FILOSOFIE VAN DE HAK OP
DE TAK
The Beautiful Art of Philosophy
November
1996 – Februari 2003
Door:
Jan Vis, filosoof
Aangezien
de filosofie er niet is voor enkele bevoorrechten, maar juist voor alle mensen,
is het citeren uit de artikelen zonder meer toegestaan. Bronvermelding wordt
echter wel op prijs gesteld. (Jan Vis, creatief filosoof)
Terug naar: De
Startpagina
Naar
afleveringen:
01 ; 02
; 03 ; 04
; 05 ; 06
; 07 ; 08
; 09 ; 10
; 11 ; 12 ; 13
; 14 ; 15
; 16 ; 17
; 18 ; 19
; 20 ; 21
; 22 ; 23
; 24 ; 25
; 26 ; 27
; 28 ; 29
; 30 ; 31
; 32 ;
33 ; 34
; 35 ; 36
; 37
; 38 ; 39
; 40 ; 41
; 42 ; 43
; 44 ; 45
; 46 ; 47
; 48 ; 49
; 50 ; 51
; 52 ; 53
; 54 ; 55
; 56 ; 57 ; 58
; 59 ; 60
; 61 ; 62
; 63 ; 64 ; 65
; 66 ; 67
; 68 ; 69 ; 70
; 71 ; 72
; 73 ;
Bladwijzer(s): NAVO ; 16e eeuw ; Het
Russische Volk nr. 12 ; [ Derde Wereldoorlog:
62 ; 63 ; 64 ; 65 ; ] ; Armoede ; Meditatie ; De beweeglijkheid
als bouwsteen ; Zelfkastijding
; Antroposofische
professor ; Boeddhisme
; Kennis van Goed en Kwaad
Racistische grondtoon
collectivistische denken, zie nos. 10,
11, 66, 67;
Belangengroep ; Identiteit
Nr. 60(Behoort Israël tot de
Westerse Cultuur) kerncentrale-nr.05 kernenergie-lobby …voortdurende
besluiteloosheid van het Westen als het gaat om gewapend optreden - zie nr. 10
; Discrimineert en onderdrukt
de Westerse Cultuur..? ; verantwoordelijkheid-1
; VIRUSSEN - nr. 28/29 ; Rationeel-1 ; Rationeel-2 ; Rationeel-3 ; Rationeel-4 ; culturele discriminatie
; OERCEL ; De
PSYCHE nr. 41 en De PSYCHE nr55
; Leiderschap- nr.58 Leiding
geven- nr.42 verantwoordelijkheid-2
; Het ontwaken van de individualist-zie nrs. 10, 11, 58, 59, 62,
65, 67 ; vervreemding-1 vervreemding-2
De Verlichting, zie: Nrs. 3
, 14 , 18 , 31, 37
, 42 , 55 , 73 , Verkiezingen Burgeroorlog Volwassen
worden-1, Volwassen worden-2 , Individualisme
dringt door in de Politiek , Oorlog of Moordlust ; no.17 , Moderne oorlog is geen 'oorlog'
; Concurrentie-1 ; Concurrentie-2 ; Concurrentie-3 ; Islam-1 ; Islam-2 ; Islam-3 ; Islam-4 ; Islam-5 ; Islam-6 ; Islam-7 ; Islam-8 ; Islam-9 ; Islam-10 ; Islam-11 ; Pilatus ; Werkgelegenheid Vrije
keuze-1 ; Vrije
keuze-2 ; homoseksualiteit
NAVO
; Darwin ; Verhullend taalgebruik-1
; Verhullend
taalgebruik-2 ; Aanpassingsproces-1 ; Aanpassingsproces-2
; Aanpassingsproces-3 ; Aanpassingsproces-4 ; Lijdensweg ; Mildere vorm van een
maatschappelijk ideaal…ideëel
collectief… ; Yoga
; Overgang-1 ; Overgang-2 ; (On)verdraagzaam(heid)-1
; (On)verdraagzaam(heid)-2
; (On)verdraagzaam(heid)-3
; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ; Eenzijdgheid-1
; Eenzijdgheid-2
; Eenzijdgheid-3
; Sluit individu-zijn het
gemeenschappelijke uit..? ; Unieke identiteit-1 ; Unieke identiteit-2 ; Individualiteit-01
; Individualiteit-02
; Individualiteit-03 ;
Individualiteit-04 ; Individualiteit-05 ; Individualiteit-06 ; Individualiteit-07 ; Individualiteit-08 ; Sociaal Democratie ; Liberale Democratie-1 ; Liberale Democratie-2 ; Parlementaire Democratie ; Houvast-1 ; Houvast-2 ; Houvast-3 ; Houvast-4; ; Gnostiek / Gnosis ; In Jezelf Verdiepen ; Schizofrenie
; Mensenrechten ; Rechten van de
mens-1 ; Rechten van
de mens-2 ; Rechten
van de mens-3 ; Gemeenschapszin
; Oude Testament ; Doodvonnissen-1 ; Doodvonnissen-2 ; China ; Beleving-1
; Beleving-2 ; Beleving-3 ; Horigheid
; Schepping(s)verhaal-zie afl. 03, 37, 43,
44, 69 ; Deskundigheid of bekwaamheid B2,
; Jesaja(1) ; Jesaja(2) KANT-
zie nrs. A en B ; Waanvoorstellingen-
zie afl. 17 ; 23 ; 36 ; 37 ; 47
; 52 ; 60 ; 63 ; 64
; [ Derde Wereldoorlog: 62 ; 63 ; 64 ; 65 ; ] ;
Naar artikelen: Kunnen
moslims zich invoegen in de Moderne cultuur..? – aflevering no. 37, ; Abortus, de christelijke praktijken ; geen god, wat dan? ; hoe zit het nou
met god?;Religies! ; Godsdienst en Geloof ; God
bestaat niet ; De verdedigers van de Godsdienst ; Evolutie of Creatie [ Er is maar ÉÉN LEVEN ] ; het
zelfbeschikkingsrecht. ; Een
korte schets van de “Menselijke Seksualiteit” ; De
verloedering van de seksualiteit ; Briefwisseling -Incest ; Het
toenemend belang van het Atheďsme ; De
fundamentele intolerantie van de Godsdienst ; Bedreiging van het vrijdenken en het atheďsme
; Waarom
is de Islam als godsdienst tegen de Westerse Wereld..? zie no. 27. ;
Toch nog
een Theocratie- zie afl. 18 ; Ongewenst atheďsme- zie afl. 32 ; Een grens te ver (Israël) ; Verbieden
van de godsdienst..?-zie afl. 21 ; Discrimineert
/ onderdrukt de Westerse Cultuur..? zie aflevering 60 / 61 ; Waarom is de
Islam als godsdienst tegen de Westerse Wereld ..? zie no. 27 ; De Islam ; Het staat in
de Koran- zie aflevering 36 ; De heilige wet-De Sjari’a ; Burqa, volg bladwijzer
; Kunnen
moslims zich invoegen in de Moderne cultuur..? – aflevering no. 37 ;
Het
zelfbeschikkingsrecht ; Is
er dan toch nog een GOD..? Hoe zit dat..? ; Individualisering ; Individualisering-Tomeloze
verwarring-Collectieve krankzinnigheid zie nr. 12 ; Kan alles maar..!-zie
bladwijzers ; Tijl Uilenspiegel- een
beschouwing over vrijheid en liefde ; *Over
de ISLAM, de vrije MENINGSUITING en het BELEDIGEN – aug. 2010 ; Reciteren van heilige schriften- nr. 23 ; Vrijheid
van godsdienst ;
De
wetende mens - De mens als absoluut vrij verschijnsel - Verwerpelijke
collectivistische gedachtengangen - Ontwikkeling tot unieke identiteit - De
begrippen 'kuddedier' en 'massa'.
Natuurkunde
als illustratie bij filosofie - Universeel filosofisch verklaringsprincipe -
Detail en nuance - Basale deeltjes - De individu en zelforganisatie en
koninkrijk Gods.
Teloorgang
van kunst en filosofie - Verwording tot wetenschappelijke theorie -
Parafilosofen: buitenstaanders en dilettanten - Objectief begrip van de
werkelijkheid - Godsdienst vooronderstelt analyse - Regels voor het denken.
Socialisme als
staatsterrorisme - Hunkering naar macht - Goede bedoelingen - Onvoorwaardelijk
recht op veiligheid - De mens als particulier - Ontwikkeling tot individu - De
grote Vierslag.
De
geest en het verkeerde - Zuiver begrip als 'hoog-laag' denken - Practische en
intellectuele misvattingen - De voorstelling en de dingen - De bron van veel
ellende.
De
samenleving als winstobject - Topzware moderne maatschappij - Op winnen
gerichte mentaliteit - Individualisme en regelingen op voet van gelijkheid.
Het
begrip 'erkenning' - Existentiële garanties - Het begrip 'zelfstandigheid' -
Het begrip 'zelfgenoegzaamheid' - Wat betekent veiligheid - Voorhanden
levensbehoeften - Luxe goederen.
Het
construeren van een moderne maatschappij - Wetenschappelijke zekerheden - De
begrippen 'juistheid' en 'waarheid' - Afgesproken objectiviteit.
Westers
pacifisme - Geweld moet gestopt worden - Voorkomen van misdaad - Redelijkheid
en tolerantie zijn relatief - De ontmoeting verrijkt elkaars leven -
Bemoeizucht.
Denken
van boven naar beneden - Voltaire en Kant - Academische werkelijkheid is geen
realiteit - Voltairiaanse hoogmoed - Bosnië en toenemende vijandigheid -
Gunstige besluiteloosheid inzake militair geweld - Groepsgedrag - Moorden als
management.
Voorbije
collectivistische wereld - Individualistische toekomst - Vrijmaken van
mogelijkheden - Ongodsdienstige Grote Moeder, Magna Mater - Denken in beelden -
Paul Feyerabend en de methode - De intellectueel en het dogma.
Het
Russische volk - Universele volwassenheid - De functie van de analyse - De
Grote Vierslag - Slavische eigenaardigheden - Een tweetal rampen - Particulier
individualisme en collectivisme.
De
unieke individu - De hogere gemeenschap - Verplichte gedragsregels - Een
uitsluitend karakter - Communisme als ultieme gemeenschappelijkheid - Erkende
verscheidenheid - De mens als 'de' individu.
Onafhankelijkheid
en afschaffen - Het benodigde - Overwegen en besluiten - Vrijzwevend
verschijnsel - De mens is geen kuddedier - De beweeglijkheid als basale
bouwsteen - Genialiteit - Brave ambtenaren - Vrijdenkers.
Filosofie
als kunst - Uit de lucht gegrepen beweringen - De positivisten -
Kwantificeerbaarheid - Metafysica - De werkelijkheid als beeld - Het
ononderbroken weefsel.
Opwaarderen
- Siegfried - Hun wil is wet - Geboorte en erfelijkheid - Niet de burgers maar
het hogere - Macht corrumpeert onvermijdelijk - Communicatie als sociaal
zenuwstelsel.
Moderne
oorlog is geen 'oorlog' - Zelfstandige warlords - Losgebroken moordlust -
Roofmoordenaar en lustmoordenaar - Filosofische typeringen.
Waardering
van de arbeid - Werklozen als arbeidsloze arbeiders - Economische slavernij -
Netwerk van relaties - Veiligheid - De kosmos als inhoud - Werk als handelswaar
- Existentiële onvrede.
Zuiver
begrip en waarheid - Het Koninkrijk Gods - Jesaja - Boze droom - Absolute
veroordeling - Onvermijdelijke schuld - Geen hoge dunk van de mens - Liefde en
schoonheid - De geestelijke mens - Het leven als project - Intelligente
materie.
Betrouwbaarheid
als wetenschappelijk kriterium - Controleren wordt ondoenlijk - Betrouwbaar
onderwijs - Nadenken over wetenschap - Geen materieel onderzoek.
Sartre
en het communisme - Wij zijn met zijn allen - Verkwanselen van filosofische
beweeglijkheid - Het vertellen van een verhaal - Doorbreken van een waan -
Sublimatie - Zelfbeheersing.
Liberale
democratie - Het begrip 'tolerantie' - Het recht - De 'Open Society' van Popper
- Integriteit van elk individu - Strenge universele waarheden.
Reciteren
van heilige schriften - Onaantastbare voorstellingen - De zin van modern
onderwijs - De zin voor realisme - Groei tot volwassenheid - De
wetenschappelijke waanvoorstelling.
Moderne
kunst - Verhaal bij het kunstwerk - Artistiek doen alsof - De werkelijkheid als
beeld - Het voertuig van het beeld - Universele herkenbaarheid - Essenties en
elementen - Kunst en filosofie.
Dialectisch
denkproces - These en antithese - Heen en weer flitsend denken - Ken Uzelve -
De redelijke grondslag van het kapitalisme - Arbeid als energie - Particuliere
ondernemer.
De
doorsnee intellectueel - Wetenschap als dogma - Domheid op hoog niveau -
Handelen en niets begrijpen - Slaapwandelaar - Overeenkomst tussen wetenschap
en godsdienst.
Schoonheid
en mooi vinden - Een onbevangen blik - Verstand van kunst - Spielerei van dames
en heren - Kijk op kunst - Hedendaags glitterdom.
Levendzijn
en bewustzijn - Reproductie - Binnen- en buitenwereld - Evolutie en aanpassing
- Verinniging van structuren - Het laatste verschijnsel.
Zelfbewustzijn
en bewustzijn - Emotioneel bewustzijn - Vrouwelijke zaken - Totaaltrilling -
Optreden van de idee - De klankkast - Einde van de oudheid.
Het
einde van de oudheid - Ervaringskennis - Vallen en opstaan - Het overleven - De
kunsten - Schoonheid en waarheid - Waanzinnige vervreemding.
Iedereen
de vijand van iedereen - Toenemende fragmentatie - Het begrip 'ontwikkeling' -
Een vrouwelijk geaccentueerde werkelijkheid - De Romeinen als verzamelaars.
Culturele
vijandschap - De een is de ander niet - De samenleving als machine - Populaire
liefde - Liefde is geen relatie - Voedingsbodem voor criminaliteit - De
individu.
Een
merkwaardige paradox - Enkeling en gemeenschap - Het kuddedier - Er kan geen
programma zijn - Bedrijfsmatig wereldbeeld - Macht en de onvolwassen wereld.
De
kunst van het filosoferen - Manifestatie van absolute vrijheid - Het nut en
voordeel - Veiligheid - Mechanistisch denken - Hier beneden is het niet.
Twee
werkelijkheden - Het ultieme verschijnsel - Vrijheid en onafhankelijkheid - De
verbinding met god - Asociaal gedrag - De dubbele agenda - De idealiteit van de
samenleving.
Het
fenomeen god - Onvermijdelijke dwalingen - Hoog-laag verhouding - Een
onmogelijke gedachte - Uitvergroting van zichzelf - De eigen tirannieke wil.
De
idealen van de Verlichting - Dun goudlaagje - Reďncarnatie en andere onzin -
Intellectueel autisme - Discussies - Een kwalijk praktijkvoorbeeld.
Zichzelf
besturen en vormen - Het stoffelijke systeem - De goden welgevallige zombie -
Door de wetenschap verstrekte kennis - Socrates als niet-weter.
Begin
van de analyse - Goddelijke individuen - Christendom en Islam - Primitief wetenschappelijk
begin - Verhulde theologie - Augustinus en Thomas van Aquino - Theologen
quasi-wetenschappers - Het Romeinse recht.
De
deskundigen - Occulte voorstellingen - Heldere feiten - Deskundigheid en
bekwaamheid - Deskundigheid als gevolg van analyse - Theoretische werkelijkheid
- Maatschappelijke vernieuwing.
Wetenschappelijk
beslag op het leven - Liefde en schoonheid - De samenleving - Onmogelijkheid
van planning - Het voormalige Oostblok en de Derde Wereld - De wereld is al
doende ontstaan - Remmende overheden - Het wetenschappelijk gelijk.
Het
laatste verschijnsel - Wordingsproces - Ultiem resultaat - Aanpassingsproces -
Resistentie - Godsdienstige opvatting - Dubbelfiguur - Omkering van de
gedachtengang - Aanvoelen van tweeledigheid - Niet aantoonbare voortgang van de
evolutie - Droom van de machthebbers.
Weerstand
tegen 'laatste verschijnsel' - Aanpassingsproces - Geen deugdelijk
tegenargument - Een eindige zaak - Dubbelfiguur - Hogere en lagere
werkelijkheid - Niet wetenschappelijk aantoonbaar einde - Genen modificatie -
Wezenloze zombie.
Levensprogramma's
- Scheppingsverhaal - Goed en kwaad - Academische filosofie - Natuurkundig
filosoferen - Wie ben ik? - Werkelijkheid achter de dingen - Verscheuren van
boeken.
Onbetrouwbare
zintuigen - Onmogelijke objectiviteit - Het begrip Waarheid - Academische macht
in de maatschappij - Misdadige toepassingen - De virtuele inhoud - Verheldering
via generaties - Verstand zuiveren - Criteria voor het filosoferen - Ken
Uzelve.
Filosofie
in het slop - Modderige Christelijke waanvoorstellingen - Laag logisch niveau - Enkelvoudige
causaliteiten - Filosofie met een bedoeling - Socrates en vrijdenken -
Artistieke kijk - Verdwenen samenhang - Kennisbrokstukken - Is er wel een
waarheid? - Betreurenswaardige ideeloosheid.
De
middelmaat maakt zich breed - Maatgevende middelmaat - Emancipatie - Stemvee -
Schurkachtigheid - Karel de Grote - Beheersing van de werkelijkheid- Meetbare
grootheden - Winston Churchill - De mensheid beneden haar mogelijkheden.
Wetenschap
als middelmaat - Een overdraagbare zaak - Inzicht en visie - Analytische
procedure - Analyse als cultuurthema - Elimineren van bijzonderheden - Niets
bijzonders - De werkelijkheid als leven - Intelligentere mensen - Feministische
onzin - Onbenulligheid.
De
samenleving als middelmaat - De werkelijkheid van de dingen - De mens als ding
- Meedoen en meepraten - Nivelleren
- Het maaiveld - Onmisbare basis - Geen excuus voor meedoen - Ware
menselijkheid - De berekening leidt niet tot vooruitgang.
Denken
zonder macht - Besef van niet-deugen - Recept uit de Oudheid - Resultaat van
moderne spiritualiteit? - Rome en de Gnostiek - Onduidelijke romantiek - De
werkelijkheid als middelmaat - De betekenis van het zelfbewuste denken - Weten
van de waarheid.
Heidenen
en atheďsten - Geen hogere macht - Bestrijden en begrijpen - Afhankelijkheid -
Geloof en godsdienst - Geen object nodig - Zuivere verklaringen - Verbreken van
het godsdienstige netwerk - De rol van het begrijpen.
Verdraagzaamheid
- afwijkende waarheden - inzicht - onmiddellijk weten - staaltjes van onbegrip
- geen respect voor onzin - onbegrip begrijpen - de dwaas als dwingeland.
Buitenwetenschappelijk
weten - taboes - onwetenschappelijk denken - theologie - spiritualiteit -
warrige twijfelaars - ethische kriteria - samenhangende verhoudingen -
verwaarloosd bewustzijn - consument en wetenschapper - in de ban van
wetenschappelijk denken.
Moderne
kunstenaars - bedachte constructies - noodzakelijke toelichting - kakofonie -
afgesloten toegang - zaak van deskundigheid - aangeleerde vaardigheden - Piet
Mondriaan - originaliteit - het wezen van de werkelijkheid - wanordelijke
rommel - unieke talenten - geen trendy discussie - geen beredeneerde kunst.
Universele
kwaliteit - beeld - Psychisch Monisme - levenservaringen - het filter -
ontledend onderzoek - New Age - negatief analytisch denken - Bakoenin -
vervreemding van eigen wezen - culturele krankzinnigheid - vervuiling - plunder
- redding van buitenaf - een nieuwe zin.
Waardevrije
wetenschap - Belangrijk en onbelangrijk onderzoek - Afweergordel -
Gelijkwaardigheid - Post-Modernisme - Hoofddoekjes, recht en betekenis -
Relatieve waarde - Het begrip 'betekenis' - Kunstwerken als manifestaties van
betekenissen - Wat de gek er voor geeft - Leefbaar leven - Verzorging van de
dingen.
Privatiseringen
- Onhoudbare overheid - God toppunt van waarde - Ieder zijn eigen onzin -
Horizontale ondernemingen - Steeds meer mislukkingen - Theoretische betweterij
- Economische machthebbers - Absolute macht - Vervluchtigende macht.
Het
begrip 'team' - Traditionele collectieven - De regering - Alternatieven niet
toegestaan - Het ontwaken van de individualist - Samenwerking - Niet op school
te leren - Privatisering - De macht van de civiele ondernemingen - Consumenten
- Libertaire denkers en anarchisten - Horizontale organisatie.
De
vorst als individualist - De Romeinse portretkunst - Het begrip 'uitsluiting' -
Absoluut egoďsme - Het begrip 'particulier' - Virtueel eigendom - De ondernemer
- De manager - Een theoretische zaak - Wanorde - Het in bezit nemen van alles
en iedereen.
Het
Westen onderdrukt - Israël is niet westers - Volstrekte onzin - De mens als
individu - Discriminatie - Westers onrecht - Onvolwassen individualisme -
Terreur als cultuur - Monotheďsme - Willekeurige doodstraffen - Salman Rushdie.
Traumatische
angst - Lafhartig intellectueel gescharrel - Gebrek aan cultuur-historisch
inzicht - Verheldering - Het superieure Westen - Het begrip 'civilisatie' - Het
begrip 'cultuur' - Haat tegen het Westen - Superieure momenten - Laatste
ontwikkelingsmoment - De lokroep van het Westen.
Ontwikkeling
en aanpassing - Het laatste moment - Inhoud van de mens - Gegroeide systemen -
Fasen van ontwikkeling - Godsdienstige dwaasheden - Definitieve inzet - De mens
als cultuur - Bloedbaden - Ontwakend individualisme - Derde Wereldoorlog -
Doelwit van agressie.
