denkmethode en een taalgebruik dat zo langzamerhand onbegrijpelijk
is geworden. Voor zover er oorspronkelijk gedacht wordt levert dat meestal een
nieuwe kijk op de bestaande filosofie op, vandaar dat de publicaties wemelen
van de citaten en bedolven worden door een notenapparaat waarvan de omvang
omgekeerd evenredig is met de kwaliteit van de publicatie. Ik zie de filosofie
als het beschrijven van de werkelijkheid doormiddel van gedachtegangen die op
elk moment moeten samenhangen met het geheel van de werkelijkheid. Dat betekent
dat andere gedachtegangen, vanuit een ander uitgangspunt en handelend over een
ander thema nooit met elkaar strijdig mogen zijn. Zijn ze dat wel, dan zit er
ergens een fout en moet het hele denkproces opnieuw beginnen. Van waaruit je de
werkelijkheid ook beschrijft, steeds moet alles met elkaar in samenhang
blijken. Dat is de controle op dat denken. Doordat die controle er is kan je
voortdurend jezelf corrigeren, want fouten maak je onvermijdelijk. Het
analytische denken kan zichzelf nimmer corrigeren, d.w.z. het kan niet op zijn
schreden terugkeren en opnieuw beginnen. Binnen zijn eigen systeem is er
uiteraard wel correctie mogelijk en dat gebeurt dan ook: vaak is men er meer op
uit elkaar fouten aan te wrijven dan kennis te nemen van de resultaten van een
studie. Zo erg redelijk gaan de analytische wetenschappers niet met elkaar om!
. Maar, dat denken zelf kan van zichzelf geen oordeel vormen omdat het niet
toegaat naar een samenhangend helder doorzichtig geheel, maar naar een steeds
grotere hoeveelheid los van elkaar staande elementen. Bovendien is de weg
waarlangs het analytische denken gaat een onontkoombare: je kunt niet anders
dan de uit een splitsing verkregen brokstukken op hun beurt ook weer te
splitsen en steeds neemt de samenhang met de rest van de werkelijkheid af. De
onverbiddelijke noodzaak om een splitsing door een volgende te laten opvolgen
houdt het denken geketend. Men moet een eenmaal ingeslagen weg voortzetten.
Dat verklaart
het op zichzelf vreemde verschijnsel dat men in onze cultuur niet in staat
blijkt, ondanks de enorm toegenomen kennis, een andere weg in te slaan. Ondanks
de steeds klemmender wordende waarschuwingen en ernstiger rampen gaat men voort
met nog verder splitsen van de werkelijkheid en dat betekent op zichzelf
voortgaan op de weg van de vernietiging. Men kan niet van die weg af, die weg
ligt bij voorbaat vast. De redding kan alleen maar van buiten dat denken komen,
niet door allerlei mystieke onzin,
maar door het hierboven beschreven -filosofische denken.
Bladwijzers: Mystiek-1
Mystiek-2 Mystiek-3 Mystiek-4(nrs.42t/m43) Mystiek-5 Mystiek-6
No.
43
De New Age Movement (lees nrs.
43, 44, 45)
Volgens de mensen van de New Age Movement staat de Westerse cultuur voor een nieuwe
revolutie, die je zou kunnen noemen de intellectuele revolutie. Eerder al waren
er de agrarische revolutie en de industriële. Er zou een nieuw tijdperk
aanbreken, door sommigen genoemd het Aquarius tijdperk, in analogie met het
gelijknamige sterrenbeeld. Gezegd moet worden dat men binnen die New Age
beweging met een groot aantal voortreffelijke denkbeelden komt, gebaseerd op
gloednieuwe resultaten van het fundamentele onderzoek van de werkelijkheid en
het kennis nemen van oeroude denkbeelden en filosofieën. Centraal stelt men het
zogenaamde holistische denken en dat houdt in dat men de onderdelen van de
werkelijkheid, te voorschijn gekomen door de analyse, in hun samenhang wil
begrijpen. En men wijst de eenzijdige analyse af voor zover die de samenhang
juist verbreekt en daardoor tenslotte in vernietiging uitloopt. Er is veel
psychische onrust in de mensheid en een toenemend aantal mensen voelt aan dat
er iets fout zit met ons traditionele denken. Dat is ook het geval met de New
Age mensen. Bovendien voelen zij aan in welke richting de oplossing gezocht
moet worden, vandaar dat zij zich in sterke mate richten op het cultuurgoed van
het oosten. Daar immers was een andere wijze van denken in zwang, die precies
het tegengestelde was van onze Westerse: men probeerde in de Oudheid en in het
oosten de werkelijkheid te begrijpen vanuit het samenhangende geheel. Je kunt
zeggen dat dat denken gebaseerd was op het zien, op de intuïtie en dat het
vrouwelijk van karakter was, allemaal kwalificaties die voor Ons denken niet of
nauwelijks gelden. Het gevolg is dat mensen uit de New Age Movement
het oude oosterse denken gaan bestuderen en de daaruit voortkomende kennis
voegen bij de reeds aanwezige analytische kennis. Dat schijnt een verruiming
van het blikveld te geven, maar in belangrijke mate is dat maar schijn, hetgeen
onder andere blijkt uit het feit dat men met die kennis van het oude oosten net
zo omgaat als men met de Westerse kennis pleegt te doen: men bouwt er
overtuigingen mee op die in laatste instantie als een machtsinstrument
fungeren.
De fout in het holisme
Als je probeert kennis te nemen van de
denkbeelden van het oosten doe je dat automatisch vanuit de Westerse
denktraditie. Aangezien die denkbeelden niet of nauwelijks voor analyse
toegankelijk zijn - het zijn letterlijk denkbeelden - kan je er in feite
niet veel anders mee doen dan je er, vanuit je gevoel, aan overgeven. Wat je er
dan inhoudelijk van zegt wordt dan mystiek;
je ziet het wel, je voelt het wel aan, maar je kunt het niet verklaren, niet
uitéénzetten. Eigenlijk gaat de zaak functioneren als een geloof. De New Age Movement drijft dan ook steeds meer weg in religieuze mystificaties. En dat komt doordat men
vergeten heeft iets met zijn eigen denken te doen. Men heeft er wel kennis,
inhoud, aan toegevoegd, maar men heeft het eigen denken niet verder ontwikkeld.
Een goed aangevoelde noodzakelijke nieuwe ontwikkeling wordt op de ouderwetse
wijze benaderd, namelijk de analytische, en wordt daardoor zweverig en
nauwelijks helder. De samenhang, waarnaar men terecht streeft, kan niet anders
dan een min of meer verfijnd netwerk van relaties worden, relaties die, zoals
we al gezien hebben, ficties zijn. Hoewel het holisme zeker een stap vooruit is
en als zodanig ongetwijfeld een intellectuele revolutie teweeg zal brengen, is
het nog steeds een vorm van analytisch denken. In feite is het van dat denken
de laatste mogelijkheid. Op zichzelf is het doorbreken daarvan toe te juichen.
Maar het is niet datgene dat ik onder filosofisch denken versta.
Noch het éne denken, noch het andere
De begripsmatige analytische denkwijze en
de beeldmatige samenhangende denkwijze zijn beide momenten in de
denkontwikkeling van de mensen. In de stroom van de cultuur komen zij na elkaar
en eenzijdig voor de dag en beide brengen zij na verloop van tijd hun
onmogelijkheden aan het licht. Dat is thans het geval met het analytische
denken voor zover dat zuiver splitsend is. Het moet echter nog wel zijn
holistische ontwikkeling doormaken. Daarna ontwikkelt zich een denken waarin
voor de eenzijdigheden van en het analytische en het beeldmatige geen plaats
meer is, maar waarin die twee toch opgenomen zijn als instrumenten voor het
denken. Met behulp van die instrumenten kan je vanuit elk uitgangspunt in elke
richting de werkelijkheid samenhangend beschrijven, want je bent in staat het
beeld te laten gelden (samenhang) en alle er in voorkomende onderdelen
(analyse). Het gaat dus nu om instrumenten van en voor het denken en niet meer
om alleenzaligmakende levensbeschouwingen. Zou ik niet in staat zijn om vanuit
elk uitgangspunt te denken, dan zou de werkelijkheid in belangrijke mate buiten
mijn zelfbewustzijn blijven liggen. Mijn denken zou niet universeel kunnen zijn
en niet verder komen dan een particuliere mening. Om echter in alle richtingen
te kunnen denken moet ik informatie hebben, er is kennis vereist. Bovendien
moet ik begrip hebben van richtingen en daarvoor heb ik het beeld nodig. De
samenhang binnen dat beeld wijst en corrigeert de richting van mijn
gedachtegangen.
De betekenis van de analyse
Binnen de genoemde New Age Movement valt een toenemende neiging op om het analytische
denken als een foutief denken te verwerpen. Maar ook andere bewegingen getuigen
daarvan: het godsdienstig fundamentalisme dwingt tot stopzetten van het denken,
in de drugs zoekt men vergetelheid en in het oosten verneveling. Dat
zijn derhalve allemaal kwalijke schijnalternatieven. Men ziet (terecht) de
analyse in vernietiging uitlopen en beoordeelt het nu als verkeerd. Vanuit het
door mij filosofisch genoemde denken echter kan je begrijpen dat het uitlopen
in vernietiging precies is wat de analyse moet doen; zij kan niets anders
opleveren dan een volkomen doorzichtig geworden onhandelbare werkelijkheid. Dat
denken kan niet uit de ontwikkeling gemist worden en zonder de daaruit
voortkomende kennis kan je geen betrouwbare gedachtegangen ontwikkelen. Hoe
bedreigend het maatgevende analytische denken ook is, diegenen die een -
overigens vruchteloze - poging wagen om het af te schaffen of althans
ineffectief te maken hebben ongelijk. Uiteraard is het wel een voorbijgaand
moment: als het eenmaal holistisch is geworden en zijn eigen uiterste grens
heeft bereikt komt vanzelf de werkelijkheid als beeld weer terug. Maar dan kan
het denken er een concrete inhoud aan geven. Waarom het beeld weer terug komt
zullen wij nog bespreken. Het is een feit dat tijdens het zich uitwerken van de
analyse een grote vervreemding op gaat treden. Ook dat kan je betreuren,
maar beter is het je af te vragen wat er van de menselijke ontplooiing terecht
zou komen als zij niet een periode van vervreemding zouden doormaken.
Welbeschouwd zouden zij dan besloten blijven binnen hun eigen voorhanden
wereldje. En zij zouden hun eigen denken niet leren begrijpen. Bovendien is vervreemding
een noodzakelijke voorwaarde voor het samenhangend denken vanuit alle mogelijke
optieken in alle richtingen; hij is voorwaarde voor het kunnen doordenken van
het andere, datgene dat jijzelf in eerste instantie niet bent. Sociaal
psychologisch echter is de ontwikkelingsfase van de analyse een ellendige
periode voor de mensen, niet in de laatste plaats door het gaandeweg vervallen
van alle houvast, normen en waarden.
Bladwijzers: Mystiek-1
Mystiek-2 Mystiek-3 Mystiek-4(nrs.42t/m43) Mystiek-5 Mystiek-6
Bladwijzers: Tweede Wereldoorlog - het
begrip tweede wereldoorlog vindt u terug op pagina’s 12, 14t/m19, 20
en 21, 37, 44,
48 en 68
Het roer moet om.
Steeds meer mensen krijgen tegenwoordig
het gevoel dat er iets mis is met onze wereld en dat het tijd wordt het roer om
te gooien. Op zichzelf is daar wel wat voor te zeggen, maar het beroerde is dat
tot nu toe geen enkele maatschappij in staat is gebleken het roer om te gooien.
In onze democratie zou je daarvoor een parlementaire meerderheid moeten hebben,
maar als je bedenkt dat het aan progressieve partijen, die een
verantwoordelijker en rechtvaardiger en gezonder maatschappij voorstaan,
nauwelijks gelukt een paar zetels in de volksvertegenwoordiging te krijgen en
dat die zetels ook nog met het grootste gemak weggestemd kunnen worden als de
een of andere dwaas zijn karwei af wil maken, dan kan je er redelijkerwijs toch
niet op hopen dat zo’n roer ooit om zal gaan. De verheldering van de inzichten
van de mensen volgt andere wegen. Voor onze cultuur is dat de immer
verdergaande analyse. Dat is niet alleen maar een theoretische zaak. De moderne
industrie bijvoorbeeld is in belangrijke mate chemisch en fysisch en dat berust
op een diepe analyse van de materie. Voorwaarde daartoe is natuurlijk een hoge
wetenschappelijke en technologische ontwikkeling. De knowhow is een waardevol
artikel geworden. Tot aan de tweede wereldoorlog echter draaide alles om
de zware industrie: staalfabrieken, kolenmijnen en scheepswerven. Je kunt
opmerken dat deze zware industrie zich verplaatst heeft naar het Verre Oosten.
Rond de Pacific treedt nu de ontwikkeling in die bij ons 100 jaar geleden een
aanvang nam. De verdieping van de analyse is nu de opgave van het Westen,
terwijl een belangrijk deel van de daaruit voortkomende productie door de
gebieden rond de Pacific verzorgd wordt. De weg die wij, tot op zekere hoogte
tegen wil en dank, hebben te gaan is de weg van de verdieping van de analyse.
Daaraan valt niets te veranderen, niets om te buigen en niets tegen te houden.
We moeten de werkelijkheid als een gigantische verzameling van dingen nu
eenmaal leren kennen. En daaraan komen verwarring, wanhoop en vervreemding
mee.
De betekenis van het holisme
Het woord holisme duidt op het geheel. Er
wordt een denkwijze onder verstaan waarin men de werkelijkheid als een in
zichzelf samenhangend geheel beschouwt en waarin men bijgevolg de analyse als
onmogelijk afwijst terwijl men begrijpt dat het geheel niet te verklaren is
vanuit de onderdelen en hun onderlinge betrekkingen. De bovengenoemde opvatting
van het holisme is een juiste opvatting, maar wat men er mee doet is strikt
genomen niet holistisch, maar analytisch, zij het op een bijzondere wijze. Het
bijzondere is namelijk dit dat men, omdat men de werkelijkheid als een geheel
beschouwt, probeert de door de analyse verkregen onderdelen en hun betrekkingen
samen te brengen in een systeem, een heel verfijnd netwerk, dat zo
veelomvattend mogelijk is. Dat is op zichzelf iets nieuws: tot nu toe haalden
we alles uit elkaar en we probeerden iets te doen met de verkregen onderdelen,
Ongeacht de betrekking tot andere onderdelen. Als we tussen het koren het
onkruid wilden verwijderen gingen we dat met chemicaliën te lijf zonder acht te
slaan op de rest van het milieu. Holistisch is dat je alles bekijkt in zijn
samenhang met het overige, je bekijkt een geheel ecosysteem en niet een
gedeelte. Het als de maat nemen van die samenhang is voor het Westerse denken
een heel nieuw geluid, waarvan je kunt constateren dat het langzaam maar zeker
aanvaard gaat worden. De intellectuele revolutie is zich aan het doorzetten,
maar in tegenstelling tot wat men gewoonlijk meent gebeurt dat binnen de
analytische denkwijze.
Wat betekent holistische samenhang
Als men in het holistische denken over
samenhang spreekt bedoelt men het verbrokene weer te
herstellen. Men wil er weer verband in brengen zodat er een netwerk, een
weefsel, ontstaat. Daartoe richt men zich op de betrekkingen tussen de dingen.
Niet voor niets staat het relativistische natuurkundige denken zo in de
belangstelling. Wij hebben evenwel al eerder ontdekt dat betrekkingen
(relaties) verbroken samenhangen zijn die als zodanig bij de analyse voor de
dag kwamen. Als je dus binnen het holisme poogt de onderdelen in een zinvol
samenhangend netwerk op te nemen richt je je noodzakelijk op de betrekkingen.
Maar eigenlijk bestaan die niet en het gevolg daarvan is dat je netwerk een
fictie wordt. Het wordt een voorstelling, een in kaart gebrachte werkelijkheid.
Weliswaar hebben wij te doen met een fictie, maar wij mogen dat niet negatief
beoordelen. Het is net zo’n soort fictie als een landkaart van een bepaald
gebied een fictie is. De in kaart gebrachte werkelijkheid is de laatste
mogelijkheid van het analytische denken. Wat men echter samenhang noemt is géén
samenhang maar een weefsel van betrekkingen. Om dit duidelijk te maken geef ik
het volgende voorbeeld. Stel, je gaat het lichaam van een mens volledig
ontleden, je rubriceert nauwkeurig alle onderdelen en hun onderlinge
betrekkingen en als je dat allemaal gedaan hebt ga je de hele zaak weer
opbouwen, uiterst verfijnd en met behulp van alle beschikbare kennis van zaken.
In principe moet het mogelijk zijn dat lichaam exact te reconstrueren, in ieder
geval gaan wij er nu van uit dat dit gelukt. Heb je nu weer een mens
teruggekregen? Neen, want één ding is er niet gelukt: hem weer levend te maken!
Datzelfde geldt ook ten aanzien van de werkelijkheid zelf. Je kunt haar wel
reconstrueren, maar je krijgt haar nooit echt terug omdat je de samenhang niet
kunt herstellen als zij eenmaal verbroken is. Je kunt niet meer doen dan de
zaak in kaart brengen. Van een tot planken gezaagde boom kan je nooit meer een
boom maken, het wordt hoogstens een fictieve boom, iets dat zich voordoet als
een boom, maar het niet is. De werkelijkheid is, na analyse, nooit meer tot
zichzelf terug te brengen. Het holisme levert het laatste moment van de analyse
op, namelijk de in de menselijke geest in kaart gebrachte werkelijkheid. Dat is
in feite de naar het samenhangende geheel toegedachte werkelijkheid qua
verzameling. Deze totaliteit is onmiddellijk inhoud van het geheel, maar nooit
meer dan dat. Evenwel is het er zijn van die totale inhoud voorwaarde voor de
terugkeer van het geheel.
Wij moeten goed in de gaten houden dat
alles zich afspeelt in de geest van de mensen. Daarbinnen bevindt zich
tenslotte een nauwkeurig getekende kaart van de werkelijkheid en deze past
precies op het beeld van de werkelijkheid, zoals dat als bewustzijn in elk mens aanwezig is. Er is geen vertekening meer als
gevolg van slechts gedeeltelijk in kaart gebrachte werkelijkheden, alles is op
de juiste wijze ingetekend. Daardoor kan het beeld weer een realiteit worden en
het is vanuit het zien daarvan dat de mensen de samenhang van de werkelijkheid
weer gaan laten gelden. De in kaart gebrachte werkelijkheid en de werkelijkheid
als beeld zijn dan niet meer met elkaar strijdig. Dat betekent dat het geheel
er kan zijn en de totaliteit, twee begrippen die wel van elkaar te onderscheiden zijn, maar niet te
scheiden. In de cultuurontwikkeling betekent dit dat de mensen eerst het geheel
zijn gaan kennen, vervolgens de totaliteit en daarna beide aspecten van de
werkelijkheid. In dit laatste geval zijn de mensen volwassen te noemen; zij zijn dan echt werkelijkheid geworden omdat
zij zichzelf niet meer als een eenzijdigheid
(of geheel, of totaal) beschouwen.
Bladwijzers: Eenzijdigheid-1 ; Eenzijdigheid-2 ; Tweede
Wereldoorlog -
het begrip tweede wereldoorlog vindt u terug op pagina’s 12, 14t/m19, 20
en 21, 37,
44, 48
en 68
Bladwijzers: Eenzijdigheid-1 ; Eenzijdigheid-2 ; Mystiek-1 Mystiek-2 Mystiek-3 Mystiek-4 Mystiek-5(nrs. 45t/m47) Mystiek-6
Het in kaart brengen
De ontwikkelingsfase waaraan de moderne
mensheid op het ogenblik toe is is die van het in
kaart brengen van de werkelijkheid, voor zover die als een grote hoeveelheid
kennis door de analyse te voorschijn is gekomen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de
opgang die een jonge wetenschap als de ecologie maakt. Maar ook op andere
wetenschapsgebieden kan je constateren dat men meer en meer in netwerken gaat
denken. Organisatorisch zijn die netwerken geheel anders van opzet dan de
gebruikelijke organisaties; deze laatste zijn vanuit een model, een schema,
opgezet, terwijl netwerken eigenlijk helemaal niet opgezet zijn, maar als
vanzelf zijn ontstaan vanuit overeenkomstige opvattingen van groepen mensen.
Ook in de biologie gaat men het sterke analytische accent wat achterwege laten
in de theorie- vorming, terwijl het relatieve meer op de voorgrond treedt.
Zelfs de tegenwoordig gebruikelijke sociologische onderzoeken vertonen een
toenemende belangstelling voor de relaties tussen groepen van mensen. Het zijn
inderdaad de holisten die wijzen op het belang van denken in samenhangen -
vanuit hun idee van het geheel - maar in de praktijk wordt er op vele terreinen
al naar toe gewerkt. Wat die holisten betreft: doordat zij van mening zijn
vanuit het geheel te moeten denken en doordat zij in feite hun denken zelf niet
of nauwelijks ontwikkeld hebben, kunnen zij niet goed uit de voeten met dat
geheel wat betreft de inhoud daarvan. Daardoor vertoont het holisme een
bedenkelijke neiging tot mystiek. Mystiek is het zien en beleven van het
geheel zonder in staat te zijn te bedenken hoe de zaak in elkaar zit. Het
gevolg is een wazige en zweverige eerbiedige benadering van de kosmos,
vergezeld van een huilerige verbondenheid met het al. Op deelgebieden is de
geanalyseerde werkelijkheid natuurlijk steeds al in kaart gebracht. Men
bestudeerde het een of andere infuusdiertje en dat resulteerde in een
nauwkeurige beschrijving van dat leven. Maar nu begint het van belang te worden
hele ecosystemen in kaart te brengen. Dat kan je niet zonder alle onderlinge
betrekkingen tot hun recht te laten komen. Naarmate dit alles enigszins vorm
begint te krijgen en er een soort van kaart ontstaat kan de werkelijkheid als
beeld, die in de mensen aanwezig is, meer herkenbaar worden. Dat manifesteert
zich echter niet als een grotere wijsheid, maar juist als metafysische
kletspraatjes. Men heeft het over religieus zijn en innerlijke groei terwijl
men met graagte instemt met de verhalen die goeroes, nieuwe christenen en een
menigte therapeuten vertellen. De New Age vertoont zich om te beginnen geheel
in het licht van het oude denkmodel: omdat de zaak er intellectueel buiten valt
en er als zodanig toch bij behoort kan je rustig met de meest onwaarschijnlijke
beweringen komen, als zij maar verwijzen naar gene zijde van de werkelijkheid.
Hoewel dit alles onzinnig is laat het toch zien dat de ontwikkeling niet in een
eenzijdigheid opgaat: al die
malligheden duiden op een, voorlopig nog heel vaag, helder worden van het beeld
van de werkelijkheid, als gevolg van het steeds meer in kaart brengen daarvan.
Tenslotte is de werkelijkheid, dank zij het analytische onderzoek, zo
nauwkeurig in kaart gebracht dat er geen tegenstrijdigheid meer is tussen
datgene dat die kaart vertoont en datgene dat het beeld laat zien. Maar voor het
zover is zullen er heel wat belangen in de vorm van ideologieën vervallen zijn.
Verschillende kaarten
In de loop der cultuurgeschiedenis hebben
de mensen zich verschillende kaarten van de werkelijkheid getekend. En iedere
individuele mens heeft de zijne daar weer in aangebracht. Die individuele
kaarten worden voornamelijk bepaald door de eigen belangen en dus ook door die
dingen waaraan een bepaald persoon waarde hecht. In feite kan je zeggen dat
iedereen zijn eigen waarden in kaart heeft gebracht, in die zin dat die waarden
de tekening van de kaart bepaalden. Een kaart op grond van de levensbeschouwing
van een politicus ziet er heel anders uit dan die van een huisvrouw, de paus
heeft een andere dan de natuurkundige, enzovoort. Al die kaarten geven een
vertekende voorstelling van de werkelijkheid. Dat heeft tot gevolg dat van het
beeld, het bewustzijn, alleen datgene geaccepteerd wordt dat overeen komt met
zo’n vertekende voorstelling. Het bewustzijn wordt dus geheel vertekend en
fragmentarisch ervaren. Flarden van het beeld die daarmee niet overeenstemmen
of daar helemaal buiten vallen worden weggedrukt als onbetrouwbaar,
onrealistisch en vaak zelfs als iets slechts. In ieder geval heeft iedereen zo
zijn eigen kaart en slechts in grote lijnen stemmen al die kaarten overeen voor
zover zij ingetekend zijn in het grondpatroon van een overheersende
cultuurbeschouwing.
De analyse zet zich door
Ik heb er al eerder op gewezen dat de
analyse van de werkelijkheid almaar door gaat en nergens halt voor houdt. Hij
houdt dus ook geen halt bij de individuele kaarten van de mensen. Gaandeweg
worden ook die uit elkaar gerafeld totdat er tenslotte daarvan ook niets meer
over is. De persoonlijke belangen en waarden verdwijnen op den duur ook in het
niets en van dat proces is tegenwoordig al iets te merken in de vorm van
verlies van vroegere zekerheden, houvast en zogenaamde normen en waarden. Dat
is het proces van de, ontwaarding, het nihilistische proces. Dit proces zet
zich in ieders zelfbewustzijn door, of men daarvan nu iets bemerkt of niet.
Analyse is niet alleen maar een zaak van het laboratorium, het is een proces
dat zich in alle mensen afspeelt. Als dit zich tenslotte doorgezet heeft is de
ontwikkeling rijp voor het op de juiste wijze in kaart brengen. Hoewel je in
die periode zeker van een gemis aan houvast kunt spreken is er toch ook van te
zeggen dat er een zekere bevrijding heeft plaatsgevonden. De bemoeizucht en de
dwingelandij vanuit allerlei hogere principes, idealen, godsdiensten, ethische
normen en tradities zijn dan komen te vervallen en dat is op zichzelf al een
hele opluchting!
Het geheel en de kaart
Als de werkelijkheid echt in kaart
gebracht is komt die kaart overeen met het beeld van de werkelijkheid als
geheel, het bewustzijn. Dan vertekent die kaart het beeld niet meer, er is
niets meer dat niet mag gelden omdat het onbetrouwbaar gevonden wordt. Het
beeld kan dan dus vrijelijk voor de dag komen. Zoals al eerder opgemerkt kan in
die situatie de werkelijkheid naar haar beide aspecten tot, haar recht komen:
het geheel en het totaal, de eenheid en de verzameling, de oneindigheid en de
eindigheid. Dan wordt de dubbele werking van het denken mogelijk, want vanuit
de totaliteit denk je naar het geheel en vanuit het geheel denk je naar de
totaliteit. Meer is er niet mogelijk. We moeten er overigens wel op letten dat
het beeld pas tot haar recht kan komen als de kaart van de werkelijkheid juist
is. Met het beeld zelf is niets aan te vangen in de zin van het in jezelf naar
voren halen. Dat probeert men in allerlei moderne therapieën, maar je kunt van
tevoren zeggen dat dit mislukt omdat het beeld onaantastbaar, ongrijpbaar is.
Bladwijzers: Eenzijdigheid-1 ; Eenzijdigheid-2 ; Mystiek-1
Mystiek-2 Mystiek-3 Mystiek-4 Mystiek-5 Mystiek-6
De werkelijkheid als beeld
Als je nauwkeurig nagaat hoe het proces is
dat de verschillende verschijnselen oplevert, met als laatste de mens, dan kom
je tot de ontdekking dat er in de mens een trillingssituatie
aanwezig is die alle voorgaande situaties inhoudt. Dat betekent dat de gehele
werkelijkheid bij wijze van trillingsverhoudingen in
de mensen leeft. Die werkelijkheid is niet alleen te ondergaan als een
lijfelijke zaak, maar zij is ook te zien vanuit onze geest, als een trillend
beeld van de werkelijkheid als geheel. Dit zien is geen ongewoon iets dat aan
enkelingen voorbehouden zou zijn, het is voor iedereen van kracht. Maar wel is
het zo dat, onder invloed van cultuur- en andere programmeringen, het zien van
dat beeld vertekend en vervormd is. Dat beeld zelf echter is niet aan te
vatten: die trillingssituatie
is er onvermijdelijk als er een mens is; hij komt gewoon voort uit het
ontstaansproces van de verschijnselen in de werkelijkheid. Hij is net zo
onvermijdelijk als het hebben van een hart, armen en benen, etc. Deze laatste
organen evenwel zijn wel aan te vatten, het beeld echter niet. Die
onaantastbaarheid betekent ook dat de zaak empirisch niet aan te tonen is,
vandaar dat de meeste westers geschoolde mensen er niets van moeten hebben en
zelfs weigeren de gedachtegang te volgen waarlangs je tot die trillingssituatie kunt komen. Er is hier geen
positivistisch bewijs te leveren en dus is het flauwekul... Anderzijds is die
situatie ook niet te vinden als je meent metafysisch te moeten gaan denken. Er
is niets bovennatuurlijks aan, maar wel is het een feit dat je met iets
niet-materieels te doen hebt. Het is in feite een verhouding. Deze verhouding
is steeds door de mensen, vooral in de oudheid, aangevoeld. Het zien
daarvan benoemde men met: zelfaanschouwing, verinnerlijking en dergelijke
en de methode om dat zien te bevorderen noemde men meditatie.
Het zich laten gelden van die trillingssituatie en
dus van dat beeld noemen wij het bewustzijn - niet te verwarren met dezelfde
term die in allerlei betekenissen in de psychologie gebruikt wordt.
De kaart als filter
Het beeld in onszelf van de werkelijkheid
als geheel is er onder alle omstandigheden. Je kunt het niet naar voren halen
en je kunt het niet wegdrukken, er valt ook niets aan te ontwikkelen of te
verhelderen. Maar er is wel iets aan de hand met het zien ervan. Dit zien
geschiedt vanuit het zelfbewustzijn, dat de concrete manifestatie van onze
geest is. In dit zelfbewustzijn hebben alle mensen een kaart van de
werkelijkheid aangelegd, voor een groot deel door anderen ingeprent en voor de
rest op grond van eigen ervaringen. Nu bekijken wij, als het ware, door die
kaart heen onze werkelijkheid als beeld, ons bewustzijn. Die kaart fungeert als
een filter dat bepalend is voor die aspecten van het beeld die doorgelaten
mogen worden en voor de ongewenste aspecten. Alles wat niet te interpreteren is
in het model van de kaart wordt als ongewenst beschouwd en bovendien als iets
waaraan je niets hebt of iets dat zelfs bedreigend kan zijn - omdat het iets
anders is dan wat de kaart laat zien. De kaart hangt als een filterend scherm
tussen de geest en het beeld, tussen het zelfbewustzijn en het bewustzijn.
Alleen dat mag door wat overeenkomt met de kaart of wat daarin in te passen is.
Dit gehele patroon van doorgelaten flarden van het beeld vormt ons stelsel van
zekerheden waaraan wij ons gehele leven zouden willen ophangen. Dat dit stelsel
van zekerheden onsamenhangend is en in bijna alle gevallen ook nog inconsequent
spreekt vanzelf. Het behoeft dan ook niet te verwonderen dat het gedoe van de
mensheid tot nu toe een onbetrouwbaar rommeltje is, vol van tegenstrijdigheden,
dubbelhartigheid en het meten met meerdere maten.
Het
filter wordt rafelig (
Zie ook het
voorgaande vanaf nr 44 )
Gelukkig is niemand in staat zijn
filterende wereldkaart intact te houden! Altijd weer vertoont de kaart rafels,
zodat er allerlei ongewenste flarden van het beeld doorheen komen. Dit levert psychische
verwarring op. Als wij ons herinneren dat wij onder de psyche
moeten verstaan het meetrillen van onszelf als materie (het lijf) met het
trillende beeld (ons bewustzijn), dan kunnen wij begrijpen dat die
(trillende) flarden van het beeld de mensen psychisch in de war brengen. Dat is
wat er als eerste gebeurt en daarna gaat ook het zelfbewustzijn aan het tobben.
Het denken weet met de zaak geen raad meer... Het is onvermijdelijk dat het
filter rafelig wordt, gaten vertoont. Het is namelijk een zelfbewust model van
de werkelijkheid en dus is het inhoud van onze geest. Deze geest echter is
fundamenteel Ongebonden, hij is in wezen absoluut vrij, d.w.z. beweeglijk. Deze
grondsituatie laat zich steeds weer gelden en tast voortdurend de starheid van
het model aan. Eigenlijk is dat model een onmogelijkheid, daardoor zijn
bijvoorbeeld principiële mensen gedwongen hun standpunten met geweld te
handhaven. Zij moeten vooral zichzelf steeds dwingen zich aan hun principes te
houden. Zo vanzelf gaat het niet, er komt zelfdiscipline aan te pas. Je kunt
zeggen dat de geest almaar bezig is het filter op te ruimen. Als reactie daarop
wordt een aantal mensen steeds meer verhard terwijl anderen hun houvast
verliezen en wanhopig worden. Het rafelig worden van het filter is overigens
ook de oorzaak van de cultuurontwikkeling van de mensheid. Al zijn de
doorgelaten flarden van het beeld ongewenst, zij zijn ook verontrustend en
daardoor aanleiding tot het enigszins veranderen van denkmodellen. Maar in onze
cultuur komt er nog iets bij. De wereldkaarten, de denkmodellen, zijn zelf
object van analyse geworden zodat de verwarring niet alleen nog groter wordt,
maar ook steeds minder oplosbaar. Voor sommigen is dat niet het geval, zij
stellen vertrouwen in de doorgebroken flarden, maar raad weten zij er al
evenmin mee. Bijgevolg worden zij opnieuw religieus en zij zijn bereid de meest
malle verhalen over reincarnatie, het
voortbestaan van geesten en het uittreden daarvan, het “meesterbrein achter de
kosmos” en astrologische voorspellingen voor waar te houden. Het gaat steeds
over onbegrepen samenhangen, die dan ook nog opgeklopt worden met onbenullig
denkwerk. Toch moet erkend worden dat wij te doen hebben met een zaak die in
wezen goed is, namelijk het doorbreken van het beeld.
Het naar voren halen van het beeld
Door de tweeledige aantasting van de
filterende kaarten worden het bestaan en de werking van het bewustzijn, het
beeld, steeds sterker aangevoeld. Er is dan ook een toenemende behoefte om
daarmee vertrouwd te worden. Men wil het beeld naar voren halen, maar dat is
iets dat je wel kunt vergeten: net zomin als het gelukt het blijvend af te
schermen door de filterende wereldkaart laat het zich naar voren halen. Maar er
zijn tegenwoordig allerlei therapieën in de mode die suggereren dit wel te
kunnen. Wat er dan echter gebeurt is eigenlijk alleen maar het activeren van
het psychische en hoewel dit enigszins bevrijdend kan werken moet je toch
vaststellen dat hierdoor het beeld niet naar voren kan komen. Het psychische is
immers al gefilterd! De psyche is door je
eigen zelfbewustzijn verschrompeld. Daarom hebben die therapieën vaak zulke
gevaarlijke gevolgen. Waarom het allemaal draait is het zelfbewustzijn en
daarin speciaal het denken. Dat kan en moet wel aangepakt worden. Je moet je
eigen wereldkaart stuk denken door de tekening daarvan almaar in twijfel te
trekken. In feite loop je dan vooruit op de ontwikkeling die de mensheid in
haar geheel zal doormaken: via het vernietigen van de kaarten, het leren
begrijpen van de werkelijkheid als een netwerk van betrekkingen, het realiseren
van de werkelijkheid als totaliteit. Dan is er het geheel.
Bladwijzers: Mystiek-1
Mystiek-2 Mystiek-3 Mystiek-4 Mystiek-5 Mystiek-6
No. 47
De laatste kaart
We hebben gezien dat de werkelijkheid als
beeld voor geen enkele zelfbewuste inwerking ontvankelijk is. Het is er gewoon.
Toch gaat deze werkelijkheid op den duur weer gelden voor de mensen, doordat de
zelfbewuste, in kaart gebrachte, voorstelling niet meer in strijd zal zijn met
het beeld van de werkelijkheid. Dat wordt veroorzaakt door de steeds verder
gaande analyse. Deze levert enerzijds een steeds grotere hoeveelheid kennis op
om anderzijds de op die kennis gebaseerde kaarten (voorstellingen) eveneens te
analyseren. Het almaar meer verwarrend en onsamenhangend worden van de
wereldbeschouwingen van de mensen berust op deze ontwikkeling. Je kunt je
indenken dat de voorstellingen steeds meer vernevelen, meer ijl worden en dan
voortdurend een meer Onhoudbaar karakter krijgen; men kan er niet meer zo lang
aan vasthouden omdat het met een groter wordende frequentie verandert. Met
andere woorden: het vastgelegde karakter van de kaarten, de voorstellingen,
verdwijnt gaandeweg. Tenslotte staan alle voorstellingen van de mensen in het
teken van de veranderlijkheid, in feite dus van het in beweging zijn. Wanneer
dat eenmaal het geval is, is de weg vrij voor het doorstralen van de
werkelijkheid als beeld. Dat heeft onder andere tot gevolg dat de samenhang der
dingen, die in een vastgelegde voorstelling niet zichtbaar is, zich weer
manifesteert. Die samenhang is een wezenlijk aspect van het beeld in onszelf;
om ons heen kijkende naar de realiteit zien wij alleen maar afzonderlijke
dingen en de daarbij behorende betrekkingen, maar de beschouwing van het beeld,
d.w.z. het laten gelden van onszelf als bewustzijn, levert het herkennen van de
samenhang op. Alleen in ons bewustzijn vormen de dingen met elkaar een
samenhangend geheel. Men heeft dat vroeger heel goed aangevoeld. Oude wijzen
hebben voortdurend de aandacht op het bewustzijn gevestigd (zij noemden
het uiteraard anders!) en zij voelden aan dat er iets met je denken zou moeten
gebeuren om met je bewustzijn kennis te maken. Omdat zij er geen idee van
hadden welk proces er in het denken moest plaatsvinden adviseerden zij, in
allerlei varianten, van het denken af te komen: je moest versterven,
onthechten, je gevoelsleven ontwikkelen, het aardse vaarwel zeggen, enzovoort.
Maar met dat al bleef dat denken liggen zoals het was, zodat men op den duur
stevig vastliep met zijn programma van innerlijke groei...
Het zelfbewustzijn heeft geen schuld
Als wij constateren dat het zelfbewustzijn
er de oorzaak van is dat het zicht op het beeld vertekend is, dan mogen wij dit
niet aldus verstaan dat het zelfbewustzijn dit, om zo te zeggen, expres doet.
Integendeel: wij zijn qua zelfbewustzijn voortdurend bezig de werkelijkheid
waarheidsgetrouw te leren kennen. Iedereen zoekt waarheid, ook al viert in
bijna alle opzichten de leugen hoogtij. Als dit niet zo was zou de mensheid al
in haar begin vastgelopen zijn. De geschiedenis bewijst dat het steeds om de waarheid
gegaan is, maar die waarheid bleek onveranderlijk een leugen te zijn, juist
omdat het zelfbewustzijn zich vastlegt in een voorstelling. Dat is geen fout,
maar een onvermijdelijkheid - het zelfbewustzijn moet dat doen en het doet dat
ook op het allerlaatst als de mensen volwassen geworden zijn. Alleen is dan de
voorstelling ijl en beweeglijk, terwijl het vastleggen niet meer plaats vindt
voor een zo lang mogelijke periode (eeuwigheidswaarden, absolute normen,
onomstotelijke waarheden, enz.), maar juist voor een zo kort mogelijke (alleen
voor het moment dat je een uitspraak doet). Precies zoals de kunstenaar heel
even het beeld (= bewustzijn) vastlegt. Als filosoof leg je de zaak ook een
moment vast om dat daarna onmiddellijk weer op te heffen. Het onvolwassen
zelfbewustzijn is er dus niet op uit om de waarheid te verdoezelen, maar
juist om die boven water te krijgen. Maar telkens als er een waarheid gevonden
wordt gaat men die zaak verabsoluteren en houdt er zo lang mogelijk aan vast.
De geschiedenis echter leert dat dit steeds onmogelijk blijkt en dat de
houdbaarheid van een waarheid almaar korter en dubieuzer wordt. Dat geldt niet
alleen voor de idealen en levensovertuigingen, maar ook voor de wetenschap. Wat
wij als het gejaagde karakter van Onze tijd ervaren is het snelle onhoudbaar
worden van wetenschappelijke, technische en maatschappelijke, waarheden dat
zijn oorzaak vindt in het feit dat met onze cultuur het laatste stadium van dat
denkproces is aangebroken. Sterker nog: wij zijn eigenlijk al aangekomen bij
het moment dat wij aan het Onhoudbare een grote betekenis gaan toekennen. In de
wetenschap bijvoorbeeld zijn wij pas dan bereid iets te aanvaarden als het op
geen enkele manier te bestrijden blijkt, een houding die zich in de laatste
decennia pas echt doorgezet heeft, maar die bijvoorbeeld in de politiek en de
daarmee verbonden economie nog lang niet waar te nemen valt. Het is inderdaad
een feit dat men op deze terreinen minstens 50 jaar achter loopt, om van de
orthodoxe godsdiensten maar helemaal te zwijgen! Voor zover het iemand gelukt
om te denken en te spreken vanuit een snelle afwisseling van vastgelegde en
niet- vastgelegde waarheden en daarbij dus tegelijk een beschrijving geeft van
de werkelijkheid als beeld, is de aandacht daarvoor bij de intellectueel
ontwikkelde (= geprogrammeerde) mensen niet groot. Vooral de beschrijving
vanuit het beeld wekt hun wantrouwen op omdat de denktraditie het, beeld als
onbetrouwbaar en subjectief verwerpt: het is immers niet toegankelijk voor de
analyse! Maar tegelijk zie je, bij de minder intellectueel geconditioneerde
mensen, een stijgende interesse voor een dergelijk denken en spreken. Er
vertrouwen in hebben en zich er op toeleggen echter wordt nog nauwelijks
aangedurfd. Men voelt zich beter thuis bij de wetenschappelijke benaderingen en
ontkent de wetenschappelijke betekenis van dat andere denken.
Terug naar de organisatie
Na de uitweiding over de in kaart
gebrachte werkelijkheid zal het wat duidelijker zijn geworden dat de
gebruikelijke organisaties op vastgelegde voorstellingen berusten. Omdat dit
zelfbewuste voorstellingen zijn is het denken over organisaties een denken van
bovenaf. Men construeert een organisatie om vervolgens de functionarissen voor
te schrijven hoe er gehandeld dient te worden. Omdat een dergelijke constructie
een voor een zo lang mogelijke tijd vastgelegde waarheid is blijkt na verloop
van tijd dat het een mislukking is en ook dat blijkt steeds sneller. In feite
behelst een organisatie het maatschappelijk handelen van de mensen. Maar dat is
een handelen dat op voortdurend wisselende situaties is gericht. Zoiets is niet
van bovenaf in een model vast te leggen. Voor zover voor de mensen het begrip
organisatie geldt, is dat van kracht voor die mensen zelf en om die zaak te
laten functioneren is het nodig dat men inzicht heeft in de samenhang. Alleen
op grond daarvan kan een ieder weten wat hem te doen staat. Zo’n organisatie is
dus noodzakelijk horizontaal van karakter. De op het ogenblik nog gebruikelijke
lijnen van boven naar beneden en omgekeerd zijn dan ondenkbaar. Het daarvoor
steeds weer naar voren gebrachte argument dat er toch iemand moet zijn die het
geheel kan overzien en die op grond daarvan leiding zou moeten geven is een
onhoudbaar argument. In een levende werkelijkheid als die van de mensen is het
organisatie-zijn ingecalculeerd. Richtsnoer daarvoor is het zien van de
samenhang en niet het ondergeschikt zijn aan de een of andere leider die
eenzijdig zijn eigen (zo lang mogelijk houdbare) voorstelling van de
werkelijkheid als de maat stelt.
Bladwijzers: Mystiek-1
Mystiek-2 Mystiek-3 Mystiek-4 Mystiek-5(nrs.45t/m47) Mystiek-6
; het probleem van het Nationaal Socialisme nrs 17 t/m 21 ;
Bladwijzers: Tweede Wereldoorlog -
het begrip tweede wereldoorlog vindt u terug op pagina’s 12, 14t/m19, 20
en 21, 37,
44, 48
en 68 ; het probleem van het Nationaal Socialisme nrs 17 t/m 21 ; (Sociaal Democratie-1
;
Sociaal
Democratie-2 ; Sociaal Democratie-3 ; Sociaal Democratie-4; Sociaal Democratie-5 ) ;
Parlementaire Democratie ; ER
MOET ORDE ZIJN - pagina 48/49 ; Het fictieve
wereldbeeld-(36 t/m 41)
;
Zelforganisatie
De werkelijkheid in het algemeen en zeker
de menselijke werkelijkheid is niet geconstrueerd. Een constructie ontstaat als
je iets in elkaar zet met behulp van door analyse gevonden elementen en hun
onderlinge betrekkingen. Zo’n constructie kan wel in beweging zijn, zoals een
machine dat is, maar niet beweeglijk, in de zin van in en uit zichzelf
beweeglijk. Een constructie leeft niet. Een moderne organisatie is gedacht als
een geconstrueerde machine. Dat is iets dat wel een tijdlang kan functioneren,
maar niet blijvend: na enige tijd komt er uit dat het menselijk leven, voor
zover dat een complex van handelingen tot inhoud heeft (de maatschappij), niet
geregeld kan worden als een machine. De oorzaak hiervan is het ontbreken van de
samenhang van de totaliteit van de organisatie. Er is wel een totaal, maar geen
geheel. De mensen maken zich een eigen wereld. Als zij dat niet zouden doen
konden zij helemaal niet overleven omdat zij biologisch helemaal niet op het
leven in de natuur geprogrammeerd zijn. Zij staan immers aan het eind van het
evolutie- proces. Zodoende is de natuur wel de wereld waaruit de mensen
opkomen, zodat die natuur niet gemist zou kunnen worden en zelfs de voorwaarde
voor hun leven is. Maar tegelijk zijn de mensen aan de natuur voorbij, voor hen
is de natuur ontkend aanwezig en dat betekent dat de mensen op een andere
manier de natuur zijn. Deze situatie houdt in dat de mensen handelingen
verrichten, ten opzichte van elkaar en ten opzichte van de hen omringende
natuur. Zo bouwen zij zich een geheel eigen wereld en het is in het gehele
complex van deze activiteiten dat het begrip organisatie gevonden wordt.
Evenwel is dit begrip organisatie, het onderling regelen van het handelen van
de mensen, inhoud van het léven van de mensen en omdat dit zo is geldt het
begrip beweeglijkheid er voor. We hebben dus te doen met een beweeglijk
regelen. Dat is wat ik noem de zelforganisatie. De zelforganisatie geschiedt
niet vanuit de een of andere top waaraan de elementen ondergeschikt gemaakt
zijn, maar vanuit de elementen zelf. Het zijn de mensen zelf die zichzelf en
elkaar organiseren, d.w.z. hun handelen regelen. In een levend organisme, zoals
je lichaam, zijn het de cellen die de organisatie van dat organisme regelen en
in stand houden; er is geen commandopost van waaruit bevelen gegeven worden.
Meestal stelt men het wel zo voor, waarbij men wijst op de centrale functie van
zenuwstelsel en hersenen, maar in feite zijn ook die organen opgenomen in de
zelforganisatie van het lichaam. Slechts in volledige samenhang met de overige
cellen van het lichaam kunnen zij functioneren. Als je over bevelen wilt
spreken (beter is impulsen) moet je bedenken dat die bedoelde organen evenzeer
bevelen ontvangen als geven. Van een eenzijdige bevelsstructuur is in geen
geval sprake. De gehele werkelijkheid is trouwens door en door zelforganisatie.
Maar, dat begrip ligt voor de huidige mensen moeilijk. Zelfs wetenschappers
kunnen het vaak niet laten de organisatie van het heelal aan een goddelijke
super-intelligentie toe te schrijven. Alleen dan zou de ragfijne samenhang
tussen de verschijnselen te verklaren zijn! Een buitengewoon domme redenering
die ons er nog weer eens op attent maakt dat het ondanks alle
wetenschappelijkheid met het denken van de mensen nog droevig gesteld is. Iets
eenvoudigs als zelforganisatie te denken gaat hen blijkbaar nog ver boven de
pet!
Bladwijzers: Mystiek-1
Mystiek-2 Mystiek-3 Mystiek-4 Mystiek-5 Mystiek-6
In onze moderne wereld zijn wij qua
ontwikkeling aan het begrip organisatie toe. Vooral sinds de tweede
wereldoorlog is het denken in organisaties op de voorgrond gekomen.
Uiteraard waren er voor die tijd ook organisaties en er waren ook mensen die
zich met de problemen daarvan bezig hielden, maar dat speelde geen alles
overheersende rol in het maatschappelijk denken. Men was eigenlijk nog bezig
met het verzamelen, het bijeengaren van elementen voor de organisatie: het
vormen van grote concerns, het veroveren van gebieden en markten en het
uitbreiden van de staatsapparaten. Het grootschalige maatschappelijke denken
vierde hoogtij. Thans echter is men die grote totaliteiten
aan het organiseren, maar daarbij is van enig begrip voor zelforganisatie nog
geen sprake. Men regelt de zaak vanuit een bepaald model, vanuit de in kaart
gebrachte werkelijkheid, op grond van de analyse. Daarbij wordt zowel van
bovenaf gedacht (het opzetten van een model) als van bovenaf geregeld (het
functioneren van de macht). Bij dat van bovenaf regelen doet men aan de
zogenaamde spreiding van macht en men suggereert daarmee dat het niet meer om
de macht zou gaan omdat men bereid zou zijn die eerlijk te verdelen. Niets is
echter minder waar: het geven van macht aan lagere niveaus doet de macht van de
top niet verminderen maar eerder uitbreiden. De top blijft de dienst uitmaken
over de organisatie. Het van bovenaf denken leidt er toe dat de mensen zich
moeten onderwerpen aan de organisatie en zijn regels. Er moet orde zijn en de voorschriften
moeten opgevolgd worden; er is een heel systeem van plichten. De moderne staten, die
allemaal een socialistische inslag hebben en dus eigenlijk sociaal
democratieën zijn (ook als zij door confessionelen of liberalen bestuurd
worden), ontleenden voor de oorlog hun kracht aan hun potentieel van geweldsmiddelen: leger, vloot en politie.
Maar na de oorlog ontleenden zij steeds meer hun kracht aan de omvang van hun
organisatie qua staat. Overal waar zogenaamde socialisten een vinger in de pap
kregen werd de oorspronkelijke bedoeling, namelijk om via het veroveren van de
staatsmacht een begin te maken met het afsterven van de staat, snel terzijde
geschoven om plaats te maken voor het vergroten van het staatsapparaat. In
wezen is dit het ombouwen van de staat tot één grote organisatie waaraan
iedereen ondergeschikt heeft te zijn en waarin iedereen geacht wordt opgenomen
te zijn. Staatsverzorging van de wieg tot het graf. In bijvoorbeeld
anarchistische kringen wordt het begrip zelforganisatie wel gebruikt en dat is
ook het geval bij de mensen van de New Wave Movement,
maar men weet er nauwelijks raad mee. De laatsten zitten te rommelen met mystieke krachten, terwijl de eersten
niet verder komen dan theorieën over het verstrekken van bevoegdheden aan
bepaalde mensen onder bepaalde omstandigheden. Verstrekkingen van onderaf, dat
is waar, maar die zijn wel naar boven toe. Resultaat: alweer een top! Hoewel de
moderne organisatie op geen enkele manier een eind maakt aan de
machtsstructuren van onze maatschappij, is er toch van te zeggen dat er een
aantal verschuivingen in de goede richting plaatsgevonden heeft. Ten eerste
natuurlijk het organisatie- denken zelf dat toch de mensen van slaven tot
medewerkers gepromoveerd heeft; ten tweede de verschuiving van macht over de
persoon naar macht over diens maatschappelijk handelen; ten derde de
betrekkelijke veiligheid die de medewerkers geboden wordt in de vorm van
allerlei sociale voorzieningen; ten vierde het afwijzen van het brute geweld,
zowel in de vorm van staatsterreur als in de vorm van oorlogen; ten vijfde het
gelden van rechtsregels zonder aanzien des persoons, enzovoort. Het feit dat er
van al deze dingen in de praktijk niet zoveel terecht blijkt te komen (door het
handhaven van het machtsdenken) mag ons er niet blind voor maken dat de
genoemde zaken toch eindelijk in het denken van de mensen zijn komen te
liggen...
Naar bladwijzers: Rechten en Plichten-1 Rechten en Plichten-2 Rechten en Plichten-3 Rechten en Plichten-4 ; (Sociaal Democratie-1
;
Sociaal
Democratie-2 ; Sociaal Democratie-3 ; Sociaal Democratie-4; Sociaal Democratie-5 ) ;
Parlementaire Democratie ; Mystiek-1 Mystiek-2 Mystiek-3 Mystiek-4 Mystiek-5 Mystiek-6
;
Tweede Wereldoorlog
- het begrip tweede wereldoorlog vindt u terug op pagina’s 12, 14t/m19, 20
en 21, 37,
44, 48 en 68 ;
Bladwijzers: Anarchie-1 ; Anarchie-2 ; Leiderschap-1 ; Leiderschap-2
Leven en zelforganisatie
Het zichzelf organiseren behoort tot de
inhoud van het leven. Het is iets dat zich binnen het samengestelde organisme
afspeelt. Omdat de inhoud niet van het geheel te scheiden is, is ook de
zelforganisatie geen op zichzelf staande zaak, die eventueel achterwege zou
kunnen blijven. De zelforganisatie van je lichaam kan niet los gedacht worden
van dat lichaam en dus ook niet van je leven. En ook de dingen die je dagelijks
moet of wilt doen vallen niet buiten het leven, d.w.z. je doet ze als
vanzelfsprekend. Als je trek hebt in thee ga je thee zetten en dat kan je niet
zonder bijvoorbeeld de waterketel te vullen of het gas aan te steken. Tot die
handelingen behoef je jezelf niet te dwingen als je eenmaal besloten hebt thee
te gaan zetten. Het organiseren van het thee zetten gaat vanzelf, het is een
vanzelfsprekende cyclus van handelingen. De mensen, voor zover zij
maatschappelijk zijn en dus bezig zijn met een aantal handelingen ten opzichte
van elkaar, doen die handelingen als vanzelfsprekend. Zij stellen zich bij die
handelingen op elkaar in, niet omdat zij zichzelf en elkaar gedwongen hebben
dat te doen, maar omdat voor hen het begrip zelforganisatie geldt. Dit
realiseert zich van binnen uit omdat het gaat over de inhoud van het leven. Een
bestuur van buitenaf is hierbij niet nodig, evenmin als een hoger leiderschap,
omdat het zinvol zijn van de ten opzichte van elkaar verrichte handelingen
blijkt uit het resultaat ervan: de kwaliteit van het leven. Er is niet van
tevoren te zeggen hoe onder bepaalde omstandigheden de mensen de zaken aan
zullen pakken, maar zeker is dat het bij de zelforganisatie steeds om de
samenhang gaat. Om die samenhang te realiseren moet men uiteraard alle
menselijke vermogens inschakelen en er is wat dit betreft niets menselijks
denkbaar dat niet op de een of andere manier nuttig zou zijn. En hogere of
lagere waardering van de handelingen (de arbeid) is al helemaal onmogelijk,
juist omdat in de samenhang geen enkele handeling, kennis van zaken of
denkbeeld gemist kan worden. Juist het vanzelfsprekende karakter van de
zelforganisatie is voor de huidige mensen niet of nauwelijks te bevatten.