Derde
wereldoorlog - Incidenten zonder samenhang - Angst voor discriminatie - Drugs
en godsdienst - Bewusteloosheid - Antithese - Agressieve criminaliteit -
Kosmische eenzaamheid - Incidentele terreur - Zelfopoffering - Bedacht systeem
- Ontbreken van schoonheid - Pragmatisme.
Eenvoudige
inzichten - Godsdienst als misbruik - Griekse oorsprong - Diepzinnige verhalen
- Jesaja - Godsdienstige stelsels - Onbetrouwbare vertalers - De intellectuele
aanleg van de mens - Oeroude wijsheden - Islam als analytische reactie - Rationele
bedenksels - Oorlog tegen individu - Primitieve intellectuelen.
Oorlogsverklaring
aan de mens - Theologie - Zichzelf afschaffen - God als de absoluut enige - De Islam -
Paradijsverhaal - Richting van denken - De ware mens - Het begrip liefde - De
dienstbare mens - Bloeddorstigheid - Individualistische cultuur -
Maatschappelijke ontwikkeling.
Doorbreken
van individualisme - Kinderachtigheid - Sociale dienstplicht - Afkeer van
traditionele politiek - Nieuw cultureel zelfbewustzijn - Verwetenschappelijking
- Instortend collectivisme - Socialistische partijen - Sociaal democratie - De
mens als individu - Menswaardig leven.
Agressie
tegen de individualist - Borreltafel individualisme - Kuddegedrag - De mens als
slotaccoord - Dubbelfiguur - Vrijzwevendheid - Vergelijking met dieren - Zich
bevrijdende enkelingen - Loze vrijheid - Partijdemocratie - Regelneverij -
Collectivisme - De moderne manager als koning van de groep - Horizontaal
georganiseerd teamwork.
Onaangenaam
individualisme - Doodsvijand van iedereen - Een onjuiste gedachte -
Vrijzwevendheid - Een ongeweten zaak - Analyse - De een sluit de ander uit -
Nieuwe relaties - Vervallen van het maatgevende collectief.
Het
begrip 'Vrijzwevendheid' - Levend-zijn en beweeglijkheid - Albert Einstein -
Charles Darwin - De mens als dier - De mens als volstrekt niets - Machtsdenken
- Ergens bij behoren - Ultieme verschijningsvorm van de dingen - Weefsels en
organisme - Aanpassingsproces - Maximum aan innigheid - Het einde van de
evolutie - Dubbelfiguur - De mens als rebel.
Oorsprong van het kwaad -
Godsdienstige moraal - Gefantaseerde voorstellingen - Heiligen - God als
absolute abstractie - Gods almacht - Vrijzwevend verschijnsel - Zich onthouden
van het kwade - Het goede bestaat niet - Ken Uzelve.
De
mensheid schijnt mislukt - De duivel - Vermoeden van iets anders - Iets goeds -
Misdaad steeds in het geniep - De mogelijkheid kwaad te doen - Gevolg van
vrijzwevendheid - Fundamentele ongebondenheid - Het goede is onzin - Het
zichzelf kennen - Vermijden van het kwaad - Waarden en normen zijn niet te
leren - Het zinvolle niet-meedoen.
Het vrijzwevende
verschijnsel - Culturele misdadigheid - De volmaakte kosmos - De gewone mensen
- Het paradijsverhaal - Kennis van goed en kwaad - Culturele en juridische
misdadigheid - Ken Uzelve - Dwangmatig analytisch onderzoek - Analyse als
absolute maat.
Aflevering
nr. 73, dd. 24 februari 2003.
Terug naar: De Startpagina
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art
of Philosophy
door Jan Vis
AFLEVERING NR.
01-(11-11-96)
Naar bladwijzers: Unieke identiteit-1
; Unieke identiteit-2 ; Individualiteit-01 ; Individualiteit-02 ; Individualiteit-03 ; Individualiteit-04 ; Individualiteit-05 ; Individualiteit-06 ; Individualiteit-07 ; Individualiteit-08 ;
Op het moment dat de mens op de planeet verschijnt hebben de processen in de
kosmos hun laatste mogelijkheid gerealiseerd. Dat betekent dat de werkelijkheid
tot weten omtrent zichzelf is gekomen. Het verschijnsel mens weet van zichzelf
af en tegelijkertijd weet het van de gehele werkelijkheid, zonder dat er ook
maar iets uitgezonderd is.
Dat 'weten' mag overigens niet verward worden met kennen. Het onderscheid
tussen deze twee begrippen is dat weten betrekking heeft op de 'hoedanigheid'
van de werkelijkheid — hoe is zij? — en kennen op de 'structuur' ervan — wat is
zij? Het weten is de mens onmiddellijk gegeven, maar het kennen is een zaak van
ontwikkeling. Het kennen en dus de kennis 'ontstaat' in de loop der tijden als
het resultaat van ervaring en onderzoek. Dat proces staat evenwel niet los van
het onmiddellijk gegeven weten. Dit laatste is er namelijk de oorzaak van dat
de mensen kennis kunnen gaan vergaren en dat volstrekt niet achterwege kunnen
laten. Waar de mens is, is de honger naar kennis. Dat is dus een gevolg van het
feit dat het begrip weten voor de mens van kracht is.
De mens is het enige verschijnsel in de gehele kosmos dat absoluut 'vrij' is.
Dat wil zeggen dat het nergens aan gebonden is, nergens op steunt en nergens in
uitloopt. Er is niets 'onder' de mens en er is niets 'boven' hem. Je zou kunnen
zeggen dat hij het enige 'vrij–zwevende' verschijnsel is! De verklaring voor
deze merkwaardige situatie is gelegen in het feit dat het verschijnsel 'mens'
het laatste is waartoe het wordingsproces komt. Daardoor hoort de mens er niet
meer bij, voor hem heeft dat wordingsproces ŕfgedaan! Omdat er evenwel niets
meer op volgt is er voor de mens ook geen toekomst, een doel of een zin waarin
alles uitloopt ontbreekt ten enen male!
Deze absolute vrijheid heeft als noodzakelijke consequenties dat het onmogelijk
is de mens ergens in onder te brengen, noch hem te dwingen naar een bepaald
doel toe te gaan, čn dat hij volstrekt ňnafhankelijk is. Het inlijven in
zogenaamde 'staten', het manipuleren om tot het realiseren van een bepaalde
'heilstaat' te komen en het afhankelijk maken van welke al of niet sociale
regeling dan ook, is zonder meer ňnmenselijk en dus uit den boze.
Elke filosofie waarin de mensen in systemen ingepast worden, in het licht van
een bepaald verheven doel gezien worden en als van het een of ander afhankelijk
gesteld worden, is zonder meer te verwerpen als zijnde geheel en al
ňndeugdelijk! Zo is ook van Poppers beroemde The
open society and its ennemies te zeggen dat je er filosofisch noch
maatschappelijk iets aan hebt — al moet toegegeven worden dat het desondanks
een interessant werkje blijft, dat in 1945, na de bittere ervaringen met
volstrekt 'gesloten' autoritaire staten, terecht de aandacht getrokken heeft.
Op grond van het nergens bij behoren van de mens is elke collectivistische
gedachtengang over de mens en zijn toekomst te verwerpen. Clans, groeperingen,
partijen en staten zijn verbanden die tijdens de onvermijdelijke, doch
tijdelijke, ňnvolwassenheid van de mensheid wel enigszins functioneel zijn,
maar die onherroepelijk zullen verdwijnen. Hetgeen dan ook regelmatig gebeurt.
Denk je na over een toekomstige volwassen mensheid, dan zal je als eerste elke
vorm van een collectiviteit buiten beschouwing moeten laten.
Je kunt een groep mensen nimmer zien als een collectief, maar, in verband met
bepaalde gemeenschappelijke belangen en activiteiten kun je wel van een
'verzameling' spreken. Het begrip verzameling houdt onder andere in dat de
elementen, waaruit die verzameling bestaat, allemaal verschillend zijn, maar
met een bepaald oogmerk op grond van bepaalde gemeenschappelijke kenmerken
bijeengebracht zijn. Zo is ook de mensheid onder omstandigheden te benaderen.
Een dergelijke benadering sluit de individualiteit van de afzonderlijke mensen
niet uit, maar laat die daarentegen ten volle gelden: zonder erkenning van die
individualiteit is het onmogelijk bepaalde overeenkomsten als criterium voor
iets gemeenschappelijks te nemen.
Van een collectief is het bovenstaande niet te zeggen. De individuele eigenaardigheden
van de mensen worden dan bij voorbaat al buiten beschouwing gelaten en er wordt
slechts een bepaald model of uniform als de maat gesteld. Een ieder heeft zich
daarnaar te voegen met volledige verwaarlozing van de eigen persoonlijkheid.
Dus: het begrip collectief is, denkende over de volwassen mens, een
ondeugdelijk begrip. Het is een begrip dat in bepaalde perioden van de
ňnvolwassen mensheid geldig is en dat volledig aan die onvolwassenheid gebonden
is.
Als in een discussie over het individualistische karakter van de mens de
filosofische argumenten tč onweerlegbaar worden probeert men heel vaak weg te
glippen door zo ferm mogelijk naar voren te brengen dat "individualiteit
heel wat anders is dan individualisme" en dat het zaak is "er op te
letten dat die twee niet door elkaar gehaald worden". Op grond hiervan kan
men zijn instemming betuigen met het gelden van het begrip individualiteit en
vervolgens het begrip individualisme met kracht verwerpen. Dat levert dan weer
op dat het op eigen belang gerichte individualistische gedrag van de mensen
even onbelemmerd afgekeurd kan worden als voorheen. Dat wil dus zeggen: op
collectivistische gronden, waarin volgens het gebruikelijke denken voldoende
argumenten besloten liggen om toch weer zijn hoop te vestigen op bijvoorbeeld
socialisme, communisme, Maoďsme en dergelijke valse voorspiegelingen.
In feite zijn de bedoelde begrippen in de grond van de zaak helemaal niet
verschillend, dat wil zeggen: individualiteit slaat op de identiteit die iemand
inmiddels verworven heeft en individualisme slaat op de ontwikkeling die de
mensen doormaken om tot een eigen unieke identiteit te komen. Deze ontwikkeling kan er
niet ŕfgedacht worden. Individualiteit is niet denkbaar zonder het erbij
behorende individualisme. Dat men geneigd is dit laatste te verwerpen is wel
begrijpelijk, maar het is beslist niet juist.
Begrijpelijk omdat de aan individualisme meekomende gedragingen nu niet bepaald
aangenaam zijn en zeker niet 'sociaal' of 'solidair' genoemd kunnen worden.
Niet juist is het verwerpen van individualisme evenwel omdat het ten eerste een
noodzakelijke fase in de ontwikkeling van de mensen is en ten tweede omdat het
zoals gezegd onlosmakelijk verbonden is met het begrip individualiteit.
Er wordt beweerd dat de mens een 'kuddedier' is en ook zegt men dat hij
eigenlijk alleen maar als een onderdeel van een 'massa' gezien kan worden. Het
begrip massa is vooral aan het eind van de 19e eeuw en in de eerste decennia
van de 20ste in zwang gekomen. Men ging de mensheid als een massa beschouwen,
een massa die als een soort van 'storm' of 'vloed' de cultuur overspoelde en
wegvaagde. Men sprak ook over 'de veel te velen'.
Hoewel toegegeven moet worden dat mensen zich vaak als een kudde en als een
massa gedragen als waren zij tot een soort van eenheid samengesmeed, is dat
toch beslist geen bewijs dat de mensen in een kudde of in een massa opgaan. In
feite zijn zij uitsluitend en alleen eenlingen waarvan te zeggen is dat hun
incidentele 'kuddegedrag' niet verwijst naar iets wezenlijk menselijks, maar
naar een, meestal door iets uitwendigs veroorzaakte verstoring van de identiteit oftewel
'het ik'.
Zo'n verstoring kan gevolg zijn van bepaalde bij een cultuur behorende
conditioneringen, zodat hij eigenlijk niet als verstoring ervaren wordt maar
als iets normaals. Je kunt dat bijvoorbeeld waarnemen bij militaristisch
ingestelde maatschappijen, zoals tot voor kort de Duitse: men gedroeg zich
letterlijk als een 'kudde' en vond dat volkomen normaal. Sterker nog, men vond
dat het zo hoorde! Maar het komt ook voor dat er tijdelijk een soort van
'volkshysterie' heerst. Dan ligt de oorzaak op psychologisch terrein en heeft
doorgaans veel met min of meer ňnbewuste levensangsten te maken.
Naar bladwijzers: Unieke
identiteit-1 ; Unieke identiteit-2 ; Individualiteit-01
; Individualiteit-02
; Individualiteit-03
; Individualiteit-04
; Individualiteit-05
; Individualiteit-06
; Individualiteit-07
; Individualiteit-08
;
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art
of Philosophy
door Jan Vis
AFLEVERING
NR. 02-(02-12-96)
Overgang-1 ; Overgang-2 ; KANT- zie nrs. A en B ;
Onder
de moderne wetenschappen neemt de natuurkunde een aparte plaats in, althans als
je de zaak filosofisch beschouwt en daaronder dan ook nog verstaat dat het in
de filosofie gaat om de vraag hoe het zit met de werkelijkheid. Je kunt dan met
recht stellen dat de natuurkunde de materiële illustratie is bij het verhaal
van de filosoof over de hoedanigheid van de werkelijkheid. Het spreekt vanzelf
dat de natuurkunde op zichzelf nog veel meer is dan dat, zoals bijvoorbeeld
ondergrond voor de technologie, maar nu gaat het om de relatie tussen de
filosofie en de natuurkunde.
Op de natuurkunde is het begrip illustratie van toepassing omdat zij op de
wijze van 'kennis' laat zien wat de filosofie bijwijze van 'weten' te verhalen
heeft. Echter, zoals elke illustratie, heeft ook deze in dit verband een
beperking: de illustratie is noodzakelijk gebonden aan het 'bepaalde'. Er kan
slechts een afbeelding gegeven worden van iets dat 'te bepalen' is, iets dus
dat vorm, afmeting, plaats of beweging en tijdelijkheid aan zich heeft. Het is
dus een zaak van de materie.
Je zou kunnen zeggen dat de filosofie het verhaal van het algemene vertelt
(immaterieel) en de natuurkunde het verhaal van het bepaalde (materieel). In
deze context fungeert het laatste als illustratie van het eerste. Nimmer mag in
een filosofisch verhaal dat laatste, dat bepaalde dus, als bewijs of
onderbouwing opgevoerd worden. De materie heeft ten aanzien van de
werkelijkheid als immateriële zaak geen enkele bewijskracht — wat overigens
onverlet laat dat de materie als illustratie bij de filosofie wel degelijk
overeenkomstig de bekende en betrouwbare feiten moet zijn. Lukraak gefantaseer
is altijd uit den boze...
Een waarlijk universeel filosofisch
verklaringsprincipe opent niet de mogelijkheid de werkelijkheid op
enigerlei wijze te berekenen en op grond daarvan voorspellingen te doen of in
processen in te grijpen, maar het opent de mogelijkheid over de werkelijkheid
een samenhangende gedachtengang te ontwikkelen. Zo'n gedachtengang speelt zich
altijd af binnen de sfeer van een bepaald thema, zonder zichzelf ooit vast te
leggen, dat wil zeggen: zichzelf van eigen intrinsieke (=inwendige)
beweeglijkheid te beroven. Op grond van het thematische en beweeglijke karakter
van de filosofische gedachtengang kan daar nimmer een concrete berekening uit
voortkomen. En een eventuele voorspelling kan niet anders dan het karakter van
een 'idee' hebben.
Van een streven om de werkelijkheid te overheersen kan derhalve bij de
rechtgeaarde filosoof geen sprake zijn. Beleidsadviezen en dergelijke zijn dan
ook verwerpelijk en de filosoof onwaardig!
Wordt de natuurkundige illustratie een steeds meer gedetailleerde zaak, het
filosofische verhaal over hoe de werkelijkheid is wordt almaar meer genuanceerd.
Er is een essentieel verschil tussen beide begrippen. Gedetailleerdheid is wat
anders dan genuanceerdheid. Het eerste is een kwestie van kwantiteit, maar het
tweede van kwaliteit. Dat is gevolg van het feit dat details, onderdelen, naast
elkaar staan en strikt van elkaar gescheiden zijn. Zij staan, dankzij de
analyse, alle op zichzelf. Als zodanig vormen zij een totaliteit die gaandeweg
groter wordt naarmate het onderzoek diepere lagen van de werkelijkheid bloot
legt. Maar nuances zijn overgangen binnen het
geheel van een zaak en zij hangen samen met het begrip hoedanigheid.
Zo is er bijvoorbeeld van een schilderij te zeggen dat het allerlei details
bevat: afgebeelde voorwerpen, personen of verschillende lijnen, kleuren,
penseel– of messtreken, enzovoort. Maar er is ook op te wijzen hoe het een in
het ander overgaat, precies zoals in het geheel van ons lichaam de
verschillende cellen en organen in elkaar overgaan en allemaal met elkaar
samenhangen. Je hebt het dan over de kwaliteit en dat is een begrip dat ook
voor de filosofie essentieel is.
Binnen het kader van de natuurkunde is het detailleren hetzelfde als het
analyseren. Die menselijke activiteit blijft beperkt tot het materiële en dat
heeft als belangrijkste consequentie dat er een eindpunt aan deze zaak zit,
namelijk daar waar de verschijnselen niet verder geanalyseerd kunnen worden.
Men stuit dan op een 'basaal materieel deeltje' met daarnaast materieel
aantoonbare energetische fenomenen die op gewijzigde 'toestanden' van genoemd
deeltje berusten. Een diepere analyse is niet mogelijk — let wel: ik heb het
uitdrukkelijk over analyse. Dit begrip is alleen maar van toepassing op datgene
dat uit elkaar te halen is. Haal je dat dan uit elkaar, dan kom je tenslotte
uit op zulke niet verder splitsbare, bijna ňngrijpbare, deeltjes. Het is niet
denkbaar dat je zo'n deeltje op zichzelf te pakken zult kunnen krijgen.
Noodzakelijk zal het altijd in een combinatie met iets anders optreden, in
laatste instantie in combinatie met het instrument waarmee de natuurkundig
onderzoeker aan het werk is. Het is immers altijd die combinatie van deeltje en
instrument die voor de onderzoeker een 'waarneming' oplevert.
Eveneens is het onvermijdelijk dat de waarnemingen zullen leiden tot de
ontdekking dat er een paar verschillende basale materiële deeltjes bestaan. Er
zijn namelijk meerdere 'basale combinaties' mogelijk. En nu is het zo dat een
en ander ertoe leidt dat er in de (natuurkundige) wetenschap geen 'Universeel
verklaringsprincipe' gevonden kan worden.
Volgens moderne natuurkundigen en vooral ook hedendaagse filosofen is het onzin
om te proberen de werkelijkheid uit één enkelvoudig principe te verklaren of
van daaruit te beschrijven. Een dergelijk pogen zou typerend zijn voor de
filosofische 'buitenstaanders' die goedbedoelend mee zouden willen praten met
de gekwalificeerde vakfilosofen. Het verwerpen echter van de idee van een
'Universeel verklaringsprincipe' zegt voornamelijk iets over die vakfilosofen
zelve, namelijk dat zij in feite helemaal niet filosofisch bezig zijn, maar
eigenlijk een soort van primitieve theoretische natuurkunde beoefenen:
natuurkunde met een filosofisch sfeertje...
Sommigen beweren dat de individualistische mens — door mij de individu genoemd — er geen behoefte
aan zal hebben zijn relatie met de andere individuen te regelen. Dat is dan zo
omdat 'de individu' uitsluitend op zichzelf gericht zou zijn en lak zou hebben
aan zijn medemensen. Daartegenover wordt dan gesteld dat de socialist — en
bedoeld wordt de politieke socialist, de sociaal democraat of de communist —
wel grote waarde hecht aan zijn omgang met de anderen en dat dit voor hem zo is
omdat hij de gemeenschap, het geheel, de samenleving boven zichzelf als
enkeling zou stellen.
Men vindt ook dat het geheel, de gemeenschap of de samenleving een vanuit dat
geheel opgezette innerlijke organisatie van node heeft om te kunnen bestaan en
zich te kunnen handhaven. Dat allemaal is je reinste onzin!
Een geheel, of dat nu een samenleving is of een biologisch lichaam, is absoluut
ňndenkbaar zonder de daaraan ten grondslag liggende zelforganisatie. Dat heeft
als consequentie dat de mensen terwille van het geheel, dat de samenleving is,
geen onderlinge betrekkingen behoeven te regelen. Let wel, ik zeg terwille van
het geheel! De zelforganiserende mens heeft wat dit betreft geen enkele
boodschap aan het hogere geheel van de samenleving. Niet dat hij haar van geen
belang acht, maar hij weet dat de samenleving er automatisch is als de onderlinge betrekkingen
tussen de individuen in orde zijn. Juist door het bevorderen en verzorgen van
die relaties omwille van die relaties zčlf laat de verzameling mensen, de
mensheid, zich vanzelf als een geheel gelden.
Niemand loopt zich derhalve voor de 'samenleving' of de 'staat' of zijn
'vaderland' en dergelijken uit te sloven en zich daarmee, zoals tot nu toe
bijna altijd het geval is, een aureool van onbaatzuchtigheid en
opofferingsgezindheid aan te meten. Ook is er niemand die, uiteraard ook weer
vanuit buitengewoon nobele motieven, vaststelt en verordonneert hoe de
onderlinge betrekkingen tussen de individuen in het licht van het geheel moeten
zijn.
Dat is onder andere helaas een fout bij de filosoof Hegel, want die vond nu
juist dat er wčl uitgedacht en vastgesteld moest worden hoe die betrekkingen
zouden moeten zijn. De vertegenwoordiger van dit morele stelsel zou dan de
autocratische vorst moeten zijn. En onze vriend Kant wist aan te bevelen: "Dwing ze (!) om in
te gaan".
Op een dergelijke manier gedacht is het nauwelijks een probleem een toekomstige
'goede' wereld, een variant op Het Koninkrijk Gods, te ontwerpen: je werkt
alles wat je onaangenaam voorkomt weg door het van hogerhand te verbieden, al
of niet op vriendelijke of gewelddadige wijze. Inderdaad, 'dwing ze...'. Maar
zo werkt het niet bij in principe vrije mensen.