Vanuit hun denkcultuur moet er een besturende kracht van buitenaf aanwezig
zijn: het heelal moet door een hogere intelligentie bestuurd worden, het leven
moet door de geest geleid worden, een organisatie moet door een leidinggevende
top draaiende gehouden worden. Als dat niet het geval zou zijn, dan zou er een
chaos ontstaan; in maatschappelijk verband spreekt men dan graag van anarchie.
Maar al die meningen steunen op een denken zonder samenhang, een
wereldbeschouwing waarin alle dingen als aparte onderdelen van een soort grote
machine worden gezien. Het is mechanistisch denken...
De onvolwassen organisatie is geen inhoud
van het leven. Eigenlijk is het precies andersom: het leven is ondergeschikt
aan en afhankelijk van de organisatie. Deze is het die bepalend is voor de
kwaliteit van het leven: de economie bepaalt wat de welstand van de mensen zijn
zal en bepaalt ook hoeveel tijd (vrije tijd) de mensen aan hun
leven mogen besteden. Maatschappelijk worden de mensen gedwongen zich in de
economische organisaties in te passen zonder dat zij zelf mogen en kunnen
uitmaken hoe hun handelingen ten opzichte van elkaar gecoördineerd moeten
worden. De mensen zijn onderworpen aan de onvolwassen organisatie; hun
gehele leven wordt er door bepaald en dat gaat zo ver dat zelfs het
spraakgebruik er aan ontleend is: werkeloos zijn, arbeidsongeschikt zijn,
uitkeringstrekker zijn, enzovoort. Als je er op gaat letten zal, vaak tot je
verbazing, blijken hoeveel uitdrukkingen op die onderworpenheid wijzen.
Doel en doelstelling
Het bestaan van het heelal, inclusief de
mens, heeft geen enkel doel en dat wil zeggen dat de zaak nergens toe dient.
Zou dat wel het geval zijn, de verschijnselenwereld zou afhankelijk zijn van
een doelstelling. Dat ligt wel in het straatje van de godsdienstige mensen, die
menen dat het heelal er zou zijn tot meerdere glorie van god en dat zeker de
mensen voor dat doel geschapen zouden zijn. Men staat er gewoonlijk niet bij
stil, maar juist de gedachte dat de wereld geschapen zou zijn betekent dat er ook
een bedoeling achter zou steken. Zoiets is evenwel niet denkbaar. Wel denkbaar
is de doelloosheid van alles en dus ook van het leven van de mensen. Het leven
is er gewoon. Als je al van een doel wilt spreken zou je kunnen zeggen:
het leven vindt haar doel in zichzelf. Als het leven doelloos is en er dus niet
is ter wille van iets anders, geldt dat ook voor de inhoud daarvan, de
zelforganisatie. Ook die is er gewoon zomaar! Hij is er zelfs niet om het leven
in stand te houden en dat blijkt uit het feit dat deze opgave in laatste
instantie niet gelukt: het leven is niet in stand te houden. Zou dat toch het
doel van de zelforganisatie zijn, dan zouden we moeten spreken van een
tegenstrijdigheid: de werkelijkheid ontwikkelt in zichzelf een systeem dat tot
mislukken gedoemd is. Dat evenwel is onmogelijk. De zelforganisatie is alleen
maar te begrijpen als je de zaak samen denkt met het leven. Waar leven is is organisatie en waar organisatie is is
leven... Let wel op: ik spreek nu over de zelforganisatie als verschijnsel in
de werkelijkheid. Binnen die zelforganisatie stellen de mensen natuurlijk wel
doelen: een bepaalde brug bouwen, brood bakken, enzovoort. Maar omdat het dus
eigenlijk nergens om gaat wordt die brug gebouwd, dat brood gebakken, omdat dit
nodig blijkt. Met andere woorden: het gaat dan om die brug en om dat brood en
niet om wat anders. Binnen het kader van een onvolwassen organisatie (=
de huidige) gaat het onvermijdelijk wel om iets anders: de brug is eigenlijk
niet belangrijk, maar het belang van een aantal mensen; het brood wordt niet om
zichzelf gebakken, maar om er rijk van te worden. Dat geldt voor alles wat wij
in onze onvolwassen wereld ondernemen. Steeds ligt er een bedoeling, een
doel, achter de organisatie. Hij dient ergens voor en dat doel valt niet samen
met het product van zo’n organisatie. Het gaat niet om het brood maar om de
winst en dus de macht... De doelstellingen, die behoren bij onvolwassen
organisaties, zijn uiteraard allemaal ficties, enerzijds omdat er geen doel
te stellen valt, anderzijds omdat het zogenaamde doel niet het werkelijke doel
is. Het mag dan ook geen wonder heten dat al die organisaties het leven van de
mensen niet verbeterd hebben In tegendeel: de levensmogelijkheden zijn er
relatief op achteruit gegaan. In verhouding tot onze moderne wetenschappelijke
en technische mogelijkheden is de realiteit armzaliger geworden. De mensheid
profiteert veel minder dan vroeger van de verworvenheden van de cultuur.
Bijvoorbeeld: de verhouding tussen de honger op de wereld en het aanwezige
voedsel ligt veel ongunstiger. Er is verschrikkelijk veel honger en tegelijk
veel voedsel. Die honger is dus niet nodig, maar vroeger was er vaak niet aan
te ontkomen door een veel lagere productie. Dus: ondanks de grotere welstand in
de westerse wereld is die van de mensheid ver achter gebleven bij de
mogelijkheden. De maatschappelijke doelstellingen houden de maatschappij als
zodanig af van zijn werkelijke mogelijkheden en functie. Zij worden voorgesteld
als bevorderend van het welzijn van de mensen, maar in feite is dit welzijn van
secundair belang. Voor zover daarvan toch nog iets terechtkomt is dit te danken
aan het rechtvaardigheidsgevoel van de gewone mensen, die steeds weer opnieuw
hun aandeel opeisen, al of niet voorzien van even fictieve maatschappelijke
doelstellingen.
Bladwijzers: Anarchie-1 ; Anarchie-2 ; Leiderschap-1 ; Leiderschap-2 ; ER MOET ORDE ZIJN - pagina 48/49
; Het fictieve wereldbeeld-(36 t/m 41) ;
Bladwijzers: (Sociaal Democratie-1
;
Sociaal Democratie-2
;
Sociaal
Democratie-3 ; Sociaal Democratie-4; Sociaal Democratie-5 ) ;
Parlementaire Democratie ;
Het verzwegen doel
De begrippen doel en doelstelling moeten
nader toegelicht worden, omdat ik die min of meer door elkaar heen gebruikt
heb. De betekenis van beide begrippen kan aan het volgende duidelijk worden:
een volwassen organisatie, een zelforganisatie, heeft geen doel omdat het leven
geen doel heeft. Zo’n organisatie is er gewoon. Maar binnen die zelforganisatie
worden door de mensen wel doelen gesteld, zoals het bakken van brood en
dergelijke. De organisatie zelf echter gaat niet in dat doel op omdat er nu
eenmaal geen doel is. Zo kan je dus zeggen dat het bakken van brood een doel in
zichzelf is. Als je het zo bekijkt ligt het in de logica dat er dan ook
inderdaad brood gebakken wordt, kwalitatief zo goed mogelijk en in de benodigde
hoeveelheden. De onvolwassen organisatie, die dus waaraan de mensen
onderworpen zijn, heeft wel een doel. Dat doel valt niet samen met de
doelstelling; het zijn geheel verschillende zaken. Het doel van zo’n
organisatie is het maken van winst, dus het zich verrijken van een aantal
mensen. De doelstelling is niet het bakken van brood, maar het bakken en
verkopen van ZOVEEL MOGELIJK brood. Dat is de doelstelling die gehaald moet
worden. In deze situatie is het brood een bijkomende zaak. Men probeert het dan
ook zo te regelen dat het brood van een nog net aanvaardbare kwaliteit is (het
moet te verkopen zijn!), maar toch zo weinig mogelijk gekost heeft en zoveel
mogelijk oplevert. Dit alles uiteraard in samenspel met het zogenaamde
marktmechanisme. De grens van de kwaliteitseisen wordt dus niet benaderd naar
boven toe, dit is zo goed mogelijk, maar naar beneden toe en dat betekent: maar
net voldoen aan de eisen. Dat geldt voor alles wat wij vanuit de onvolwassen
organisatie-idee ondernemen, steeds gaat het om iets anders dan datgene dat
gezegd wordt het doel te zijn. Logisch gevolg is dat alle producten ver beneden
de mogelijke kwaliteit blijven, dat zij veel te duur worden en dat een heleboel
menselijke energie in de vorm van geld wegvloeit naar enkele mensen, die bij
een redelijke maatschappij geen enkel belang hebben.
Het zoveel mogelijk
Uit het bovenstaande blijkt dat de onvolwassen
organisatie er een is waarvoor het zoveel mogelijk geldt. Is het een
productieorganisatie dan schrikt men er niet voor terug om behoeften te kweken
bij de mensen, nieuwe markten aan te boren en de prijzen, door afspraken met
andere producenten, zo hoog mogelijk op te drijven. De vraag naar wat er in een
samenleving nodig is wordt niet gesteld. Men probeert zelf te bepalen wat er
nodig is door met behulp van allerlei reclamemanipulaties de consumenten de
idee te geven dat hun leven niet volwaardig is als zij de betreffende producten
niet kopen. Doordat men zelf de vraag bepaalt zijn er steeds overschotten; er
wordt onvermijdelijk almaar TEVEEL geproduceerd. Dat teveel echter gaat niet
naar de veel te velen die arm zijn, het wordt vernietigd omdat de consumenten
bereid moeten blijven zo hoog mogelijke prijzen te betalen. De zelforganisatie,
met in zichzelf de doelstelling om een bepaald product te maken, richt zich
daarentegen op datgene dat NODIG is - niet meer dan dat en, als het even kan,
ook niet minder. Het kunstmatig opvoeren van de behoeften van de consumenten
zou dan buitengewoon dom zijn, men berokkent hiermede schade aan zichzelf:
teveel arbeid, onnodig gebruik van grondstoffen en productie- middelen. De
kunst is het om binnen de zelforganisatie precies de juiste doelen te stellen,
maar gelukkig worden die doelen bepaald door de samenhang van de mensen
onderling.
Bladwijzers: verzorgingsstaat-1 ; verzorgingsstaat-2
Je kunt constateren dat de ontwikkeling
van de West-Europese cultuur met zich mee heeft gebracht dat gaandeweg vrijwel
alle vormen van zelforganisatie, die om te beginnen in de maatschappij aanwezig
waren, zijn verdrongen door organisatorische lichamen die de taken hebben
overgenomen - zogenaamd voor het gemak van de mensen, voor het scheppen van
orde en voor het drukken van de prijzen. Een frappant maar weinig bekend
voorbeeld vormt de huizenbouw. Nog niet zo erg lang geleden bouwden de mensen
zelf hun huizen en zij maakten zelf uit aan welke eisen zo’n huis moest
voldoen. Maar thans is de gehele huizenbouw in handen van grote ondernemingen,
in samenwerking met de staat, en de mensen worden in grote complexen
weggefrommeld. Is een huis nu goedkoper geworden? Neen het is volkomen
onbetaalbaar. Reden : de loodzware top van die ondernemingen en de winsten van
de financiers. Die winsten zijn intussen zo hoog geworden dat men de huurders
een subsidie moet geven. Zo vloeit gemeenschapsgeld in de beurzen van ondernemers
en financiers! Aanvankelijk had ook in Europa de zelforganisatie de overhand.
Thans heeft de staat het zo geregeld dat er vrijwel niets meer zelf
georganiseerd kan worden. Alles is Of aan vergunningen en reglementen gebonden
Of volledig in staatshanden. Het argument daarvoor is het zogenaamde scheppen
van orde. Welke orde? Die van de alles overheersende organisatie die de staat
is! Volgens sommigen was er vroeger geen orde, ieder deed maar wat hem goed
dacht. Maar zij vergeten dat hun begrip van orde pas in de 19e eeuw ontstond,
gelijk met de grootschalige organisaties. Het vroegere begrip orde werd veel
meer vanuit het leven en haar behoeften gedacht. De markt bijvoorbeeld was een
trefpunt voor ruilhandel en niet een op winst gericht afzetgebied. Zo’n markt
was dan ook een treffend voorbeeld van zelforganisatie. Met het opkomen van de sociaal
democratie (= naar macht vertaald socialisme) ontstaat ook de
organisatiegedachte. De mensheid moest georganiseerd worden en dat bleek te
zijn de organisatie van de staat. Deze staat heeft alle touwtjes in handen en
dat geldt zowel voor de zogenaamde kapitalistische staat als voor de
marxistische. Wij zijn allemaal staat geworden: onze salarissen worden door de
overheid bepaald, hij bepaalt wanneer en op welk moment wij ziek zijn, naar
school moeten, kinderen mogen krijgen of niet, mogen sterven of niet, onze
mening mogen geven, enzovoort. De staatsorganisatie is doorgedrongen tot in de
slaapkamers van de mensen en elk initiatief is strafbaar gesteld: wat proberen
te verdienen mag niet, gezamenlijk eten om de armoede te
verlichten is strafbaar. Men pleegt dan FRAUDE en er worden rechercheurs
opgeleid om de mensen op heterdaad te kunnen betrappen, waarbij men zich niet
geneert om het recht te verkrachten door de bewijslast om te keren! Alles wordt
door de staatsorganisatie overheerst en elke zelforganisatie is onmogelijk
gemaakt. Zozeer is de organisatiegedachte in de cultuur doorgedrongen dat de
mensen zelf zijn gaan vinden dat de staat alles maar moet regelen: de zogenaamde
verzorgingsstaat -
die overigens beter voor zichzelf zorgt als staatsapparaat dan voor de mensen.
Het terugdringen van de zelforganisatie is in de eerste plaats voordelig voor
het bedrijfsleven en voor de staat. Dat bedrijfsleven heeft meer voordeel
gehaald uit onze sociale voorzieningen dan de mensen voor wie ze zogenaamd
ontworpen zijn. De bedrijfsrisico’s zijn door allerlei faciliteiten vrijwel tot
niets teruggebracht: de grote bedrijven betalen in feite geen cent belasting en
verdienen zelfs op de steunregelingen. Dat is niet verwonderlijk omdat zij als
machtige organisaties met de organisatie van de staat overeenkomsten kunnen
sluiten. Denk aan het herenakkoord inzake de winsten op ons aardgas. De
georganiseerde staat is het meest verstikkende maatschappelijke instituut dat
denkbaar is.
Bladwijzers: (Sociaal Democratie-1
;
Sociaal
Democratie-2 ; Sociaal Democratie-3 ; Sociaal Democratie-4; Sociaal Democratie-5 ) ;
Parlementaire Democratie ; verzorgingsstaat-1 ; verzorgingsstaat-2
Bladwijzers: Het Russische volk o.a pag.
56 t/m 58 ; Ideologie-Slavische
ideologie o.a. pag. 51 en 52 ;
De piramidale organisatie
De moderne organisaties hebben over de
gehele wereld een piramidaal karakter, d.w.z. zij bezitten een brede basis en
een enkelvoudige top, waarbij de verhouding zo ligt dat de top de dienst
uitmaakt. De besluiten worden van boven naar beneden genomen terwijl de
informatiestromen in beide richtingen gaan. Die informatiestromen zijn niet
vrij: van boven naar beneden hebben zij een beschermd karakter (slechts het
noodzakelijke wordt doorgegeven en inzicht in het doen en laten van de
organisatietop wordt onmogelijk gemaakt), en van beneden naar boven een
gefilterd karakter (op weg naar boven wordt steeds meer als niet relevant beschouwd).
Aan de basis heb je dus te maken met onsamenhangende opdrachten en informatie,
terwijl je berichten naar boven vroeg of laat doodlopen. Hoe strenger, hoe
bureaucratischer de organisatie hoe duidelijker deze klachten van de basis naar
voren komen.
De individu in oost en west
Het grondprincipe van de moderne
organisatie is, zoals al duidelijk gemaakt, dat het handelen van de mensen
gecoördineerd wordt. De individu wordt hierbij vrijgelaten, althans voor zover
hij buiten het systeem van op elkaar betrokken handelen valt. Met rust wordt
dus gelaten die mens, die je de vrijetijdsmens zou kunnen noemen. Voor zover
hij echter in de organisatie functioneert wordt hij helemaal niet met rust
gelaten, maar gewoonlijk merkt hij daarvan niet zoveel omdat hij vrijwel geheel
op het functioneren in de organisatie geprogrammeerd is. Hij denkt dat hij
zelfstandig, volgens eigen normen van redelijkheid, zijn eigen beslissingen
neemt en dat hij zich door niemand laat bevelen. Dat is inderdaad het geval,
maar het beroerde is dat de bevelen hem al in zijn kindertijd ingeprent zijn.
Hij heeft ze al op voorhand gekregen en ze behoeven later niet herhaald te
worden. In de westerse cultuur is de bovenstaande situatie in principe
gerealiseerd. We hebben al gezien dat ook de staat zich in een vergevorderd stadium
van organisatie bevindt. Gezien vanuit datgene dat voor de mensen op den duur
mogelijk is, kunnen wij vaststellen dat zij in een zeer onvrije wereld
terechtgekomen zijn. Bovendien een wereld waarin de schijn hoogtij viert,
waarin alles anders lijkt dan het is zonder dat dit veel kans heeft om aan de
mensen op te vallen. Het valt alleen maar op als je de drang hebt om zelf over
je leven en de wereld na te denken, een denken dat begint met en gegrond blijft
in een voortdurend in twijfel trekken van alles wat in eerste instantie zo
vanzelfsprekend lijkt. Maar een goede kant van deze zelfde zaak is gelegen in
het feit dat de individu en het individuele naar voren zijn gekomen en dat men
vindt dat die beschermd moeten worden. Het mag dan een beklemde individualiteit
zijn, hij is er tenminste en hij kan gelden. De situatie in de Oostbloklanden
is enigszins anders. Maar het is van belang goed in de gaten te houden dat het
organisatie-denken op zichzelf niet verschilt van dat in het Westen. Vooral
westerse politici willen ons nogal eens doen geloven dat er in het Oostblok een
geheel andere organisatie zou zijn, in die zin dat de staat alles regelt en
alles voor het zeggen heeft, maar deze beweringen zijn onjuist. De westerse
staat verschilt niet wezenlijk van de Oostblok staat: zowel in oost als in west
heeft de staat alles voor het zeggen, omdat hij alles in zijn organisatie
opslokt, en in beide cultuursferen hangt de politiek innig samen met de
economie en de organisatie. De uit deze drieslag voortkomende standpunten,
belangen en gedragingen vertonen in oost en west geen verschillen. Toch is er
een wezenlijk verschil, maar dat betreft niet het denken over organisaties als
zodanig. Het verschil is gelegen in de kijk die men heeft op de mens als
individu.
Men probeert in
het Oostblok niet alleen, net als in het Westen, het handelen van de mensen te
coördineren, maar de gehele individu. Men staat dus zelfs niet toe dat een mens
ook nog een vrijetijdsmens is, d.w.z. men geeft die mens uiteraard wel vrije
tijd in concreto, maar hij mag zich niet
manifesteren als een vrij individu. Ook dat aspect van het menszijn wil men in
de organisatie opnemen en beheersen. Buiten het gecoördineerd maatschappelijke
regelt men ook de ontspanning van de mensen in collectief beoefende sporten en
hobby’s en men is er op uit ook het denken in te perken binnen vanuit de top
vastgestelde kaders. Je mag niet denken wat je wil, althans niet denken buiten
de officiële kaders. Dit zijn wij in de geschiedenis van West-Europa ook
tegengekomen, namelijk in de tijd dat de Roomse kerk de feitelijke macht in
handen had. Er werd macht uitgeoefend over de gehele persoon en dat hield
natuurlijk ook in dat er lijfelijk geweld werd toegepast. In het Oostblok
treffen we precies dezelfde situatie aan: andersdenkenden worden geïnterneerd
op grond van ondermijnende activiteiten en een dergelijk optreden wordt zelfs
door de wet gedekt. Er is een uitgebreide praktijk van elkaar bespioneren en
het doen van aangiften. Zelfs afwijkende gedragingen worden nauwlettend
gadegeslagen en beroddeld. Kortom: een uitgesproken
benauwde, burgermansmentaliteit. De vergelijking met
de tijd van de Roomse overheersing is niet ongegrond. Je hebt namelijk in beide
gevallen te doen met een maatgevende ideologie die onvermijdelijk de gehele
individu onderdrukt. Dat behoort bij een ideologie. Maar bovendien behoort
erbij dat men er naar streeft om letterlijk alles wat er is - en dus zeker de
mensen - in één gesloten en in zichzelf eenvormig geheel onder te brengen. In
de Roomse kerk was dat streven er vanuit het denken van de Oudheid en in het
Oostblok is het er vanuit de communistische wezensgesteldheid van de
(voornamelijk) Slavische
mensen. Op grond van dit laatste is er van het oosten op de lange duur
wel iets te verwachten, maar dat komt een andere keer ter sprake. Voorlopig
kunnen wij stellen dat de westerse situatie, met betrekking tot de mens als
individu, de meest ontwikkelde is. Maar toegegeven moet ook worden dat de
Oostblokopvatting een groot aantal westerse misstanden onmogelijk maakt.
Het mechanistische denken
In het organisatie-denken worden de
elementen van die organisatie, de mensen dus, beschouwd als raderen in een
machine. De belangrijkste kwaliteit van die raderen moet zijn dat zij in elkaar
grijpen en dat dit van buiten en boven af bestuurd kan worden. Bij een machine
is dat niet anders denkbaar, maar bij mensen natuurlijk wel: zij kunnen het in
elkaar grijpen ook zelf regelen, in samenhang met de realiteit die zij om zich
heen aantreffen. Dat is de zelforganisatie en bezien in dat licht is de mens
helemaal geen machine. Dit betekent ook dat er wat betreft een toekomstige zelf
organiserende mensheid niets te voorspellen valt. Je kunt slechts enkele
kenmerken noemen: 1) alles draait om de samenhang, 2) iedereen kan zich
vrijelijk ontplooien, 3) er is een optimale kwaliteit van de maatschappij, 4)
er gelden geen waarderings-verschillen (wie is
belangrijker, de vuilnisman of de wiskundige), 5) de organisatie is inhoud van
het leven en niet andersom, 6) er is geen bedoeling, 7) de doelstellingen zijn
incidenteel en gericht op kwaliteit, 8) er wordt geproduceerd wat nodig is en
niet wat winst oplevert, 9) de goederen staan ter beschikking van een ieder die
ze nodig heeft. En zo zijn er nog wel meer dingen te bedenken, maar te
voorspellen is er niets.
Over de ideologie
Onder een ideologie versta ik: een
overheersend cultuurdenkbeeld dat gebaseerd is op de voorstelling hoe de
werkelijkheid zou moeten zijn. Je kunt beter niet zeggen zou kunnen zijn, want
er kan in het gangbare denken van de mensen zoveel, zonder dat dit noodzakelijk
als een zaak gezien wordt, die afgedwongen zou moeten worden. Het moeten drukt
uit dat men het cultuurdenkbeeld dwingend als de maat stelt. Uiteraard is dat
een cultuurdenkbeeld van mensen die macht zoeken. Het kan dan ook niet
uitblijven dat andersdenkenden veroordeeld worden als domkoppen, onwilligen en misdadigers - in die volgorde. Een ideologie
betrekt zich op heel de werkelijkheid. Alles is er in betrokken en wordt
gedwongen zich ernaar te voegen. Maar bovendien richt zich de ideologie op de
werkelijkheid als geheel, dat als de hoogste, boven alles en iedereen
uitstijgende, realiteit wordt gesteld. Die hoogste realiteit is de absolute
waarde van waaruit het uitoefenen van macht wordt gelegitimeerd en die macht
drukt op de gehele mens omdat er niets is dat er buiten kan vallen. Aan de voet
van elke ideologie ligt een ideaal en zo’n ideaal is op zijn beurt weer gegrond
op een gedachte, een theorie. Het ideaal en zijn grondslag, de theorie, zijn
persoonlijk: een bepaald iemand heeft een ideaal en er zijn nog meer bepaalde
personen die ook dat ideaal hebben. Maar het ideaal wordt tot een ideologie als
men de conclusie getrokken heeft dat alle mensen er aan moeten voldoen omdat
het ideaal zou samenvallen met de werkelijkheid als geheel. Bij de ideologie
gaat het dus om de massa, bij idealen om personen. Het Marxisme bijvoorbeeld
was bij Marx geen ideologie, maar een theorie met het daaruit voortkomende
ideaal. Pas zijn volgelingen waren het die met dat ideaal gingen werken.
Daarbij tekenden zich al spoedig twee stromingen af, bij de éne stroming kwam
de nadruk te liggen op het organisatorische en bij de andere op het
ideologische. Vooral in de westelijke Europese landen zette de organisatorische
door, al spoedig uitlopend in het democratisch socialisme. Het ideologische
bleef beperkt tot enkelingen, zoals Karl Liebknecht
en Rosa Luxemburg, socialisten die eigenlijk meer Oost-Europese trekken
vertoonden. Daartoe kan je ook Lenin rekenen. De controverse tussen Karl Marx
en Michael Bakoenin ging echter over de macht en was
dus een andere kwestie, hoewel je ook hierin aspecten van het organisatie
probleem kunt herkennen. Het anarchisme legt namelijk de nadruk op de
zelforganisatie en wijst zowel de organisatie van de staat als de onderwerping
aan een ideologie af.
Staatsorganisatie
Het organisatie-denken heeft niets met een
ideologie te maken, maar met een denkmodel. Weliswaar moet alles aan dat model
aangepast worden, maar dat gebeurt niet vanuit het geheel, en dus niet vanuit
een absolute hogere waarde, maar vanuit het onderzoek en de kennis van de
betrekkingen tussen de mensen. Het is dus zelfs wel een wetenschappelijke zaak,
die op grond van zijn analytische karakter niets met het geheel te maken heeft.
Er wordt wel iets hogers gesteld, maar dat is het denkmodel dat maatgevend is.
Dat is evenwel geen absolute hogere werkelijkheid die boven alles en iedereen
uitstijgt. Voor een ideologie en voor het willen beheersen van de gehele mens
is er dan ook geen plaats. Dat geldt natuurlijk niet alleen voor de
staatsorganisatie, het geldt voor het gehele systeem van maatschappelijke
structuren. Daarin komen wel idealen voor en uiteraard zijn er ook ideologisch
ingestelde mensen, maar deze laatsten vertonen doorgaans restanten van een oude
westerse ideologie, namelijk die van de godsdiensten.
Ideologie als godsdienst
In de westerse godsdiensten wordt een
absolute hogere werkelijkheid voorgesteld. Er is dus alle ruimte voor een
ideologie. Maar, die hogere werkelijkheid berust eigenlijk op een herinnering,
namelijk die van de oudheid, die door de godsdienst levend is gehouden, zij het
dan in de vorm van een concreet bestaande plaats, ergens in het heelal. Die
herinnering kalft langzaam af en we kunnen tegenwoordig zelfs wel zeggen dat er
niets meer van over is. Maar de voorstelling en de daaraan meekomende
denkbeelden worden halsstarrig gehandhaafd in de poging de oude ideologie in
stand te houden ter wille van de macht. Die poging is echter al bij voorbaat
mislukt.