De individu is uitermate gebrand op een goede verstandhouding met zijn
medemensen. Ten eerste beseft en weet hij (dat betekent bij mij altijd en
onvoorwaardelijk ook 'zij', jv) dat hij recht moet laten wedervaren aan het
feit dat de ander zonder meer ook bestaansrecht heeft, en ten tweede weet en
beseft hij dat de wederkerigheid van individualistische relaties er borg voor
staat dat hij zčlf onvoorwaardelijk geaccepteerd wordt.
Overigens: dit laatste betekent niet dat men elkaar 'lief' gaat lopen vinden
omdat op de een of andere manier het christelijke "Hebt elkander
lief" tot gelding zou moeten komen. Juist het incidenteel elkaar uit de
weg gaan omdat men niet zo erg goed met elkaar op kan schieten is een
manifestatie van zonder meer elkaars aanwezigheid črkennen!
In een alsnog ňnvolwassen wereld gaat men elkaar niet uit de weg: mensen die
niet met elkaar overweg kunnen laten elkaar zelden met rust; zij zoeken elkaar
voortdurend op en proberen steeds elkaar een hak te zetten.
Overgang-1 ; Overgang-2 ; KANT-
zie nrs. A en B ;
FILOSOFIE
VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art
of Philosophy
Bladwijzer: verlichting Schepping(s)verhaal-zie
afl. 03, 37, 43, 44,
69
De Verlichting, zie: Nrs. 3 , 14 , 18 , 31, 37 , 42 , 55 , 73 ,
Islam-1 ; Islam-2 ; Islam-3 ; Islam-4 ; Islam-5 ; Islam-6 ; Islam-7 ; Islam-8 ; Islam-9 ; Islam-10 ; Islam-11
door Jan Vis
AFLEVERING
NR. 03-(30-12-96)
Het is met de kunst en de filosofie op een jammerlijke wijze bergafwaarts
gegaan. Op het eerste gezicht zou je dat niet zeggen want de filosofische
faculteiten op de universiteiten kunnen zich nog steeds in een groot aantal
studenten verheugen. Het vak filosofie is zijn stoffige imago kwijtgeraakt en
de filosoof geniet zelfs enig aanzien. Het komt zelfs zo nu en dan voor dat
zijn advies gevraagd wordt in kwesties van maatschappelijke en ethische aard.
En bij bepaalde jongeren biedt de studie en het beoefenen van de filosofie een
instrument om de hen omringende wereld begrijpelijk en handelbaar te maken.
Gezien in dat licht mag het bevreemding wekken als ik toch volhoud dat de
huidige filosofie een regelrechte ramp is. Wat is het geval? De taak van de
filosofie is gelegen in het beantwoorden van de vraag Hoe zit het nu eigenlijk met de
werkelijkheid? Object van de overdenkingen van de filosoof is dus
de werkelijkheid zčlf. Hij probeert er achter te komen hoe zij is. In zoverre
klopt het dat er een grote behoefte aan filosofie is, want de moderne wereld is
inderdaad uitermate diffuus en verwarrend. Maar in de moderne filosofie stelt
men die vraag slechts ogenschijnlijk. Men meent naar de werkelijkheid te vragen
maar in feite doet men dat allang niet meer, want door de vanwege onze cultuur
bepaalde analytische wijze van denken kan de filosoof slechts naar een
wetenschappelijke werkelijkheid vragen.
Zijn voorstelling van de werkelijkheid is van een realiteit geworden tot een wetenschappelijke theorie. Daardoor kan hij er
niet omheen dat je nooit met zekerheid kunt zeggen hoe het nu čcht zit met de
werkelijkheid: wetenschappelijke kennis is immers per definitie ňnjuist omdat
zij onvermijdelijk voorlopig is. Noodgedwongen gaat de filosoof zich dan maar
verdiepen in de uitspraken die zijn collega's van vroeger en nu gedaan hebben.
Je kunt daarom met recht zeggen dat de middeleeuwse 'Scholastiek' weer in volle
glorie terug is.
Zelfs als je — niet eens op zulke slechte gronden — veronderstelt dat je nooit
het fijne van de werkelijkheid zult kunnen weten, omdat de beschrijving, die je
van de werkelijkheid geeft, altijd en per definitie verfijnder kan, is het toch
je filosofische opgave uit te zoeken hoe het nu eigenlijk met de werkelijkheid
zit. Inderdaad zit je dan voortdurend met het probleem van een 'vlietende
horizon', een horizon die steeds naar grotere verten opschuift, maar dat kan nu
eenmaal niet anders. Net als in de kunst is er een eeuwig geldend 'steeds
verder' zodat je je leven lang kunt verwachten dat je gedachten van morgen
wčrkelijk bevredigend zullen zijn, om vervolgens in het beste geval alleen maar
bevredigendčr te blijken!
Een aantal moderne academische filosofen heeft de euvele moed gehad niet
academisch gekwalificeerde filosofen 'dilettanten', 'buitenstaanders' en — dat
is het toppunt! — 'parafilosofen' te noemen. Die naam verwijst naar de term
parapsychologie, welke naam suggereert dat er naast de betrouwbare officiële
psychologie ook nog een ňnbetrouwbare, niet erkende, bestaat. De zaak is
duidelijk: volgens deze filosofen is er naast de academische vakfilosofie qua
filosoferen niets mogelijk!
Niet alleen is dit een uitermate hoogmoedig standpunt, maar het is ook nog in
strijd met nagenoeg de gehele filosofische traditie, een traditie die er
uiteraard niet zómaar is, want hij komt voort uit het wezen van de filosofie,
dat uitsluitend tot zijn recht kan komen in een volstrekte ŕfzondering van elke
denkbare vorm van kennis. Juist door de kennis buiten het denken te houden
wordt het dit denken mogelijk autonoom en dus zelfdragend te functioneren. De
vraag 'hoe zit het met de werkelijkheid' kan alleen maar dčnkend opgelost
worden.
Hoewel wetenschappelijk onderzoek ook een zaak van denken is, althans uit
denken voortspruit, is dit toch niet bruikbaar voor het filosoferen. Sterker
nog, het moet zelfs volstrekt buiten beschouwing gelaten worden! Dat gaat zóver
dat de uit dat onderzoek voortgekomen kennis voor de filosoof misleidend is...
hem op het verkeerde been zet. Dat zit hem in het feit dat de wetenschappelijk
verworven kennis onvermijdelijk voorlopig van aard is.
Zelfs als je je filosofie op de allerlaatste informatie zou baseren (hetgeen
praktisch ňnmogelijk is..) heb je 'je huis op zand gebouwd'. Morgen of
overmorgen zullen de feiten zeker ŕnders blijken te zijn!
Wetenschappers beweren dat hun proefnemingen tot objectief begrip van de
werkelijkheid leiden. Die objectiviteit wordt ontleend aan het feit dat anderen
dezelfde proeven na kunnen doen zodat te zeggen is dat de wetenschappelijke
feiten ňngeacht de onderzoeker waar blijven. Deze bewering nu is volstrekt
ňnwaar!
Ten eerste zijn geen twee overeenkomstige proeven precies aan elkaar gelijk.
Zij danken hun fundamentele ňngelijkheid aan het voortdurend anders zijn van de
omstandigheden, die weliswaar zo goed mogelijk geëlimineerd worden, maar nooit
helemaal ongedaan kunnen worden gemaakt. Ten tweede, uiteraard daarmee
samenhangend, is het altijd 'de mens' die aan de werkelijkheid doormiddel van
proeven vragen stelt. Maar de ene mens is de andere niet en bijgevolg is er
altijd enig verschil tussen de gestelde vragen. Iedere onderzoeker ontwerpt een
variatie op een gebruikelijke procedure van onderzoek. Hij doet dat, als het
goed is, zo getrouw mogelijk, maar hij ontkomt er niet aan dat hij allerlei
zaken, bijvoorbeeld zijn meetapparatuur, bij moet stellen en ijken. Bovendien
zijn er ook geen twee instrumenten aan elkaar gelijk.
Er is nog een belangrijke factor die een rol speelt bij het wetenschappelijk
onderzoek, namelijk de culturele factor. In elke cultuur heeft men een bepaalde
voorstelling van de werkelijkheid en die wordt bepaald door de thema's die in
zo'n cultuur aan de orde moeten komen. Staat bijvoorbeeld in een cultuur een
bepaalde godsdienst centraal, met de daarbij behorende mythe over de schepping
van het heelal, dan is het uitgesloten dat er officieel en gedegen onderzoek
naar het ontstaan van de aarde gedaan kan worden. Is in een cultuur het
mannelijke denken dominant, zoals dat bijvoorbeeld in de Islam en in het
Roomse christendom het geval is, dan is elk gefilosofeer over en onderzoek naar
de eigenlijke betekenis van de vrouw al bij voorbaat onmogelijk.
Zo is het in onze cultuur bijna niet te doen om onderzoek van de grond te
krijgen over zaken die zich niet onmiddellijk berekenen laten. Niet
'kwantificeerbare' zaken worden bij voorbaat al als 'speculaties' afgedaan.
Door het van tevoren bepalen wat er wel en wat er niet voor wetenschappelijk
onderzoek in aanmerking mag komen, door van tevoren vast te stellen wat 'onzin'
is en wat niet, blijven veel geheimen van de werkelijkheid voor de moderne mens
verborgen. Tragisch en ook wel komisch is het dat juist die moderne mens van
zichzelf vindt dat hij onbelemmerd openstaat voor de werkelijkheid en haar
geheimen. In feite echter geldt dat alleen maar voor die gebieden die waardig
worden geacht onderzocht te worden.
De wetenschappers zouden er goed aan doen wat meer aandacht aan deze feiten te
schenken en er zinvolle conclusies uit te trekken.
Als je veronderstelt dat de mensen om te beginnen godsdienstig waren heb je
niet begrepen dat godsdienst analyse vooronderstelt, enerzijds, en anderzijds
het zelfbewuste besef dat het zaak is de eigen voorstelling van de
werkelijkheid te toetsen op juistheid. Dat is overigens wat anders dan toetsen
op waarheid. Je kunt
ook zeggen dat godsdienst niet denkbaar en mogelijk is zonder de behoefte aan
kennis. Het is nu precies het onvermijdelijke zoeken van de mens naar een
juiste voorstelling van de werkelijkheid dat hem zijn toevlucht doet nemen tot
een occulte verklaring van de vele mysterieuze fenomenen die zich in de kosmos
voordoen. Zo'n occulte verklaring heeft de pretentie op juiste kennis te
berusten en dus onweerlegbaar te zijn. Je mňet er geloof aan hechten, of je wilt
of niet. Wie zich afkeert van onmiskenbaar juiste kennis is achterlijk en zelfs
een gevaar voor de samenleving en de moraal.
Waar veel te weinig aandacht aan wordt geschonken door de denkers is het feit
dat men in člke godsdienst verwoed probeert de mensen ervan te overtuigen dat
het godsdienstige verhaal een juist verhaal is, ja zelfs dat het
wetenschappelijk bewčzen is. En op grond daarvan ben je wel verplicht er
'geloof' aan te hechten. Je moet wel aannemen dat een en ander juist is.
Bij het verwerven van kennis behoort het begrip juistheid en aan het gelden van
dat begrip wordt voldaan door de verschijnselen op analytische wijze te
onderzoeken. De analyse, de kennis en de kriteria voor juistheid, dat alles
behoort bij elkaar en deze cluster van begrippen geldt tenvolle voor de
godsdienst. Dat staat natuurlijk los van het feit dat de binnen een godsdienst
als juist voorgestelde kennis volslagen ňnjuist is.
Rest alleen nog de vraag waarom men in de wetenschap steeds verder gaat met
onderzoek en het op juistheid toetsen van de kennis, terwijl men in de
godsdienst noodzakelijk vasthoudt aan eenmaal geformuleerde waandenkbeelden,
waarvan men tot vervelens toe blijft beweren dat het juiste kennis is.
Vooral sinds de Verlichting aan het eind van de 18e eeuw zijn de mensen zich
in het denken gaan oefenen. Men was tot de overtuiging gekomen dat het denken
op de een of andere manier de wereld en de mensheid zou redden, voornamelijk
door de via het denken geschapen mogelijkheid betrouwbare voorspellingen over het
verloop van onder andere maatschappelijke processen te doen. Die voorspellingen
zouden het op hun beurt dan weer mogelijk maken effectief in te grijpen in de
gang van zaken.
Wat men heel goed in de gaten had was dat het denken onnavolgbaar en grillig is
als er geen regels voor gelden en dat het voor de denkende mens zaak is zich op
een bepaald onderwerp te concentreren. Doet hij dat niet, dan leidt het denken
nergens toe. Er werd dan ook een systeem van onderwijs bedacht waarin de leerlingen zich konden
oefenen in het concentreren en het naleven van de regels voor het denken.
Tegenwoordig kun je vaststellen dat dat systeem vruchten afgeworpen heeft: de
wetenschap en de technologie hebben een enorme vlucht genomen en de voorraad
aan betrouwbare kennis is inmiddels onvoorstelbaar...
Toch is er iets merkwaardigs! Je kunt je namelijk afvragen waarom er aan het
denken gesleuteld moet worden. Het denken, in de zin van actief scheiden van
het een en het ander, is een werking van de werkelijkheid als zelfbewustzijn.
Dat zelfbewustzijn is het sluitstuk van het wordingsproces in de kosmos en je
zou het een 'volmaakte' zaak kunnen noemen, juist omdat het met dat proces niet
verder kan. De wording is klaar en er gaat letterlijk niets bovenuit!
Toch is de moderne westerse mens tot de ontdekking gekomen dat zijn denken in
toom gehouden moet worden, in die zin dat het volgens bepaalde regels moet
functioneren en dat er voor de betrouwbaarheid ervan een aantal kriteria geldt
die streng gehandhaafd moeten worden. Deze eigenaardigheid van het denken,
namelijk dat het noodzakelijk is er paal en perk aan te stellen, heeft
betrekking op het feit dat het denken als scheidende activiteit zich richt op
de werkelijkheid als voorstelling zoals die op voor hem kenmerkende wijze in de
mens aanwezig is. Die voorstelling is namelijk, hoewel als abstract
verschijnsel in het menselijk brein aanwezig, op zichzelf concreet en bepaald.
Het is steeds 'deze' voorstelling die 'van mij' is. Er is geen ruimte voor 'een
andere' voorstelling en bijgevolg ook niet voor een voorstelling van 'een
ander'. Dus: hij is zoals hij (op een zeker moment) is en zó is hij..! Gaat het
derhalve over het denken — ik bedoel dit in de alledaagse betekenis — dan
hebben we te doen met een vastleggend proces en in zoverre is van het denken te
zeggen dat het 'tegennatuurlijk' is, in feite 'cultureel'.
Omdat het denken vast mňet leggen moet het gereglementeerd worden of, anders
gezegd: omdat het denken bij de mens een zelfbewuste zaak is geworden moet het
voldoen aan de kriteria die voor de werkelijkheid als zelfbewustzijn, dus in
feite de voorstelling, gelden. Van nature legt het denken niet vast. Het
onderscheidt het een van het ander binnen de werkelijkheid als bewustzijn.
Omdat binnen die werkelijkheid alles met alles samenhangt 'springt' dat
onderscheiden, dat denken, dan ook 'van de hak op de tak'. Het is grillig,
onvoorspelbaar en van zich uit niet vast te houden.
De Verlichting, zie: Nrs. 3 , 14 , 18 , 31, 37 , 42 , 55 , 73 ,
Islam-1 ; Islam-2 ; Islam-3 ; Islam-4 ; Islam-5 ; Islam-6 ; Islam-7 ; Islam-8 ; Islam-9 ; Islam-10 ; Islam-11
Schepping(s)verhaal-zie afl. 03, 37,
43, 44, 69
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art
of Philosophy
door Jan Vis
AFLEVERING NR.
04-(27-01-97)
(On)verdraagzaam(heid)-1 ; (On)verdraagzaam(heid)-2 ; (On)verdraagzaam(heid)-3 ;
Socialisme dat zich bemoeit met de relaties tussen de mensen en dat dit doet
omdat men van mening is dat 'het geheel' gediend moet worden, is volstrekt géén
socialisme maar staatsterrorisme. Onvermijdelijk is dat terreur door een
bepaalde élite, die, hoewel er doorgaans iets anders gezčgd wordt, uitsluitend
op eigen macht uit is. Er is geen enkel argument te vinden op grond waarvan een
dergelijke tirannieke bemoeizucht gerechtvaardigd kan worden. De filosofen
wisten het allang, maar gelukkig heeft intussen ook de praktijk uitgewezen dat
zoiets na enige tijd spaak moet lopen. Maar gebleken is ook dat de naweeën
langdurig en verschrikkelijk zijn.
In de Oostblok–landen en in de Sowjet–Unie was het hele maatschappelijke leven
doordrenkt van enerzijds de perversiteit van de overheidscontrole en anderzijds
van de perversiteit van de spionage van de mensen onderling. Men hield elkaar
'verticaal' en 'horizontaal' voortdurend in de gaten, belasterde elkaar en zag
er niet tegenop zijn medemens aan afschuwelijk wrede instanties uit te
leveren...
De mening dat de bevordering en verzorging van de onderlinge relaties in 'het
socialisme' het beste gediend zouden zijn is een foute mening. In een dergelijk
socialisme gaat het er alleen maar om dat de macht van de staat gevestigd,
versterkt en gehandhaafd wordt. Zoals gezegd, is dat de macht van een bepaalde
bovenlaag, die bovendien als regel nog westers geschoold is ook. Noch de
verticale relaties, noch de horizontale, worden gediend en uiteraard komt er op
zo'n manier van samenleven niets terecht. Van socialisme natuurlijk al helemaal
niet!
Regelmatig probeert men u ervan te overtuigen dat mensen als Lenin en Mao tse
Toeng het beste met de samenleving voorhadden. Het is niet onmogelijk dat dit
qua idealisme het geval is, hoewel hun voortdurende hunkering naar macht en het
daarbij behorende stiekeme gedoe zich niet goed laten rijmen met de
goedmoedigheid, de verdraagzaamheid
en de oprechtheid die aan mensen met werkelijk goede bedoelingen eigen is.
Afgezien hiervan echter is te stellen dat de praktijk van die 'goede
bedoelingen' steevast neerkomt op een van bovenaf opleggen van morele en
maatschappelijke codes. En daarmee is aan de humane verhoudingen binnen een
wčrkelijke samenleving geweld aangedaan. Dat dit onvermijdelijk het geval is
dringt nooit tot die 'goede bedoelers' door. Dat is wel te begrijpen, want
goede bedoelingen moeten in stand gehouden worden en dus zullen de leiders
alles wat er aan in de weg staat buitensluiten. Op grond daarvan is het toch
beter om geen vertrouwen in die 'grote leiders' te stellen.
Terecht zijn nogal wat oud–socialisten verbolgen over het feit dat het in de
huidige maatschappij aan solidariteit ontbreekt en dat de sociale voorzieningen
de een na de ander afgebroken worden. En hoezeer die oud–socialisten ook gelijk
hebben wat de feiten aangaat, toch is het zo dat alleen in de westerse wereld
het besef dat het individu onvoorwaardelijk recht heeft op veiligheid zo diep in het
zelfbewustzijn van de mensen is doorgedrongen. Al wemelt het desondanks van de
al of niet bewuste aantastingen van dat recht en al gebeuren er bij herhaling
allerlei gruwelijke misdaden, het zijn en blijven altijd incidenten die door
vrijwel iedereen hartgrondig ŕfgekeurd worden. Daarom wordt er ook zoveel over
gesproken!
In de rest van de wereld zijn de mensen over het algemeen zelfs nog niet eens
aan zo'n afkeuring toe. Daarentegen trekt men in de westerse traditie al
geruime tijd niet meer in twijfel dat člk mens recht heeft op veiligheid. Dat
wil zeggen dat zij of hij onderdak, apparatuur, kleding en voedsel heeft. Dan
is er natuurlijk ook juridische en medische bescherming tegen zichzelf en
anderen en er zijn reisverbindingen en communicatie met de rest van de wereld.
Bovendien moet er vrije toegang zijn tot alle mogelijke informatie. Deze
basis–voorzieningen maken het de mensen mogelijk zich in alle opzichten te
ontplooien. Uiteraard wordt er met deze zaak regelmatig en op allerlei manieren
de hand gelicht, maar men weet en geeft toe dat zoiets eigenlijk niet te pas
komt.
De mensen van de westerse cultuur zijn bepaald geen lieverdjes, integendeel!
Juist door hun culturele ontwikkeling tot individu, die immers met de mens als particulier begint, is het al
egoďsme en egocentriciteit wat de klok slaat. Je kunt er dus van op aan dat er
zo veel en zo efficiënt mogelijk geplunderd wordt, terwijl allerlei al of niet
verhulde vormen van imperialisme en kolonialisme veelvuldig voorkomen. Het gaat
dus niet aan de westerse cultuur en haar volgelingen te idealiseren, want nimmer
zijn het moorden, stelen en tiranniseren zo enthousiast uitgeoefend. Maar
ondanks dit alles is het een onloochenbaar feit dat de westerse cultuur
tegelijkertijd een opvatting over de individuele mens heeft ontwikkeld die
verre die van andere oude en nieuwe culturen overtreft. Ook dat is een gevolg
van genoemde culturele ontwikkeling tot individu. Men gaat namelijk steeds meer
inzien dat men naast zichzelf als 'ik' logischerwijs 'de ander' aantreft en dat
uiteindelijk niemand uit de voeten kan als niet beiden, zowel 'ik' als 'de
ander' tenvolle en onvoorwaardelijk tot hun recht kunnen komen.
In tegenstelling tot wat gewoonlijk gedacht wordt loopt de ontwikkeling tot
individu niet uit in absoluut egoďsme, maar in een individueel ontwikkelde
persoonlijkheid ('de individu')
die ongehinderd samenvalt met de ultieme, voor de kosmos geldende,
verhoudingen. Daarin komt ŕlles tezamen in een in zichzelf volledig
samenhangend geheel dat zich in en voor de individuele mens realiseert.
Juist omdat in en voor die individuele mens, 'jij' en 'ik', die alomvattende
zaak zelfbewust is geworden kan er een ňnvoorwaardelijk bestaansrecht voor elke
mens gaan gelden. Probeer je nu een humane wereld te ontwerpen op grond van de
een of andere collectivistische formule, zoals bijna alle ideologisch
ingestelde mensen willen, dan kom je nooit op een onvoorwaardelijk
bestaansrecht uit. Steeds zal blijken dat men aan van tevoren en van buitenaf
bepaalde normen en kriteria moet beantwoorden, normen die bij het collectief
behoren en daar bepalend voor zijn, maar die onmogelijk de individuele
persoonlijkheid tot zijn recht kunnen laten komen. Een collectivistisch denkend
mens kan onder geen voorwaarde begrijpen wat gemeenschappelijkheid nu wčrkelijk
betekent. Hij zal er altijd iets 'uniforms' aan bedenken, een voor het gehele
collectief geldend stelsel van normen en waarden. Bijgevolg heeft zijn
gemeenschapsgevoel — dat vanuit zijn intuďtie en zijn gevoelsleven ondanks alle
verdrukking altijd enigszins werkzaam is — een voorwaardelijk karakter: niet
iedereen behoort bij zijn groep of clan en niet iedereen heeft dezelfde
rechten. Gelijkwaardigheid geldt alleen voor diegenen die beantwoorden aan de
collectieve normen en waarden. Aan het begrip gemeenschappelijkheid moet
derhalve toegevoegd worden gemeenschappelijkheid van iets. Er wordt van tevoren
verlangd dat men juist aan dat 'iets' voldoet, zoals daar zijn politieke
standpunten, maatschappelijke doelstellingen, aan de levenshouding ten
grondslag liggende godsdienstige dogma's en zo nog een heleboel zaken meer,
zelfs tot en met gezamenlijke hobby's.
De basis en de normen voor gemeenschappelijkheid worden van tevoren bepaald en
een ieder die daaraan niet voldoet mag niet tot het collectief toetreden.
Denkt men vanuit een collectivistische optiek na over gemeenschappelijkheid,
dan gaat het over een bij voorbaat gestelde uniforme norm of waarde. De op die
wijze bedoelde gemeenschappelijkheid heeft dan stilzwijgend een uitsluitend
oftewel exclusief karakter gekregen. Ook al ontkent men dit ten stelligste —
waarin de moderne mens buitengewoon gehaaid is! — dan komt dit exclusieve
karakter toch vroeg of laat aan de oppervlakte. Het kan niet verborgen blijven,
juist omdat het van deze opvatting van gemeenschappelijkheid de essentie is.
Gemeenschappelijkheid binnen de context van een volwassen wereld heeft geen
eisend, maar een constaterend karakter: men bemerkt en stelt vast dat de mensen
allerlei overeenkomstige eigenaardigheden vertonen, dat zij in een groot aantal
zaken overeenstemmen en een meer of minder uitgebreide werkelijkheid gemeen
hebben. Uiteraard zijn dat gemeenschappelijkheden in de voorstelling die de mensen van
de werkelijkheid hebben. Dus: de onvermijdelijk unieke voorstellingen van de
individuen vertonen allerlei gemeenschappelijks. Het gaat nu natuurlijk niet
over biologische overeenkomsten, want die zijn volstrekt niet typerend voor de
mensen. Het gaat over datgene dat qua voorstelling gemeenschappelijk is.
De ultieme vorm van gemeenschappelijkheid is de communistische, zoals die als
laatste grootheid van 'De Grote Vierslag' (zie
mijn gelijknamige werkstuk) te voorschijn komt. De inhoud van die vierslag
is de begrippensequens nihilisme, anarchisme, socialisme en communisme. Daarin
heeft 'communisme' als inhoud dat de mensen beseffen, weten en laten gelden dat
zij 'met zijn allen' zijn. Als dit helder in het zelfbewustzijn is komen te
liggen is de uiterste betekenis van het gemeenschappelijke voor den dag
gekomen. Dit echter heeft dan geen betrekking meer op een aantal concrete zaken
die zich in een gemeenschappelijke interesse kunnen verheugen, zoals dat in een
onvolwassen wereld bijvoorbeeld met voetballen het geval is. Daarentegen hebben
wij dan te doen met een onvoorwaardelijke gemeenschappelijkheid die alleen maar
geworteld is in de erkenning dat ieder mens er zomaar is zonder dat daarvoor
een reden opgegeven of gezocht kan worden.
(On)verdraagzaam(heid)-1 ; (On)verdraagzaam(heid)-2 ; (On)verdraagzaam(heid)-3
;
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art
of Philosophy
door Jan Vis
AFLEVERING NR.
05-(24-02-97)
Er is in de mensen een soort van automatisme wat betreft de waardering van wat 'geest'
genoemd wordt. Zonder er bij na te denken gaat men ervan uit dat de 'geest'
iets verhevens is en dat bijgevolg alle geestelijke zaken zonder meer goed zijn
en het welzijn van mens en natuur bevorderen.
Men vindt in tegenstelling daarmee dat stoffelijke zaken wezenlijk verkeerd
zijn. Idealistische filosofen, voornamelijk uit de 19e eeuw, vonden dan ook dat
de bestaande stoffelijke werkelijkheid de 'verkeerde' was, in die zin dat de
zaak als 'omgekeerd' beschouwd zou moeten worden. De wezenlijke werkelijkheid
zou zich omgekeerd hebben en dat betekent bij die filosofen dat de
werkelijkheid zich in haar tegendeel gewijzigd heeft. Het stoffelijke is dan de
'omkering' van het geestelijke. En om dat geestelijke gaat het volgens hen
eigenlijk, reden waarom de mens daartoe zou moeten terugkeren.
In die optiek zou de mens 'terecht' zijn als hij vergeestelijkt is. Dan is hij
'zuiver begrip' geworden. Welbeschouwd is deze gedachtengang van de idealisten
onzin, die hen ongetwijfeld werd ingegeven door de automatische aanname dat het
geestelijke het goede zou zijn. In feite echter is het dat geenszins...
Je hebt te doen met hoog-laag
denken waarbij vanzelfsprekend het hoge identiek is met het goede,
het onstoffelijke, het lichte, het onbepaalde en dus de 'geest'. En het lage is
wezenlijk slecht, het is bepaald, afgesloten en beperkt, het is de 'stof'. Dit
hoog-laag denken, al of niet uitgedrukt in termen van geest en stof, gaat in de
cultuur door alles heen. Stiekem is het bijna altijd bepalend voor de wegen die
het denken volgt bij zijn beoordeling van mens en wereld, zodat er
onvermijdelijk scheve voorstellingen ontstaan. Deze kunnen een zodanige
uitwerking hebben dat gehele culturen erdoor in wanen verzinken, zoals dat met
de westerse cultuur in toenemende mate het geval is.
De kriteria namelijk voor de wetenschappelijk verantwoorde juistheid van de
werkelijkheid als voorstelling staan in hoge mate in het licht van dat
verborgen hoog-laag denken. Wat juist is wordt als vanzelf hoog gewaardeerd en
wat onjuist is valt een lage waardering ten deel. Maar in de praktijk kan een
betrouwbare waardering wel eens precies andersom uitvallen! De
wetenschappelijke en technologische ondergrond bijvoorbeeld van een kerncentrale is volkomen juist. Hij doet het immers en dus wordt
hij hoog gewaardeerd. Maar het is niet zo moeilijk te bedenken dat zo'n onding
eigenlijk op allerlei gronden een lage waardering toekomt.
Het hoog-laag denken kan niet wegblijven uit de ontwikkeling van de mensheid.
Het is onvermijdelijk en dus is het op zichzelf redelijk dat het er is. Maar
dat wil geenszins zeggen dat je er zo gelukkig mee kunt zijn. Het leidt er
immers toe dat men het zogenaamde geestelijke, het onstoffelijke en niet-
materiële, een bijna absolute goedheid toeschrijft. Gevolg daarvan is dan weer
dat wat minder aangename zaken als stoffelijk, materialistisch, natuurlijk en
zelfs als dierlijk worden beschouwd. Die kunnen immers niet geestelijk zijn!
Dus, hoewel het hoog-laag denken redelijkerwijs niet weg kan blijven is het
toch de bron van veel praktische en intellectuele misvattingen, vooral omdat er
niet ingezien kan worden dat het geestelijke helemaal niet iets hogers is, dit
ten eerste, en ook omdat juist dat geestelijke, ten tweede, de veroorzaker en
de stimulans van alle onheil is die de mens in de loop van zijn geschiedenis
zichzelf heeft aangedaan.
Uiteraard had ook dat niet weg kunnen blijven, maar juist om dŕt te begrijpen
is het noodzakelijk in te zien waarmee je te doen hebt als je met 'de geest' te
doen hebt. Wat in bijna alle culturen 'de geest' genoemd wordt is in feite de
werkelijkheid als zelfbewustzijn. Zoals ik al zo vaak heb laten zien is die
zaak te typeren als 'niet-materie', hetgeen betekent dat het gaat over de
materie die er is alsof zij helemaal geen materie meer is. Dat heeft tot gevolg
dat de materiële werkelijkheid, zeg maar de verschijnselenwereld, op de wijze
van een verzameling trillingen aanwezig is. Aanwezig uiteraard in de mens, want
dat is het verschijnsel waarin het zelfbewustzijn optreedt. Dat is het geval
omdat hij de laatste
mogelijkheid van het kosmische wordingsproces is. In de mens zijn dus de
'dingen' op niet-materiële wijze aanwezig, namelijk als een verzameling
trillingen. Die verzameling is inhoud van het zelfbewustzijn en dat is wat ik
'de werkelijkheid als voorstelling' noem.
De voorstelling heeft betrekking op de 'dingen'. Alles wat in die voorstelling
komt te liggen is, hoewel op zichzelf niet-materieel, door en door onderworpen
aan de wetten van de werkelijkheid als ding. Het zelfbewustzijn, waarvan de
voorstelling inhoud is, moet dus beschouwd worden als een zaak van dingen,
hoewel het, als een aan de mens meekomende eigenaardigheid, op zichzelf als
niet-materie geldt. Op grond van dit laatste zijn de mensen, aanvoelend wat het
zelfbewustzijn kwalitatief is, van de geest gaan spreken en omdat er verder
niets aan de werkelijkheid te beleven valt zijn zij die geest als het hoogste
gaan beschouwen. Dus niet alleen als het laatste, maar vooral als het hoogste
dat als zodanig onmiddellijk maatgevend moest heten.
Maatgevend voor de ňnvolwassen mens is dus een zaak van dingen en dat zijn dan
ook nog los van elkaar staande dingen die in feite niets met elkaar te maken
hebben, behalve dan dat zij met elkaar een 'netwerk van relaties' vormen. Omdat
de mens niet alle dingen kent en ook lang niet alle dingen de moeite waard
vindt en heel veel dingen als slecht afwijst, is dat door de dingen gevormde
netwerk van relaties steeds een complex van vooroordelen, tegenstrijdigheden,
benauwdheden en belangen. En dat complex is nu wat men 'het geestelijke' noemt.
Zelfs de zogenaamd mooie en edele zaken zijn bevangen in dat complex.
Maar overwegend heb je te doen met allerlei gescharrel dat varieert tussen
kleingeestigheden en brute moorddadigheid. Die miezerigheden stoelen op
bevooroordeelde benauwde relaties, ruimschoots doortrokken van eigenbelang. En
de moorddadigheid is gegrond op het feit dat het ene ding de aanwezigheid van
het andere ding noodzakelijk en wezenlijk ontkent. Je kunt dus niet anders
constateren dan dat de 'geest' meer de bron van een heleboel ellende is dan dat
hij inspireert tot menselijkheid, in de zin van liefde, vrede, zachtmoedigheid
en nog meer van deze begrippen.
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art
of Philosophy
door Jan Vis
Concurrentie-1 ; Concurrentie-2
; Concurrentie-3
AFLEVERING NR.
06-(24-03-97)
Sinds de moderne mens halverwege de 20ste eeuw definitief zijn intrede in de
wereld heeft gedaan is er iets veranderd in de houding van de mensen ten
opzichte van de samenleving. Ongemerkt heeft namelijk de mening postgevat dat
de samenleving er is om eraan te verdienen, om je persoonlijk te verrijken. De
samenleving is individueel winstobject geworden.
Voordien was het de medemens waaraan op de een of andere manier verdiend moest
worden. De een probeerde de ander zoveel mogelijk uit te kleden om er zelf
beter van te worden. Overigens was er daarvoor nog een periode die gekenmerkt
werd door het uitplunderen van de aarde als planeet. Uitbuiten van de aarde en
van de medemens gebeurt natuurlijk nog steeds, en logischerwijze in voortdurend
verhevigende mate. Maar er is iets bijgekomen: het plunderen van de
samenleving. Was het voordien zo dat de samenleving in ieder geval in theorie
gezien werd als een, de afzonderlijke mensen overkoepelend, geheel waarin het
welzijn van een ieder zo goed mogelijk bevorderd moest worden, thans moet er
aan dat geheel verdiend worden. De particuliere mens probeert uit het geheel
munt te slaan. Gelukt dat om de een of andere reden niet, dan worden er ook
geen diensten aan de samenleving geleverd. Het loont dan de moeite niet.
Voorbeelden te over: de spoorwegen, ooit beschouwd als een openbare zaak die de
kwaliteit van de samenleving zou bevorderen, moeten nu winstgevend zijn. Het
gaat niet langer om diensten aan de burgers, maar om winsten voor ondernemers
en hun aandeelhouders.
Vroeger mochten die spoorwegen best wat kosten. Daarvoor had het rijk een
schatkist. Nu is dat niet meer zo...
Er is inderdaad een tijd geweest dat de algemene mening was dat je de
samenleving moest dienen. Zelfs nu nog reppen sommige naďeve politici van
"Het hoge ambt waartoe wij geroepen zijn". Natuurlijk is dat
tegenwoordig een leugen: geroepen worden politici stellig niet en de hoogte van
het ambt wordt heel zakelijk uitgedrukt in termen van geldelijke vergoedingen
en voorrechten. De samenleving is er alleen nog maar om aan te verdienen. En
als zodanig is zij een prachtig object, want er is absoluut geen concurrentie. Je
kunt, zij het in overleg met je collega's, zelf bepalen hoeveel voordeel je er
uit wilt trekken. Dat is nog eens goede handel..!
De mening dat de samenleving gediend zou moeten worden komt voort uit het
collectivistische denken. Voor dat denken is het logisch dat de individuele
mens opgaat in het geheel en dat is een dienende functie: het is een 'er zijn
terwille van iets anders'. Begrijpelijk is dat met het doorbreken van het
individualisme het individu er alleen nog maar voor zichzelf is. Het begrip dienen is daarmee
van de baan, of beter: alles buiten 'mijzelf' is er te mijnen dienste.
De moderne maatschappij wordt almaar meer topzwaar. Er wordt beweerd dat dit
gevolg is van het steeds ingewikkelder worden van de maatschappelijke
verhoudingen. Die ingewikkeldheid zou een almaar meer uitgebreid management
vragen om greep op de zaak te houden.
Van dat verhaal klopt niets.
Dat is te zeggen: de verhoudingen worden wel steeds ingewikkelder en
verfijnder, maar de kennis daaromtrent neemt in gelijke mate toe, zodat er toch
voldoende mogelijkheden zijn om in te grijpen. Dat dit evenwel niet of steeds
minder gebeurt, vindt zijn oorzaak niet in die ingewikkeldheid, maar in het
feit dat de maatschappij een winstobject aan het worden is. Iedereen wil er
stevig aan verdienen. Tengevolge daarvan worden de voorzieningen steeds
duurder. De zogenaamde top-functies zijn bijna niet meer te betalen. De
politieke prioriteiten komen ook meer en meer bij de mogelijkheden voor
winst-maken te liggen en steeds minder bij de vraag of het welzijn van de
burgers gediend is. Doordat de mens als particulier definitief begonnen is zich
als individu waar te maken ontstaat er voorlopig een wereld vol van egoďstische
en egocentrische mensen.
Het enige criterium dat van kracht is, is het begrip IK. Dit leidt ertoe dat de
maatschappelijke verhoudingen niet langer bepaald worden door collectivistisch
denken met als gevolg daarvan min of meer bewuste gevoelens van solidariteit en
daaruit voortkomende, in wezen socialistische, idealen en doelstellingen, maar
door pragmatische, op concurrentie
gebaseerde, factoren.
Zodra het individualisme zich werkelijk door gaat zetten komt er een op winnen gerichte mentaliteit
onder de mensen. Dat is aanvankelijk een keiharde zaak, maar na verloop van
tijd levert die puur egoďstische zaak een netwerk van op zichzelf redelijke en
reële onderlinge betrekkingen op. Dat is het geval juist omdŕt iedereen wil
winnen en zich tenslotte ook winnaar voelt. Het zijn precies die zelfbewuste,
niet langer ondergeschikte en schuchtere 'burgers' die op zakelijke wijze tot
onderlinge regelingen komen.
Men komt op den duur tot regelingen die op voet van gelijkheid overeengekomen
zijn, en niet meer van bovenaf opgelegd om van onderaf deemoedig aanvaard te
worden. Die nieuwe betrekkingen tussen de mensen zijn kil als de dood, maar: in
die betrekkingen spelen irrationele factoren als gefrustreerde gevoelens,
psychische aandoeningen, instincten en verlangens geen rol meer, zodat langzaam
maar zeker allerlei op niets berustende gevoelsmatige en psychische dwaasheden
verdwijnen.
Vrijwel alle in het maatschappelijk verkeer optredende wrijvingen, botsingen,
agressies en gewelddadigheden berusten op een besef van ondergeschiktheid, van
minderwaardigheid en onderworpen-zijn. Het bewustzijn alles te boven gekomen te
zijn maakt van de individu een waarlijk grootmoedig mens die geen gevaar meer
is voor zijn medemensen.
Concurrentie-1 ; Concurrentie-2
; Concurrentie-3
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art
of Philosophy
door Jan Vis
AFLEVERING NR.
07-(21-04-97)
Er is één begrip dat voor de mens een alles overheersende betekenis heeft en
dat is het begrip erkenning.
Het is het eerste begrip dat als onmiddellijke consequentie aan de mens als
individu te bedenken valt. Heeft de mens zich namelijk tot individu ontwikkeld,
dan is voor deze individu de aanwezigheid van 'de ander' tenvolle voor de dag
en tot zijn recht gekomen. Juist het zich ontplooien tot een volwaardige 'ik'
ontsluit de aanvankelijke begrensdheid van het particuliere en daardoor kan de
mens als individu 'het andere' en 'de ander' onvoorwaardelijk gaan insluiten.
Dit onvoorwaardelijke insluiten is precies de reden waarom het begrip erkennen
is gaan gelden.
Op zijn beurt houdt dit begrip erkennen in dat men van zichzelf uit,
onvoorwaardelijk en ongevraagd, aan de ander een aantal existentiële garanties
biedt. Het aanbieden van die garanties is vanzelfsprekend voor de mens als
individu, maar in feite is zo'n aanbod dat eigenlijk niet omdat het de mens nu
eenmaal gegeven is op alles 'nee' te zeggen. Hierdoor kan hij zijn medemens ook
geen garantie geven, hetgeen je bij de alsnog ňnvolwassen mens dan ook
voortdurend ziet.
Genoemde garanties beslaan een hele verzameling deelbegrippen die allemaal op
hun wijze het leven van volwassen mensen mogelijk en leefbaar maken. Het gelden
van het begrip erkennen leidt tot het aanbieden van een aantal
onvoorwaardelijke existentiële garanties. Hoofdzaken daarbij zijn dat men
elkaars behoefte aan zelfstandigheid, veiligheid en communicatie niet in de weg
staat.
Het is eigenlijk niet zo moeilijk om de aanwezigheid van de medemens te
erkennen. Als je hem bijvoorbeeld als een slaaf beschouwt heb je hem wel
degelijk erkend, maar dat heeft in feite niet zo erg veel om het lijf: zijn
zelfstandigheid is ver te zoeken, zijn veiligheid is slechts betrekkelijk
gegarandeerd, doorgaans alleen maar voorzover de slaaf een economische waarde
vertegenwoordigt. Zijn mogelijkheden tot communicatie zijn eveneens minimaal.
Een dergelijke 'erkenning' kan dus niet de bedoeling zijn. Het is al
voorwaardelijkheid wat de klok slaat. Ook de zogenaamde democratische erkenning
beantwoordt niet aan de voor de mens geldende universele normen. Allerlei
staatsbelangen, als steeds gesanctioneerd door een beroep op 'het hogere',
staan binnen het kader van een democratie aan het werkelijk erkennen van de
medemens in de weg.
Tot op heden is bijvoorbeeld het denken in termen van arbeid, als
rechtvaardiging van iemands bestaan, een hinderpaal bij het erkennen van de
medemens. Ook de behoefte om de medemens te administreren verhindert de
erkenning. Het is dus bij nader inzien helemaal niet zo simpel om tot een
algemeen geldende erkenning van iedere medemens te komen...
Het begrip zelfstandigheid houdt in dat men zichzelf en vooral, wat het
moeilijkste is, de medemens uitsluitend en onvoorwaardelijk als een
'zelfgenoegzaam' verschijnsel beschouwt. Een verschijnsel dus dat aan zichzelf genoeg heeft en
dat uitsluitend terwille van zichzelf aanwezig is. Die medemens wordt dan niet
gezien in het licht van iets of iemand anders, zoals bijvoorbeeld tot op heden
de vrouw gezien wordt in het licht van de man en de man in het licht van arbeid
en dat soort van zaken. Als de medemens als 'zelfgenoegzaam' wordt begrepen is
deze los van iedere bedoeling, functie of status. Hij is uitsluitend zichzelf,
ook als dat in de ogen van iemand anders niet zo prettig of verantwoord is.