De
Slavische ideologie
De mensen die in Rusland in 1917 de
revolutie doorgezet hebben waren de ideologische richting van het socialisme
toegedaan. Dat gold natuurlijk in de eerste plaats voor Lenin, maar ook voor de
andere Russen. Zij zouden echter nooit een kans gekregen hebben als er in de Slavische mensen niet een intuïtief besef van een absolute werkelijkheid aanwezig was geweest. Dat besef
berust, in tegenstelling tot West-Europa, niet op een herinnering, máár op een vermoeden.
Het vermoeden namelijk dat de werkelijkheid inderdaad één geheel is. Je kunt
dus zeggen dat het een vermoeden van de toekomst is. Op grond van dit vermoeden
fungeert dat geheel als een absolute hogere waarde en dus is het argument
genoeg voor het legitimeren van macht. Het behoeft dan ook niet te verwonderen
dat de Russische mensen aanvankelijk de partij en zijn leiders als een heilige
zaak beschouwden. Dat was vooral ten aanzien van Stalin het geval. Deze werd,
ondanks zijn gruwelijke tirannie, net zo vereerd als voordien de Tsaar. Dat men
de tirannie accepteerde is te begrijpen als je bedenkt dat dit onvermijdelijk
meekomt aan de ideologie: de gehele mens moet er voor buigen omdat het zowel
over de totale werkelijkheid gaat als over de werkelijkheid als het geheel.
Gevoeligheid voor een ideologie houdt automatisch tolerantie ten aanzien van
tirannie in, zowel bij de machthebbers als bij de onderdrukten. We hebben dat
vroeger in West-Europa gezien en we zien het in het Oostblok. De tirannie wordt
uiteraard niet toegejuicht en ook is er kritiek op, maar toch blijft hij
mogelijk als een onderdeel van het bestel. Omdat de Leninistische ideologie
gegrond is op het socialisme ontbreekt de organisatiegedachte niet. Het
onderling handelen van de mensen wordt dus wel degelijk georganiseerd, al ligt
het niet op de voorgrond. Zo’n organisatie is betrekkelijk willekeurig, juist
omdat de absolute macht voorop staat, de macht vanuit de ideologie. Erg goed
functioneert die organisatie dan ook niet. Er is veel machtsmisbruik, weinig
interesse en weinig inzet. De glorie van de partij gaat boven het functioneren.
In het Roomse Europa was er in principe helemaal geen belangstelling voor het
handelen van de mensen, behalve als het ging om het naleven van de
godsdienstige voorschriften, zoals de biecht en het betalen van allerlei
kerkelijke belastingen. Hoe de maatschappij verder functioneerde was niet de
zorg van Rome en het duurde tot de Franse Revolutie tot hierin enige
verandering kwam. Als er van het maatschappelijk gedoe van de mensen te plukken
viel was het goed. Het was zelfs niet van belang dat door dat uitplunderen hele
takken van nijverheid ten gronde werden gericht. De situatie in het Oostblok is
dus in zoverre anders dat het functioneren van de maatschappij wel van belang
is, maar dat belang wordt overstegen door het belang van de heilige partij en
de daarbij behorende autoritaire machthebbers.
Bladwijzers: Het Russische volk o.a pag. 56 t/m 58 ; Ideologie-Slavische ideologie o.a. pag. 51 en
52 ;
No.
53
Bladwijzers: (Liberalisme-1 Liberalisme-2 liberalisme-3) Betere Wereld-1 ; Betere
Wereld-2
Proletariërs, verenigt u
Het socialisme was voor Karl Marx (1818 -
1883) geen ideologie, maar een theorie, die voortgekomen was uit de analyse van
vooral de economische situatie van zijn tijd. Met behulp van die theorie zou
het mogelijk zijn de maatschappelijke werkelijkheid te begrijpen en ook te
veranderen omdat het mogelijk zou zijn bepaalde voorspellingen te doen. Marx
kwam tot de conclusie dat de maatschappij niet deugde en dat de mensen, die het
werk doen, daarvan de dupe zijn. Om in die situatie verbetering te brengen moesten
de mensen socialistisch gaan denken. Nu was de cultuur ontwikkeling inmiddels
al zover gekomen dat het socialisme op doorbreken stond. De mensen gingen
zichzelf als individu herkennen, in die zin dat ook de ander als individu
gezien werd. Dat socialisme is te omschrijven als: indien IK er ben, ben JIJ er
ook. Er zijn, wat betreft het gelden van de mens als individu, een drietal
fasen te onderscheiden. Ten eerste: IK ben er als enige (absolutisme, het er
zijn van een elitaire enkeling, een vorst); ten tweede: IK ben er en JIJ zoekt
het maar uit (liberalisme, de ander heeft het recht om zich ook te laten
gelden, maar ook om te creperen); ten derde: IK ben er en vanzelfsprekend ben
JIJ er ook (socialisme, met elkaar kunnen wij onszelf als individu waarmaken).
Dit laatste besef was dus, halverwege de 19e eeuw, doorgebroken en op die bodem
groeide de socialistische gedachte van Karl Marx en zijn geestverwanten.
Michael Bakoenin (1814 - 1876) bijvoorbeeld stelde:
IK ben vrij als de anderen ook vrij zijn; als er ook maar één mens onvrij is,
ben ik ook onvrij. Ook bij hem dus het tegelijk gelden van JIJ en IK. Het
tegelijk gelden van JIJ en IK was ingecalculeerd in de kijk van Marx op de
werkelijkheid, maar de gedachte, waarmee hij kwam, was deze dat de mensen zich
zouden moeten verenigen - en dat betrof vooral de zogenaamde proletariërs. Die
gedachte vond een willig oor omdat hij een duidelijke consequentie was van het
doorgebroken cultuurmoment jij en ik tegelijk. Men ging zich dan ook verenigen
en dat was niet alleen maar het geval bij diegenen die zich socialisten
noemden; overal en op alle gebieden ontstonden verenigingen en allemaal wilden
zij een democratische structuur hebben. Er zijn evenwel twee mogelijkheden. Ten
eerste kan je er toe overgaan een organisatie in het leven te roepen en daarop
de nadruk te leggen, maar ten tweede kan je de mensen verenigen in een bepaald
geheel, als het ware onder een paraplu, waarbij de vertegenwoordigers van dat
geheel het voor het zeggen hebben: de leidende kaders. Van de twee
mogelijkheden, de organisatorische en de ideologische, heeft de eerste zich,
zoals al eerder opgemerkt, in het Westen doorgezet. Dit socialisme is de motor
gebleken van het organisatie- denken. Te begrijpen is dat de macht, die men
aanvankelijk wilde doen oplossen, van karakter veranderde: van macht over de
persoon naar macht over het handelen van de persoon. En van oplossen was geen
sprake, uiteraard omdat voor oplossen nodig is dat de waardenstelsels
verdwijnen en daaraan was en is de mensheid nog lang niet toe.
Het arbeidersproletariaat
Marx verwachtte een betere wereld van het
arbeidersproletariaat. Allicht, want deze mensen waren al het meest
individueel. Inderdaad leek het daar helemaal niet op: het was een massa
verpauperde, onontwikkelde, afgesloofde en ongezonde mensen waar letterlijk
niets bij zat. Dat is evenwel niet het punt. Het gaat hierom dat deze mensen
losgemaakt waren van, zeg maar, natuurlijke bindingen met bepaalde groepen,
zoals dorpsgemeenschappen, gildes, ambachtsgroepen, tradities, enz. De
proletarische arbeider staat op zichzelf; hij levert en verkoopt geen product
dat het resultaat is van zijn arbeid. Hij verkoopt zichzelf, in de vorm van
energie, namelijk zijn arbeidskracht. En nu is het dit op zichzelf staan dat de
basis is van het individu-zijn en tevens van de mogelijkheid om zich te
verenigen. Je kunt alleen elementen verenigen, maar mensen die, vanuit de een
of andere traditie, al bij elkaar behoren zijn niet te verenigen. Een boer
bijvoorbeeld is ingebed in een bepaald natuurgebeuren en in een daarop gegronde
gemeenschap. Hij zal dan ook veel later met zijn individualiteit voor de dag
komen. Een geïndustrialiseerde maatschappij is gebaseerd op de analyse; het
gaat om het in elkaar grijpen van op zichzelf staande onderdelen. Dat was het
dat zich toentertijd aan het realiseren was. De proletarische arbeiders
behoorden tot die onderdelen. Zij waren dus al individu, maar het had uiteraard
nauwelijks enige inhoud. Die inhoud kwam er evenwel al spoedig: de hele zaak
ging zich betrekkelijk snel emanciperen. De ontstane verenigingen waren
eigenlijk allemaal emancipatieverenigingen, zelfs als het ging over het fokken
van geiten of het verzamelen van postzegels. Hoewel de mensen thans nog lang
niet echt geëmancipeerd zijn is hun graad van ontwikkeling onvergelijkbaar veel
hoger dan een eeuw geleden.
Het is een feit dat in Rusland een
arbeidersproletariaat aanwezig was en dat het zich al vroeg geroerd heeft. Maar
de revolutie van 1917 was toch eigenlijk een boerenrevolutie, geheel in strijd
met de Marxistische theorieën. Lenin was dan ook gedwongen aan de boeren
toezeggingen te doen om de macht van de partij te vestigen. Maar bij die boeren
lag het individualisme bepaald niet in het denken. De revolutie ging dus op
iets anders door. In het Westen, waar volgens Marx en geestverwanten de zaak
rijp was voor de revolutie, ging het niet door. Allicht, want het ging daar om
de organisatie. Die verandert structuren, gaat dus binnen de maatschappij aan
het werk. De revolutie echter WENTELT OM en grijpt dus van buitenaf aan. Dat nu
vereist een ideologie! Er werd wel iets wakker in de mensen, maar dat was het
weten bij elkaar te behoren en dat grondde zich op het besef een geheel te
zijn. Vandaar dat de, overigens westerse, term communisme ingang vond.
De moderne dissidenten
Voor zover de zogenaamde dissidenten geen
westers wereldbeeld voor ogen staat, blijken het steeds heel geïnspireerde
communisten te zijn. Zij komen als individu op uit het door de ideologie
samengevoegde geheel en laten zich gelden als op hun wijze dat geheel. Het ziet
er op het ogenblik naar uit dat men die individu gaat herkennen en erkennen,
maar ook als dat niet het geval is zal blijken dat deze zelfbewust- wording
niet tegen te houden is. Maar, het gaat om een andere individu dan de westerse:
hij is niet gebaseerd in isolement (IK ben JIJ niet) maar juist in samenhang en
dat betekent dat IK, op mijn wijze, het geheel ben. De westerse individu is
vanaf de aanvang gegrond geweest op de afzondering, de splitsing, de analyse.
Deze analyse heeft in Rusland nooit een voedingsbodem gevonden. De westers
georiënteerde intelligentsia is nimmer met de bevolking verbonden geweest en
sprak vaak niet eens hun taal. De Russische dissident verlangt niet, zoals de
westerling, méé te tellen, maar hij wenst, in samenhang met de anderen,
zichzelf te zijn. En vaak wordt de verbanning naar bijvoorbeeld Siberië,
ondanks alle ellende, ervaren als een soort van loutering van dat
zichzelf-zijn. Dat is voor de westerse mens moeilijk te verstaan, maar wij
kennen de psychische realiteit van het met zijn allen zijn dan ook niet. De Rus
echter kent het wel en verlangt ernaar aan die zaak inhoud te geven.
Bladwijzers: (Liberalisme-1 Liberalisme-2 liberalisme-3) ; Betere
Wereld-1 ; Betere
Wereld-2
Bladwijzers: Grieks-orthodoxe
godsdienst – pag. 54
;
Wat is een revolutie
Je kunt in de West-Europese geschiedenis
een aantal revolutionaire toestanden aanwijzen, bijvoorbeeld in het Duitsland
van vlak na de eerste wereldoorlog, maar, behalve de Franse revolutie van 1789
is er niet echt een revolutie geweest. In Rusland en CHINA daarentegen wel. Revolutie betekent omwenteling.
Het is het vervangen van de heersende staatsstructuur door een andere, en dat
vanuit een ideologie. Wat doet een groep mensen als zij de maatschappij
omwentelen? Zij tasten de bestaande maatschappij aan van buitenaf. Zij
beschouwen zichzelf, hoewel uiteraard behorend tot die maatschappij (je kunt er
nooit buiten gaan staan), als niet tot die maatschappij behorend. Zij willen
daarmee niets te maken hebben omdat die maatschappij hen als uitgeworpenen beschouwt, als mensen die niet meetellen en
die geen rechten hebben. Als dergelijke groepen mensen voldoende krachtig zijn
geworden kunnen zij de zaak omwentelen zodat zij niet langer de buitengeslotenen zijn, maar nu juist de kern van de nieuwe
maatschappij vormen. Belangrijk bij het begrip revolutie is dus het van
buitenaf aangrijpen, wat gebeurt vanuit volledig miskende groepen van de
bevolking. De gewone bevolking van Frankrijk was volledig miskend toen de
revolutie in 1789 uitbrak. Eigenlijk behoorde zij niet eens tot de derde stand,
maar zij behoorde zeker niet tot de adel en de geestelijkheid. Deze laatsten
wisten zelfs te vertellen dat de mens wezenlijk pas bij de baron begon. Allen
daar beneden waren geen mensen maar vuilnis, gepeupel. Deze niet-mensen grepen
de maatschappij van buitenaf aan.
vrijheid, gelijkheid en broederschap
Hierbij is een ideologie nodig: de nieuwe
waarden moeten voor IEDEREEN van kracht zijn, althans zo worden beschouwd. En
dat op grond van het feit dat het over alles en allen gaat (het totaal) en
tegelijk over het geheel. Dit kwam tot uiting in de leuze vrijheid,
gelijkheid en broederschap. Deze leuze heeft korte tijd als een ideologie
gefunctioneerd, namelijk tijdens de woelingen van de revolutie, maar al spoedig
bleek het geen echt houdbare ideologie te zijn. Niemand liet zich er iets aan
gelegen liggen. Behalve het van buitenaf aangrijpen en het begeesterd zijn door
een al of niet houdbare ideologie moet het ook nog ergens om gaan. Het gaat
louter om de macht. Men is weliswaar van plan om met die macht redelijk om te
gaan zodat het allemaal heel mooi lijkt, maar men ontkomt er niet aan dat er
zich weer nieuwe elites vormen die niets anders gaan doen dan macht uitoefenen.
Bij voorbaat zijn alle mooie plannen mislukt. Er kan geen macht ten goede
ingesteld worden. Na de revolutie worden de echte revolutionairen schielijk om
zeep geholpen. Er mag maar één omwenteling zijn en het proces mag niet
doorgaan; de macht moet door de nieuwe elite behouden worden. Zo vermoordt de
revolutie haar eigen kinderen...
West-Europa en de revolutie
Omdat het bij ons ook om de macht gaat zou
van daaruit revolutie mogelijk zijn, maar de beide andere kenmerken, de
aanwezigheid van een ideologie en het bestaan van buitengesloten grote groepen
van de bevolking, gelden niet. We hebben al gezien dat het organisatie- denken
kenmerkend is voor de West-Europese mens. Vanuit dat denken is niemand
buitengesloten, zelfs niet de laagst gewaardeerde mensen. Je bent deel van het
totaal. Je telt mee, al is het nog zo weinig. Daardoor kan je de staat niet
omwentelen, ook al ben je met nog zo velen. Dat bemerkte bijvoorbeeld Troelstra
(1860 1930) toen hij in november 1918 meende de socialistische revolutie te
kunnen ontketenen. De zaak bloedde in eigen gelederen dood! Als er in het
organisatorisch denkende Westen dingen veranderd en verbeterd worden kan dit
noodzakelijk niet anders dan langs de organisatorische weg gaan. De recente
geschiedenis heeft dit dan ook laten zien. Ook van een ideologie is niets te
verwachten omdat de West-Europese mensen niet meer ontvankelijk daarvoor zijn.
De laatste ideologie, namelijk die van de Franse revolutie, had al geen inhoud
meer die voor de mensen een hogere betekenis zou kunnen hebben. Het was slechts
een leuze! Als in het Westen alles blijft gaan zoals het gaat en er geen grote
rampen met kernenergie en vergiftigingen optreden, dus als er
geen grote ontreddering optreedt, zullen er hier geen revoluties plaatsvinden.
Tijdens de Franse revolutie werd de eerste fase van het individualisme (IK
alleen ben er) vervangen door de tweede (IK ben er en jij hebt het recht dat
ook voor elkaar te krijgen). Dat sloeg aan bij het calvinistische werk uzelf
zaligheid. Het behaagde god als iemand zich nijver boven het er niet zijn
uitwerkte. Als je het over oproer hebt gaat het over iets anders. Oproerige
mensen willen misstanden rechtzetten, in feite dus de organisatie verbeteren.
Zij vinden dat zij niet voldoende functioneren en komen dan in verzet. Een
omwenteling ligt nooit in de bedoeling. Stakingen zijn in zekere zin ook
oproeren en daarbij is het, vooral tegenwoordig, al helemaal duidelijk dat het
om organisatorische zaken gaat.
In het Rusland van 1917 waren de genoemde
voorwaarden vervuld. Het ging om afwenteling van de onmogelijk geworden macht
van de tsaar en zijn bureaucratie, een tirannieke, feodale en willekeurige
macht over de bevolking. Een ideologie was er ook op grond van het Russische
cultuurmoment: het zich realiserende geheel. Dat moment werd in de Grieks-orthodoxe godsdienst
verwoord met het koninkrijk Gods op aarde en de levende Christus. In de
revolutie hebben deze begrippen naar buiten toe geen rol gespeeld, maar naar
binnen toe des te meer. Zij maakten het communisme voor de mensen psychisch
aanvaardbaar. Er was in Rusland een buitengewoon grote buitengesloten groep en
dat was de boerenbevolking. Nagenoeg geheel verstoken van onderwijs en vrijwel
nog in de staat van lijfeigene hadden de boeren geen deel aan de cultuur van de
elites die, westers geschoold en westers denkend, op hun beurt ook volkomen
vreemd waren aan de Russische bevolking. Toch was juist deze bevolking
inhoudelijk het meest essentiële deel van de cultuur. Daarom kon Lenin (1870 -
1924) niet om de boeren heen zolang de revolutie woedde, maar hij heeft hen
daarna snel verraden. Later werden zij zelfs opgeofferd aan de grootschalige
industriële economie zodat zij als ratten stierven. Lenin immers, als westers
denkend marxist, was toch van mening dat het om de industrie en haar arbeiders
ging, hoewel de boeren hem bij zijn revolutie hielpen. Het ging Lenin om een
westers model van een arbeidersstaat. Ideologische machthebbers zijn altijd
willekeurige tirannen en zij vinden het heel gewoon om hun burgers op te
offeren, denk aan wat de Roomse kerk heeft gedaan en zie wat er tegenwoordig
onder de ideologie van de Islam
in Iran gebeurt. En net als overal en altijd onder de druk van een ideologie
lieten ook de Russische boerenmensen met zich sollen, juist omdat voor hen de
ideologie een psychische realiteit was. Die psychische realiteit heeft
natuurlijk nog een lange weg te gaan voordat zij als een cultuurmoment
zelfbewust voor de dag kan komen en daarbij dan ook alle eigenschappen van een
ideologie heeft afgelegd. Wat er dan uit komt is het eerste moment van de
volwassen mens. Om dit echter te begrijpen moeten wij er achter komen hoe het
zit met de middelmatigheid van de mensheid. Anders zouden wij wellicht aan een
mensheid vol van nobele en heilige lieden gaan denken en dan zouden wij
helemaal fout zitten.
Bladwijzers: Russische revolutie-1 ; de Russische
revolutie-2 ; ISLAM-1 ; ISLAM-2 ; ISLAM-3
; Grieks-orthodoxe
godsdienst – pag. 54 ;
Bladwijzers: Algemeen belang-1
; Algemeen belang-2
; Algemeen belang-3
; Algemeen belang-4
; Rechten van de Mens-1
; Rechten van de Mens-2
; Gewone mensen-MIDDELMAAT-pag.55/56 ;
Geen waardeoordeel
De filosoof Hegel (1770 - 1831) heeft
destijds gezegd: de middelmaat maakt zich breed, regeert tenslotte de wereld en
zo blijft het. Deze uitspraak bevat veel waarheid. Inderdaad leven wij nu in
een wereld waarin de middelmaat hoogtij viert en dankzij de macht van de grote
aantallen de wereld regeert. Welbeschouwd betekent dit dat letterlijk alles
beneden zijn niveau blijft en in veel gevallen zelfs verkeerd is. De
diskwalificerende ondertoon van Hegels uitspraak is dan ook, wat onze
hedendaagse werkelijkheid betreft, terecht. Maar over het algemeen is een
dergelijk waardeoordeel uit den boze, vooral omdat het een heldere kijk op de
situatie belemmert. Hegel stond nog in de traditie van de individu als enkeling
en daarom verwachtte hij de goede dingen van uitzonderlijke enkelingen. Het
volk kon zichzelf niet besturen, dat moest de taak zijn van absolute
machthebbers die, in de toekomst, nu eens niet hun eigen belang op het oog
zouden hebben, maar het algemeen
belang. Het volk zou altijd de weg gewezen moeten worden en met
machtsmiddelen gedwongen die weg te gaan. Van daaruit is de zich breed makende
middelmaat, de massa’s van het volk dus, een gruwel die niet tot iets goeds zou
kunnen leiden. Eigenlijk had Hegel, die toch een uitzonderlijk diepzinnig
filosoof was, beter moeten weten. Hij was bijvoorbeeld zeer ingenomen met de
filosofie van Spinoza (1632 - 1677), maar deze was het nu juist die een
politieke filosofie ontwierp waarin de dwingende macht van heersers afgewezen
werd omdat zij voortdurend de mensen willen veranderen, in plaats van te
proberen te begrijpen waarom de mensen zijn zoals ze zijn. Spinoza wees dus,
zowel filosofisch als politiek, het van bovenaf denken af. Geen enkele van de
grote filosofen heeft die gedachtegang doorgetrokken of zelfs maar voor
mogelijk gehouden. Ze bleven allemaal de begaafde, nobele, enkeling als de maat
stellen en van de gewone mensen eisen dat zij zich
daarnaar zouden voegen. En Spinoza heeft het goed voorzien: zij begrepen niets
van datgene dat zich in de gewone mensen ontwikkelde. Het is onvermijdelijk dat
men, vanuit het van bovenaf denken, de middelmaat als iets
minderwaardigs ziet. Als die zich dan ook nog breed gaat maken (uiteraard omdat
de mensen eindelijk eens mee gaan tellen), is er weinig hoop meer voor de
toekomst. Het is echter de vraag of deze opvattingen reëel zijn.
Het begrip middelmaat
Het ligt in de logica dat het algemene
beeld van de mensheid bepaald wordt door de algemeenheid van de mensen. Behalve
als hij macht heeft over de mensen kan een enkeling dat beeld niet bepalen. Je
kunt dus, met Hegel, zeggen dat het gemiddelde en dus ook de middelmaat
bepalend is voor het wereldbeeld. Als je deze zaak zonder waardeoordeel bekijkt
kan je jezelf de vraag stellen of zo’n middelmaat beslist, minderwaardig moet
zijn. Ten eerste is dan op te merken dat het stellen van een maat een
cultuurkwestie is, een zaak dus die veranderlijk is en die bovendien samenhangt
met de belangen van diegenen die de maat stellen. Dat betekent dat het allemaal
erg dubieus is. Ligt bijvoorbeeld de maat bij de arbeid of ligt hij bij het
recht? In wiens voordeel is de arbeid en wie of wat wordt in de eerste plaats
door het recht beschermd? Moeten de mensen boeken lezen om niet middelmatig te
zijn of een universitaire opleiding hebben genoten? Of is een naar boven
gemanipuleerde politieke elite boven de middelmaat verheven, of voetballers,
toneelspelers en musici? Eigenlijk is er helemaal geen maat te stellen zodat de
daaruit voortkomende waardeoordelen ook afgewezen moeten worden. Wat wij
middelmaat plegen te noemen is in feite het algemene wereldbeeld. Dat is met
geen ander wereldbeeld te vergelijken (elders in de kosmos) en moet dus
noodgedwongen OP ZICHZELF beschouwd worden.
Volwassen en
onvolwassen middelmaat ( lees eventueel vanaf nr. 55 hierboven)
Op elk moment van haar leven kent de
mensheid uitschieters naar boven en naar beneden en het overgrote deel van de
mensheid zit er ergens tussenin. Dat noem ik - zonder enig waardeoordeel - de
middelmaat. Wij leven nog steeds in een onvolwassen wereld en dus hebben
wij te doen met een middelmatige onvolwassenheid en ook een onvolwassen
middelmatigheid. Zo’n middelmatigheid tendeert naar zijn oorsprong en dat
is de onvolwassenheid. We zullen dus steeds de neiging zien terug te
grijpen, te herstellen zoals het vroeger was en te houden zo het is. De onvolwassen
middelmaat is behoudend. Er is een grote angst voor vrijheid,
voor het gaan van nieuwe en onbekende wegen en er is behoefte aan infantiele
geborgenheid. Dat betekent dat zo’n mensheid voortdurend beneden haar stand
leeft, d.w.z. de mogelijkheden, die zij zelf al ontdekt heeft, onbenut laat.
De
Rechten van de mens
Al in 1948 was men in staat de Rechten van de mens te formuleren en te aanvaarden als
algemeen geldende normen. Maar niemand heeft er iets mee gedaan. Het is bij
loos gepraat gebleven. Wij zijn in staat de gehele mensheid te voeden, maar
niemand is van plan dat ook te doen. Ons denken is al zover dat wij oorlogen
afwijzen, maar iedereen wapent zich ten oorlog. En dat allemaal op grond van
verouderde denkmodellen. Men houdt vast aan het oude en waagt het niet te
handelen naar de uiterste grens van zijn mogelijkheden. Het behoudende,
het terug willen gaan, komt voort uit de zuiging van de oorsprong, de nog niet
ontwikkelde onvolwassene. De angst voor vrijheid en het steeds maar beneden
zijn mogelijkheden blijven zijn kenmerkend voor de onvolwassen middelmaat.
Op den duur echter worden de mensen volwassen en ook dan is het de middelmaat
die bepalend is voor het wereldbeeld. Dan echter tendeert die middelmaat naar
de toekomst, het volwassen zijn. Dit oefent dan zuigkracht uit en dat betekent
dat er een voortdurend zoeken naar nieuwe mogelijkheden zal zijn en een
waarlijk progressieve mentaliteit. De angstige behoefte om het oude vast te
houden is dan verdwenen. Dat betekent niet dat het oude dan telkens afgeschaft
wordt, maar dat het telkens opnieuw gesteld zal worden. Men leeft dan almaar op
de grens van eigen mogelijkheden. In die zin is het met de middelmaat best in
orde en men heeft dan wel degelijk gelijk als men niet onmiddellijk achter de
ideeën van de hoogvliegers aanloopt. Maar de afstand tussen de mogelijkheden
van de middelmaat en de praktijk is dan komen te vervallen: de mogelijkheden
worden als vanzelfsprekend gerealiseerd, en wel zo dat zij voor zoveel mogelijk
mensen zinvol zijn. Als je dus vaststelt dat de middelmaat tenslotte de wereld
zal regeren moet je je wel afvragen wat dit in het éne geval (onvolwassenheid)
en in het andere geval (volwassenheid) betekent. Je kunt je de zaak als volgt
voorstellen: de ontwikkeling van de mensheid gaat in één richting, namelijk van
onvolwassenheid, via een soort van evenwichtssituatie, naar
volwassenheid. Voordat dit evenwicht bereikt is staat de zaak in het teken van
de onvolwassen oorsprong, maar de zuigkracht daarvan neemt gaandeweg af.