Ook behoort het tot de inhoud van dit begrip dat de mens niet leven kan binnen
de context van een groep, een staat of enig ander geheel. Hij zou immers toch
weer terwille van iets anders op deze wereld zijn gekomen! Als 'dienstknecht
Gods' of zelfs maar als 'evenbeeld van god' is de mens uiteraard ook in een
positie gebracht die hem onwaardig is. Het spreekt vanzelf dat iedereen voor
zichzčlf de status van zelfstandigheid op kan eisen. In feite doet een ieder
dat van nature al: er is geen geestelijk gezond mens die vindt dat hij of zij
per se ňnzelfstandig zou moeten zijn. Niemand zit er naar uit te kijken om de
slaaf van iets of iemand anders te zijn.
Alleen binnen de context van een godsdienst aanvaardt men een zekere
persoonlijke onzelfstandigheid, maar dat blijft beperkt tot een irreëel
belijden van een of ander waandenkbeeld waaraan ook de meest gelovige zich in
de praktijk van alle dag onttrekt. Vroeger zeiden de mensen wel: "Vertrouw
op god, maar houd je kruit droog". Overigens kun je ook daaraan weer zien
hoe de godsdienst de positie van de mens in de kosmos in een vals daglicht
stelt...
Het moeilijke van het begrip zelfstandigheid ligt niet bij het opeisen van
zelfstandigheid voor jezelf, maar bij het onvoorwaardelijk erkennen en laten
gelden van de zelfstandigheid van de ander. Daarom moet dit begrip 'van jezelf
ŕf' gedefinieerd worden. Het moet gelden als een begrip dat op de ŕnder gericht
is. Houd je het op de eigen zelfstandigheid zonder die van de ander als
onmiddellijke en noodzakelijke consequentie te begrijpen, dan heeft het begrip
zelfstandigheid geen betekenis.
Het begrip veiligheid heeft een veel omvangrijker inhoud dan gewoonlijk
verondersteld wordt als je erover spreekt. Het heeft namelijk niet alleen te
maken met een zekere politionele bescherming bij het zich bevinden op straat
bijvoorbeeld, maar veelmeer met de juridische status waarin de mensen zich bevinden.
Het gaat over de verhouding waarin de ene mens tot de andere staat. Dit
betekent dat men elkaar met rust zal laten en er zorg voor
zal dragen dat men elkaar niet benadeelt of leed berokkent. Deze zorg voor
elkaars veiligheid kan niet incidenteel zijn. Het is immers gemakkelijk genoeg
als alles meezit!
Zij zal echter geheel en al ňnvoorwaardelijk moeten zijn. Bovendien moet zij
negatief gedefinieerd worden omdat het gaat over zaken die men ten aanzien van
de medemens te lŕten heeft. Het laten gelden van het begrip veiligheid komt
neer op het voorkomen en
verhinderen van al datgene dat de ander en jezelf qua zelfstandigheid
bedreigt. Het is helemaal niet noodzakelijk dat de wederkerige garanties voor
veiligheid in wetsartikelen vastgelegd zijn en dat bepaalde instanties optreden
als handhavers van deze wetten. Mensen die tenslotte volwassen geworden zijn
hebben een dermate helder besef van rechtvaardigheid dat zij in de vele
verschillende situaties, waarin ze komen te verkeren, elkaar bijna intuďtief
'recht zullen doen'.
Het onvoorwaardelijke karakter van dit begrip veiligheid heeft ook als
consequentie dat men medemensen met een verkeerde aanleg en ontplooiing in hun
'verkeerd-zijn' erkent en hen zo goed mogelijk beschermt en verzorgt. Op grond
van het eerder genoemde rechtvaardigheidsbesef zullen deze bescherming en
verzorging geen indirect, maar een direct en preventief karakter hebben. Men
wacht niet, zoals tot nu toe gebruikelijk is, totdat er een misdaad geschied
is, maar tengevolge van elkaars zorg voor elkaar heeft men reeds lang van
tevoren de symptomen van het 'verkeerd-zijn' herkend en zo goed mogelijk behandeld.
Men mag niet
vergeten dat een belangrijke stimulans tot misdadig gedrag gelegen is in de
onverschilligheid voor elkaar. Het als los zand aan elkaar hangen van de
onvolwassen mensen is een vruchtbare voedingsbodem voor criminaliteit. Wanneer
dat eenmaal opgeheven zal zijn blijft er slechts een heel klein aantal mensen
over die wčrkelijk niet goed in elkaar zitten. Vanzelfsprekend worden die als
ziek beschouwd...
Onder het begrip veiligheid valt ook het onvoorwaardelijk voorhanden-zijn van de
levensbehoeften van de mensen. Dat wil zeggen dat ieder mens aan die behoeften
kan voldoen zonder daarvoor eerst op allerlei onaangename manieren een grote
hoeveelheid geld bijeen te moeten schrapen of op andere onterende manieren
'zijn brood te verdienen'. Onder levensbehoeften valt een grote variëteit aan
onmisbare zaken zoals daar zijn onderdak, kleding en schoeisel, voedsel en
medische hulp. Maar ook die zaken die tot nu toe als 'luxe' gezien werden, maar
die voor mensen met een speciale aanleg onontbeerlijk zijn: muziekinstrumenten,
geluidsdragers, boeken, kunst en kunstvoorwerpen, enzovoort. Het moet zelfs
voor 'dromers' mogelijk zijn zich als zodanig uit te leven zonder daarvoor met
de nek aangekeken te worden vanwege het feit dat ze niet 'werken voor de kost'.
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
door Jan
Vis
AFLEVERING NR.
08-(19-05-97)
De filosoof Karl Popper waarschuwde ten tijde van de tweede
wereldoorlog al voor wat hij 'social engineering' noemde. Hij zag blijkbaar in
dat je een samenleving niet kunt construeren zoals een ingenieur bijvoorbeeld
een machine construeert. Popper heeft dat juist gezien. Natuurlijk hebben een
heleboel epigonen deze opvatting enthousiast overgenomen, uiteraard zonder in
de gaten te hebben dat zijzelf, ongehinderd door inzicht in hun eigen denken,
vol overtuiging bezig zijn zčlf plannen te maken voor een toekomstige wereld.
Plannen waaraan iedereen loyaal zal moeten meewerken... omdat het nu eenmaal
goede plannen zijn!
Het construeren van een
'Verenigd Europa' bijvoorbeeld is zo'n plan. Onze moderne maatschappij
wordt met rasse schreden hervormd tot een onderneming, een bedrijf, geleid door
managers die hun werkzaamheden professioneel verrichten volgens criteria die
zij op de universiteit geleerd hebben en die zij zonder meer voor juist houden.
Zo worden wij een kunstmatige managerswereld binnengesleurd!
Die managers blijken daarbij, ten gevolge van hun academische zekerheden, zo
verblind te zijn dat zij het bestaan om een in de loop van vele eeuwen
gegroeide maatschappij voor ondeugdelijk te verklaren. Dat heeft als gevolg dat
zij voortdurend proberen de realiteit om te vormen en aan te passen aan de
theorie zoals ze die op school geleerd hebben.
Maar, als de moderne mensheid straks echt wakker wordt zal de 'cultuurschok'
vele malen groter en aangrijpender zijn dan zij ooit in het verleden bij
intellectuele omwentelingen geweest is...
Het gaat in de wetenschappen om zekerheden. Dat is logisch want aan kennis
waarvan je de juistheid betwijfelt heb je niets en er is in principe dan ook
geen mens te vinden die er op uit is zich te bedienen van kennis waarvan hij
weet dat zij onjuist is. Maar, hij kan die onjuiste kennis eventueel wel
gebruiken om er anderen een rad mee voor ogen te draaien, zoals bijvoorbeeld de
heren van de kernenergie-lobby
voortdurend doen. Die weten natuurlijk voor zichzelf heel goed dat zij bezig
zijn de werkelijke feiten te verdraaien. Ook deze heren kunnen en willen zich
niet bedienen van onjuiste kennis: die is bestemd voor anderen! Het zijn dan
ook stuk voor stuk leugenaars: zij doen het naar buiten toe voorkomen alsof
bepaalde feiten juist zijn terwijl zij weten dat dit geenszins het geval is en
zij voor zichzelf heel andere feiten hanteren, feiten die zij wčl oprecht voor
juist houden. Om redenen van economisch en politiek belang, maar vooral ook met
het oog op eigen gewin, mogen die juiste feiten niet bekend gemaakt worden.
Vandaar hun voorliefde voor geheime dossiers! Het is een vaste regel dat daar
altijd een luchtje aan zit.
De wetenschappelijke zekerheden zijn wezenlijk ňnzeker doordat zij
onvermijdelijk slechts momenten zijn op de weg van het leren kennen van de
feitelijke werkelijkheid. Deze fundamentele onzekerheid echter ligt verborgen
onder de zekerheden: op elk moment zijn er bepaalde zekerheden wat betreft de
juistheid van de verworven kennis. Doordat juiste kennis niet mogelijk is
zonder een onderstroom van onzekerheid en doordat die onzekerheid zich in de
toekomst onvermijdelijk manifesteert, is academische plannenmakerij niet alleen
inhouds- en betekenisloos, maar ook nog levensgevaarlijk.
De wetenschappen kunnen steeds verder met hun onderzoek van de werkelijkheid.
Altijd blijft het mogelijk en noodzakelijk dat er weer een volgende stap gezet
wordt: de verworven kennis van nu legt vanzelfsprekend de vragen neer voor de
kennis van straks. Dat betekent dat eigenlijk elk 'kennismoment', hoewel op
zichzelf streng op juistheid getoetst, toch niet een 'waar' moment kan zijn.
Steeds ontbreekt er iets aan die kennis, zodat men verder op zoek moet gaan.
De begrippen juistheid en waarheid (zie bladwijzers)
zijn ten enen male niet identiek, er zit een wereld van verschil tussen.
Ook in de kunst en de filosofie kan men altijd verder, maar er is toch een
belangrijk verschil met de wetenschappen. Nu is namelijk elk moment een 'waar'
moment waaraan in geen enkel opzicht iets ontbreekt. Steeds heeft men te doen
met een 'volmaakt' moment, waarmee ik bedoel te zeggen dat alles aanwezig is.
Dat is logisch: de kunsten en de filosofie zijn, elk op eigen wijze,
uitdrukking van de werkelijkheid als beeld en aangezien dat een afspiegeling
van het geheel van de werkelijkheid is kan er eenvoudigweg niets aan ontbreken.
Het kwantitatieve zoeken van de wetenschap heeft in de kunsten en de filosofie
plaats gemaakt voor het kwalitatieve zoeken van een zo helder mogelijk
begrijpen en vervolgens beschrijven van de werkelijkheid als beeld.
Gaat het in de wetenschappen om zoveel mogelijk details, en dus 'zoveel
mogelijk van hetzelfde', in de kunsten en de filosofie gaat het om zo helder
mogelijke nuances binnen het samenhangende geheel van de werkelijkheid. Ook
ruwe artistieke schetsen en globale filosofische uitspraken staan in het teken
van het 'ware'. Het altijd maar doorgaan van de kunstzinnige en filosofische
arbeid berust dus op het zoeken van een zo helder en genuanceerd mogelijke
beschrijving van de werkelijkheid. Dat is het waarmee de filosoof en de
kunstenaar almaar verder kunnen. Dat van de wetenschappen echter op het
achterhalen van zoveel mogelijk details.
Ook voor de wetenschappen houdt het zoeken nimmer op, maar dat komt doordat de
zaak wezenlijk gebrekkig is en blijft. Voor de kunsten en de filosofie houdt
het zoeken nimmer op omdat de waarheid - steeds dezelfde waarheid! - altijd
mooier en genuanceerder uitgedrukt kan worden.
Het begrip waarheid is voor de moderne intellectuelen volslagen taboe. Zij
rekenen het tot de rubriek 'geloof'. Daarmee gedragen zij zich als Pilatus die zich
destijds al afvroeg wat waarheid is. En die natuurlijk bedoelde dat dit begrip
loos was vanwege het voor hem klare feit dat je de waarheid niet kunt kennen.
Inderdaad kon Pilatus
de waarheid niet kennen, want hij was een Romein! Dat wil zeggen: iemand die
een exponent was van de toenmalige Romeinse cultuur. Die cultuur is te typeren
als een 'verzamelaars-cultuur' en die tref je aan bij het begin van de
analytische periode van de mensheid. Analyse immers vooronderstelt een
verzameling, of juister gezegd: een kijk op de werkelijkheid als zou zij
uitsluitend een verzameling van verschillende dingen zijn. Dit is dus de
werkelijkheid naar het begrip totaliteit. Bij een dergelijke kijk is het
onmogelijk het begrip waarheid te gebruiken. Dus had Pilatus eigenlijk volkomen gelijk door
vragenderwijs te stellen dat er hoegenaamd geen waarheid is... Echter, er is
wel degelijk een waarheid, net zo goed als er een werkelijkheid is.
Het begrip waarheid is te omschrijven als de werkelijkheid als beeld zoals die
voor de ervaring van de mens opgeroepen wordt door het bewustzijn. Alles wat
'het beeld' laat zien, aan iemand laat ervaren, is zonder meer waarheid, hoe
subjectief en persoonsgebonden de voorstelling, waaraan het beeld zich
afspiegelt, ook bij gelegenheid zijn kan.
Omdat moderne mensen uitsluitend het accent leggen op de voorstelling, de in
hen subjectief aanwezige werkelijkheid, kunnen zij niet uit de voeten met
ervaringen van de waarheid. Zij wijzen ze dan ook pertinent af en draaien
daarbij de zaak zodanig om dat zij nu die waarheid voor subjectief houden en
hun voorstelling voor objectief! Hun denken is zň primitief dat zij zich niet
eens realiseren dat hun zogenaamde objectiviteit op niets anders berust dan op
de macht van het getal: als velen iets voor juist houden, bij voorkeur gesteund
door betrouwbaar wetenschappelijk onderzoek, dan moet iets wel objectief juist
zijn. Dat die objectiviteit gevolg is van afspraken en, binnen een cultuur als
vanzelfsprekend ervaren, zogenaamde waarheden ontgaat hen. Althans zij willen
dat nimmer toegeven.
Overigens betekent dat volstrekt niet dat de op afgesproken criteria berustende
kennis 'dus' onjuist zou zijn - integendeel!
De waarheid leent zich niet voor afspraken of besluiten die op democratische
wijze bij meerderheid genomen worden. De waarheid leent zich volstrekt nčrgens
voor: niet voor overdragen aan anderen via het onderwijs, niet voor uitdrukken
in formules, het maken van berekeningen of plannen en niet voor het ten
voorbeeld stellen aan anderen. Zelfs voor het verwerkelijken van een ideaal
deugt de waarheid niet! Ze is alleen maar te ervaren en dat dan ook nog
individueel.
Zij vindt langzaam maar zeker haar weg in de wereld doordat steeds meer mensen
er steeds minder onderuit kunnen, zonder daarbij acht te slaan op wat anderen
ervan vinden of zonder anderen op de een of andere manier na te volgen. De
waarheid is strikt individueel en als zodanig tegelijkertijd universeel.
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
door Jan
Vis
AFLEVERING NR.
09-(16-06-97)
Doodvonnissen-1 ; Doodvonnissen-2
; REDELIJKHEID ;
Het
westerse pacifisme is een uitgesproken luxe aangelegenheid. Er gebeurt in de
westerse wereld nauwelijks iets dat het pacifisme noodzaakt zich om te zetten
van een ideaal tot een concrete levenshouding. Er gebeurt niets op het gebied
van oorlog. En als er wčl van een oorlog gesproken kan worden is er altijd nog
de mogelijkheid van een, al of niet door de overheid toegestane en geregelde,
weigering om mee te doen. Zelfs de zogenaamde totaalweigeraars lopen nauwelijks
enig ernstig risico en, naar het schijnt, was dat zelfs zo in de Duitse
Wehrmacht ten tijde van het nazisme. Voorzover mij bekend zijn er althans geen doodvonnissen op grond
van weigeringen uitgevoerd.
Onder die gunstige omstandigheden is het westerse pacifisme, hoewel een luxe,
toch alleszins prijzenswaardig en voor velen een voorbeeld. Bovendien een
serieuze waarschuwing in de richting van de overheid. Maar het is niet meer dan
dat. Het is immers een standpunt dat eigenlijk en oorspronkelijk een reactie is
op de absurde, min of meer gereglementeerde, traditionele oorlog zoals ook die
overigens voor het Westen stellig tot het verleden behoort.
Ten aanzien echter van de, op basis van primitief particulier individualisme,
losgebroken moordlust en de daarmee samengaande psychische ontreddering heeft
het gebruikelijke pacifisme geen enkele reële betekenis, sterker nog: het is
zelfs uitgesproken naďef te noemen. Je bent natuurlijk moreel en zelfs
filosofisch verplicht om het pacifisme als idee te handhaven: je kunt niet vóór
moorden en verkrachten zijn! Maar dat betekent niets als je tegenover een
dolgedraaide moordenaarsbende komt te staan. Je zult dan toch vroeg of laat,
ondanks je pacifisme, van je af moeten gaan slaan.
Als rechtvaardiging is er één onweerlegbaar en doorslaggevend argument: het
door anderen begonnen geweld, dat een aantasting is van leven en goed van op
zichzelf vredelievende medemensen, moet gestopt worden. Tenslotte is het nog
altijd zo dat die vredelievende mensen het samenhangende geheel van de
werkelijkheid niet verbreken terwijl de gewelddadigen en de moordenaars dat
evident wčl doen. Deze laatsten zijn inderdaad 'niet goed bij het hoofd' en dat
kan van die vredelievende mensen, althans wat dit betreft, niet gezegd worden.
Hun tegengeweld, dat uiteraard een laatste optie is, is gerechtvaardigd door
het feit dat het een poging is de misdaad, het verbreken te stoppen. Voorzover
er in de moderne wereld het eerlijke en onbaatzuchtige streven is de militairen
in te zetten om de misdaad te stoppen, kun je van een onmiskenbare 'stap
voorwaarts' spreken. Was het militaire bedrijf er vroeger op gericht doormiddel
van noodzakelijk dodelijk geweld politieke doelen te bereiken en was met het
oog daarop het feitelijke militaire handwerk dat van de moordenaar, thans
begint het er naar uit te zien dat het beletten van de misdaad de nieuwe
doelstelling wordt.
Filosofisch en ethisch gezien zit hier een houdbare kaart in: misdaad is de
daad van het verbreken van de samenhang en dat is welbeschouwd het ergste
waartoe een mens komen kan. Het is het ergste omdat het een essentie van de
menselijke werkelijkheid ontkent, namelijk de voor het zelfbewustzijn van de
mens geldig geworden samenhang. En tegelijkertijd is dat verbreken zo kwalijk
omdat het de mens qua aanleg gegeven is de werkelijkheid juist niet te
verbreken. Het feit dat er hier van een wezenlijke keuze gesproken moet worden
en het dus altijd mogelijk is de misdaad achterwege te laten, maakt het
verbreken van de samenhang tot de ultieme misdaad. Men had ook voor die
samenhang kunnen kiezen.
Je moet denken in termen van het beletten van
de misdaad want anders ontstaat er een verkeerde voorstelling van zaken. Het
beletten houdt namelijk in dat er van het beginnen van een misdaad gesproken
kan worden. Deze staat op het punt van gepleegd te worden en er is kennelijk al
een ernstig conflict gegroeid. Het feit echter dat dit het geval is duidt erop
dat je nog steeds met een ňnvolwassen mensheid van doen hebt, een mensheid
waarin de onderlinge botsingen nog uit kunnen groeien tot volstrekt levensgevaarlijke
conflicten, waarbij er reeds naar de wapenen gegrepen wordt.
In een onvolwassen wereld kom je, als je geluk hebt, niet verder dan het nog
juist op tijd beletten van die misdaad. Het is daarentegen de volwassen mensen
gegeven conflicten te voorkomen. Dat wil niet zeggen dat er dan geen
botsingen meer zijn, maar het wil zeggen dat de mensen mentaal zover gevorderd
zijn dat zij hun 'oplossend vermogen' effectief hebben leren gebruiken. Over
dat 'oplossend vermogen' is nog heel wat te zeggen, maar in ieder geval speelt
de aanwezigheid en het vrij ter beschikking staan van informatie, benevens een
effectieve communicatie een cruciale rol.
Merk op dat ik begrippen als redelijkheid,
tolerantie en zomeer in dit verband niet hanteer! Het begrip redelijkheid, met daaraan
gekoppeld de bereidheid om tolerant te zijn, is welbeschouwd een relatief
begrip. Dat wil zeggen dat het een begrip is dat onder bepaalde voorwaarden
bestaan kan, maar dat geen universele geldigheid bezit. Het is een uitvinding
van de 'verlichte' mens die aan zichzelf en anderen de eis stelt zich niet
tenvolle en geheel naar eigen aard te laten gelden. Daarmee wordt een deel van
zichzelf, in die relatie met de ander, buiten beschouwing gelaten. Redelijkheid is dus niet
denkbaar zonder een soort van hogere instantie, een boven de persoon uitgaande
norm die het belang van de relatie dient, maar niet het belang van het
individu.
Dat geldt ook als die relatie niet een andere persoon betreft, maar iets
anders, de waarheid of de ideologie bijvoorbeeld. Denk je hier op door, dan kom
je tot de onafwendbare conclusie dat 'rede', 'tolerantie', 'redelijkheid' en wat er
verder nog als de maat gesteld wordt, op de onvrijheid van de onvolwassen mens
berusten. Voor de volwassen mens moeten noodzakelijk andere begrippen gelden.
Natuurlijk kan ook die volwassen mens niet om het feit heen dat 'de ander' er
ook is. Sterker nog: juist die volwassen mens laat 'de ander' geheel en al tot
zijn recht komen. Maar onder die omstandigheden wordt zijn relatie tot die
ander niet gekenmerkt door een wederzijds 'geven en nemen'.
Doordat men wederzijds de kwaliteit van elkaars leven optimaliseert is er in
elke relatie een in elkaar overgaan van beider levens. Dit houdt niet in dat
een ieder iets van zichzelf uitschakelt, noch dat de een zich in de ander
'verliest', zoals dat in bepaalde idealistische filosofieën zo fraai heet, maar
het houdt in dat binnen de context van zo'n relatie beider persoonlijkheden
tijdelijk in elkaars licht komen te staan. Dat is wat je 'de ontmoeting' zou
kunnen noemen en de wederzijdse invloed, die van zo'n ontmoeting uitgaat,
verrijkt het leven van ieder der betrokkenen. Dit staat in schril contrast met
'geven en nemen' waarbij beiden wezenlijk aan elkaar tekort komen.
Met allerlei kriteria, normen en tactische procedures, zoals die tezamen de
gebruikelijke inhoud van het begrip levenskunst vormen, heeft het bovenstaande
absoluut niets te maken. Rede, redelijkheid, tolerantie, omgangsvormen en zulke zaken zijn nu
lege begrippen geworden. Die betreffen in feite een van buitenaf geregelde
beweeglijkheid van het leven. En die kan in wezen niet anders dan frustrerend
zijn. Het 'optimaliseren' van elkaars leven betekent alleen maar dat de een
nalaat het wezen en het zich manifesteren van de ander hoe dan ook te
belemmeren.
Je kunt niet het wezen en het zich manifesteren, het 'er-zijn', van de ander
verbeteren of veranderen. Toch lijkt het alsof je dat wel kunt: in een wereld
waarin niemand de ander met rust laat en niemand zichzelf met rust laat, blijft
een ieder dramatisch ver onder zijn mogelijke niveau. Gelukt het je nu die
wederzijdse bemoeizucht, dat elkaar voortdurend belemmeren en hinderen, op te
heffen, dan is het resultaat een mens die, vergeleken bij voordien, 'veranderd'
en 'verbeterd' is. In feite echter is deze mens zichzelf geworden. Dat berust
dus niet op het aan iemand toevoegen van kwaliteiten, maar op het opheffen van
belemmeringen. Je haalt er iets af! Een relatie kan zodanig van aard zijn dat
dit opheffen praktisch functioneert en in dat geval spreek je van het
'optimaliseren van elkaars leven'. Daarvoor behoef je dus niets te doen, maar
je moet daarentegen iets lŕten..!
Doodvonnissen-1 ; Doodvonnissen-2
;
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
door Jan
Vis
Naar bladwijzers: lange-afstands raketten collectivistische denken - zie nos. 10, 11, 66, 67 Burgeroorlog, Sociaal Democratie ; Liberale Democratie-1 ; Liberale Democratie-2 ; Parlementaire Democratie ; KANT- zie nrs. A en B ; Het ontwaken van de individualist-zie nrs. 10, 11, 58, 59, 62, 65, 67
AFLEVERING NR.
10-(14-07-97)
Als je eenmaal in de gaten hebt dat de westerse cultuurmens
altijd in één bepaalde richting denkt, namelijk van boven naar beneden, gaan je
steeds meer zaken opvallen die traditioneel hoog in aanzien staan, maar die het
welbeschouwd tenvolle verdienen zonder pardon afgewezen te worden. Uiteraard
geldt dat voor de diep ingekankerde behoefte om vanuit een leidersprincipe met
onze wereld om te gaan. Ook de democratische stelsels ontkomen niet aan die
behoefte, hetgeen duidelijk moge blijken uit het feit dat het hele geworstel
binnen de parlementaire democratie
onveranderlijk uitloopt in de overwinning van een aantal absolute heersers,
voor wie het democratisch handelen slechts instrument is om naar de top te
komen en daar hun zin door te drijven.
Meer verborgen en over het algemeen zelfs door de denkers nauwelijks opgemerkt
zijn de opvattingen van diegenen die op grond van hun denken, standpunten en
levenshoudingen doorgaans tot de toppen van onze intellectuele cultuur gerekend
worden. Die opvattingen blijken bij hernieuwde onbevangen beschouwing van een
zodanige arrogantie te zijn dat je je erover verbaast dat zij niet eerder en
vaker met hoon overladen zijn.
Zo is daar bijvoorbeeld Voltaire,
die van mening was dat, ŕls god niet zou blijken te bestaan, er voor 'het volk'
beslist een uitgevonden zou moeten worden, omdat die stumperds een hoger, van
buitenaf dwingend, moreel principe van node zouden hebben. Voltaire is op grond
daarvan duidelijk een vertegenwoordiger van hoogmoedige denkers die voor
zichzelf een hoge status reserveren en daaraan zonder meer verbinden dat hun
medemensen zo weinig betekenen dat zij gevoeglijk aan een waan van iets hogers
onderworpen mogen worden.
En de filosoof Immanuel Kant,
die tot op de dag van vandaag beschouwd wordt als de grootste denker aller
tijden, achtte zichzelf ook deftig genoeg om het recht te hebben aangaande zijn
medemensen te stellen dat zij gedwongen moesten worden om deel te nemen
aan een goede wereld.
Hij kon beslist beter weten: juist het feit dat het uitsluitend zijn eigen
persoonlijke voorstelling van een 'goede wereld' betrof en dat juist hij degene
was die in zijn filosofie de vraag naar het persoonlijke kenvermogen van de
mens als centraal thema stelde, doet je nog meer verbaasd staan over de
hoogmoed van zo een groot denker. En mij verbaast het nňg meer dat vrijwel geen
van de hedendaagse filosofen in de gaten heeft hoezeer zij zelf en hun collegae
eveneens halsstarrig van bovenaf denken en daardoor een geheel verkeerd concept
van een goede wereld ontwerpen. En dan vinden zij het spijtig dat de mensen
almaar niet aan hun ideeën kunnen beantwoorden.
Maar de fout ligt bij henzelf. Hun voorstelling van de werkelijkheid deugt
immers niet! Vanuit het academische denken klopt de zaak wel, maar de
academische werkelijkheid is nu eenmaal niet identiek aan de echte
werkelijkheid.
De mensen zouden met de beste wil van de wereld niet aan de verlangens van de
moderne filosofen kunnen voldoen. Toch geven dezen niet zichzčlf en hun eigen
denken de schuld, maar 'het volk', 'de straat', 'het egoďsme' en 'het
materialisme'. Dus: de anderen en de cultuur zijn eraan schuldig dat het
geniale concept van de denkers op niets uitloopt! Dat nu is hoogmoed: je eigen
voorstelling van de werkelijkheid als de absolute maat voor anderen stellen en
die anderen vervolgens beschuldigen van apathie, egoďsme en domheid als zij aan
die maat niet kunnen beantwoorden en dat ook niet wensen te doen.
Voltaire was van mening dat een godheid noodzakelijk was om de mensen in toom
te houden en hen bovendien iets te geven waartegen zij op kunnen zien en waar
zij troost uit kunnen putten. Men zou een god uit moeten vinden als er geen
voorhanden was, zo placht hij te zeggen. Kennelijk maakt Voltaire uit wat goed
voor de mensen is, na overigens eerst en enigszins triomfantelijk vastgesteld
te hebben dat zij onzelfstandige, domme en hulpeloze tobberds zijn.
Zichzčlf rekent hij er natuurlijk niet toe, hoewel de logica gebiedt te laten
gelden dat de uitspraak 'de mensen zijn tobberds' noodzakelijk ook inhoudt dat
diegene die bedoelde uitspraak doet ook tenvolle meegerekend behoort te worden.
Voltairiaanse hoogmoed komt veelvuldig voor. Tot op de dag van vandaag kan men
denkers tegenkomen die staande houden dat 'de' mens een schurk is die niet
zonder van buiten af opgelegde, dwingende moraal en regels kan. Ondanks hun
gekwalificeerde denken valt die denkers blijkbaar niet op dat er een heel
verschil is tussen de vaststelling 'de mentaliteit van de alsnog onvolwassen
mens is overwegend schurkachtig' en de bewering dat 'de' mens een schurk zou
zijn. En zij voelen al helemaal niet aan dat het, fenomenologisch gezien,
volstrekt uitgesloten is dat het laatste resultaat van het wordingsproces een
tobbende schurk is...
Tot voor kort werd
er gevochten, gemoord en verkracht in Bosnië, het vroegere Joego-Slavië.
Door datgene dat daar nog steeds mogelijk blijkt te zijn hellen steeds meer
mensen over tot de mening dat een dergelijk schofterig gedrag ook mogelijk is
in de westerse wereld, als de mensen maar genoeg opgezweept zijn en zich,
daarmee samenhangend, voldoende bedreigd voelen door buitenstaanders die als
minderwaardig en misdadig beschouwd worden. Sommigen zijn er zelfs van
overtuigd dat er maar heel weinig nodig is om de brand erin te steken. Zij
wijzen daarbij op de betrekkelijk onbenullige argumenten die met succes
gebezigd worden.
Argumenten van het kaliber: "Jij woont aan de andere kant van de sloot,
důs ben je mijn vijand", waarop destijds, omstreeks 1670, Blaise Pascal
reeds met verachting wees. En ik moet toegeven, de ontwikkelingen in dat Bosnië
brachten mij ook enigszins aan het twijfelen. In feite waren dat niet alleen
die ontwikkelingen, maar ook die in onze westerse wereld, namelijk op het vlak
van het zich effectuerende individualisme. Zoals bekend neemt bijvoorbeeld in
het verkeer het asociale en zelfs misdadige gedrag verschrikkelijke vormen aan
en ook in het maatschappelijk leven is de toename van de vijandigheid
onmiskenbaar. Dus: waarom zouden er ook in het Westen geen burgeroorlogen kunnen ontstaan met de
daarbij behorende wreedheden?
Ook de westerse mens is nog steeds onvolwassen en hij blijkt een bandiet te
zijn als hij op de een of andere manier gemotiveerd is en straffeloos zijn gang
kan gaan. Vooral dit laatste..! Ofschoon dit alles ongetwijfeld waar is ben ik
toch weer teruggekomen bij mijn oorspronkelijke mening dat het juist in de
westerse wereld niet meer mogelijk is dat conflicten zulke wanstaltige vormen
aannemen. Ik ontken dus niet de mogelijkheid van ernstige conflicten, maar ik
ontken voor de doorsnee westerse mens de mogelijkheid van het vervallen tot
volslagen misdadige bandeloosheid.
Praktische aanwijzing daarvoor is de
voortdurende besluiteloosheid van het Westen als het gaat om gewapend optreden.
Men wil niet vechten. En filosofisch redenerend kun je de burgeroorlog
niet rijmen met de fase waartoe het individualisme zich in het Westen
ontwikkeld heeft.
In de westerse wereld is het individualisme definitief doorgebroken. Dat
betekent dat er wel allerlei vormen van individuele misdadigheid mogelijk zijn,
maar dat er geen massale moordpartijen, zoals in burgeroorlogen, meer
kunnen voorkomen. Het voor zulke misdaden benodigde collectivistische
instinct is vrijwel geheel verdwenen. Dat instinct is onmisbaar, het is de
diepere grond voor burgeroorlogen, die dan ook eigenlijk geen oorlogen
zijn, maar op massahysterie gebaseerde moordpartijen. Zonder groepsbesef,
zonder collectivistische instincten, zijn dergelijke moordpartijen onmogelijk.
Zoals steeds bij groepsgedrag worden het individuele normbesef en het redelijke
handelen tijdelijk bepaald door de hysterie van de groep. Dat normbesef en het
daaruit voortvloeiende handelen zijn binnen het hysterische collectief zozeer
verziekt dat noodzakelijk een wrede moordlust het gevolg is. Die moordlust is
volslagen redeloos. Dat wil in dit verband zeggen dat eigenlijk niemand weet
waarňm hij doet wat hij doet. Men doet het omdat het collectief het doet. Neem
je iemand uit zo'n collectief apart en verbreek je radicaal het contact met de
groep, dan begrijpt hij zijn eigen gedrag niet meer.
Eigenlijk manifesteert zich hierbij op bloedige wijze wat
het collectivistische
denken altijd doet bij mensen: door het gericht zijn op de
groepsidentiteit is onderwerping en aanpassing essentieel en daardoor kan het
uit het volwassen, vrije en zelfstandige bewustzijn voortkomende individuele
besef van samenhang van allen met allen niet doorbreken. Doordat dit zich niet
kan laten gelden staat de ene mens naar eigen idee buiten de andere mens
voorzover die een andere identiteit heeft, zodat die ander onvermijdelijk in de
weg staat en 'opgeruimd' moet worden. Wie er niet bij hoort mŕg er niet bij
horen!
De individualistische westerse mens kan eventueel nog wel georganiseerd
moorden. Dat noemt hij 'oorlog voeren' en dat doet hij tegenwoordig precies
zoals hij een bedrijf runt. Hij vindt dan ook dat hij aan het werk is als hij
zijn kanonnen afschiet en, overigens heel lafhartig bezorgd om zijn
persoonlijke veiligheid, zijn lange-afstands raketten lanceert. Hij verlaat huis en
haard met de mededeling dat de plicht hem roept en dat hij "a job to do"
heeft. Er is werk aan de winkel. Geen aangenaam werk, maar anderzijds ook wel
weer in zoverre bevredigend dat het smerig werk is dat toch door iemand gedaan
moet worden. Dat schenkt voldoening en is een reden om trots op zichzelf te
zijn. Het strekt dan tot eer die ondankbare taak op zich genomen te hebben. Van
een collectieve hysterie is geen sprake, hoe begeesterd men desnoods bij
gelegenheid ook is. Voor hysterie is geen plaats als je bezig bent je werk te
doen. Werken doe je zakelijk, systematisch en logisch denkend, want niet het,
op zichzelf onredelijke, collectief is de maat, maar de op redelijkheid gebaseerde
organisatie. Die functioneert alleen maar onder koel en zakelijk management...
Naar bladwijzers: collectivistische denken - zie nos. 10, 11, 66, 67 ; Sociaal Democratie ; Liberale Democratie-1 ; Liberale Democratie-2 ; Parlementaire Democratie ; KANT- zie nrs. A en B ; Het ontwaken van de individualist-zie nrs. 10, 11, 58, 59, 62, 65, 67
_________________________________________________________________________________________
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
door Jan
Vis
Naar bladwijzers: collectivistische denken - zie nos. 10, 11, 66, 67 ; Houvast-1 ; Houvast-2 ; Houvast-3 ; Houvast-4 ; Het ontwaken van de individualist-zie nrs. 10, 11, 58, 59, 62, 65, 67
AFLEVERING
NR. 11-(01-09-97)
De spraakmakende intellectuele goegemeente van vandaag zit
nog volop in de collectivistische wereld van voorheen. Als er problemen
opgelost moeten worden is men onvermijdelijk bezig die van vroeger op te
lossen, precies zoals generaals steevast bezig zijn de vorige oorlog te winnen.
De oplossingen die men meent te vinden zijn natuurlijk ondeugdelijk. Zij hebben
geen betrekking op de realiteit, maar op een bedachte werkelijkheid, die
absoluut onbestaanbaar is en die er dus ook niet is... Tegelijkertijd doet de
individualistisch getinte toekomst zich gelden zodat die fictieve
collectivistische wereld meer en meer voorwerp van winstmaken wordt. Dat leidt
ertoe dat de burgers almaar meer verworvenheden moeten afstaan en langzaam maar
zeker terugvallen tot de status van 'vernederden en vertrapten'. Dit verval
komt dus niet in directe zin voort uit de ontwikkeling tot individu, met
daarbij behorend de behoefte winnaar te zijn, maar het komt voort uit het
meedogenloos vasthouden aan uitgeholde collectivistische voorstellingen van de
managers, politici en bestuurders.
Vanaf het moment dat zij hierin geen heil meer zien en ermee ophouden mensen in
garelen te dwingen zal er logischerwijs een streven ontstaan om het individuele
welzijn van de mensen mogelijk te maken en te bevorderen. Dat kan niet langer
door ze als nummers, als elementen uit een te verzorgen verzameling, te
beschouwen. Het kan ook niet doormiddel van zorg voor een ieder persoonlijk. De
juiste en houdbare methode bestaat uit het afschaffen van člke vorm van
bevoogdende zorg, met tegelijkertijd het onvoorwaardelijk vrijmaken van alle
maatschappelijke mogelijkheden, en vooral het opheffen van de vele ergerlijke
hindernissen die vanuit het ouderwetse collectivistische denken tegen de vrijheid van
de individuele mens opgeworpen zijn.
De veelgehoorde bewering dat de mensheid indertijd godsdienstig begonnen zou
zijn is volstrekt onjuist. De zogenaamd primitieve mensen uit de dagen van de
grijze oudheid waren nog niet in staat iets oppermachtigs buiten en boven de
reële werkelijkheid te plaatsen. Dat is te begrijpen als je bedenken kunt dat
zij geen scheiding aanbrachten binnen het geheel van de werkelijkheid.
Voor hen was die werkelijkheid nog een 'moederlijke' zaak: alle verschijnselen,
levend of niet levend, kwamen voort uit de alles omvattende baarmoeder van een
'Grote Moeder', de 'Magna Mater'.
Als de mensen uit die dagen tot de ontdekking kwamen dat er machten waren die
de hunne verre te boven gingen - en dat was natuurlijk voortdurend het geval -
dan zagen ze die machten niet als iets uitwendigs, dat van buitenaf op de
wereld inwerkte, maar als iets binnen de wereld van de 'Grote Moeder'.
Zo'n macht kon de mensen daardoor niet tot dienstbaarheid dwingen. Hij behoorde
er immers tenvolle bij, hij maakte deel uit van het leven van de mensen, die er
op de een of andere manier zelf in uitliepen. Het zogenaamd goddelijke gold als
een soort van einddoel van een weg die ieder mens tijdens zijn leven ter
loutering aflegde. Als zodanig stond het goddelijke niet buiten en boven de
mens, maar was deel van zijn leven. Om te beginnen en voorlopig nog heel ver
weg, maar toch er tenvolle bij behorend.
Dit sluit godsdienstigheid volstrekt uit.
Maar het is wel de verklaring voor het feit dat men bepaalde verhoudingen in en
van de kosmos beschreef met behulp van gefantaseerde goddelijke mensen en hun
gedragingen. Men dacht namelijk in beelden, overigens zonder daarbij uit
het oog te verliezen dat het inderdaad niet meer, maar ook niet minder, dan
beelden zijn. Vooral de Griekse Mythologie is daarvan een goed voorbeeld.
Voor diegenen die voor hun levensbeschouwing afhankelijk zijn van een door de
wetenschap geboden houvast zijn de
ideeën van Paul Feyerabend een gruwel. Je kunt er rustig van uitgaan dat er
heel wat van dergelijke mensen zijn, intellectuelen die menen dat een
wetenschappelijke opleiding een gedegen garantie biedt voor juiste
voorstellingen en standpunten.
Het behoeft niet te verwonderen dat vrijwel de gehele intellectuele goegemeente
diep geschokt was toen zij geconfronteerd werd met Feyerabends 'Against
Method'. Slechte lezers als intellectuelen nu eenmaal onvermijdelijk zijn,
kwamen zij onmiddellijk tot de conclusie dat Feyerabend probeerde
wetenschappelijke methodes af te schaffen en aan te tonen dat je maar wat aan
kunt rotzooien en dat dit altijd goed was. Anarchistische wetenschapsbeoefening
dus, zonder regels, zonder kriteria en vooral: zonder verantwoording af te
leggen voor het zogenaamde 'forum der wetenschap', zo beweerde men
verontwaardigd.
Een typisch staaltje van intellectuele geborneerdheid..!
Feyerabend heeft namelijk nooit serieus beweerd dat je zonder een methode
onderzoek kunt plegen of theorieën opstellen. Van 'rotzooien' of 'ins Blaue
hinein' fantaseren was bij hem geen sprake. Alleen al zijn publicaties bewijzen
dat er streng, gewetensvol en getrouw geredeneerd moet worden.
Maar wat hij wčl hartstochtelijk heeft afgewezen is het arrogante standpunt dat
er maar één strikt aan regels gebonden wetenschappelijke methode zou zijn. Hij
heeft terecht steeds volgehouden dat elke methode goed is. Wat daarbij
uiteraard door bedoelde intellectuelen over het hoofd wordt gezien is dit dat
hij het wel nadrukkelijk over een methode heeft. En dus niet over een
slag in de lucht!
Hij was er dus niet op uit de mensen ervan te overtuigen dat methodes maar
beter afgeschaft konden worden, maar hij probeerde duidelijk te maken dat
methodes niet bij voorbaat en onder dwang vastgelegd en voorgeschreven kunnen
worden.
Het is natuurlijk een feit dat vastgelegde en voorgeschreven methodes al bij
voorbaat nieuwe wegen afsluiten. Omgekeerd blijkt steeds weer dat diegenen die
zich op nieuwe en onbekende wegen hebben begeven zonder mankeren de bestaande
methodes aan de laars gelapt hebben, daartoe, zoals te begrijpen is, gedwongen
door het nieuwe en onverwachte dat zich aan hen voordeed.
Dat is een algemeen bekend feit dat zich heel gemakkelijk controleren laat,
maar toch willen bedoelde intellectuelen er niets van weten. Iedere keer worden
zij kwaad als zij op de een of andere manier met het ŕfwijkende te maken
krijgen. Dat verschijnsel is gemakkelijk te verklaren: de intellectueel is de
wetenschappelijk ontwikkelde mens voor wie de wetenschap functioneert als een
godsdienst, met alle dogma's van dien en uiteraard met zijn rustgevend houvast.
Noch de dogma's, noch het houvast kunnen door
zo'n intellectueel straffeloos losgelaten worden. Ik bedoel dat hij of zij dat
nooit vanuit zichzelf, op eigen initiatief dus, zal doen. In zekere zin is zo
iemand een 'fundamentalist' die vasthoudt aan de eens verworven zekerheden. Men
stelt de zaak wel bij als de officieel gevestigde wetenschap daar aanleiding
toe geeft. Nieuwe, door haar aanvaarde en verkondigde standpunten en
zienswijzen worden natuurlijk wčl en zonder dralen overgenomen. Dat laatste is
voor de intellectueel van levensbelang: hij moet immers steeds up-to-date zijn!
Daar is hij nu juist een intellectueel voor...
Maar vanaf het moment dat hij zich nieuwe kennis verworven heeft geldt die kennis
weer als dogma en houvast en dan begint de hele zaak weer
van voren af aan!
Naar bladwijzers:
collectivistische denken - zie nos. 10, 11, 66,
67 ; Houvast-1 ; Houvast-2 ; Houvast-3 ; Houvast-4 ; Het
ontwaken van de individualist-zie nrs. 10,
11, 58,
59, 62, 65, 67
FILOSOFIE
VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
door Jan
Vis
AFLEVERING NR.