Tijdens het evenwicht is er grote verwarring en een verlies aan houvast,
gecombineerd met speculaties over een nieuwe tijd. Daarna gaat steeds meer de
volwassenheid zuigen, om te beginnen stikvol met fouten en mislukkingen, maar
langzaam aan beter. Een mensheid die, al tobbende, haar eigen uiterste grens
zoekt is altijd goed bezig, maar een onvolwassen mensheid, die behoudend
is, altijd slecht. Er zijn tekenen die er op wijzen dat wij thans de
evenwichtssituatie naderen. De uitingen van een nieuw zelfbewustzijn worden
veelvuldiger en sterker. We zullen eens zien waar dat effectief door zal gaan
breken...
Bladwijzers: Algemeen belang-1 ; Algemeen belang-2
; Algemeen belang-3
; Algemeen belang-4
; Rechten van de Mens-1 ; Rechten van de Mens-2 ;
No.
56 ( lees s.v.p. nrs.
56 t/m 58 )
Bladwijzers: Het Russische volk o.a pag. 56 t/m 58 ; Ideologie-Slavische ideologie o.a. pag. 51 en
52 ; DE BLIK OP DE TOEKOMST – volwassenheid – het gaan REALISEREN van
uiterste MOGELIJKHEDEN..! e.v. ;
De blik op de toekomst
Zoals we al gezien hebben staat bij een onvolwassen
mensheid alles in het teken van de oorsprong en bij een volwassen mensheid
in het teken van het einde, in feite dus de toekomst. Qua wereldbeeld vertoont
dit alles zich op de wijze van de middelmaat. Er is dus geen sprake van
dat alles plotseling ideaal geworden is, dat iedereen een toonbeeld van
goedheid wordt en dat er niets meer fout kan gaan. Alles is om te beginnen
precies zoals het altijd al was, maar het heeft wel een andere betekenis gekregen
voor de mensen. In die andere betekenis zit het opmerkelijke van de volwassen
mensen. Die andere betekenis is er dank zij de dominant geworden zuiging van de
toekomst. Toekomst in de zin van het gaan realiseren van uiterste
mogelijkheden. Dit zoeken van deze mogelijkheden kan je omschrijven door te
zeggen: men probeert de dingen zo goed mogelijk te doen, en dat dan vanuit de
kwaliteit van die dingen zelf. In de praktijk zal die veranderende betekenis
zich geleidelijk en zelfs wel ongemerkt gaan vertonen. Het is een kwestie van
een balans die steeds meer naar de andere kant gaat doorslaan. Hoewel de mensen
vast wel bepaalde dingen zullen afschaffen, zal dat toch niet het karakter van
de ontwikkeling zijn. Er valt in feite niets af te schaffen. Alleen de
betekenis verandert en wel omdat alles met alles moet gaan samenhangen. Nemen
we als voorbeeld de luchtverontreiniging: op het ogenblik is het uitgangspunt
dat er zo weinig mogelijk vervuild mag worden. Zo weinig mogelijk houdt in dat
er vervuild mag worden, maar binnen zekere grenzen. Men stelt dan een minimum-
norm vast met als gevolg dat iedere vervuiler zo dicht mogelijk tegen die norm
gaat zitten en er net nog onder blijft. Resultaat: er wordt ZOVEEL MOGELIJK
vervuild, zoveel als net nog kan zonder al te grote rampen op de korte termijn.
De volwassen benadering van de zaak is dat er in het geheel niet vervuild mag
worden, maar dat er, afhankelijk van de stand van wetenschap en techniek, onder
omstandigheden uitzonderingen kunnen worden gemaakt. Resultaat: er wordt ZO
WEINIG MOGELIJK vervuild. De norm is dan niet meer hoever kan ik gaan, maar wat
is helaas voorlopig onvermijdelijk. Dit laatste leidt tot een heel andere
technologie. Daarbij worden alle resultaten meegerekend en niet alleen het
winstgevende gedeelte. Het overgaan van de mensheid naar volwassenheid is geen
spectaculaire zaak. Langzaam gaat de balans naar de andere kant doorslaan en je
kunt er van verzekerd zijn dat de meeste mensen, die dan leven, het niet eens
in de gaten hebben. Om dat te begrijpen is ons verhaal over de middelmaat zo
belangrijk. Als wij ons echter afvragen hoe die vernieuwing van de betekenis
der dingen voor de mensen zich af zal spelen, moeten wij ook het cultuurverloop
gaan bekijken.
Een cultuur is de gestolde neerslag van
een bepaalde fase van de ontwikkeling van het zelfbewustzijn.
Er worden allerlei dingen vastgelegd, als norm gesteld, die tijdens die fase
duidelijk zijn geworden. De neerslag van zo’n fase stolt tot cultuur. Dat geeft
een opeenvolging van culturen te zien, die zich in opeenvolgende tijden en op
verschillende plaatsen realiseren. Omdat de ontwikkeling procesmatig verloopt
komt er ook een eind aan en, zoals altijd met processen het geval is, vertoont
dat eind een dubbel karakter. Enerzijds is het dus nog een cultuurmoment met al
zijn vaste normen en waarden, maar anderzijds is het daarvan ook de ontkenning,
dat wil zeggen: het geldende cultuurmoment op andere wijze. Dat betekent dat we
een aantal verschijnselen zullen waarnemen, die zich als tegenstrijdigheden
voordoen, als uitersten die tegelijk aanwezig zijn. Zo is te zeggen dat de zaak
zich op een bepaalde plaats zal manifesteren, maar het karakter van iets
universeels zal hebben. Naast het samenkomen van alle cultuurverworvenheden zal
er tegelijk een grote onverschilligheid voor die verworvenheden moeten bestaan.
Men wil niet opgaan in die vastgelegd heden. Er is de sfeer van een andere
werkelijkheid. Het doorbreken van dit alles realiseert zich op een bepaalde
plaats, in een bepaald volk, maar als het doorgebroken is beperkt het zich niet
daartoe. Dat volk vertegenwoordigt slechts dat doorbreken.
Het Russische volk
Wetenschappelijk is er niet van een
Russisch volk te spreken. Er zijn in Rusland vele volkeren. Toch wil ik dit wel
doen en wel in de betekenis van, cultuurvolk, d.w.z. een grote groep van mensen
in wie zich iets algemeens vertoont. Het doorbreken van de volwassenheid
speelt zich af in het Russische volk. Een eigenaardigheid van dat volk is
het feit dat het zich aan niets gelegen laat liggen. Het heeft zich nog nooit
ergens op vastgelegd, het is nimmer bevangen geweest in enigerlei cultuur. Het
is wel overheerst geweest door culturen met als laatste de westerse cultuur,
maar het is er steeds vreemd aan gebleven. In één geval lijkt er een
uitzondering te zijn, namelijk waar het gaat over de Grieks-orthodoxe godsdienst. Dit
evenwel is, in verband met de Russische mensen, eigenlijk geen cultuur omdat er
geen nadruk ligt op het uitwendige: het van buiten en boven af dwingen om zich
aan cultuurnormen en waarden te onderwerpen. De Russische kerk vertoonde
uiteraard wel machtstrekken, maar voor het volk ging het daarom niet. Het volk
beleefde de godsdienstige inhoud als een innerlijke realiteit. Men voelde en
onderging het christendom als een waarheid, die levend in de mensen aanwezig
was. In het Russische volk leefde dat heel sterk, maar dat is dus iets anders
dan het onderworpen zijn aan de macht van een cultuur. Voor de Russen
functioneerde het christendom niet (in de eerste plaats) als een cultuur, maar
als een innerlijke waarheid. Die godsdienst werd dan ook geen ideologie, wat
het christendom in het Westen wel geweest is, met als gevolg dat iedereen, als
hij maar even de kans kreeg, probeerde er onderuit te komen. Voor zover er wel
eens een Rus was die iets dergelijks probeerde, had hij het gevoel zichzelf
verraden te hebben. De godsdienst was geen vernis, maar een realiteit.
Overheersing is er meer dan genoeg geweest. De eigen intelligentsia van de
Russen overheerste en onderdrukte het volk, vaak op beestachtige wijze, maar
het was ondenkbaar dat iemand uit het volk er zelf op uit was ook tot die
intelligentsia te gaan behoren. Het leven van de elites had geen zuigende
werking, zoals in het Westen, maar een afstotende werking. Het denken van het
volk was geheel anders dan dat van de intelligentsia; het volk begreep de intelligentsia
wel, maar de intelligentsia het volk niet. Alle Russische schrijvers getuigen
hiervan. Voor de analytische westerse cultuur is het Russische volk niet
ontvankelijk. Weliswaar heeft het er, sinds de revolutie van 1917, alles mee te
maken, maar het gaat nog steeds niet van harte. Daarom gaat het onder andere
technologisch en economisch slecht - dat komt heus niet alleen door de
ambtenarij van partijbonzen. Dit soort lieden kan per definitie geen
maatschappij besturen, maar het is ook een feit dat het Russische volk zich
niet besturen laat vanuit welk cultuur- denken dan ook. Het niet ontvankelijk
zijn voor welke cultuur dan ook wijst niet op domheid (zoals vaak beweerd is),
maar op de ontkenning, die aan het einde van de cultuurlijn optreedt. Men heeft
niets tegen de cultuur verworvenheden op zichzelf, maar men wenst zich er niet
aan te onderwerpen als aan iets van grote waarde. Men wil die verworvenheden
tot hun recht laten komen binnen het samenhangende geheel; men wil een
allesomvattend denken en niet een specifiek denken uit een bepaalde cultuur.
BLADWIJZERS: Gewone mensen-MIDDELMAAT-pag.55/56 ;
No. 57
De laatste fase
Je kunt bedenken wat er voor de laatste
fase van de cultuurontwikkeling moet gelden. Die laatste fase is tegelijk het
begin van iets nieuws. Als zodanig houdt die laatste fase een ontkenning in.
Dit betekent niet dat het laatste er is en er tegelijk niet is, maar het
betekent dat het laatste er op een andere manier is. Voor die laatste
cultuurfase geldt dat de analyse voltooid is. De werkelijkheid is voor de mens
geanalyseerd: er heeft niets stand gehouden, alles is uiteengevallen en
beweeglijk geworden. Maar ook is de situatie zo geworden, dat de mensen aan
niets meer waarde hechten. Men heeft de werkelijkheid leren begrijpen als een
totaliteit, waarin alles meetelt. De moderne cultuur, waarin wij ons bevinden,
is het zich realiseren van de voorlaatste fase. Het gaat dan om het analyseren,
het vernietigen van de werkelijkheid. We zijn dan ook volop bezig alles uit
elkaar te halen, bijvoorbeeld in het wetenschappelijk onderzoek, maar ook de
dreiging van concrete algehele vernietiging, met atoomwapens, behoort hiertoe.
Je constateert bovendien dat er een voortdurend verval van waarden is, terwijl
men tegelijk almaar nieuwe waarden stelt, telkens als er weer wat nieuws
mogelijk is geworden. Deze wisseling van waarden gaat steeds sneller omdat het
uiteenvallen van de samengestelde werkelijkheid, eenmaal begonnen, met een
toenemende snelheid plaatsvindt. Je ziet dan, enerzijds, een grote
verwaarlozing van de dingen en daarmee samenhangend een grote vervuiling, en,
anderzijds een bijna religieuze aanbidding van bepaalde nieuwe dingen, zoals de
computer, de compactdisc en dergelijke. Het laatste
cultuurmoment, het moment dus waarvoor geldt dat de werkelijkheid GEANALYSEERD
IS, is in zichzelf onmiddellijk anders en als zodanig krijgen wij te doen met
het begin van volwassenheid. Dat betekent dat het vernietigde er op andere
wijze zal zijn, het totaal op andere wijze en het waardeloze op andere wijze.
Je krijgt dan achtereenvolgens het gelden van de begrippen samenhang, betekenis
en het geheel. Deze begrippen gelden, tijdens het laatste cultuurmoment,
tegelijk met en naast de begrippen waarvan zij het andere zijn. Dus
waardeloosheid naast betekenis, totaal naast geheel en vernietigd naast
samenhangend. Bijvoorbeeld: een ander mens heeft voor mij geen enkele waarde;
die mens is er niet voor mij of iemand anders, maar voor zichzelf. Als zodanig,
namelijk zichzelf-zijnde betekent die mens iets voor mij. Zodra ik waarde zou
hechten aan die mens stel ik hem of haar als zijnde voor mij, d.w.z. als zou
die mens er voor mijn plezier of nut zijn. Hebben we het over de betekenis van
een ander mens, dan gaat het over die mens zelf en over het onbelemmerd
zichzelf-zijn van die mens. Ik zal dat zichzelf-zijn dan ook niet onderdrukken,
ter wille van mijn belang, maar, indien nodig, zoveel mogelijk bevorderen,
ongeacht mijn eventuele belangen. En wat het totaal betreft: als alles meetelt
is er niets meer dat NIET meetelt, zodat ik niets meer als overbodig beschouw
en in de Rijn dump, of als schadelijk voor het gewas uitroei, enzovoort. Dan
geldt dus het andere van het totaal van al die afzonderlijke dingen en dat is
het geheel. Vernietiging op andere wijze levert samenhang op. Dit is wat
moeilijker te begrijpen omdat we hier gemakkelijk in de val lopen en het begrip
op andere wijze als het begrip tegenstelling gaan opvatten. De tegenstelling
tot vernietigd is samengesteld: als de zaak vernietigd is is
de samengesteldheid er niet meer en omgekeerd. Onze
cultuur begon destijds met de samengesteldheid en is
bezig te eindigen in vernietigd zijn. Maar het andere van dit laatste is
samenhang. Deze komt dan ook, zoals wij al eerder besproken hebben, voor de dag
bij een uiteengelegde werkelijkheid. Zolang de werkelijkheid nog niet
uiteengelegd is heb ik te doen met de samenstellingen en de onderlinge relaties
zodat het herkennen van de samenhang belemmerd wordt door het vastgelegde, de
kaart die ik in en voor mezelf van de werkelijkheid getekend heb. Bij het
uiteenvallen van dat vastgelegde wordt het samenhangende beeld zichtbaar.
Bovenstaande ruwe uiteenzetting van de laatste cultuurfase is bedoeld om te
laten zien dat je uit kunt rekenen wat je op een gegeven moment in de mensheid
aan kunt treffen. Vervolgens ga je zoeken of je de gevonden verschijnselen
ergens aantreft, als een kiem die in een bepaald cultuurvolk ontwaakt, en dan
zie je dat dit bij het Russische volk het geval is.
Het op andere wijze zijn
Het Russische volk is in de loop der
tijden met alle plaatselijke en tijdelijke cultuurmomenten in aanraking
geweest. Maar steeds zijn die momenten op andere wijze verwerkt. De Russen
hebben er steeds het andere van gemaakt. Zij maakten er cultuur op andere wijze
van. Wij hebben al iets gezegd over het Grieks-orthodoxe christendom. Dat was
een speciale tak van het christendom, maar desondanks in de praktijk toch een
godsdienst, met zijn machtsuitoefening en zijn hiërarchie. Als zodanig vestigde
die godsdienst zich ook in Rusland, maar voor de Russische mensen werd het tot
het andere: een innerlijke realiteit die niets van theologie, dogmatiek en
macht vertoonde. Er werd dus niet iets eigens aan toegevoegd, maar er werd iets
anders van gemaakt. Steeds zie je dat de Russen van de culturen, waarmee ze
kennismaken, iets levends, iets innerlijks maken, zodat de zaak betekenis
krijgt in plaats van de een of andere (maatschappelijke) waarde. De zaak
verlevendigt steeds en wordt tot een psychische realiteit. Het nihilisme
bijvoorbeeld houdt in de westerse cultuur het vernietigen in, het stukmaken van
het bestaande, maar in de ogen van de Rus vertoont het nihilisme zich als het
zoeken naar betekenissen. Het atheïsme is voor de westerling het ontkennen van
het bestaan van god, maar voor de Rus het zoeken naar waarheid, het zoeken dus
van de betekenis. Dostojewski heeft dit zoeken naar de betekenis op alle
mogelijke manieren getekend en voor zover hij dit zoeken laat mislukken
verbindt hij dit steeds met de westerse cultuur en dus met het analyseren, dat
op zichzelf niet in staat is de betekenis van de werkelijkheid te ontdekken en
te laten gelden. Het is onmiskenbaar dat het op andere wijze laten gelden van
de cultuur een typisch Russisch verschijnsel is. Min of meer zijn alle culturen
om Rusland heen gegaan en zij zijn als bij een draaikolk naar binnen gezogen
en, naar hun uiterlijke vorm beschouwd, spoorloos verdwenen. Innerlijk echter
zijn zij verwerkt in het licht van, vooralsnog intuïtieve, volwassenheid. In de
praktijk, bijvoorbeeld maatschappelijk, is er uiteraard niets van
terechtgekomen en dat zal voorlopig niet gebeuren ook.
Ontwikkeling van de gehele mensheid
Datgene dat aan de in de praktijk zich
realiserende cultuurmomenten ten grondslag ligt, de werkelijke ontwikkeling
dus, speelt zich af in alle mensen, waar ook ter wereld. Die praktijk echter is
plaatselijk en tijdelijk. Wat voor de Russen geldt, geldt voor alle mensen,
alleen zijn zij het in wie het laatste moment en zijn anderszijn
in de praktijk voor de dag zal komen, om zich vervolgens over heel de mensheid
uit te leggen. In die zin zal het communisme tenslotte de wereld veroveren,
d.w.z. voor alle mensen gaan gelden. Het is dan natuurlijk niet het ons bekende
communisme, want dat is eigenlijk een westers begrip, dat alleen maar
betrekking heeft op de vraag hoe je het geanalyseerde zult kunnen organiseren
tot één allesomvattende onderneming.
Ontwikkeling en resultaten
Wat betreft de resultaten van de
ontwikkeling spelen nogal wat zaken een rol, zaken die voornamelijk te maken
hebben met de communicatie mogelijkheden van de mensen. Het gaat dan om
waterwegen, bergpassen en landwegen. Maar ook van belang zijn het klimaat en de
gesteldheid van de bodem. Wanneer de communicatie ontbreekt, doordat de mensen
bijvoorbeeld op verafgelegen eilanden wonen, blijven de resultaten van de
ontwikkeling beperkt wat de praktische toepassingen betreft (techniek), en de
psychische resultaten leiden gaandeweg tot verpaupering. Die verpaupering zet
zich eerst goed door als de mensheid qua ontwikkeling aan de analyse toe is.
Bij geïsoleerd levende mensen richt die analyse zich uiteraard op hun
voorhanden werkelijkheid en dat is een werkelijkheid die door het traditionele
gekenmerkt wordt. De tradities gaan ongemerkt ten gronde en daarmee de vanouds
met elkaar samenhangende bestaansvormen. Dat alles gebeurt dus Ongeacht
contacten met de buitenwereld. De mensen maken als het ware hun eigen cultuur
kapot. Gewoonlijk is men van mening dat het de westerse invloeden zijn die de
geïsoleerde traditionele culturen ten gronde richten, maar in feite versnellen
die het verpauperingsproces alleen maar. Die verpaupering is er evenwel ook als
er geen of heel weinig contact is met het Westen. Al zijn mensen in bepaalde
afgezonderde culturen nog zo hecht geworteld in hun tradities, het
ontwikkelingsproces gaat ook voor hen door. Dit proces realiseert zich via de
opeenvolging van de generaties. Elke nieuwe generatie begint met een volkomen
vrij zijn van het zelfbewustzijn. In dat vrije zelfbewustzijn vinden de
conditioneringen plaats, die leiden tot een bepaald levensprogramma, maar zo’n
programma is telkens enigszins anders, juist omdat het in geprogrammeerd wordt
in een vrij zelfbewustzijn. De momenten van telkens opnieuw optredende
vrijheid, bij het ontstaan van een nieuwe generatie, rijgen zich aaneen tot een
keten van kleine stapjes voorwaarts. Dat is het ontwikkelingsproces. Doordat
niemand op dat proces enige invloed kan uitoefenen gaat het onder alle
omstandigheden door, communicatie of niet, traditie of niet. Als er contacten
tussen de verschillende groepen van mensen zijn kan de ontwikkeling ook een
concrete inhoud krijgen. Omdat het een kwantitatieve zaak is speelt het
bijeenkomen van zoveel mogelijk kennis een grote rol. Men wisselt die kennis
uit, men leert van elkaar en men levert elkaar de materialen en grondstoffen om
vooruit te kunnen. In hoeverre men resultaten boekt hangt ook weer af van de
mate waarin de ontwikkeling voortgeschreden is. Voordat de mensen aan de
analyse toe waren werd het bijvoorbeeld technisch niet veel, maar toen het
analyseren inderdaad effectief werd bloeide over de gehele bekende wereld de
wetenschap en techniek op. Bij het opbloeien van een cultuur loopt er altijd
één voorop, waarin alle beschikbare kennis samengekomen is. Voor de analytische
fase is dat West-Europa. De resultaten van dit cultuurgebied verspreiden zich
enerzijds over de gehele wereld en verzinken anderzijds in de volgende fase,
namelijk die van het geanalyseerd-zijn, dat tegelijk onmiddellijk anderszijn is. De zaak verzinkt dus in de Russische
cultuur.
Het verzinken van de cultuur
Het Russische volk heeft in de loop der
tijden kennis gemaakt met alle cultuurmomenten, die in feite in een boog om
Rusland zijn heengegaan. Die cultuurmomenten zijn echter in een bodemloze put
terechtgekomen, doordat het Russische volk er steeds wat anders van gemaakt
heeft. Alle culturen verzinken in de Russische mens, zij verzinken in het
psychische, en dat wil zeggen: zij worden letterlijk lévend. Daarmee verliezen
zij hun dominerende karakter. De cultuur staat niet meer (dwingend) boven de
mensen, maar hij wordt één met hun leven. In zekere zin wordt het zelfs een
gevoelskwestie. Dat letterlijk alles in het Russische volk verzinkt hebben in
de loop der geschiedenis alle veroveraars gemerkt. Aziatische stammen, maar ook
het Westen hebben zich voortdurend doodgelopen op Rusland en dat komt niet door
de uitgestrektheid. Het komt door de geaardheid van de Russische mensen. Zij
zijn niet ontvankelijk voor welke cultuur dan ook. Met de revolutie is het
westerse analytische denken definitief in Rusland doorgedrongen. Doordat dit
denken met geweld is doorgevoerd en er een gehele staat op is gebaseerd, zou je
kunnen menen dat het nu wel gelukt is aan de Russen een cultuur op te leggen.
Nadere beschouwing leert echter dat het ook nu mislukt is. Het analytische denken
schiet geen wortel, al zijn er natuurlijk nogal wat mensen die hierin inmiddels
uitermate bedreven zijn. Het is bijvoorbeeld opmerkelijk dat het de Russen nog
steeds niet gelukt een hoogwaardige technologie van de grond te krijgen. Als je
dat eens vergelijkt met de stand van zaken in de landen rond de Pacific, dan
blijft Rusland hopeloos achter. Dat is des te vreemder omdat de landen rond de
Pacific tot voor kort echt achtergebleven waren en het voor een groot deel nog
zijn. Weliswaar stamt die technologie uit het Westen, maar dat geldt voor de
Russische ook. Maar in Rusland wil het niet. Het zal duidelijk zijn dat
bovengenoemd mislukken niet veroorzaakt wordt door domheid van de Russen. Het
Russische volk is, volgens een ieder die het weten kan, uitermate intelligent,
en dat blijkt ook uit de Russische literatuur. De oorzaak is gelegen in de
geaardheid, die er een is van een volgende ontwikkelingsfase. De Russen deugen
niet voor het analyseren. Het ontbreekt hen helemaal niet aan kennis en de
intelligentsia doet qua ontwikkeling en kwaliteit niet voor de westerse onder,
maar toch deugt het Russische VOLK niet voor die zaken. Het gaat dus om het
algemene beeld van Rusland en het heeft derhalve geen zin om voorbeelden aan te
dragen van projecten die wetenschappelijk of technisch gelukt zijn. We moeten
letten op de technologie als maatschappelijk geïntegreerd verschijnsel, zoals
in het Westen en dan zien we dat een dergelijke integratie ontbreekt. Nog
steeds is alle analytische wetenschappelijke activiteit een zaak van een
afgezonderde intelligentsia, die in principe los van het volk staat. Het is dan
ook niet verwonderlijk dat die intelligentsia, hoewel op zichzelf de essentie
van de revolutie, tegelijk als verdacht wordt beschouwd en het doelwit is van
menige zuiveringsactie. Vanuit de (westerse) ideeën van de revolutie is de
intelligentsia de spil waar omheen alles draait, maar vanuit de Russische
geaardheid is hij vreemd, gevaarlijk en vijandig. Een echte Rus als Stalin
moest er dan ook niets van hebben... Wij moeten ons goed realiseren dat Rusland
door niemand overheerst is geweest, zoals dat met bijvoorbeeld de landen in
Afrika wel het geval was. Dat waren louter wingewesten voor Europa en bovendien
hoofdzakelijk culturen die buiten de weg van de geschiedenis lagen. Die mensen
hebben tot voor kort geen keuze gehad, maar de Russen zijn altijd in contact
geweest met de toppen van alle culturen: die van het oude oosten, die van
Voor-Indië en Klein-Azië, die van het Grieks-Romeinse rijk en die van
West-Europa. Juist het wegzinken van die contacten is zo typerend. De mens,
voor wie alles tot wat anders wordt, is geen intellectueel mens, al is hij
desnoods nog zo intelligent. Het is ook geen mens die zichzelf los ziet van de
andere mensen; zijn individualiteit is er een die in de gemeenschap geworteld
is. De individu is niet een element in het totaal, maar een bestaanswijze van
het geheel. In dat geheel is alles wat geanalyseerd IS verzonken en de aparte
waarde van alle dingen is veranderd in de betekenis binnen het geheel.
Bladwijzers: Het Russische volk o.a pag.
56 t/m 58 ; Ideologie-Slavische
ideologie o.a. pag. 51 en 52 ;
Bladwijzers: De Ratio / Rede-1 ; De Ratio / Rede-2
; Opvoeden-2 ; Opgevoed-1 ; Opvoeden-1 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ;
Volwassenheid, niet als utopie
Als je je een voorstelling wilt vormen van
de toekomstige volwassen mens moet je dat zo doen dat je er geen enkele
menselijke eigenschap, of je die nu positief of negatief beoordeelt, uitdenkt.
Zou je dat wel doen, dan verval je weer in de een of andere utopie, waarin
mensen voorkomen die in werkelijkheid helemaal niet kunnen bestaan. Mensen dus
in wie allerlei dingen afgeschaft zijn en voor wie normen zijn gaan gelden die
nimmer als norm gesteld kunnen worden. Een volwassen mensheid kan uiteraard
alleen maar bestaan uit mensen zoals wij zelf zijn, met alleen dit verschil dat
er andere inzichten zijn gaan gelden. Die andere inzichten mogen niet zomaar
uit de lucht komen vallen; zij moeten een logisch gevolg zijn van een
verdergaande ontwikkeling. Die ontwikkeling is in ons ook gaande. Alle
utopische ideeën over volwassenheid berusten op WENSEN van denkers, die graag
zouden willen dat de wereld er op een bepaalde, door henzelf uitgedachte,
manier, uit zou gaan zien. Met dergelijke wensen in het hoofd is het onmogelijk
zich volwassen mensen voor te stellen. Het gaat er om de ontwikkeling van het
zelfbewustzijn te begrijpen en dan is duidelijk het moment te herkennen dat
volwassen inzichten door gaan breken. In onze denktraditie speelt het beheersen
van de werkelijkheid een enorme rol. Die zaak gaat terug op het denken van
Descartes (1596 - 1650) en het komt hier op neer dat men de kosmos als één
grote, uiterst verfijnde en ingewikkelde, maar toch berekenbare, machine is
gaan zien. Bij een machine behoren de begrippen beheersen en besturen. Op grond
van deze begrippen lag het voor de hand te verwachten dat mensen zichzelf en
anderen zouden leren beheersen en besturen. Dat moest dan gebeuren via het
redelijke denken. De rede, de ratio, werd als het reddende principe
gezien en met het doorbrekende succes van dat denken in de 19e eeuw ontstond de
verwachting dat de mensen zichzelf zouden veranderen in redelijke wezens en dat
daarmee de wereld goed zou worden. In feite behelsde die verwachting de
machinemens, de mens als robot. Het behoeft dan ook niet te verbazen dat er
juist in die tijd allerlei uitvinders bezig waren zo’n mens te ontwerpen en de
verhalen in de literatuur over robots zijn legio. Ook in onze tijd,
bijvoorbeeld in de Science fiction, komen die robots
veelvuldig voor en zelfs is het opmerkelijk dat men industriële robots vaak nog
het uiterlijk en de constructie van het menselijk lichaam wil geven. Het ging,
doorgaans onbewust, om de mens als machine. Het volwassen inzicht, dat in de
mensen zal ontstaan, moet dus een inzicht zijn waaraan niet valt te ontkomen en
waarin geen enkel aspect van het menszijn is weggewerkt. Er mogen geen eisen
aan de mensen worden gesteld omdat het volwassen-zijn geen kwestie is van doen
en laten, maar van zijn. Dat zijn wordt bepaald door het zelfbewustzijn. Er is
dus ook geen sprake van een keuze. Je kunt het niet laten om volwassen te zijn.
Het is iets waartegen je geen nee kunt zeggen. Datgene dat je eenmaal ontdekt
hebt en voortaan wéét is nooit meer te negeren. Alle tot nu toe uitgedachte
utopieën houden een keuze in: de mensen zouden moeten kiezen voor de vrede,
voor samenwerking, voor democratie, voor redelijkheid, enzovoort. Maar op een
keuze kan je nee zeggen, maar op inzicht en dus op weten, kan je geen nee
zeggen. Het is onmiskenbaar. De volwassen mens is dus geen nieuwe mens die er
voordien niet was, maar het is de oude mens die zich verder ontwikkeld heeft.
In die ontwikkeling speelt alles een rol wat ook nu een rol speelt, ook de
dingen die wij thans geneigd zijn negatief, slecht en onredelijk te noemen. Er
is niets dat er uitgelaten kan worden. Zou je dat wel doen, dan sluit je een
deel van het leven uit.
Het doorzien van de werkelijkheid
Zoals gezegd volgt de fase van het
geanalyseerd zijn op die van het analyseren, die in onze cultuur aan de orde
is. Als de werkelijkheid voor de mens geanalyseerd is, kijkt hij niet meer
tegen een muur: de zaak is voor hem doorzichtig geworden. Het is dus niet zo
dat hij op zal houden te analyseren, zoals veel holisten hopen en verwachten,
maar omdat de werkelijkheid in principe geanalyseerd is komt de samenhang op de
voorgrond te liggen. Voor zover men dan onderzoek pleegt is dat op die
samenhang gericht en een van de methodes voor dat onderzoek is natuurlijk de
analyse. Zolang de mensen nog tegen de werkelijkheid aankijken als tegen een
muur, kunnen zij de samenhang niet herkennen. Je weet immers niet wat er achter
die muur is. Zodra je dat wel weet (door de analyse) is het ook niet meer van
belang of je de dingen begrijpt in wetenschappelijke zin, zoals dat tijdens de
analyse nog wel van belang is. Je weet nu immers dat ze er zijn en hoe ze er
zijn. Het intellectueel zijn is dan dus helemaal niet meer maatgevend. Als er
al iets maatgevend zou zijn is dat het inzicht in de werkelijkheid en dus in
het leven. De wetenschap krijgt dan ook de status die zij verdient: gewoon een
vak dat geen hogere intelligentie vereist als alle andere vakken. Een
intellectueel is iemand die zich aan het analytische denken uitgeleverd heeft
en er als het ware in opgaat. Een volwassen mens gaat maar in één ding op: het
leven. Kernpunt bij het doordenken van de volwassen mens is het gegeven dat de
dingen doorzichtig zijn geworden. Als gevolg daarvan zijn de dingen ook
waardeloos en dat opent op zijn beurt weer de weg tot verzorging. Verzorgen kan
je de dingen eigenlijk alleen maar dan als je ze in hun eigen betekenis ziet en
niet meer in het licht van een of ander belang. Als je er dus geen waarde meer
aan hecht.
Het
gedoe met de werkelijkheid
De periode van het analyseren is een
periode van activiteit, men is voortdurend bezig iets met de werkelijkheid te
doen. Naarmate dat zich doorzet blijkt dat het een grotere puinhoop wordt. De
werkelijkheid laat niets met zich doen. Na verloop van tijd blijkt elke ingreep
vanuit de beheersingsgedachte
een misgreep te zijn: op het gebied van de landbouw, de energiehuishouding, de
medische wetenschap. Die misgreep komt niet door een mogelijke slechtheid van
de mensen, maar door het toenemende gedoe met de werkelijkheid. Er is dan ook
geen rust in de wereld van de analytische cultuur. En die zal er ook niet zijn
totdat alles geanalyseerd is. Dan breekt er een periode van rust aan omdat het
gedoe dan afgelopen is. Wat dan te voorschijn komt is het begrip verzorging. De
werkelijkheid is dan gebleken niet te beheersen en zelfs niet te besturen te
zijn - je kunt haar alleen maar verzorgen zodat alles tot zijn recht kan komen.
Doordat je er geen waarde aan hecht is dat mogelijk. Datzelfde geldt voor de
mensen onderling. Als zij zichzelf en elkaar gaan verzorgen laten zij alles
gaan zoals het gaat. Want iedereen moet tot zijn recht komen. Als wij zeggen:
je moet het kind niet opvoeden denkt bijna iedereen dat je bedoelt dat je het
aan zijn lot over zou moeten laten. Maar dat moet je juist niet. Je moet het
met de grootste zorg omringen, niet omdat het moet worden wat JIJ wilt dat het
wordt, maar omdat het ZICHZELF moet worden. Een dergelijke verzorging is veel
moeilijker en vereist veel meer wijsheid dat het zogenaamde opvoeden, dat in
feite geworteld is in het beheersen. Analyserende willen wij beheersen, maar
het andere daarvan is het verzorgen. En uiteraard niet het aan zijn lot
overlaten. Verzorgen kan je alleen maar dan als je weet wat zichzelf zijn is en
van daaruit maar één behoefte hebt: alles zo te verzorgen dat het tot zijn
recht komt. Dat is precies het andere van onze huidige wereld waarin zo
ongeveer alles schromelijk verwaarloosd wordt.
Bladwijzers: De Ratio / Rede-1 ; De Ratio / Rede-2
; Opvoeden-2 ; Opgevoed-1 ; Opvoeden-1 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ;
Het afschaffen van het slechte
Het toe groeien naar volwassenheid,
waaraan de mensheid onderhevig is, betekent niet het afschaffen van steeds meer
zaken, die als negatief en onmenselijk gewaardeerd worden. Zoals gezegd is dat
de gedachtegang in bijna alle utopieën. Toch vertoont de mensheid heel wat
slechtheid waarvan men terecht, door alle eeuwen heen, gevonden heeft dat die
op de een of andere manier zou hebben te verdwijnen. Daartoe hebben de mensen
zichzelf en de anderen regels gesteld, met de bedoeling de zaak zoveel mogelijk
binnen de perken te houden: omdat er dwang nodig is om die regels te handhaven
heeft men zich aan machten onderworpen, steeds in de ijdele hoop dat die
machten uitsluitend ten goede aangewend zouden worden.
Uitsluitend dus ter beteugeling van het slechte. Maar dat is onveranderlijk een
illusie gebleken: macht wordt voornamelijk gebruikt om bepaalde elites te
bevoordelen en de bevolking in een ondergeschikte positie te brengen en te
houden. Ondanks dat echter moet erkend worden dat het doormiddel van macht
afdwingen van regels een zekere mate van veiligheid biedt voor de mensen en dat
derhalve zaken als het recht en dergelijke van grote betekenis zijn. Zij komen
echter alle mee aan een alsnog onvolwassen mensheid. Als de mensheid nog
onvolwassen is komt een aantal menselijke essenties voor de dag op de wijze van
Onmenselijkheden. Het afschaffen van die onmenselijkheden - als dat mogelijk
zou zijn - betekent onvermijdelijk het afschaffen van menselijke kwaliteiten
die voor de toekomstige volwassen mensen juist kenmerkend zijn en zelfs wel
beschouwd kunnen worden als de basis van hun levenshouding. Het willen
afschaffen is dus een foutief streven van idealisten. Waarom het gaat is dat de
voorlopige Onmenselijkheden zich ontwikkelen tot, het andere, namelijk tot
datgene wat het werkelijk is: de mens als slotakkoord van de kosmos. Enkele
voorbeelden kunnen dat wellicht verduidelijken. De gehele menselijke
geschiedenis laat zien dat de mensen er steeds op uit zijn zoveel mogelijk
binnen te halen. Eigenlijk willen zij in hun eentje alles bezitten. Omdat
iedereen dat, meer of minder bewust wil, houdt de zaak zichzelf enigszins in
evenwicht en gelukt het aan niemand om de bezitter en beheerser van alles en
allen te worden. De moderne democratie is een voorbeeld van een stelsel dat het
individuele gedrang om de alleenheerschappij min of meer binnen redelijke
grenzen houdt. Zo’n democratie is voortdurend in gevaar, juist omdat wezenlijk
iedereen er op uit is zich alles toe te eigenen. Dit gevaar is het kleinste als
er zoveel mogelijk individuen en groepen mee kunnen doen. Het nadeel van de
trage besluitvorming weegt ruimschoots op tegen het voordeel van een
betrekkelijk stabiel evenwicht. Maar toch gaat het de (onvolwassen) mensen om
de alleenheerschappij en dat is op zichzelf een slechte zaak. Het kan de mensen
om die alleenheerschappij gaan omdat de mens en dus elke mens, het slotakkoord
van de werkelijkheid is, zodat al het bestaande de inhoud is van elke mens. In
zekere zin is het ieders bezit. Elke mens is heerser over de kosmos, maar het
is wel de vraag wat dat betekent. Voor onvolwassen mensen betekent het
de baas zijn zodat je de zaak naar eigen goeddunken kunt gebruiken. Maar voor
volwassen mensen betekent het de werkelijkheid verzorgen. In het eerste geval
is de kosmos er voor de mens, maar in het tweede is de mens er voor de kosmos,
d.w.z. voor een zo harmonieus mogelijke kosmos. De mens heeft die taak juist
omdat hij ook in staat is hier nee op te zeggen en de kosmos - althans zijn
eigen plekje in het heelal - naar de bliksem te helpen. De taak is het
VERZORGEN van de kosmos. Verzorgen wil zeggen: optimaal laten ontplooien. Dat
kan je alleen maar als je er, als het ware, boven staat. Wat dus in onvolwassen
mensen naar voren komt als de wil tot alleenheerschappij is in feite het
zich laten gelden van het feit dat het tot de natuur van de mens behoort de
kosmos te verzorgen. Het laat zich onvolwassen en dus verkeerd gelden net
zolang tot het de mensen duidelijk is geworden en dan blijkt het aanvankelijk
verkeerde zich te ontpoppen als een menselijke essentie. De alleenheerschappij
houdt in: veranderen volgens MIJN wil. Verzorgen houdt in: de belemmeringen
voor een volledige ontplooiing wegnemen. Treffend is dat de evangelische mensen
van destijds de Zoon van de mens (voor ons Jezus of Christus) de
Geneesheer van de kosmos noemden... Een ander voorbeeld: steeds meer heeft
de maatschappij te lijden onder vernielzucht en vandalisme. Normen en waarden verliezen hun
functie, het respect voor de overheid en voor de regels verdwijnt. Gezien
vanuit de zichzelf beschermende onvolwassen mensheid is dat verval een
kwalijke ontwikkeling die de
betrekkelijke veiligheid
en het welzijn aantast. Toch komt er hier iets (op uitermate negatieve wijze)
voor de dag dat voor de mensen essentieel is: nihilisme.
Dat wil zeggen het inzicht dat er aan de afzonderlijke dingen geen waarde
gehecht kan worden, ook niet aan de gestelde regels. Het nihilisme is de bodem
waarop straks de volwassen mensen met elkaar kunnen leven, maar in een onvolwassen
mensheid is het bedreigend en in veel opzichten zelfs misdadig. Vandalisme
is eigenlijk een ziekelijke uiting van nihilisme dat in een infantiele wereld
van normen en waarden niet uit de voeten kan, beklemd zit. Nog een voorbeeld:
je mag geen eigen rechter
spelen. We hebben in de loop der tijden de beoordeling van geschillen en de
berechting van misdrijven in handen gelegd van zogenaamd onafhankelijke
instanties. En we hebben dat terecht gedaan: onvolwassen mensen kunnen
niet onafhankelijk oordelen en hun eigen belang buiten beschouwing laten. Toch
blijkt zo ongeveer iedereen zijn eigen rechter te zijn. Alweer: het eigen
rechter zijn is essentieel en zal nooit kunnen verdwijnen. Het negatieve van de
zaak komt voort uit de onvolwassenheid, die oorzaak is van alle
verkeerdheid. De volwassen mens kan niet anders dan eigen rechter zijn omdat er
voor hem geen instantie bestaat die, met een beroep op hogere principes,
bindende besluiten neemt. Hij zal alles, ook de eventuele conflicten met zijn
medemensen, zelf en in onderling beraad moeten oplossen. Maar omdat hij dan in
het teken van de verzorging zal staan, kan hij niet anders dan steeds weer een
levensbevestigende oplossing bedenken. Welbeschouwd komt de onvolwassen mens, via zijn
onafhankelijke en hogere instanties, onveranderlijk met levens
ontkennende oplossingen: strafmaatregelen, vrijheidsberoving, gedwongen
aangepast gedrag, enzovoort. In feite is de mens altijd eigen rechter. Alleen komt dat in de onvolwassenheid
als iets gevaarlijks voor de dag en de mensen hebben gelijk als ze dat willen
beteugelen. Het eind is echter niet dat straks niemand meer eigen rechter zal
(willen) zijn, maar juist dat iedereen eigen rechter KAN zijn. Het utopistisch er uit
denken van die zaak levert een onmogelijke en foutieve voorstelling van de mens
op. Alle essentiële menselijke verhoudingen zijn ook in een onvolwassen
wereld aanwezig, alleen vertonen zij dit kenmerk dat zij allemaal verkeerd
uitpakken en bijgevolg als verkeerd beoordeeld worden. Op grond daarvan zegt
men dan dat de mens slecht is en dat dit bij hem ingeboren zit, maar wat men
doorgaans niet in de gaten heeft dat het slechte manifestaties van wezenlijke
goede dingen betreft, zodat er niets afgeschaft behoeft te worden. Het is
allemaal een kwestie van ontwikkeling en
eigenlijk is het maar goed dat die zogenaamde slechte dingen zich niet af laten
schaffen, dat de mens met recht onverbeterlijk genoemd kan worden. Degene
echter die wil verbeteren wil in wezen veranderen en dus macht uitoefenen.
Bladwijzer: Het karakter van onze kennis – Lees nrs. 61 t/m 68 ;
Het karakter van onze kennis
Het is noodzakelijk, bij het nadenken over
een mogelijke toekomstige volwassen mens, inzicht te krijgen in het karakter
van onze kennis. En dat is vooral noodzakelijk omdat in onze cultuur de neiging
bestaat de toekomst uitsluitend te laten afhangen van onze kennis en de
uitbreiding daarvan. Maar vervelend is dat onze kennis in zekere zin buiten
onszelf staat en vrijwel geheel aangepraat is. Dat geldt zowel voor betrouwbare
als onbetrouwbare kennis. Al eerder heb ik betoogd dat het godsdienstige geloof
niet meer is dan het aannemen van bepaalde waarheden. De wetenschappelijke
kennis evenwel zou steunen op toetsing en bewijsvoering en daardoor niets met
het aannemen van waarheden te maken hebben. In onze, op wetenschap gestoelde,
moderne wereld is dan ook een sfeer van kennis van zaken ontstaan die weinig
ruimte voor twijfel overlaat, ondanks het feit dat telkens weer blijkt dat die
kennis van zaken nauwelijks iets om het lijf heeft. De wetenschappelijke kennis
wordt in orde bevonden, maar de godsdienstige wordt verworpen. Nu is dat
laatste zonder twijfel terecht, maar het argument daarvoor deugt niet, omdat
beide soorten van kennis aangepraat worden. Ook de wetenschappelijke kennis
wordt je wijsgemaakt zonder dat je kunt toetsen en bewijzen. Er is wat dit betreft
geen verschil met de godsdienst. Als je op school moet leren hoe de atoomkern
in elkaar zit ga je het voorgeschreven natuurkundeboek bestuderen en je de
vermelde informatie inprenten. Maar niemand van ons is in staat die zaak te
controleren. Je bent gedwongen aan te nemen dat het klopt wat er in dat boek
staat. De controle daarop kan slechts door enkele mensen ter wereld uitgevoerd
worden. De overigen kunnen niet anders dan aannemen
dat en onderzoek en controle betrouwbaar zijn geweest. Voor iedereen, zelfs
voor de grootste geleerde, geldt dat verreweg het grootste deel van de kennis
oncontroleerbaar is en dat die kennis in de grond van de zaak slechts voor waar
wordt GEHOUDEN. En let wel: dat geldt voor elk mens en het heeft niets te maken
met de vraag of die kennis, in objectieve zin, juist en betrouwbaar is of niet.
Ook betrouwbare kennis wordt mij verteld en het hangt geheel van mijzelf af of
ik mij laat overtuigen of niet, want in laatste instantie kan ik zo ongeveer
niets controleren. Het is allemaal een kwestie van vertrouwen. In de praktijk
betekent dit dat je de moderne mensen alles kunt wijsmaken, mits je maar met
een vertrouwenwekkend verhaal komt. En dat is een verhaal dat overeenkomt met
de conditioneringen van het zelfbewustzijn. Het moet weerklank vinden. Over het
algemeen vindt het godsdienstige verhaal geen weerklank meer. De lijnen
waarlangs dit denken zich voltrekt sporen niet met de denklijnen van het
moderne denken. Dat is de enige reden waarom dit godsdienstige denken
tegenwoordig algemeen wordt afgewezen. Het komt niet meer betrouwbaar over. En
veel wetenschappelijk denken, vooral in de technologie, komt ook niet meer
betrouwbaar over. De zogenaamde waarheden evenwel kunnen in feite niet of
nauwelijks door ons gecontroleerd worden, zodat wij ook niet in staat zijn die
waarheden te beamen of te weerleggen. Daardoor blijft die kennis buiten ons,
het wordt geen deel van onszelf en wij trekken ons er niet veel van aan. Daar
komt nog bij dat de meeste waarheden relatief van karakter zijn, namelijk
alleen maar waar vanuit een bepaalde optiek: die van de econoom, van de
politicus, van de godsdienstige of van de atheist.
Juist dat relatieve karakter wijst er op dat het eigenlijk niet gaat om
toetsing en bewijsvoering, maar om overtuigingen die gebouwd zijn op het
vertrouwen dat bepaalde kennis al of niet oproept. Als je de wetenschap
vergelijkt met de godsdienst ontdek je dat beide het moeten hebben van het
OVERTUIGEN van de mensen, maar je ontdekt ook dat de wetenschap, in
tegenstelling tot de godsdienst, voortdurend in beweging is. Zij is steeds op
zoek naar nieuwe kennis en probeert bij dat zoeken zo betrouwbaar mogelijk te
zijn. Binnen de godsdiensten probeert men echter om oude kennis met alle
mogelijke middelen vast te houden. Elke godsdienst is fundamentalistisch.
Onderzoeken, denken en begrijpen zijn fnuikend voor de godsdienst. Hier heb je
een steekhoudend argument om het godsdienstige gedoe van de hand te wijzen,
maar als het gaat om de werking naar de mensen toe van godsdienst en wetenschap
is er in zoverre geen verschil dat beide de mensen wat wijs maken dat in geen
geval te controleren is en dat alles draait om de vraag of het je gelukt de
mensen te overtuigen.
Kennis vergaren
Het begrip kennis vergaren is in onze
moderne tijd danig verwaterd. In de Middeleeuwen bijvoorbeeld gingen sommige
mensen naar de universiteit omdat zij kennis wilden vergaren. Zij wilden
persoonlijk betrokken zijn bij de wetenschappelijke ontwikkelingen en in staat
zijn de kennis te toetsen. Daarvoor moest je op de universiteit zijn.
Toentertijd viel er nog wat te toetsen omdat het terrein van de wetenschap nog
maar uiterst beperkt was. Tegenwoordig is dat toetsen onmogelijk geworden door
de niet meer te verwerken hoeveelheid informatie en door het ontbreken van
geld. Het gaat de studenten niet meer om het vertoeven bij de bron van de
kennis, maar om het leggen van een maatschappelijke basis. Het gaat niet meer
om kennis, maar om opleiding. En dan is het nog steeds een feit dat de
universitaire opleiding de hoogste is, d.w.z. de laatste in een rijtje dat met
de kleuterschool begint. Slechts een enkeling gaat het om de wetenschap zelf,
maar die enkeling krijgt nauwelijks de kans om dat streven te realiseren omdat
slechts bepaalde maatschappelijk relevante studies en onderzoeken gefinancierd
worden. Al met al kunnen wij stellen dat er in onze, op wetenschap drijvende,
moderne wereld maar heel weinig wetenschappelijkheid bestaat en maar weinig
wetenschap bedreven wordt. Waar het in hoofdzaak om gaat is het overdragen, en
tegenwoordig zelfs wel VERKOPEN, van kennis, met de bedoeling daarmee je
voordeel te doen. Kennis, d.w.z. algemeen aanvaarde kennis, is veel geld waard
en er is de laatste jaren dan ook een levendige handel in ontstaan. Het is
koopwaar geworden. De wetenschappelijke kennis zal altijd een overgedragen
kennis zijn, die voor de gebruikers ervan voor waar gehouden wordt. Niemand kan
VOOR ZICHZELF die waarheid controleren. Dat zegt niets ten nadele van die
wetenschappelijke kennis. Zo is haar karakter nu eenmaal. Het zou goed zijn als
wij ons daarvan meer bewust waren, maar voorlopig drijven de mensen, in hun onvolwassenheid,
nog op de overtuigingen.
De moderne filosofie is vrijwel geheel
gebaseerd op feitenkennis. Het is dan ook opmerkelijk dat filosofische
gedachtegangen tegenwoordig ondersteund worden door de zogenaamde
notenapparaten waarin men hele reeksen uitspraken van anderen opsomt in de poging
zijn gelijk te bewijzen. Eigenlijk behoort de filosofie helemaal niet zo te
zijn. In de filosofie gaat het er juist om de werkelijkheid te begrijpen zonder
aangeprate, al of niet juiste, kennis. Je moet de werkelijkheid trachten te
begrijpen, louter doormiddel van je eigen denken en dus ook met behulp van
gegevens die je zelf kunt verwerven en controleren. Alles wat je meent te weten
moet om te beginnen als dubieus terzijde gelaten worden, juist omdat je er in
de grond van de zaak niet zeker van kunt zijn. Maar, bijna iedereen betwijfelt
of je eigenlijk wel iets vanuit jezelf kunt weten...
Bladwijzers: Opgevoed-1 ; Opvoeden-1 ; Opvoeden-2 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ;
De controleerbaarheid
Volgens de algemeen aanvaarde
wetenschapstheorieën moeten wetenschappelijke uitspraken bestreden kunnen
worden. Het gaat er daarbij niet om zo’n uitspraak koste wat het kost onderuit
te halen, hoewel je je vaak niet aan de indruk kunt onttrekken dat bepaalde
wetenschappers daarvan toch een soort van sport proberen te maken. Waarom het
gaat is dat een uitspraak zodanig onderbouwd zou moeten zijn dat het voor
anderen mogelijk is de tot die uitspraak leidende gedachtegang te
reconstrueren. Het gaat dus om de controleerbaarheid. Om te kunnen controleren
moet alle informatie ter beschikking staan. Op zichzelf beschouwd kan je die
eis tot controleerbaarheid redelijk noemen. Hij wordt dan ook door vrijwel
iedereen klakkeloos aanvaard. En het valt daarbij op dat blijkbaar niemand zich
afvraagt of een dergelijke eis wel te stellen is. Bij onderzoek blijkt dat dit
niet het geval is: elke poging tot controle, met de bedoeling te kunnen toetsen
of een bepaalde uitspraak juist is, loopt vroeg of laat (meestal vroeg) vast op
onderzoeksresultaten en daarop gegronde beweringen die niet na te gaan zijn, Of
omdat de praktische, technische en financiële mogelijkheden ontbreken, Of omdat
je er geen tijd voor hebt - wat meestal het geval is. Dat geldt dan nog in
hoofdzaak voor controles binnen je eigen vakgebied, maar voor de meeste gewone
mensen ontbreekt ook de nodige scholing. Als kennis echter controleerbaarheid
vereist geldt dit ook voor die gewone mensen en niet alleen voor een hoog
opgeleide elite. We zijn dus genoodzaakt, bij het nadenken over de kennis en
het karakter van de kennisverwerving de Oncontroleerbaarheid als uitgangspunt
te nemen en de gedachte van toetsing en bewijsvoering als een illusie van de
hand te wijzen. En daarbij moeten wij ons er goed van bewust zijn dat deze
illusie niet voortkomt uit een gebrekkig omgaan met onze kennis, maar uit een
verkeerde en ondoordachte benadering van de wetenschap. Zou die benadering
reëel zijn, dan zouden wij vanzelfsprekend aanvaarden dat alle kennis, d.w.z.
wetenschappelijke kennis, OVERGEDRAGEN kennis is, die voor waar wordt gehouden
(al of niet terecht) op grond van overtuigingen en gevoelens en niet door
toetsing en bewijsvoering. En wij zouden aanvaarden dat dit NIET ANDERS KAN en
dat dit dus op zichzelf best in orde is. Wij zijn ervan overtuigd dat er ergens
een continent ligt dat wij Amerika noemen. Maar zelfs als wij er naar toe gaan
om zelf te controleren of dit juist is moeten wij die controle uitvoeren met
informatie die ons door anderen verstrekt is: er staan wolkenkrabbers, er is
een vrijheidsbeeld, men spreekt er voornamelijk engels,
enz. Zien wij een satellietfoto van dat continent, dan nemen wij aan dat het
juist is als men ons mededeelt: dit is nu Amerika. Gewoonlijk is er geen reden
om aan de juistheid van die mededeling te twijfelen, maar het blijft mogelijk
om ons voor de gek te houden. Een ieder kan nagaan dat je, doorredenerende,
steeds op die onzekerheid stuit en dat dit niet uit de kennis weg te denken is.
Tenslotte blijkt het allemaal een kwestie van VERTROUWEN te zijn en dat is
hetgeen de doorslag geeft. In het algemeen is te zeggen dat dit vertrouwen door
de wetenschap niet beschaamd wordt, maar het is toch ook nuttig om enige
reserve in acht te nemen omdat er soms wel degelijk loze beweringen gedaan worden,
omdat er vanuit een of ander belang gelogen wordt, of omdat iets als zeker
wordt voorgesteld zonder dat men de zaak in alle opzichten onderzocht heeft.