12-(29-09-97)
Naar bladwijzers: Individualiteit-01
; Individualiteit-02
; Individualiteit-03 ;
Individualiteit-04 ; Individualiteit-05 ; Individualiteit-06 ; Individualiteit-07 ; Individualiteit-08 ; [ Derde Wereldoorlog: 62 ; 63 ; 64 ; 65 ; ] ;
Zie
ook eens:
De ontwikkeling
van de West Europese Cultuur met als bladwijzer: Slavische ideologie.
Het Russische volk verkeert op het ogenblik in de diepste
ellende. Niet alleen dat er een nagenoeg volledig gebrek aan infrastructuur is,
met als gevolg een schrijnende armoede en verwaarlozing, maar ook dat er overal
groepen misdadigers hun slag gaan slaan. De misdaad tiert welig en, zoals
steeds, gaat dat ten koste van de bevolking. Nu kun je je afvragen hoe het zit
met dat Rusland.
Gewoonlijk wordt zo'n vraag in historische zin begrepen: "hoe is het met
Rusland zover gekomen?" Als antwoord op die vraag krijg je dan een
opsomming van de opeenvolgende gebeurtenissen die in een zo goed mogelijk
onderling verband gepresenteerd worden. Het is het verhaal van de historici en
dat kan een informatief verhaal zijn, vooral voor diegenen die slecht of
helemaal niet op de hoogte zijn van de toestand in, in dit geval, Rusland.
Maar, in feite is člk historisch verhaal, hoezeer bij gelegenheid ook
informatief, een kaal, oppervlakkig en armoedig verhaal. Je weet er niet echt
iets aan omdat het je niet duidelijk wordt waarňm er nu net gebeurt wat er
gebeurt. Er mag dan van een causaal verband gesproken kunnen worden, maar het
bedrieglijke daarvan is altijd dat de betreffende gebeurtenissen ook ŕnders
hadden kunnen zijn en ons ook dan achteraf de indruk geven ten opzichte van
elkaar in 'causaal verband' te staan.
In bijna alle gevallen zijn de historische 'causaliteiten' niet meer dan
interpretaties achteraf. Het is dan net of het zo had mňeten zijn en niet
anders gekund had, maar in feite is dat gezichtsbedrog. Bijna steeds had het
wčl anders gekund en vaak was er zelfs te spreken van een mogelijkheid tot het
maken van een keuze.
Ook als het over Rusland gaat draait de zaak niet zozeer om de vraag 'hoe is
het gekomen' alswel om de vraag 'wat is er nu wezenlijk aan de hand'? Het
antwoord op deze laatste vraag maakt de interpretatie achteraf van het
historische causale verband wčl uitermate plausibel, een interpretatie die
zňnder die achtergrond van begrip noodzakelijk een speculatie blijven moest.
Een juist begrip van de zaak is bovendien buitengewoon nuttig om de vervelende
gewoonte van westers geschoolde denkers, om je voortdurend met tegenvoorbeelden
dwars te zitten, te neutraliseren. Als je namelijk het ene voorbeeld geeft,
komen zij steevast met een tegenvoorbeeld, waarbij het hen volstrekt ontgaat
dat de achtergrond van het ten voorbeeld gestelde in het ene geval essentieel
verschilt van die van het andere geval. Zeg je bijvoorbeeld dat de Russische
mens op een bijzondere manier met de aarde en de grond verbonden is, dan noemt
men prompt en enthousiast een aantal gevallen waaruit zou moeten blijken dat
het met de westerse mens net zo gesteld is. Dat de westerse mens cultureel
hemelsbreed verschilt van de Russische, die onder andere juist daardoor een
ander besef omtrent de aarde heeft, wordt niet ingezien. Men gaat af op het
uiterlijke en interpreteert er vrijelijk op los.
Wat betreft Rusland gaat het er dus nu niet om hoe het zo gekomen is en ook
niet wat er op het ogenblik qua gebeurtenissen gaande is, maar wat er cultureel
en menselijk aan de hand is.
Op het ogenblik worden alle processen in de Russische mensheid gedreven door de
zich openbarende en realiserende individualiteit van de Russische mens. Deze
mens heeft altijd al op intuďtieve wijze blijk gegeven van een geheel eigen en
unieke aanleg. Die aanleg is te benoemen met het begrip 'universele
volwassenheid' en een tweetal opvallende kenmerken daarvan zijn de psychische
warmte en het diepe besef van gemeenschappelijkheid. Deze kenmerken hangen
samen met het feit dat de volwassen mens voorbij de analyse is geraakt en in
het teken van het geheel is komen te staan.
Dat wil niet zeggen dat de analyse afgeschaft zou zijn en helemaal niet meer
beoefend zou worden, hetgeen een einde zou maken aan elke wetenschappelijke
ontwikkeling, maar het wil zeggen dat de analyse niet langer de zaak is waar
alles om draait en waarvan alles verwacht wordt. De analyse is aspect van het
leven geworden en niet langer de maat van alle dingen.
Bij het zich waarmaken van de individualiteit van de Russische, of wellicht
Slavische, mens komt voor de dag dat zijn specifieke culturele geaardheid is
dat hij de aanleg heeft tot volwassenheid te komen. Anders gezegd: zijn aanleg
is het 'volwassen-worden'.
Dat is wat anders dan wanneer je zegt dat de Russische mens "in aanleg
volwassen is". In dit geval zeg je namelijk iets overbodigs, want člk
mens, van welke cultuur dan ook, heeft de aanleg om volwassen te zijn. Het
volwassen-zijn gaat in principe aan niemand voorbij. Maar waarom het bij de
Russische mens gaat is dat hij het laatste station van de daarheen leidende
culturele menselijke ontwikkeling is. Daarin gaat de 'totaliteit' over in het
'geheel', oftewel in termen van mijn gedachtengang over ' De Grote
Vierslag ' is daarin de eenheid van socialisme (jij en ik
zijn onvoorwaardelijk erkend aanwezig) en communisme (wij zijn met zijn allen)
een feit geworden. Je kunt dus ook zeggen dat het realiseren van genoemde
eenheid het thema van de Russische cultuur is. De volwassen mens evenwel
realiseert die eenheid niet, maar is die eenheid, om daaraan vervolgens een
reële inhoud te geven.
Aan de laatste culturele fase komen de volgende, in hoofdzaak psychische,
eigenaardigheden mee:
1) er is een diepgewortelde, intuďtieve, haat tegen waarden, waardigheden, gewichtigheid,
en tegen elites, overheden en dergelijken.
2) er is een intuďtieve voorliefde voor ongehoorzaamheid, gepaard gaande met
individuele zelfstandigheid en een afkeer van machten en machthebbers.
Bovendien is er te spreken van een wezenlijke ongeschiktheid voor deelname aan
collectieven (wat schijnbaar door het in 1917 tot stand komen van de
Sowjet-Unie weersproken wordt!).
3) er is een warm medeleven met de medemensen en een grote ruimhartigheid wat
betreft het morele doen en laten van die medemens. Groot mededogen is er met de
ongelukkigen die moreel mislukt zijn, zoals misdadigers.
4) er is een sterk ontwikkeld gemeenschapsgevoel dat bij nadere beschouwing
niet blijkt terug te grijpen op het een of andere 'clan-bewustzijn' uit lang
vervlogen tijden, maar dat daarentegen juist gekenmerkt wordt door een kosmisch
verlangen naar een toekomstige eenheid en liefdevolle samenleving.
Als je over deze vier punten nadenkt kom je tot de ontdekking dat er een
essentieel verschil is met de westerse mens. Voor deze ligt de waarheid in het
uiteenleggen van de verschijnselen, maar voor de Russische mens ligt zij in de
alles omspannende samenhang van de werkelijkheid.
Natuurlijk zijn er nog meer opmerkelijke verschillen te noemen, maar dat zou
thans te ver voeren.
Nu de Sowjet-Unie ingestort is, is de Russische mens door een tweetal rampen
heen gekomen. Als eerste was daar de ramp van het westerse individualistische
denken voorzover dat zich op vooralsnog ouderwetse, primitieve, manier liet
gelden. Dat wil zeggen dat de individu zich nog eenzijdig als particulier
besefte. In Rusland was het de intelligentsia die met die mentaliteit behept
was. De lieden die daartoe behoorden hadden uitsluitend de eigen existentie op
het oog, de werkelijkheid was identiek aan hun eigen particuliere bestaan. De
aanwezigheid van andere mensen en dingen kon natuurlijk niet goed ontkend
worden, vandaar dat het kwam tot horigheid van al dat
minderwaardige volk.
Het Russische feodalisme hield zo lang stand juist doordat de intelligentsia
halsstarrig particulier ingesteld was, en daarbij moet uiteraard gevoegd de
intuďtieve onverschilligheid van het Russische volk voor macht en machthebbers.
Die onverschilligheid leidde ertoe dat er betrekkelijk weinig verzet tegen de
landeigenaars was. Die Russische boer vond dat diep in zijn hart toch maar een
stelletje idioten! Van dat idiotisme werd het Russische volk bevrijd door de
revolutie, overigens zonder dat het er in de praktijk veel mee opschoot...
De tweede ramp was wezenlijk ook westers van oorsprong. Dat was namelijk het
collectivisme waartoe de Russische mens gedwongen werd door Lenin en zijn
kornuiten. De naam Russische revolutie is in dit verband in zoverre misleidend
dat er niets Russisch aan dat sowjet-gedoe was en ook dat je nauwelijks van een
'revolutie' kunt spreken omdat het slechts een kleine groep min of meer
getrainde terroristen was die de macht greep. Je kunt veel beter van een
'staatsgreep' spreken en door die staatsgreep kwam het Russische volk onder het
juk van de collectivisten. Dat waren machtzoekers die een totalitaire staat
voorstonden, een staat dus die vanuit een machtscentrum tot in de kleinste
details geregeld zou zijn en waarin slechts naar de ideologie gemodelleerde
onderdanen toegestaan zouden zijn.
Een ieder die probeert staande te houden dat Lenin en kornuiten het beste met
het Russische volk voorhadden en dat het hen wčrkelijk om het welzijn van de
gewone vrouw en man te doen was heeft de geschriften van Lenin van vóór 1917
niet of niet goed gelezen! Het ging uitsluitend om totalitaire macht,
uitgeoefend door zwaar getrainde kaders. Van een vanuit het volk en voor het
volk opererende 'sowjet' is nimmer sprake geweest...
In principe behoort nu dus tot het verleden een tweetal van bovenaf opgelegde
westerse maatschappelijke systemen, namelijk het particuliere
individualisme en het collectivisme, uiteraard twee
ideologieën die wezensvreemd zijn aan het Russische volk. Nu moet er, geheel
van de grond af, een nieuwe maatschappij opgebouwd worden. Voorlopig is daarbij
de moeilijkheid dat het authentieke Russische individualisme nog nauwelijks
wakker geworden is. Zonder dat Russische individualisme echter kan er geen
basale infrastructuur ontstaan, althans geen infrastructuur die op sociale
rechtvaardigheid gericht is die zich van daaruit ontdoet van de terroristische
macht van misdaadorganisaties, gewezen communisten, soldaten en andere
moordenaars.
Een op technologie, recht, vrij en dus in zichzelf verantwoord ondernemerschap en
democratie gestoelde maatschappij kan alleen maar van onderaf door zelfbewuste
mensen gesticht worden. Hoewel het op het ogenblik voor de Russische mensen een
verschrikkelijke toestand is kun je er desondanks toch verheugd over zijn dat
de zaak zo diep in elkaar gestort is.
Als men nu ook nog het hoofd weet te bieden aan de westerse managers is de kans
groot dat de zaak betrekkelijk vlug gezond kan worden.
Naar bladwijzers: Individualiteit-01
; Individualiteit-02
; Individualiteit-03 ;
Individualiteit-04 ; Individualiteit-05 ; Individualiteit-06 ; Individualiteit-07 ; Individualiteit-08 ; [ Derde Wereldoorlog: 62 ; 63 ; 64 ; 65 ; ] ;
Zie
ook eens:
De ontwikkeling
van de West Europese Cultuur met als bladwijzer: Slavische ideologie.
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
door Jan
Vis
AFLEVERING NR.
13-(27-10-97)
Ieder afzonderlijk mens is een uniek verschijnsel. Er zijn
geen twee mensen gelijk, zelfs niet identieke tweelingen, waarvan men beweert
dat die qua erfelijkheid precies eender zijn.
Dat feit van dat uniek-zijn is op zichzelf al voldoende ondersteuning voor de
stelling dat de mens in 'de' individu
uitloopt. Je kunt immers het uniek-zijn niet opheffen, zoals men tot zijn
schrik in totalitaire maatschappijen heeft moeten ervaren! Het uniek-zijn van
ieder mens betekent echter niet dat mensen niet een heleboel gemeenschappelijks
hebben. Culturen bijvoorbeeld zijn op allerlei gemeenschappelijke
eigenaardigheden van de erin betrokken mensen gebaseerd. En aan het einde van
de rit is het voor de volwassen geworden mensen een duidelijke zaak dat de
maatschappij draait om gemeenschappelijkheid.
Dat betekent dat de maatschappij tenslotte zelfs een 'gemeenschap' zal zijn.
In tegenstelling tot wat de meeste slordig denkende mensen menen sluit
individu-zijn het gemeenschappelijke helemaal niet uit, neen, het maakt het
juist als enige mogelijk! Juist de mens die zichzelf kent, die tot zelfkennis
gekomen is, herkent in de door hem volledig erkende medemens het
gemeenschappelijke.
Ook onvolwassen mensen herkennen, zij het op slordige wijze, het
gemeenschappelijke, maar zij gaan dat onmiddellijk omzetten tot een dwingende
norm voor de gemeenschap: het 'tot een stelsel van eisen omzetten van iets
vanzelfsprekends'. Het wordt daarmee iets hogers waaraan men op straffe van
sancties heeft te beantwoorden. Als het zover is gekomen, en zover komt het in
een onvolwassen mensheid steeds, heb je te maken gekregen met het begrip ideëel collectief. Zo'n
collectief kan in de praktijk agressief van aard zijn en dan wordt er door een
groep leiders terreur
uitgeoefend om de mensen onder de duim te krijgen en te houden, maar zo'n
collectief kan ook de mildere vorm van een maatschappelijk ideaal aannemen
waarbij de andersdenkende medemens slechts met enigerlei vorm van sociale
uitstoting en politiek machtsverlies te maken krijgt. In een westerse
democratie bijvoorbeeld tref je die milde vorm van collectieven aan.
Maar, collectieven zijn het onmiskenbaar ook en de van bovenaf opgelegde normen
zijn er niet minder om! Men moet, als het maar even kan, zelfs in uniforme
bewoordingen, onder alle omstandigheden het officiële partij- of
verenigingsstandpunt verkondigen en vaak is men zelfs gehouden aan bepaalde
gedragsregels. Maar belangrijker nog is dat alles draait om de belangen van het
collectief...
Een collectivistisch denkend mens kan onmogelijk begrijpen wat
gemeenschappelijkheid nu wčrkelijk betekent. Hij zal er altijd iets 'uniforms'
aan bedenken, een voor het gehele collectief geldend stelsel van normen en
waarden, doelstellingen en interesses. Bijgevolg heeft zijn gemeenschapsgevoel,
dat, ondanks alle onderdrukking, vanuit zijn intuďtie en zijn gevoelsleven
onvermijdelijk enigszins werkzaam is, een voorwaardelijk karakter: niet
iedereen behoort bij zijn groep of clan en niet iedereen heeft dezelfde
rechten. Gelijkwaardigheid geldt alleen voor diegenen die beantwoorden aan de
collectieve normen en waarden en uiteraard diegenen die dezelfde voorstelling
omtrent de werkelijkheid koesteren.
Aan het begrip 'gemeenschappelijkheid' moet derhalve toegevoegd worden:
gemeenschappelijkheid van iets. Er wordt van tevoren verlangd dat men juist aan
dat 'iets' voldoet, zoals daar zijn politieke standpunten, maatschappelijke
doelstellingen, aan de levenshouding ten grondslag liggende godsdienstige
dogma's en zo nog een heleboel zaken meer, zelfs tot en met gezamenlijke
hobby's. De basis en de normen voor gemeenschappelijkheid worden van tevoren
bepaald en een ieder die daaraan bij voorbaat niet voldoet mag niet tot het
collectief toetreden.
Denkt men vanuit een collectivistische optiek na over gemeenschappelijkheid,
dan gaat het over een bij voorbaat gesteld uniform kriterium. De op die wijze
bedoelde gemeenschappelijkheid heeft dan stilzwijgend een uitsluitend oftewel
exclusief karakter gekregen. Ook al ontkent men dit ten stelligste, waarin
zeker de moderne mens buitengewoon gehaaid is, dan komt dit exclusieve karakter
toch vroeg of laat aan de oppervlakte. Het kan niet verborgen blijven, juist
omdat het van deze opvatting van gemeenschappelijkheid de essentie is.
Gemeenschappelijkheid binnen de context van een volwassen wereld heeft geen
eisend, maar een constaterend karakter: men bemerkt en stelt vast dat de mensen
allerlei overeenkomstige eigenaardigheden vertonen, dat zij in een groot aantal
zaken overeenstemmen en een nogal uitgebreide werkelijkheid gemeen hebben.
Uiteraard zijn dat gemeenschappelijke zaken in de voorstelling die de mensen
van de werkelijkheid hebben. Dus: de onvermijdelijk unieke voorstellingen van
de individuen vertonen allerlei gemeenschappelijks.
Het gaat nu natuurlijk niet over biologische overeenkomsten, want die zijn
volstrekt niet typerend voor de mensen. Daarom kunnen al of niet vermeende
raskenmerken en andere geaardheden nimmer een rol spelen.
Het gaat over datgene dat qua voorstelling gemeenschappelijk is. Dat is een
kwestie van het intellect, de geest, het denken, en hoe dat verder nog genoemd
kan worden. De ultieme vorm van gemeenschappelijkheid is de communistische,
zoals die als laatste grootheid van 'De Grote
Vierslag' te voorschijn komt. De inhoud van die vierslag is de
begrippensequens 'nihilisme, anarchisme, socialisme en communisme'. Daarin
heeft 'communisme' als inhoud dat de mensen beseffen, weten en laten gelden dat
zij 'met zijn allen' zijn. Als dit helder in het zelfbewustzijn is komen te
liggen is de uiterste betekenis van het gemeenschappelijke voor den dag
gekomen.
Dit echter heeft dan geen betrekking meer op een aantal concrete zaken die zich
in een gemeenschappelijke interesse kunnen verheugen, zoals dat in een
onvolwassen wereld bijvoorbeeld met voetballen het geval is. Daarentegen hebben
wij dan te doen met een onvoorwaardelijke gemeenschappelijkheid die alleen maar
geworteld is in de erkenning dat ieder mens er zomaar is zonder
dat daarvoor een reden opgegeven kan worden of verantwoording moet worden
afgelegd.
De bedoelde 'ultieme gemeenschappelijkheid' is gebaseerd op de verscheidenheid
van de individuen. Dat is alleen maar mogelijk als die verscheidenheid tot zijn
recht mag komen. Pas als dat het geval is kan het overeenkomstige en
gemeenschappelijke op zinvolle wijze gelden.
Zinvolle gemeenschappelijkheid ontstaat in de praktijk van alledag daar waar
een aantal personen voor een bepaalde taak of doelstelling staat. Onder de
veelheid van unieke persoonlijke eigenaardigheden blijken er te zijn die voor
het bereiken van een bepaald doel of het volvoeren van een taak zinvol zijn.
Van een of andere bij voorbaat als eis gestelde gemeenschappelijkheid is
volstrekt geen sprake. En uiteindelijk is in het kort te zeggen dat de 'ultieme
gemeenschappelijkheid' gestoeld is op de volwassen mens als individu (=de
individu), terwijl de tot nu toe gebruikelijke gemeenschappelijkheid slechts
van een bepaalde collectiviteit uitgaat, onvolwassen is en niet meer dan een beknotte
individu tot inhoud heeft.
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
Bladwijzer: verlichting ; Houvast-1 ; Houvast-2 ; Houvast-3 ; Houvast-4 ; De
beweeglijkheid als bouwsteen
;
De Verlichting, zie: Nrs. 3 , 14 , 18 , 31, 37 , 42 , 55 , 73 ,
door Jan Vis
AFLEVERING
NR. 14-(24-11-97)
Over het van alles ňnafhankelijk zijn van de mens heersen de
meest merkwaardige opvattingen. Wel kun je vaststellen dat de mensen doorgaans
wel aanvoelen dat de mens onafhankelijk zou moeten zijn. Dat blijkt namelijk
uit ieders al of niet verborgen aversie tegen de macht van anderen, het bij
vrijwel iedereen voorkomende streven zakelijk en maatschappelijk onafhankelijk
te worden en de behoefte aan zekerheid. Op de een of andere manier wil iedereen
'eigen baas' zijn.
Ook kun je denken aan die godsdienstige fanaten die proberen zich los te maken
van het stoffelijke, van de aardse materie, in de hoop samen te gaan vallen met
het geestelijke, dat volgens hun niets nodig heeft om te bestaan zodat men op
die manier zelfs de 'ware' onafhankelijkheid deelachtig kan worden. Kortom: er
is een eeuwige behoefte aan onafhankelijkheid bij de mensen van alle culturen
waar te nemen. Opvallend is echter dat men dit tracht te bereiken door te
proberen van de behoeften bevrijd te worden. Men wil alles ŕfschaffen! En dat
is nu precies verkeerd, ten eerste uiteraard omdat het onbegonnen werk is
vanwege het feit dat ieder levend wezen, en dus ook de mens, behoeften heeft.
Maar ten tweede omdat onafhankelijkheid niet bereikt kan worden door de behoeften
af te schaffen, maar juist door ze te bevredigen, in die zin dat datgene dat de
mensen nodig hebben zonder enig probleem en zonder moeite en onvoorwaardelijk
ter beschikking staat.