Hoewel men dat nooit toe wil geven blijkt juist bij nieuwe ontwikkelingen en
inzichten vaak duidelijk hoezeer het allemaal gegrond is op overtuigingen. Zo
is het tot op heden nog nooit gelukt om glashard te bewijzen dat het heelal
ontstaan is met de zogenaamde Big Bang, tengevolge van het
uiteenspatten van een hoeveelheid uitermate verdichte materie. Ook de theorie
dat de hemellichamen zich van ons verwijderen omdat die explosie nog steeds
werkzaam zou zijn is niet bewezen. De hele voorstelling van zaken klopt dan ook
van geen kant, maar hij wordt toch gretig aanvaard omdat hij overeenkomt met de
overtuiging dat het heelal eens begonnen zou moeten zijn. Onze moderne wereld
is gegrond op de wetenschap. Dat betekent echter niet dat de beschikbare kennis
maatgevend zou zijn. Maatgevend is de vraag of de mensen bereid zijn zich van
bepaalde waarheden te laten overtuigen. Die al of niet aanwezige bereidheid
wordt niet bepaald door bewijsvoeringen en toetsingen, maar door
conditioneringen en belangen. Het maatschappelijk mechanisme van
kennisoverdracht en het gebruik van kennis is bijgevolg geen denkmechanisme, maar
een psychische werking die met allerlei gevoelens te maken heeft. De
vergissing, die steeds gemaakt wordt, is deze dat men denkt volgens rede en
logica bezig te zijn terwijl men in feite die rede en logica niet eens
gebruiken kan omdat deze in feite nergens toe te passen zijn. De
kennisoverdracht is op zichzelf geen logisch proces. Het is een proces van
aannemen dat iets zo is omdat degene die het vertelt betrouwbaar overkomt,
doorgaans op grond van bepaalde officieel erkende kwalificaties. De doctorstitel
geeft, bij het aannemelijk maken van bepaalde, waarheden, een flinke voorsprong
op niet gegradueerden. Met zo n titel kan je gemakkelijk kennis aannemelijk
maken, zelfs op gebieden die je eigen vakgebied niet zijn. De betrouwbaarheid
van je kennis moet uit je kwalificatie blijken. Dat is logisch en
onvermijdelijk voor zover het over het overdragen van kennis gaat. Als voor de
mens zou gelden dat hij alles kon controleren, zou kennis niet overgedragen
behoeven te worden. Maar zo is het nu eenmaal niet. Wat dus het maatschappelijk
mechanisme van de kennisoverdracht betreft verschilt onze moderne
wetenschappelijke wereld niet van de vroegere toen er nog allerlei
godsdienstige waarheden overgedragen werden. Doordat alle kennis noodzakelijk
in laatste instantie oncontroleerbaar is, blijft zij steeds buiten de mens
staan. Weliswaar neemt een mens de kennis in zijn zelfbewustzijn op en maakt
haar op die manier tot zijn inhoud, maar het is toch een inhoud die van jezelf
onderscheiden is. Je kunt dan ook allerlei doen met die inhoud, je er niets aan
gelegen laten liggen, er nog meer bij proppen, maar ook kan je haar vergeten.
Als je de zaak niet steeds opnieuw opfrist vergeet je op den duur alle kennis.
Er is dus een afstand tussen jezelf en je kennis. Men heeft daarvan natuurlijk
al lang een besef gehad, maar pas in de loop van de 19e eeuw is men op het idee
gekomen die afstand in positieve zin te interpreteren: die afstand is de basis
voor de objectiviteit, het kennen van dingen zonder er zelf in betrokken te zijn.
Wat waar is, is waar, of ik dit nu leuk vind of niet! Deze opvatting, namelijk
dat de afstand nodig is voor een betrouwbare, objectieve benadering van de
werkelijkheid, heeft het moderne denken volledig bepaald. Had men zich
gerealiseerd dat die afstand voor een mens helemaal geen zekerheid opleverde,
dan had men wellicht intensiever naar de werkelijke bron van zekerheid gezocht
en een heleboel wetenschappelijke ficties vermeden. Want nu wemelt het van die
ficties: over de zogenaamde veiligheid, over genetische manipulatie om betere
mensen te maken, over een toekomstig vertoeven in de ruimte, over opvoeding van
de mensen, enzovoort. Anderzijds zou het niet mogelijk zijn geweest allerlei
godsdienstige voorstellingen naast de wetenschappelijke te laten voortbestaan.
Bovendien zou de weg naar een werkelijk menselijke wereld veel meer open
gelegen hebben. Dit evenwel is een als, want de weg van de mens is een
andere...
Bladwijzers: Opgevoed-1 ; Opvoeden-1 ; Opvoeden-2 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ;
Aannemen dat iets waar is
Eigenlijk staat alle kennis buiten je, je
kunt je er al of niet iets aan gelegen laten liggen. Kennis is inhoud van je
zelfbewustzijn geworden, je hebt haar als het ware er in gestopt. Kennis is te
vergaren. Maar ook dreigt je kennis voortdurend weg te zakken, zodat je
genoodzaakt bent de zaak bij te houden. De kennis wordt nooit een deel van
jezelf, een deel dat onverbrekelijk bij je hoort, zoals dat bijvoorbeeld met de
organen van je lichaam het geval is. Dat betekent evenwel niet dat de mens
denkbaar zou zijn zonder kennis, zoals vroeger een aantal oosterse denkers
meenden. De kennis hoort er bij, letterlijk. Ieder mens vergaart, gewild of
ongewild, kennis; de één meer, de ander minder. Die kennis wordt van buitenaf
opgenomen en tot je bezit gemaakt en daarbij is niet bepalend of er al of niet
voldoende aanbod van kennis is (hoewel dit natuurlijk wel een rol kan spelen),
maar bepalend is de vraag Of je en hoe je voor die aangeboden kennis
ontvankelijk bent. Die ontvankelijkheid is het resultaat van genoten
opleidingen, maar ook van cultuuropvattingen die je ingeprent zijn. Lang niet
altijd zijn mensen in staat aangeboden kennis op te nemen omdat hun
cultuurvoorstellingen er aan in de weg staan. Ontwikkelingswerkers kunnen
daarvan meepraten. Als je aangeboden kennis in je opneemt wordt het inhoud van
je zelfbewustzijn, maar het blijft vreemd aan je wezen. Het blijkt dan ook dat
men met zijn kennis kan doen wat men verkiest. Je kunt haar met allerlei
bedoelingen aanwenden: ten voordele van jezelf (meestal), of ten voordele van
de mensheid (af en toe). Kernfysici bijvoorbeeld doen met een zelfde
hoeveelheid kennis geheel tegengestelde dingen: zij kunnen tot de conclusie
komen dat kernenergie opwekken verantwoord en nodig is, maar ook
kunnen zij tot de conclusie komen dat het onverantwoord en nutteloos is.
Allemaal weten zij hoe gevaarlijk het is, kennen zij de vernietigende werking
van straling, enzovoort, maar toch wenden zij die kennis op verschillende
manieren aan. En dat kan omdat alle kennis wezenlijk buiten je staat en het in
bezit nemen ervan dat buiten je staan niet opheft. Doordat dit zo is kan men
altijd onder zijn kennis uit, zich er niets aan gelegen laten liggen en de
prioriteit bij allerlei andere belangen leggen. Bijgevolg leidt kennis niet tot
een onontkoombaar redelijk doen en laten van de mensen. Nogmaals: daarbij
speelt dus een rol de vraag 1) of je bereidt en in staat was de aangeboden
kennis aan te nemen en 2) wat je verkiest met die aangenomen kennis te doen.
Vertrouwenwekkend of niet
Je kunt opmerken dat aangeboden kennis,
vooral als dit ongevraagd via de media gepresenteerd wordt, door bepaalde
individuen en groepen onmiddellijk als onwaar wordt bestempeld, terwijl anderen
die aangeboden kennis zonder meer als waar aanvaarden. In beide gevallen kunnen
we het al of niet controleerbaar zijn van het aangebodene buiten beschouwing
laten. Sommigen nemen aan dat het zo is en anderen doen dat niet. Dat zou niet
mogelijk zijn als er voor de kennis en de overdracht daarvan gold hetgeen er altijd,
vanuit de wetenschap, van gezegd wordt. Te stellen is de vraag: is er soms iets
in de mensen dat hen, meer of minder zelfbewust, in staat stelt als het ware de
waarheid te herkennen, ongeacht de al of niet aanwezige kennis van zaken?
Voelen de mensen (in de verte) aan hoe het eigenlijk zit, ook wat betreft de
kennis? De vraag is niet: zit er, bij voorbaat, alle kennis in de mensen
opgesloten, ergens in een afgelegen hoekje van de menselijke geest, zoals
bijvoorbeeld Aristoteles veronderstelde, die meende dat men het zich slechts
behoefde te herinneren. En ook vraag ik niet naar de door Kant bedachte
a-priorische kennis. Daarnaar vraag ik niet omdat deze zaken onder de rubriek
KENNIS vallen en dus onderhevig zijn aan al hetgeen al eerder over dit onderwerp
gezegd is. Het gaat nu om een besef van waarheid ongeacht een grotere of
kleinere hoeveelheid aanwezige kennis. Het antwoord op die vraag is niet zo
moeilijk. Al eerder hebben wij het gehad over het bewustzijn, als beweeglijk
beeld van de werkelijkheid in het verschijnsel mens. Het zichtbaar zijn van dat
beeld is afhankelijk van de in het zelfbewustzijn (evt. het denken) aangelegde
kaart van de ons omringende werkelijkheid. Die kaart echter is altijd
onvolkomen, onduidelijk, rafelig en vertekend. Daardoor straalt er altijd iets
van het beeld doorheen en het is op grond van dat, meer of minder vaag
doorstralende beeld, dat aangeboden kennis al of niet bij de ontvanger
vertrouwen wekt. De aard en kwaliteit van dat doorstralen van het beeld is
afhankelijk, uiteraard, van de gesteldheid van het betreffende zelfbewustzijn.
Is dat zelfbewustzijn erg geconditioneerd door cultuurvoorstellingen en
vergaarde kennis, dan zal er weinig van het beeld doorstralen en dat weinige
zal gekleurd zijn bovendien. Is die conditionering geringer, zoals dat bij de
gewone mensen het geval is, is de doorstraling zuiverder en betrouwbaarder. Hoe
dan ook, het is deze doorstraling die bepalend is voor de mate van vertrouwen
dat men stelt in de kennis die aangeboden wordt. Om iets anders dan vertrouwen
hebben in gaat het niet. Dat bepaalt de mate waarin aangeboden kennis voor waar
gehouden wordt. Dat VERTROUWEN wordt dus bepaald door de mate en de aard van de
conditioneringen, die uitmaken wat kan doorstralen en wat niet. Statistisch gezien
en dus over een lange periode en over zoveel mogelijk mensen, zijn het de door
mij als gewone mensen betitelden, die steeds hebben aangevoeld hoe het zit en
aan betrekkelijk waarheidsgetrouwe kennis en denkbeelden hun vertrouwen hebben
geschonken. Ondanks een heel verwarrend aanbod van kennis omtrent oorlog, vrede
en bewapening, omtrent moderne chemische en nucleaire technologieën, omtrent
honger, armoede en rechteloosheid in de derde wereld, enzovoort, voelen juist
de gewone mensen aan dat het allemaal niet deugt en hechten zij weinig waarde
aan de kennis van voor- en tegenstanders.
De wetenschappelijke paradox
Er is tegenwoordig veel te doen over de
zogenaamde genetische manipulatie. Men vraagt zich af waartoe dit allemaal zal
leiden en of het niet de hoogste tijd wordt om praktische en ethische regels op
te stellen en de grens van het toelaatbare te bepalen. Toch is men er zich van
bewust dat de wetenschappelijke ontwikkeling door zal gaan en dat je er zeker
van kunt zijn dat men straks inderdaad aan levende wezens van tevoren bepaalde
genetische programma’s kan opleggen. We hebben dus te doen met wetenschappelijk
juiste kennis, d.w.z. we kunnen gevoeglijk aannemen dat die kennis juist is.
Die kennis beantwoordt aan de wetenschappelijke normen. De beoordeling van die
kennis echter ligt niet bij de wetenschappelijke normen, maar bij het al of
niet verantwoord zijn in het licht van het BEELD van de werkelijkheid. Bij ons
bewustzijn dus. En dan kan je nu al wel zeggen dat de zaak niet verantwoord is
en zelfs ONJUIST genoemd moet worden. De paradox is dus het tegelijkertijd
gelden van een wetenschappelijke waarheid en een werkelijke Onwaarheid. In ons
voorbeeld: het leven is niet te manipuleren, te verbouwen, en tegelijkertijd
kan het wetenschappelijk en technisch wel. Deze paradox speelt onvermijdelijk
een rol op het hele gebied van onze kennis, maar hij wordt bijna altijd
terzijde geschoven met een beroep op de zogenaamde vooruitgang in het licht van
een wereld die eerst dan in orde zou zijn als letterlijk alles wetenschappelijk
beheerst wordt. In feite gaat het er echter om dat de wereld wetenschappelijk
gekend wordt in plaats van beheerst en met het in de gaten hebben daarvan lost
de paradox zich op.
No. 64
Een waarschuwing
Het is van belang je te realiseren dat het
feit dat alle kennis in de grond van de zaak oncontroleerbaar is, niet
uitgelegd mag worden ten nadele van die kennis of van de wetenschap, voor zover
die bezig is kennis omtrent de werkelijkheid te verwerven. Je hebt geen keuze:
de aangeboden kennis moet je aannemen, of niet. Dat zit in het karakter van de
kennis en dus is daarover geen oordeel uit te spreken in de zin van goed of
slecht. Zo steekt het complex van de kennis en de wetenschap in elkaar en het
heeft geen zin het anders te wensen. Waar het echter om gaat is de
wetenschappelijke pretentie dat alles controleerbaar zou zijn en dat
controleerbaarheid een essentiële eis voor wetenschappelijkheid zou zijn. Die
pretentie nu is misleidend omdat hij onterecht is. In feite hangt het
accepteren of afwijzen van aangeboden kennis af van OVERTUIGINGEN, die hun
ontstaan aan iets buiten-wetenschappelijks te danken hebben. Zij komen voort
uit voorstellingen over de werkelijkheid en die voorstellingen handhaven zich langdurig,
voornamelijk door overgedragen conditioneringen. Dit in te zien is belangrijk
en niet in de laatste plaats voor de wetenschap zelf, omdat het tot een grotere
betekenis van de ONZEKERHEID leidt. De Onzekerheid is een veel belangrijker
stimulans voor een echt wetenschappelijke benadering van de werkelijkheid dan
de zogenaamde zekerheden. Je kunt zelfs wel zeggen dat het zoeken van
Onzekerheden tot een heel wat betrouwbaarder wetenschappelijk onderzoek leidt
dan het veel voorkomende streven om de onzekerheden bij voorbaat uit te
sluiten. Juist het werken met die vreemde Onzekerheden, wat maar heel weinig
beoefend wordt en wat volgens de meeste wetenschappers voor onmogelijk wordt
gehouden, levert een schat aan kennis en inzichten op.
Het stiefkind, subjectiviteit
In het moderne wetenschappelijke denken
wordt de subjectiviteit als iets verwerpelijks beschouwd. Het zou gaan om eigen
meningen, waarmee je niet alleen alle kanten uit zou kunnen, willekeurig naar
eigen believen, maar vooral zou het gaan om oncontroleerbare zaken die niet
toegankelijk zouden zijn voor gedegen bewijsvoeringen. Opvallend is dat juist
de enige mogelijkheid tot controle, die een mens ter beschikking staat,
afgewezen wordt met behulp van argumenten die precies betrekking hebben op
datgene dat als het enig betrouwbare wordt gewaardeerd. Het is de omgekeerde
wereld. Maar, al is dat dan het geval, het is best te begrijpen waarom dit
gebeurt en zelfs is te zeggen dat dit niet helemaal ongegrond is. Je komt daar
achter als je nog eens precies nagaat hoe de verhouding is tussen het
zelfbewustzijn en het bewustzijn van de mensen en wat die verhouding voor
situaties oplevert. Dan blijkt er wel degelijk een Onbetrouwbaar element in de
zaak te zitten en inderdaad is dit onbetrouwbare moment gelegen in iets wat je
best wel subjectief zou kunnen noemen. Hoewel wij de kwestie van het ten
opzichte van elkaar functioneren van zelfbewustzijn en bewustzijn al vaak
besproken hebben, is het toch goed om een en ander nogmaals uiteen te zetten.
Je kunt dan zien waarom en in hoeverre het subjectieve terecht onbetrouwbaar
gevonden wordt, maar ook hoe het in het moderne denken ontbreekt aan inzicht in
de structuur van de mens. Vrijwel altijd worden zaken als bewustzijn en
zelfbewustzijn meedogenloos door elkaar gehaald en daardoor ontstaat er een
gigantische verwarring, die op zichzelf nu niet bepaald bevorderlijk is voor
zowel een helder begrip van de menselijke vermogens tot kennisverwerving als
het willen begrijpen en eventueel accepteren van een meer plausibele gedachtegang.
Het bewustzijn
Alle verschijnselen zijn (eenvoudig
gezegd) trillingsverschijnselen. Dat geldt ook voor de mens. In alle levende
verschijnselen zijn in de trillingssituatie, die zij
individueel zijn, de voorgaande (zeg: primitievere) trillingssituaties
opgenomen. In het laatste verschijnsel zijn dus alle mogelijke trillingssituaties aanwezig en dat betekent dat de gehele
werkelijkheid ALS TRILLING aanwezig is. Dat is dus bij de mens het geval. Deze,
de gehele werkelijkheid omvattende, trilling doet zich in de mens gelden bij
wijze van een trillend beeld. Dat beeld nu is bij een mens het bewustzijn.
Uiteraard is dat beeld bij alle mensen hetzelfde: het is de werkelijkheid op de
wijze van een trillingstoestand.
Het zelfbewustzijn
Omdat de mens het laatste verschijnsel is
geldt voor hem ook nog zelfbewustzijn. Uitleggen waarom dat zo is, zou thans te
ver voeren. Ik volsta dus met te zeggen dat het zelfbewustzijn zich
manifesteert als datgene dat wij de menselijke geest plegen te noemen. Vanuit
die geest beschouwt de mens zijn eigen bewustzijn, het beeld dus. En nu hangt
het geheel van die geest af HOE die beschouwing uitvalt. Hierover hebben wij op
blad 45 en volgende reeds gesproken. Wij leggen in onze geest een kaart aan van
de werkelijkheid, een bepaalde voorstelling dus. Nu is het deze kaart,
afhankelijk van de fase van ontwikkeling, op grond daarvan geprogrammeerd en in
een ieder op eigen wijze tot een conditionering geworden, die bepalend is voor
het meer of minder waarheidsgetrouw beschouwen van het beeld, het bewustzijn,
in onszelf.
Waar zit het probleem
De kaart, aangelegd in onze geest, is
altijd subjectief, ook al is hij opgebouwd uit een heleboel algemeen aanvaarde
elementen. Worden van hieruit uitspraken gedaan over de werkelijkheid als
beeld, dan kan je er op rekenen met een onbetrouwbare, een vertekende zaak van
doen te hebben. In zoverre is het terecht de subjectiviteit te verwerpen.
Talloze zogenaamd wetenschappelijke uitspraken, die de pretentie hebben niet
subjectief te zijn, vallen wel degelijk onder deze rubriek. Zelfs kunnen wij
stellen: hoe harder wetenschappelijk uitspraken zijn, hoe meer zij vanuit de
genoemde kaart gedaan worden en dus subjectief zijn. Je kunt dat heel goed
merken als de technologie ter discussie staat. De één verdedigt dit en de ander
dat en het is onmogelijk eenduidige conclusies te trekken. In het algemeen: hoe
harder de kaart in iemands geest, hoe meer wij te doen hebben met een
verwerpelijke vorm van subjectiviteit. Logisch is dat met het leren doorzien
van de kaart in je eigen geest de betrouwbaarheid van je uitspraken toeneemt.
Het enige, van onze persoonlijke structuur onafhankelijke, namelijk het beeld
van de werkelijkheid, kan zich dan laten gelden. Deze subjectiviteit is in
wezen objectief, het gaat nu inderdaad over de werkelijkheid. Frappant is dat
de wijsgeer Spinoza er destijds al op gewezen heeft dat het voor de mens
noodzakelijk is zijn verstand te zuiveren, een inzicht waarop in de filosofie
nauwelijks voortgeborduurd is... Vroeger maakte men wel een onderscheid tussen
kennis en weten en het is helemaal zo gek nog niet dit onderscheid weer te gaan
hanteren. Zicht op het bewustzijn levert namelijk weten op. Met dit weten kan
je in zoverre de werkelijkheid analyseren dat je de VERSCHIJNSELEN kunt
uiteenleggen en de samenstellende delen, voor zover die zelf ook verschijnselen
zijn. Maar een analyse van de materie kan je er niet mee maken: uitzoeken wat
de samenstelling is van keukenzout vereist wetenschappelijke analyse. De
werkelijkheid uiteen leggen in keukenzout en de andere verschijnselen kan wel
vanuit het beeld. Een dergelijk uiteenleggen, mits consequent volgehouden,
levert een uiterst genuanceerd weten op.
No. 65
Het beeld en het zien daarvan
Het beeld in de mens, dat wij kennen als
het, bewustzijn is voor iedereen precies hetzelfde beeld. Het is namelijk de
(gehele) werkelijkheid, bij wijze van trilling. Die trilling is ontstaan zoals
alle verschijnselen vanuit de beweeglijkheden ontstaan zijn. Het is gewoon een
verhouding van beweeglijkheid, binnen het verschijnsel en het heeft op zichzelf
niets met de individuele gesteldheid van een mens te maken. Wat daarmee evenwel
wel te maken heeft is het zelfbewustzijn. Dat is er de oorzaak van dat elk individueel
mens de zaak op een andere wijze ziet en ondergaat. Je zou dan ook kunnen
zeggen: als het mogelijk zou zijn dat mensen allemaal een GLASZUIVER
zelfbewustzijn zouden hebben of verkrijgen, een zelfbewustzijn dat niets aan
dat beeld verandert, dan zouden de mensen allemaal hetzelfde denken. De vraag
hierbij is echter Of een geheel zuiver zelfbewustzijn denkbaar en mogelijk is
en ten tweede ligt hier de vraag of zo’n eventueel zuiver zelfbewustzijn toch
niet op de een of andere manier individueel gekleurd is. Als wij nu eens
veronderstellen dat bijvoorbeeld twee mensen qua zelfbewustzijn glashelder zijn
dan zouden aan die mensen totaal geen nuances van de werkelijkheid als beeld
ontgaan. Zij zouden alles, tot in de fijnste schakeringen, zien. Maar toch zou
dat bij de één wat anders gekleurd zijn dan bij de ander. Precies zoals twee
kunstenaars, van wie we nu even veronderstellen dat zij beiden even geniaal
zijn, toch op eigen wijze de zaak zouden verbeelden en uitbeelden. Beiden zien
de werkelijkheid als beeld precies zoals ze is, maar voor beiden is zij toch
iets anders. De moeilijkheid zit in het feit dat wij, vanuit onze denktraditie,
als vanzelfsprekend veronderstellen dat zuiverheid maar op één manier mogelijk
is. Wij zijn de dupe van onze neiging om alles op een kwantitatieve manier te
beoordelen. Aan een bepaald aantal normen en kwalificaties moet voldaan zijn en
als iets daaraan niet voldoet blijft het beneden de maat. Maar als het gaat
over zuiverheid gaat het om het overeenkomen met de werkelijkheid. Een
eenvoudig stukje muziek, bijvoorbeeld, kan zuiverder zijn (overeenkomen met de
werkelijkheid) dan een ingewikkeld en volgens normen en kwalificaties opgebouwd
muziekstuk. In onze cultuur echter hebben wij de neiging dit laatste te prijzen
en te bewonderen en aan het eerste geen aandacht te besteden: we vinden dat
goed genoeg voor amateurs. In de filosofie verlangen wij ingewikkelde en
wetenschappelijk verantwoorde, betogen en zien aan eenvoudige inzichten
voorbij. Zuiverheid betekent dus niet voldoen aan bepaalde normen, maar het
betekent samenvallen met. Een glashelder zelfbewustzijn valt samen met het
beeld (het bewustzijn), maar het valt wel OP ZIJN WIJZE samen. Als
zelfbewustzijn laat de materie zich gelden alsof ze geen materie zou zijn. Als
geen materie is de zaak onbelemmerd beweeglijk, door niets bepaald, volkomen
vrij. Maar, wat wij licht vergeten is dat het wel de materie is, die zich als
niet-materie laat gelden. Het is dus een bepaalde zaak, een bepaalde verschenen
verhouding van beweeglijkheden, die zichzelf ontkent. En nu is het dit bepaalde
karakter van de materie, de éne keer een beetje zus, de andere keer een beetje
zo, dat het niet materie zijn kleurt. Het belemmert het niet, het vertekent het
niet, maar het geeft het een eigen kleur. Je kunt ook zeggen: een eigen sfeer.
Veronderstellen wij nu dat bij een aantal mensen het zelfbewustzijn glashelder
is, dan heeft het toch bij al die mensen een verschillende kleur, zonder dat
bij een van hen het samenvallen met de werkelijkheid vervallen is. Wij kunnen
spreken van variaties in kleur, in sfeer. Wij gingen nu uit van een
zelfbewustzijn dat glashelder zou zijn, maar in feite is bij ieder mens het
zelfbewustzijn in meerdere of mindere mate geconditioneerd. Er zijn altijd wel
bepaalde programma’s ingeprent, wegen waarlangs het denken zich voortbeweegt.
Vanuit deze programma’s wordt het zien van het beeld in onszelf (het
bewustzijn) min of meer belemmerd. Hier zouden wij kunnen spreken van variaties
in helderheid, in die zin dat het zelfbewustzijn (evt. het denken) van de één
meer van het beeld doorlaat dan dat van de ander. Hierover hebben wij meer dan
eens gesproken. Van belang is om in de gaten te hebben dat het altijd het
zelfbewustzijn is dat het zicht op de werkelijkheid belemmert. Dit, belemmeren
is essentieel. Wijs worden wil dan ook niet zeggen dat je op de een of andere
manier je zelfbewustzijn, je denken, zou moeten ontwikkelen, d.w.z. oefenen om
helder te worden, maar het wil daarentegen zeggen dat je je zelfbewustzijn zou
moeten afwennen het zicht op de werkelijkheid te belemmeren. Je kunt zeggen:
wij moeten niet iets aanleren, maar juist iets afleren. Dit ligt volkomen tegen
de gebruikelijke cultuuropvattingen in. Nog steeds heeft men hoge verwachtingen
van de ontwikkeling van het denken, in die zin dat het zou gaan om het
vergroten van onze kennis. Volgens sommigen zou de mens zelfs zijn hersens
moeten verbeteren - hoe krijgt men het verzonnen! In feite echter levert het
vergroten van onze kennis alleen maar een nog grotere belemmering op, althans,
zolang we niet in de gaten hebben hoe de verhoudingen wat dat betreft liggen.
Spinoza echter sprak van zuiveren en dat is precies het andere van kennis
vergroten.
Het afleren
Het afwennen van het belemmeren, wil dat
nu zeggen dat je zou moeten proberen je conditioneringen, op grond van
tradities en verworven kennis, kwijt te raken? Moet je, net als de oude Chinese
Zenboeddhisten, de boeken gaan verbranden omdat kennis aan inzicht in de weg
staat? Dat is uiteraard onmogelijk omdat kennis bij de mens behoort. Het
opheffen van de conditioneringen wil niet zeggen afschaffen, maar het wil
zeggen dat je ze leert doorzien. Je moet wéten dat ze in je zelfbewustzijn
aanwezig zijn en je moet wéten hoe ze functioneren. Als je dat weet houden zij
op belemmerend te werken omdat je je er dan niet meer aan uitlevert. Je kunt
zeggen: de conditioneringen beheersen dan niet meer jou, maar jij beheerst je
conditioneringen. En dan kan je ze echt benutten, al naar gelang de opgaven die
je jezelf op een zeker moment stelt. Bij alle handelingen, ja zelfs bij het
gehele overleven spelen conditioneringen een grote rol. De straat oversteken
zonder op het gevaar geconditioneerd te zijn is vrijwel onmogelijk, iedere keer
uitzoeken hoe je een potje thee moet zetten is idioot. Vakmanschap zonder
conditionering is volslagen ondenkbaar, enzovoort. Zou je echter die
inprentingen niet doorzien, je zou nooit de mogelijkheid hebben sommige dingen
eens wat handiger en wat efficiënter te gaan doen. Welbeschouwd is alle
werkelijke vooruitgang te danken aan het doorzien van inprentingen, die vaak
eeuwenlang stand hebben gehouden. In feite heeft het zelfbewustzijn, het
denken, zich niet geleidelijk verhelderd, maar heeft zich het telkens weer
ingeprente kaartsysteem opgeheven en doorzichtig gemaakt. Het kan ook niet
anders in elkaar steken, want het zelfbewustzijn is bij de mens materie als
niet-materie, en dat was natuurlijk ook bij de oermensen het geval. Het is
gewoon de verhouding van de beweeglijkheden onderling, die voor het
verschijnsel mens geldt. Met het verschijnen van die mens treedt die verhouding
op en dat blijft zo zolang er mensen zijn, waar ook in het heelal. Het doorzien
van de conditioneringen maakt ze bruikbaar en nuttig.
No. 66
Nog wat over het denken
Hoewel de moderne wereld stoelt op een
eeuwenlange denktraditie, kan je toch constateren dat de kwaliteit van het
hedendaagse denken niet bijzonder groot is. Bovendien valt op dat er een
onredelijk grote waarde aan het zelfbewustzijn gehecht wordt voor zover dit
zich als denken vertoont en laat gelden. Dat dit denken niet veel voorstelt
wordt nauwelijks door iemand ingezien, reden waarom die grote waarde die er aan
gehecht wordt vrijwel nooit gerelativeerd wordt. Het zogenaamde denken wordt
als de maat gesteld en het wordt beschouwd als het instrument waarmee de mens
in staat zou zijn zich boven eigen natuurlijkheid uit te werken. Die
verwachting, namelijk dat het denken ons op den duur tot humane mensen zou doen
ontwikkelen, moeten wij zo langzamerhand eens van ons af gaan zetten. Het
denken leidt niet tot humaniteit, maar tot iets geheel anders. Dat andere kan
niet gemist worden, zodat we wat dat betreft de betekenis van het denken niet
mogen onderschatten, maar het is niet het denken zelf dat de mens leidt op de
weg naar humaniteit. Het zelfbewustzijn, en dus ook het denken, wordt voor de
mens pas zinvol als het tenslotte door zichzelf heen is. Het heeft dan een
BEVRIJDINGSPROCES doorlopen. Het heeft de mensen van iets bevrijd. Zij hebben
niet iets aan zichzelf toegevoegd, zodat je van een verbetering zou kunnen
spreken, maar zij hebben in zichzelf BELEMMERINGEN weggenomen. Die
belemmeringen hebben de mensen steeds zelf opgeworpen, niet omdat zij zo dom
zouden zijn, maar doordat daaraan voor hen niet te ontkomen was. Omdat zij
ongeprogrammeerd op de planeet zijn verschenen hebben zij van alles moeten
leren en aanleren. Dat is op zichzelf onvermijdelijk, maar evenzeer
onvermijdelijk is dat dit aangeleerde een belemmering wordt voor het menszijn.
Net zoals bij een volleerd pianist het aangeleerde pianospelen een belemmering
kan gaan vormen voor datgene waarom het eigenlijk gaat: het ten gehore brengen
van mooie muziek. En net zoals bij een aankomend wetenschapper de aangeleerde
kennis een belemmering kan zijn voor het opmerken van nieuwe dingen. Het
kunstenaar-zijn en het wetenschapper-zijn worden gekenmerkt (als het goed is)
door het openstaan voor de werkelijkheid. De kunde en de kennis, voor zover die
aangeleerd zijn, dienen slechts voor het verstaanbaar en begrijpelijk maken van
de werkelijkheid. Als het gaat om het aanleren van iets komt er voor een mens
iets bij, maar als het gaat om een humaan zelfbewustzijn moet er iets af,
namelijk de belemmerende werking van datgene dat er bij gekomen is. Het gaat dus
niet aan het aangeleerde, dat wat er bij gekomen is, te verwerpen (zoals nogal
wat holisten menen te moeten doen), maar waarom het gaat is het OPHEFFEN VAN DE
BELEMMERINGEN. Weten wil zeggen dat je de werkelijkheid bent die zich van
zichzelf bewust is. Dat weten geldt voor de mens, voor elke mens en dus
bijvoorbeeld ook voor de oermens bij zijn verschijnen op de planeet. En het
geldt ook voor een mens die nauwelijks iets geleerd heeft. Maar dat weten kan
zich pas laten gelden als het niet meer belemmerd wordt. In tegenstelling tot
wat men altijd gedacht heeft en wat de filosofen altijd beweerd hebben staat
niet het zogenaamde natuurlijk zijn aan dat weten in de weg, maar juist het
AANGELEERDE, voor zover dat belemmerend werkt. De inhoud van het zelfbewustzijn,
de hoeveelheid aangeleerde zaken, belemmert het weten. Bevordering van kennis,
oefenen in het denken, zij brengen de mensen niet terecht. Dat wordt
tegenwoordig maar al te pijnlijk duidelijk... Van je natuurlijk zijn behoef je
niet af te komen: de mens is bij zijn verschijnen op de planeet onmiddellijk
ontkende natuurlijkheid omdat hij nu eenmaal het laatste verschijnsel is,
natuur en niet-natuur tegelijk. De mens is de natuur anders en hij zal zich dan
ook nooit echt natuurlijk gedragen. Het beest in de mens is geen natuurlijk
beest, overeenkomstig een (roof)dier, maar het is daarentegen een niet
natuurlijk beest, niet te vergelijken in wreedheid met welk dier dan ook. Zijn
beestachtigheid is een zelfbewuste, voortkomend uit kennis. De aangeleerde kennis
legt in het zelfbewustzijn van de mensen een programma vast en van daaruit gaat
de zaak werken als een voorschrift, als een dienstregeling voor je leven. Je
levert je er aan uit. En dat geldt zowel in positieve als in negatieve zin. De
zogenaamde goede dingen en de zogenaamde slechte worden door de
conditioneringen bepaald; zij maken uit wat je doen zult en wat je laat. En
hier doorheen moeten en zullen de mensen gaan om zich er tenslotte van te
bevrijden en, als gevolg van die bevrijding, werkelijk mens te worden. De
wereld waarin wij thans leven is een rampenwereld, een wereld waarmee totaal
niets meer te beginnen is. En dat wordt almaar slechter. Je begrijpt dat als je
de rol van de kennis door hebt. We leveren ons steeds meer uit aan de uit die
toenemende kennis voortkomende conditioneringen. Het leven raakt steeds meer op
de achtergrond, omdat de kijk op de werkelijkheid als beeld (= bewustzijn)
steeds meer verloren gaat.
De belemmeringen
De moderne opvatting over de evolutie van
het leven is deze dat het leven zelf voortdurend nieuwe situaties oplevert, in
onvoorstelbaar vele varianten, en dat het zich handhaven van die nieuwe
situaties afhankelijk is van hun vermogen om talloze belemmeringen te
overwinnen. Er komt dus niet één nieuwe mogelijkheid van leven voor de dag,
maar een grote hoeveelheid en daarvan handhaaft zich er één of enkele. Het zich
doorzetten van het leven is dus niet het stap voor stap opbouwen van steeds
ingewikkelder levensorganisaties, maar juist het overblijven van de meest
efficiënte organisatie. Je hebt zogezegd te doen met een afvalrace. Bepalend
zijn dus in feite de belemmeringen en het overwinnen daarvan. Er is niet een
geraffineerd opbouwplan (het leven probeert lukraak van alles), maar er is een
heel systeem van belemmeringen. Denk bijvoorbeeld aan ons afweersysteem: ons
lichaam wordt voortdurend belaagd door belemmerende factoren, stoffen en
organismen die wij al of niet zelf voortbrengen. Maar ons afweersysteem houdt
die belagers in bedwang zodat zij geen kans krijgen de dienst uit te gaan
maken. Bepalend zijn dus niet die belagers (die horen erbij), maar de
belemmering, het afweersysteem is bepalend. Faalt dat, dan word je ziek. De
evolutie is inderdaad niet anders denkbaar dan gebaseerd op belemmeringen. Voor
zover een mens biologisch is geldt dat voor hem ook. Maar voor zover hij geest
is geldt het andere daarvan, namelijk geen belemmering en dat betekent voor de
zelfbewuste mens het doorzien van de belemmering. Het doorzien dus van de
conditionering. Het er niet meer aan uitgeleverd zijn. Er alleen nog maar, waar
nodig, gebruik van maken zoals de pianist gebruik maakt van het op het beroeren
van de toetsen geconditioneerd zijn. In de natuur houden de programma’s nieuwe
variaties tegen om tevens efficiënte variaties (tijdens de evolutie) te bepalen
(een verder gaand programma). Bij de mens zou dat ook zo zijn als hij niet als
geest volkomen vrij was en er voor hem geen programma gold. Voor hem is dus in
feite alles mogelijk. En dat zal hij moeten laten gelden als hij wil léven.
Voor hem is het geprogrammeerd-zijn Onnatuurlijk. Het belemmeren, dat voor de
natuur essentieel is, is voor de mens levensvijandig. En zo is in wezen elke
cultuur, elke moraal, elke ethiek, enz. bedreigend voor zijn leven. Het toppunt
van levensbedreiging is voor de dag gekomen als voor de mensen de gehele
werkelijkheid omgezet is tot kennis.
Bladwijzers: De Ratio / Rede-1 ; De Ratio / Rede-2
; Opgevoed-1 ; Opvoeden-1 ; Opvoeden-2 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ; Doen alsof – zie A , B , C-67/68
Het slechte gedrag van de mensen
Men schrijft het slechte gedrag van de
mensen als regel toe aan de beestachtigheid van de mens, d.w.z. de in de mens
aanwezige natuur die overwonnen zou moeten worden. Het zogenaamde geestelijke
zou de maat moeten zijn, het zou de natuur moeten overwinnen en het zou als ratio
er toe moeten leiden dat de mensen zichzelf besturen kunnen. De mens zou gelijk
een beest zijn als hij over zichzelf niet dat geestelijk bestuur zou
uitoefenen. Het slechte gedrag van de mensen zou dus voortkomen uit hun
vooralsnog niet overwonnen, natuurlijkheid, in feite hun dierlijkheid.
Merkwaardig is daarbij dat zo ongeveer iedereen wel inziet dat geen enkel dier
in de natuur zich zo schaamteloos slecht gedraagt als de mensen doen. Je
beledigt de natuur als je het slechte gedrag van de mensen toeschrijft aan,
natuurlijkheid. Toch komt vrijwel niemand op het idee dat niet de natuur
oorzaak van het slechte gedrag is, maar juist de CULTUUR, d.w.z. het gedrag dat
een gevolg is van zelfbewuste denkmodellen. We zien dan ook dat juist in Onze
tijd, nu letterlijk alles om die denkmodellen draait en de conditionering
daarop sterker is dan ooit, het gedrag van de mensen een climax van wangedrag
benadert. Het kan nauwelijks beroerder. Maar de conclusie, dat het wangedrag
uit de cultuur voortspruit wordt niet getrokken. Men blijft de hoop koesteren
dat een verdere uitbouw van de cultuur, een verdergaande redelijke opvoeding
van de mensen, tenslotte tot een humane wereld zal leiden.
Het zichzelf vastleggen op programma’s (=
conditioneren)
Het zichzelf vastleggen op programma’s (=
conditioneren) doet echter wel denken aan het natuurlijke. Dat is namelijk het
geval als je niet denkt aan het soort gedrag, maar aan datgene dat er met een
mens gebeurt. Het (door zichzelf) geprogrammeerd-zijn gelijkt op de situatie
waarin de verschijnselen in de natuur berusten: een volledig gebonden-zijn aan
en dus een niet kunnen ontkomen aan onveranderlijke, vastgelegde programma’s.
Zo beschouwd kun je zeggen: de mens gedraagt zich alsof hij een stuk natuur was.
Maar dat gedrag VERTOONT uitsluitend zaken die niet alleen vreemd zijn aan de
natuur, maar die er ook in toenemende mate mee in strijd zijn. Allicht, want
voor de mens geldt dat hij reeds bij zijn verschijnen op de planeet niet meer
de natuur, de natuur anders, is. Voor zover hij dus gedrag ontleent aan zijn
zelfprogrammering kan dat gedrag niet anders dan onnatuurlijk en in laatste
instantie tégennatuurlijk zijn. Omdat de mensen dus niet echt geprogrammeerd
zijn (zij doen dat immers zelf) gedragen zij zich, doen zij zich voor, alsof
zij wel onderhevig zijn aan een onontkoombaar programma. Het is dus eigenlijk
een DOEN ALSOF. Het is een doen alsof je aan regels en
voorschriften gebonden bent. Je doet alsof dat zo hoort, alsof dat je menszijn
is. Van dat doen alsof zijn de mensen zich als regel niet bewust; zij
weten doorgaans niet hoe de zaak in elkaar steekt. Op grond van dat (onbewuste)
doen alsof ontduiken de mensen met het grootste gemak hun eigen
voorschriften, steeds waar het gaat om dingen die zij voor zichzelf belangrijk
achten. Dat ontduiken verschijnt noodzakelijk in het licht van de
voorschriften: die zijn het die ontdoken worden, die zijn het die de reactie
van het ontduiken teweeg brengen. Het gevolg is daarom niet VRIJHEID, maar BANDELOOSHEID. Vrijheid
richt zich op niet-geprogrammeerd zijn, maar bandeloosheid op voorschriften die ontdoken moeten
worden. Dit is een algemeen menselijk verschijnsel, dat overal optreedt waar
mensen zijn, d.w.z. onvolwassen mensen. Het heeft niets met bijv. het
westerse individualisme te maken, maar het is wel zo dat dit het verschijnsel
van de bandeloosheid
aanzienlijk versterkt. Er zijn natuurlijk altijd mensen geweest die in het
licht van volwassenheid geleefd hebben. Die mensen hebben hun eigen moraal
ontwikkeld, niet als tegenstelling tot de geldende moraal, maar als
concretisering van hun vrijheid (= wezenlijk niet geprogrammeerd zijn) en die
louter uit die vrijheid hun verantwoordelijkheden afgeleid hebben. Dergelijke
nobele mensen zijn evenwel grote uitzonderingen. Je kunt beide, namelijk het
aan (cultuur)regels gebonden en het bandeloze gedrag best wel misdadig noemen,
maar dan moet je er wel bij bedenken dat men zich hiervan niet bewust is. Veel
opvallender en algemeen geldend is het feit dat beide bij elkaar behorende
zaken onvermijdelijk leiden tot WREEDHEID. Het navolgen van voorschriften en
het ontduiken ervan levert steeds een wreed gedrag op. Het opleggen van een
straf op grond van een misstap van iemand is net zozeer wreed als het plegen
van die misstap, want in beide gevallen wordt de werkelijkheid verscheurd omdat
er maar een gedeelte van de werkelijkheid mag gelden, namelijk dat wat in
voorschriften erkend is. Bij het laten gelden daarvan doe je onvermijdelijk
mensen pijn. Men weet dat ergens wel en dan excuseert men zich met een beroep
op dat onvermijdelijke, het niet-anders-kunnen, en sust daarmee het geweten in
slaap. Maar, in slaap of niet, het geweten zegt toch: je bent wreed bezig. De
wreedheid is een onvermijdelijk verschijnsel binnen een onvolwassen mensheid.
Je zult er dus mee moeten leren leven dat er (voorlopig) geen oplossing
gevonden kan worden die niet-wreed is. Maar je kunt het bestaan van de
wreedheid wel herkennen en erkennen en van daaruit proberen die zo weinig
mogelijk een kans te geven. Je kunt bijvoorbeeld gevangenissen zo humaan
mogelijk maken, ook al hebben de mensen die daar opgesloten moeten worden de
meest verschrikkelijke dingen gedaan en is er een grote kans dat zij dit weer
zullen doen als je ze vrij laat rondlopen. Waar je maar kunt moet je de
wreedheid terugdringen: de wreedheid van het strafstelsel, het arbeidsstelsel,
de opvoeding en scholing, het militarisme, het grootschalige economische
denken, discriminatie, enzovoort. De behoefte om de wreedheid terug te dringen
is gelukkig overal in de samenleving aanwezig. Zonder zich ervan bewust te zijn
voelen de mensen wel aan dat zij wreed zijn, maar vooral tegenwoordig, nu het
enigszins duidelijk wordt dat onze maatschappelijke denkmodellen onhoudbaar
zijn en de verwarring alom toeslaat, is er een steeds sterkere neiging tot
fundamentalisme, d.w.z. een teruggaan naar de uitgangspunten van die
denkmodellen. Dat betekent VERHARDING, het is een opleving van het wrede. De
natuur kan nooit wreed zijn, al staat ons een aantal dingen niet aan, omdat zij
niet kan ontkomen aan haar programma’s. Mensen daarentegen behoren niet
uitgeleverd te zijn aan programma’s en bijgevolg vertonen zij wreedheid als zij
dit wel zijn, ongeacht de vraag of zij hun eigen voorschriften onder
omstandigheden opvolgen dan wel ontduiken. Je kunt zeggen: het is de opgave van
de mens om mens te zijn. Dat betekent echter niet dat je van je natuur af moet
zien te komen, want daarvan ben je allang af, maar het wil zeggen dat je je
eigen programmeringen moet leren doorzien, zodat je enerzijds van je ficties en
illusies afkomt en anderzijds een nuttig gebruik van je conditioneringen kunt
gaan maken om als een mens te kunnen overleven. Doorzien wil eigenlijk zeggen:
beweeglijk maken. Een beweeglijk gemaakt programma betekent voor een mens niet
een afgeschaft programma (dat is nog steeds een programma), maar een toepasbaar
programma, een verworvenheid waarmee je iets kunt doen. Een niet toepasbaar
gemaakt programma, in feite dus een programma dat je niet doorziet in jezelf,
leidt tot overheersing van jezelf en van de werkelijkheid. Behalve dat je dit
kunt bedenken zie je het ook aan de feitelijke gebeurtenissen in de mensheid
vanaf haar verschijnen op de planeet. Steeds zijn de gebeurtenissen rampzalig
op den duur...
Bladwijzers: De Ratio / Rede-1 ; De Ratio / Rede-2
; Opvoeding-1 ;
Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ; Opgevoed-1 ; Opvoeden-1 ; Opvoeden-2 ;
Bladwijzers: Anarchie-1 ; Anarchie-2 ; Tweede
Wereldoorlog -
het begrip tweede wereldoorlog vindt u terug op pagina’s 12, 14t/m19, 20
en 21, 37,
44, 48 en
68
Denk automatisme
Er zullen weinig mensen bestaan die er
welbewust op uit zijn de andere mensen leed te berokkenen of de mensheid naar
de ondergang te voeren, bijvoorbeeld door het gebruiken van nucleaire
vernietigingswapens. Bij navraag blijkt zo ongeveer iedereen het goede voor te
hebben met zijn medemensen. Voor zover men dus bewust denkt is er geen
aanleiding tot slecht gedrag ten opzichte van de medemens. Gaat men dit denken
echter verbinden met bepaalde handelingen (plannen maken, zich iets voornemen),
en daarna die plannen ten uitvoer leggen, dan is het resultaat vrijwel
onvermijdelijk slecht gedrag. De oorzaak van dit verschijnsel is gelegen in de
automatismen van het cultuur denken. Dat denken is geconditioneerd, vastgelegd
in programma’s. Zonder dat de mensen het bemerken is de gang van hun gedachten
van tevoren bepaald. De logica van zo’n gedachtegang is voor hen niet aan
twijfel onderhevig zodat zij er voor zichzelf zeker van zijn gelijk te hebben
en de goede weg te bewandelen. Als zij de kans krijgen zullen ze zelfs proberen
anderen te dwingen ook die weg te gaan. Vooral de godsdiensten vertonen die
behoefte; zij hebben in het verleden niet geaarzeld andersdenkenden ter dood te
brengen en ook tegenwoordig verzinnen die godsdiensten allerlei reglementen om
de mensen te dwingen volgens hun programma’s te denken en te handelen. Maar het
gehele moderne maatschappelijke gedoe is geprogrammeerd. Meer dan ooit werpen
de conditioneringsystemen vruchten af: door het
uitgebreide communicatie netwerk, door de wereldomspannende pers, de nagenoeg
uniforme wetenschapsbeoefening en het onderwijs. Dat gehele systeem leidt tot
een alles overheersend en vrijwel niet te voorkomen slecht gedrag. Het zijn
vooral de politici die menen dat het zich oplossen van de automatisch
verlopende denkprogramma’s tot wanorde, anarchie en misdadigheid zal
leiden. Zij menen dus dat het zich bevrijden van het denken onvermijdelijk tot
een ramp voor de mensheid voert. Vanuit hun optiek hebben zij daarin volkomen
gelijk: hun machtswereld en hun orde stort door zo’n bevrijding onherroepelijk
in. De orde van die wereld is immers die van het automatisme! Een automatisme
dat zo halsstarrig is dat het zelfs procedures die overduidelijk naar de
afgrond voeren (bijv. de ontwikkeling van kernenergie, het landbouw en
voedsel beleid van de E.E.G., de manipulaties van de zogenaamde Wereldbank,
enz.) niet staakt, maar daarentegen zelfs perfectioneert. Die politici zijn
tegenwoordig allemaal wetenschappelijk gevormd, zodat een doorbraak van het
denkautomatisme vanuit die hoek niet te verwachten is. De tijd dat van een
politicus een visie, een idee verwacht werd is reeds lang voorbij. De moderne
eis is deskundigheid, maar dat is nu juist iets dat geen ruimte voor twijfel en
essentiële vragen toelaat. Deskundigheid, op zichzelf beschouwd, is een ramp
voor elke ontwikkeling. Omdat de politici tegenwoordig onze gehele maatschappij
in handen hebben vormen zij voor de mensheid de meest bedreigende groep die er
is. Hun ijveren voor het belang van de mensen is dan ook door en door een doen
alsof. Het is er stellig het meest schrijnende voorbeeld van. Het
bedrijfsleven en de banken spelen ook een gevaarlijke rol, maar zij spelen
tenminste nog in op nieuwe ideeën en visies en leveren in ieder geval nog
materiële goederen op. Doordat zij aan dit laatste niet kunnen ontkomen (al
proberen zij dit wel door oplichterij en slechte producten) blijven zij
enigermate gebonden aan het geheel van het menselijk leven. Maar voor politici
geldt dat niet omdat zij geen product leveren. Zij kunnen dan ook een hele
maatschappij ten gronde richten en dat kan alleen maar voorkomen worden door
hen weg te jagen. Vanuit hun eigen denken, bevangen als het is in het
automatisme, zullen politici nooit de zaken anders gaan aanpakken en dat geldt
vooral voor de moderne deskundige politici. En als zij al besluiten dat het
anders moet nemen zij hun toevlucht tot fundamentalistische maatregelen: het
zogenaamde terugdraaien van de klok. De geschiedenis heeft nooit iets anders
laten zien, de tegenwoordige tijd ook niet.
We hebben gezien dat het, organisatie-denken
een van de belangrijkste factoren in de moderne cultuur is. Een factor die
vooral sinds de tweede wereldoorlog op de voorgrond is komen te liggen.
Je kunt er dagelijks over verbaasd staan hoezeer dat denken in het leven van de
mensen doorgedrongen is en aanleiding geeft tot de meest absurde maatregelen,
die in de praktijk alleen maar remmend werken en alles veel te duur maken. Het
is bijvoorbeeld gemakkelijk uit te rekenen hoeveel energie een gemiddeld gezin
per jaar gebruikt. In plaats van dat bedrag gewoon bij de huur op te tellen
organiseert men een onontwarbaar systeem van metertjes en klokjes, die allemaal
afgelezen, onderhouden en gecontroleerd moeten worden, om vooral maar het
laatste dubbeltje van de gebruikers binnen te halen. Een systeem dat bijna
onbetaalbaar is en dat ruimschoots de kosten zou dekken van mensen die maar
raak zouden verbruiken. Men heeft eens uitgerekend dat de kosten voor het innen
van de gelden voor bus- en treinkaartjes zo hoog zijn, dat je goedkoper het openbaar
vervoer gratis zou kunnen maken. Dit zijn maar voorbeelden van een tot in
het absurde doorgetrokken organisatie- denken, dat zich bezig houdt met een
maatschappelijke werkelijkheid DIE HELEMAAL NIET BESTAAT! Overal waar het
maatschappelijk handelen van de mensen nog echt zinvol en samenhangend is, is
sprake van ZELFORGANISATIE. Maar het moderne wetenschappelijke organiseren
richt zich op de fictieve relatie tussen de dingen en houdt zich dus bezig met
een niet-bestaande werkelijkheid. Dat is onder andere de reden dat inzicht,
visie en talent geen rol meer kunnen spelen. Het is een volkomen doodse en
doodlopende bedoening. Een andere essentiële factor in de moderne cultuur is
het doen alsof, zoals dat voortkomt uit de waan dat de in het
zelfbewustzijn ingeprente werkelijkheid DE WERKELIJKHEID zou zijn. Het doen
alsof betekent altijd dat datgene waarmee men zegt bezig te zijn een
berekende gekozen zaak is, die in tegenstelling staat tot datgene dat de
werkelijke bedoeling is. De bedoeling is bijvoorbeeld om geld te verdienen en
beroemd te worden, terwijl men doet alsof men een voor dergelijke zaken
onverschillige kunstenaar is. We hebben daarover gesproken. Als derde
belangrijke factor moeten we het steeds verder uitwerken van de
waardeverschillen tussen de mensen beschouwen. Uiteraard hangt dat ten nauwste
samen met het organisatie- denken, dat er eigenlijk alleen maar is om die
verschillen tot gelding te maken. In tegenstelling tot wat meestal gedacht
wordt nemen de waardeverschillen toe op grond van het steeds verfijnder
uiteenleggen van de werkelijkheid. Men doet wel alsof men aan het nivelleren
is, maar dat geldt in feite alleen maar ten aanzien van de traditionele
waardeverschillen, namelijk die tussen rijk en arm. Beide begrippen hebben
nauwelijks meer inhoud. In de plaats is gekomen de waarde van de functie en de
daaraan meekomende organisatorische macht.
Bladwijzers: Anarchie-1 ; Anarchie-2 ; Doen alsof – zie A
, B , C-67/68 ; Het
karakter van onze kennis – Lees nrs. 61 t/m 68
;
Tot zover onze beschouwingen over de
ontwikkeling van de West-Europese cultuur.
Tweede
Wereldoorlog - het begrip tweede wereldoorlog vindt u terug op
pagina’s 12, 14t/m19, 20 en 21, 37, 44, 48
en 68
(
Hoorcolleges 1985 – 1987 te Gouda )
de gestolde neerslag van een bepaalde fase van de
ontwikkeling van het zelfbewustzijn. Er worden allerlei
dingen vastgelegd, als norm gesteld, die tijdens die fase duidelijk zijn
geworden. De neerslag van zo’n fase stolt tot cultuur.
Onder een ideologie versta ik: een overheersend cultuurdenkbeeld dat gebaseerd
is op de voorstelling hoe de werkelijkheid zou moeten zijn.
Gewone mensen, zijn mensen waarbij de twijfel zijn rol blijft spelen,
die zich niet beroepen op iets hogers, iets goddelijks of iets koninklijks of
op hogere geestelijke vermogens die maatgevend zouden zijn.
Bovenstaande tekst is geschreven door:
Jan Vis, creatief filosoof.
Terug naar, de Startpagina
Aangezien de filosofie er niet is voor
enkele bevoorrechten, maar juist voor alle mensen, is het citeren uit deze
bundel zonder meer toegestaan.
Bronvermelding wordt echter wel op prijs
gesteld.
|
|