Wanneer het benodigde er is, is er geen afhankelijkheid meer. Overigens moet
hierbij opgemerkt worden dat het begrip het benodigde een aanmerkelijk
grotere inhoud heeft dan alleen maar stoffelijke behoeften. Er zijn namelijk
ook juridische, medische, communicatieve en beschuttende behoeften. Dit alles
is samen te vatten onder het begrip 'veiligheid'.
Anderzijds zou men echter in moeten zien dat het begrip 'het benodigde' een
kleinere inhoud heeft dan men vanuit het denken in ňnze cultuur zou menen. Het
woord zegt het al: het gaat om wat men nodig heeft om zichzelf te kunnen zijn
en volstrekt niet meer dan dat. Alle, aan de kinderachtige behoefte aan status
en macht ontsproten 'hebberigheden' vallen buiten het begrip 'het nodige'. In
feite vallen die onder het begrip diefstal...
Over de mens als eenling is ook nog dit te zeggen: al het gedoe van de mensen
berust op de een of andere overweging en op een daaruit voortkomend besluit.
Behalve enkele puur biologische functies is er niets dat buiten de procedure
van 'overwegen en besluiten' omgaat. Deze menselijke eigenaardigheid berust op
het feit dat voor de mens zelfbewustzijn geldt. Dit zelfbewustzijn komt op zijn
beurt voort uit het 'vrij-zwevend' zijn van het verschijnsel mens, dat immers
als laatste mogelijkheid voor de dag komt. Voor de absolute eenling, die dat
'vrij-zwevende' verschijnsel is, geldt dus genoemd begrip 'zelfbewustzijn' en
dat leidt ertoe dat je moet constateren dat 'overwegen en besluiten'
onmiddellijk en onverbrekelijk aan de mens als individu gebonden is. Alles wat
wij mensen doen berust dus op onze eigen individuele overwegingen en besluiten.
En omdat dit strikt aan onze persoon gebonden is, is het volstrekt uitgesloten
dat iemand deze procedure van ons overneemt. Maar dat is niet alles. Ook het
transformeren van de eigen persoonlijkheid in iets collectiefs is onmogelijk.
Als het gaat over de dieren- en plantenwereld is er geen sprake van 'overwegen
en besluiten'. Binnen die levende wezens speelt zich een programmatisch
vastgelegde procedure af die voor elk levend wezen vanuit de evolutie tot stand
gekomen is. Aan zo'n programma, dat zich manifesteert als een complex van
instincten en automatismen, valt niet te ontkomen. Er is slechts de
mogelijkheid van een langzame, door de omstandigheden gedwongen, aanpassing,
maar nooit van een verandering of verbetering in de zin van een eventueel
ontwikkelen naar een hoger niveau.
Is het programma van een bepaalde diersoort er op ingesteld in een kudde te
leven, dan gaan die dieren vanzelf en onvermijdelijk in een kudde leven. Er is
geen sprake van dat een dier aan een andere leefwijze de voorkeur geeft. Dieren
en planten hebben geen keuze!
Maar soms, vooral bij de hogere diersoorten, laten de ingeboren programma's zo
een ruimte voor variaties open, dat het lijkt alsof er wel een keuze zou zijn
met het erbij behorende overwegen en besluiten. Dit echter is volkomen
voorwaardelijk: binnen genoemde ruimte wordt er niet gekozen maar geprobeerd,
netzolang tot er iets gelukt.
Juist omdat mensen zčlf alles overwegen en zčlf alles besluiten, en dus aan
geen enkel programma getrouwd zijn, kunnen zij ook geen kuddedieren, massamensen
of iets dergelijks zijn. Let wel, het kan hun wezen niet zijn. Wel
kunnen zij een tijdlang zich verbeelden onderdeel van een kudde, een massa of
enig ander collectief te zijn. In onze westerse cultuur is dat het geval,
hoewel juist ook in die cultuur terecht veel verzet tegen die opvatting heerst.
Dit verzet is thans hard op weg vruchten af te werpen: de individualisering zet
zich onweerstaanbaar door...!
Het uitgangspunt voor elke betrouwbare
gedachtengang over een thema binnen het geheel van de werkelijkheid ligt
noodzakelijk onder het niveau van om het even welk 'basaal materieel deeltje'.
Op die onderliggende niveaus - er zijn er namelijk meerdere - geldt het begrip
'samenstelling' niet meer, maar wel is er van 'energetische systemen' te spreken.
In die systemen is een aantal 'beweeglijkheden' aaneengegroeid.
Op het diepste niveau ligt de door mij zo genoemde 'beweeglijkheid'. Je hebt
het dan over 'iets' waarover absoluut niets te zeggen valt in de zin van een
nadere bepaling. Het is een volstrekte onbepaaldheid en nu is het bij het
filosoferen de kunst te begrijpen dŕt er toch wat over die onbepaaldheid gezegd
kan worden en wat dat dan is... (zie het hoofdwerk Beweging
en Verschijnsel deel 1, 2 en 3)
Daarmee heeft de filosofie de hand gelegd op een absoluut en
universeel verklaringsprincipe. Hopelijk is het onnodig hierbij op te merken
dat dit uitsluitend een 'denkbare' zaak is die op geen enkele wijze
proefondervindelijk benaderd kan worden. Als je veronderstelt dat er een paar
verschillende basale materiële deeltjes bestaan kun je er niet onderuit te
moeten toegeven dat die deeltjes alsnog samengesteld zijn. Verschillen berusten
immers op de aanwezigheid van iets bij het een en de afwezigheid daarvan bij
het ander. Dat is alleen bij samenstellingen mogelijk.
De natuurkundige kan met zijn onderzoek niet verder komen dan het aantonen van
enkele verschillende basale materiële deeltjes. Ik denk op grond van een
bepaalde redenering dat het er drie zullen zijn, maar in dit verband doet dat
er eigenlijk niets toe. In ieder geval is het uitgesloten dat er bij het
natuurkundig onderzoek één universeel basaal deeltje gevonden zal worden. Wil
men in de natuurkunde tot een universeel principe komen, van waaruit de gehele
verschijnselenwereld te verklaren is, dan zal dit een in zichzelf samengesteld
principe blijken te zijn. Het zal op zijn minst uit de drie door mij genoemde
deeltjes bestaan. Zo'n samengesteld principe kan uiteraard best fungeren als de
grondslag voor een zogenaamde 'Alomvattende theorie', waarnaar tegenwoordig
naarstig gezocht wordt. Zo hanteren de moderne natuurkundigen begrippen als
'simplexiteit' en 'compliciteit' waaruit ook blijkt dat er gezocht wordt naar
een 'eenvoudig', lees enkelvoudig, begin van de werkelijkheid.
Het onvoorwaardelijk erkennen van de aanwezigheid van de ander is in feite het
voor de individu gelden van het begrip socialisme. De volwassen mens, en
dat is dus de uitgewikkelde individu, is de waarlijke socialist! En alleen al
in dat 'onvoorwaardelijk erkennen' ligt besloten dat er met zorg omgegaan wordt
met elkaars onderlinge relaties. Vanuit politiek socialisme is zoiets volstrekt
onmogelijk, hetgeen dan ook steeds weer gebleken is, onder andere tijdens de 1e
wereldoorlog toen de socialistische 'broeders' elkaar zonder schroom en
enthousiast op de slagvelden te lijf gingen.
We noemen sommige mensen geniaal. Dat is natuurlijk onzin, want zo'n
kwalificatie wekt de suggestie dat er een apart soort mensen zou bestaan dat op
de een of andere manier met een extra intelligente dimensie begiftigd zou zijn.
In feite is er met die mensen iets anders aan de hand, en wel deze
eigenaardigheid dat zij niet in staat en bereid zijn hun denken bij voorbaat te
reglementeren en zodoende in het keurslijf van een bepaalde methode te wringen.
Hun denken is in eerste instantie natuurlijk en grillig gebleven. Dat leidt
ertoe dat zij voortdurend openstaan voor invallen en fantasieën. Zij reageren
daarop niet door ze onverwijld uit het hoofd te zetten, maar door ze nader te
beschouwen en er uitvoerig en onbevreesd over na te denken.
Daarbij is ook het 'secundaire' nadenken in principe onbelemmerd, het mag alle
kanten opgaan. En nu komt het merkwaardige: juist doordat het denken vrij is
zich willekeurig te bewegen krijgt het na enige tijd vanzelf vorm en voegt het
zich naar verhoudingen die voor de werkelijkheid zčlve gelden, zonder door onze
denker van tevoren en op grond van gebruikelijke kennis en theorieën
vastgesteld te zijn. Kriteria, normen en causaliteiten gaan na enige tijd
vanzelf hun rol spelen en leiden er tenslotte toe dat de ontstane 'mengelmoes'
van ideeën toegankelijk wordt voor een zo getrouw en consequent mogelijke
beoordeling. Vaak zal blijken dat de zaak niet houdbaar is, doordat hij vanzelf
in het denken zijn onmogelijkheid openbaart of bij toetsing aan de praktijk
aanvankelijk verborgen fouten aan het licht brengt.
Maar, het is bepaald niet uitgesloten dat er iets te voorschijn komt dat op
enigerlei wijze een stapje vooruit is. Diegenen echter die als brave ambtenaren
gehoorzaam op de voorgeschreven paden blijven, door hun denken bij voorbaat al
te reglementeren, zullen nooit op eigen kracht een stapje verder komen, maar
daarentegen altijd aangewezen zijn op door anderen boven water gehaalde nieuwe
kennis. Deze ambtenaren zijn de intellectuelen, zij zijn de ambtenaren van het
genie..!
Sinds de Verlichting
moet de moderne mens niets hebben van het grillige en fantasierijke vrije
denken. Zelfs zogeheten 'vrijdenkers' hebben doorgaans de grootste moeite
waardering voor dat creatieve vrije denken op te brengen. Het is voor hen ook
niet zo aantrekkelijk: je loopt voortdurend het risico je houvast
te verliezen. En dat houvast is voor de
meeste vrijdenkers heel belangrijk, omdat de wetenschappelijke voorstelling van
de werkelijkheid die van de godsdienst heeft vervangen! De wetenschap
functioneert bij hen op precies dezelfde wijze als voordien de godsdienst: een
op zichzelf 'heilig' stelsel dat nimmer in twijfel mag worden getrokken. Dus is
het grillige creatieve denken in feite voor de vrijdenkers hetzelfde als
vroeger de 'ketterij' voor de Roomsen..!
De Verlichting, zie: Nrs. 3 , 14 , 18 , 31, 37 , 42 , 55 , 73 , Houvast-1
; Houvast-2 ; Houvast-3 ; Houvast-4 ; Naar
bladwijzer(s): Onafhankelijkheid: Zie nrs. 14 ; 21
; 25 ; 35
; 45 ; 67 ;
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
door Jan
Vis
AFLEVERING NR.
15-(22-12-97)
De filosofie behoort tot de kunsten en volstrekt niet tot de
wetenschappen. Het denken over de filosofie kan een wetenschap zijn,
zoals in feite zo ongeveer ŕlles object van wetenschap kan zijn. Maar de
filosofie zelf is een kunst. Dat komt doordat zij zich bezig houdt met de
werkelijkheid als beeld, waarvan zij een logische beschrijving en een zo
genuanceerd mogelijke uiteenzetting geeft. Alle kunsten houden zich, ieder op
eigen specifieke wijze, bezig met de werkelijkheid als beeld. Het universele
van de kunsten (inclusief de filosofie!) ligt in die gerichtheid op het beeld.
Dat is immers een werkelijkheid die in een ieder aanwezig is en die bovendien
voor een ieder dezelfde is.
De voorstelling echter is bij een ieder anders zodat die nooit een universeel
karakter kan hebben. Over de aard van de voorstelling kunnen de mensen het bij
gelegenheid hoogstens 'eens' zijn, zelfs kunnen zij na overleg met elkaar tot
overeenstemming komen, zoals dat bijvoorbeeld bij wetenschappers het geval is.
Maar ongeacht die overeenstemming blijven er toch altijd verschillen tussen de
werkelijkheid als voorstelling van de een en van de ander bestaan. Iedereen
leeft zogezegd in een eigen wereld en de reflectie daarvan levert uiteraard in
het zelfbewustzijn van een ieder een ander 'plaatje' op.
Als het goed is, maar tegenwoordig komt dat zelden voor, geeft de filosofie er
blijk van dat het gaat om de beschrijving van de werkelijkheid als beeld. Men
kan ook spreken van 'de werkelijkheid als idee'. Zo'n beschrijving heeft een
verhalend karakter, hetgeen wil zeggen dat alles voortdurend in elkaar
overgaat, in overeenstemming met het genuanceerde (niet gedetailleerde)
karakter van het beeld. Met metafysica heeft dit niets te maken. Het is
namelijk met die metafysica zo dat het gaat om een denken dat bňven het
fysische uitgaat. Dus boven de stoffelijke dingen. Volgens de, inmiddels al
weer niet meer zo erg moderne 'positivisten' is een dergelijk denken zinloos
omdat, door het ontbreken van elke mogelijkheid van controle, alle beweringen
speculaties moeten blijven. Zelfs gaan die positivisten zover dat zij bij
voorbaat en per definitie člke metafysische uitspraak voor onwaar, onjuist en
bedrieglijk houden. Zij zien er dan ook niet tegenop de gehele vroegere
filosofie, en uiteraard speciaal die van Hegel (!), bij het afval te gooien en
hun eigen, volgens hen nauwkeurig controleerbare gedachten tot ultieme waarheid
te verheffen. Nu moet toegegeven worden dat er in de filosofie heel wat bij
elkaar gefantaseerd is, meestal door het te pas en te onpas opvoeren van een
'Deus ex Machina', een 'duveltje uit een doosje'. Dat wil zeggen: een
argumentatie die niet vanuit een voorgaande consistente gedachtengang afgeleid
kan worden. Iets dus wat letterlijk 'uit de lucht gegrepen is'. De positivisten
hebben er inderdaad goed aan gedaan menige onzinnige uitspraak van metafysici
bloot te leggen en aan de kaak te stellen.
Maar, in hun ijver de filosofie 'op te schonen' hebben zij bij herhaling de een
of andere voortreffelijke, desnoods niet zo erg goed onderbouwde, uitspraak
belachelijk gemaakt, zozeer zelfs dat nauwelijks nog een filosoof hem dorst te
citeren, laat staan onderschrijven en verdedigen. Er zijn namelijk nogal wat
filosofische uitspraken die in feite van een helder inzicht getuigen, maar
waarvan de argumentatie helaas niet voldoet aan de tegenwoordig geaccepteerde
kriteria. Het moderne, op de analyse gestoelde, denken keurt zo'n gedachtengang
en de daarbij gebruikte argumenten niet goed. Maar het is beslist niet uitgesloten
dat een dergelijke beoordeling op niets berust en zelfs wel kan voortkomen uit
een van de 'wanen van de dag'. Het zal niet de eerste keer zijn dat de denkers
en de geleerden zich met zoiets vergalopperen.
De bij het analytische denken gehanteerde kriteria zijn kwantificeerbaarheid,
herhaalbaarheid en voorspelbaarheid. En, volgens sommigen, ook
falsifieerbaarheid, maar dat is volgens mij een uitermate dubieus kriterium.
Hoe dan ook, het betekent achtereenvolgens dat een bepaalde bewering in getallen,
of althans in eenheden van waarde, uitgedrukt moet kunnen worden, welke
getallen of waarden als factoren in een formule invoerbaar zijn. Voorts
betekent het dat een ieder die de beschikking heeft over de betreffende
gegevens het onderzoek of de proef of het proces kan herhalen teneinde de
juistheid te toetsen. En tenslotte moet de zaak de mogelijkheid inhouden om
betrouwbare voorspellingen te doen. Deze en nog enkele andere kriteria zijn
volkomen terecht als het over de moderne wetenschap gaat. Het object van die
wetenschap is de werkelijkheid als voorstelling zoals die in het zelfbewustzijn
voorhanden is. Binnen het kader van die voorstelling zijn alle verhoudingen,
ook als ze op bewegingen berusten, vastgelegd. Zij beantwoorden aan formules.
Een en ander is het geval omdat zij op relaties tussen materiële
samenstellingen berusten. Omdat in die relaties het beweeglijk-zijn van de
'primaire materie' wordt opgeheven (ook als er toch nog beweging overblijft)
zijn zij, hoewel met moeite, berekenbaar.
In de metafysica worden uitspraken gedaan over een werkelijkheid die het
stoffelijke te boven gaat, althans: men beweert dat dit het geval is en dat
zo'n werkelijkheid inderdaad zou bestaan. Dat evenwel is niet het geval. Er
bestaat geen 'hogere onstoffelijkheid'.
Doordat men bij het denken over een dergelijke, zogenaamd boven de materie
uitgaande, werkelijkheid geworteld blijft in het voor de materie geldende
analytische denken doet men uitspraken die een sfeer van wetenschappelijkheid
aan zich hebben, maar die in feite volkomen irreëel zijn. De theologie en een
goed deel van de ouderwetse filosofie zijn er voorbeelden van.
Echter: veel filosofische uitspraken worden, vooral sinds het optreden van de
positivisten, 'metafysisch' genňemd zonder dat dit terecht is. Hierdoor evenwel
wordt veel waardevols overboord gezet, hetgeen nog eens een extra dimensie
geeft aan de armoede van de moderne filosofie.
Het gaat in de filosofie over de werkelijkheid als beeld en dat is volstrekt
geen kwantificeerbare, herhaalbare en voorspellende werkelijkheid. Zij wordt
gekenmerkt door 'de oer-beweeglijkheid van de werkelijkheid'.
Uitspraken hierover zijn bij herhaling gedaan in de loop der tijden, maar zoals
gezegd zijn zij meestal onder de rubriek van de metafysica gerangschikt, met
als gevolg dat men er thans niets van moet hebben...
Je kunt echt filosofische uitspraken niet toetsen volgens de voor het
wetenschappelijke denken geldende kriteria. Degene die van zulke uitspraken
kennis neemt toetst ze door ze als uitgangspunt van een gedachtengang te nemen
en vervolgens te zien of je nergens vastloopt en of de samenhang met alle
andere thema's ongestoord gehandhaafd blijft. Het weefsel dat de werkelijkheid
als beeld is mag tijdens genoemde gedachtengang nimmer doorbroken worden. Dat
is in grote trekken de toetsing voor het filosofische denken.
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
door Jan
Vis
AFLEVERING NR.
16-(19-01-98)
Het bij het verlangen naar de mens als geestelijk wezen
behorende hoog-laag denken blijkt bij nadere beschouwing iets eigenaardigs te
vertonen. Je kunt namelijk vaststellen dat in een cultuur waarin het hoog-laag
denken aan de orde is, onze modern-westerse dus, letterlijk alles naar boven
toe geprojecteerd wordt. Dat wil zeggen dat men voortdurend bezig is alle
verschijnselen op te waarderen. Dat geldt natuurlijk in de eerste plaats voor
de mens zelf: enerzijds probeert hij almaar boven zichzelf uit te komen,
uiteraard volgens kriteria die hij zelf aanlegt, en anderzijds verbeeldt hij
zich steeds dat hij met 'het goede' bezig is en dat hij ook immer het goede
voorheeft!
Het boven zichzelf uitkomen is bijvoorbeeld te herkennen in de behoefte een
held te worden, zoals dat vooral in de oude Germaanse sagen op onthullende
wijze voor de dag komt: het is pas in orde als je een held geworden bent, een
Siegfried die zich van de grond af opgewerkt heeft tot bovenmenselijke hoogte.
Dat is typisch een held: de naar boven gedachte mens! Zo wemelt het in de
modern-westerse cultuur van de helden. Zij worden doorgaans niet zo genoemd,
maar uit de waardering die hen ten deel valt is af te leiden dat zij wel
degelijk als zodanig beschouwd worden. Hoe geestelijker, hoe hoger aangeslagen
door het gros van de mensen. Hoe geleerder, hoe gezaghebbender. Hoe
principiëler, hoe bewonderenswaardiger!
Hoewel het bijna niemand ooit opvalt zijn ook de
moderne regeringsvormen manifestaties van hoog-laag denken. Terwijl beweerd
wordt dat het 'democratische denken' er borg voor staat dat het volk regeert en
dat de autocratie onmogelijk gemaakt wordt, blijkt tegelijkertijd dat het
tegendeel in de praktijk waar is. De maatschappij en de samenleving worden wel
degelijk van bovenaf beoordeeld en de burgers denken geheel en al in termen van
opwaardering, en dus naar boven.
Het blijkt dan ook dat men er niet echt iets op tegen heeft dat het de
regeerders nooit om de burgers gaat maar uitsluitend om hun eigen bevoegdheden
om dwingende besluiten te mogen nemen. Men vindt het eigenlijk wel normaal dat
zij het zijn die de dienst uitmaken. Daardoor is hun wil wet en is er niets dat
hen daarvan weerhouden kan. Opmerkelijk is dus dat nagenoeg iedereen dat
normaal vindt. Dat is welbeschouwd wel enigszins terecht, want ook de moderne
democratie is in feite een autocratie, maar dan niet uitgeoefend door één
persoon, maar door een als een eenheid optredend college. De burgers wijzen
doormiddel van verkiezingen
diegenen aan die uit mogen maken wie in dat college zitting mag nemen.
Het misleidende in deze kwestie is echter dat de wijze waarop de regeerders aan
de macht komen inderdaad tot op zekere hoogte democratisch is, namelijk via verkiezingen die min
of meer leiden tot een afspiegeling van de wil van het volk. Dat is overigens
een wil die nauwelijks iets gemeen heeft met de belangen en bedoelingen die
wčrkelijk een rol spelen. Immers, eenmaal op het fluweel gezeten is iemands wil
volstrekte wet en de wil van het volk is dat bij lange na niet!
Maar, er is een enkel verschil met vroeger, namelijk dat niet langer geboorte
en erfelijkheid bepalend zijn voor de macht, maar genoemde armoedige 'wil van
het volk'. Verder is alles precies eender gebleven. Ook het
besluitvormingsproces is niet veranderd: allerlei politieke, wetenschappelijke
en bestuurlijke clans mogen adviseren en zelfs een poging wagen de belangen van
hun eigen achterban te laten prevaleren. Maar al of niet onder invloed van die
adviseurs en lobbyisten nemen de regeerders eigenmachtig hun besluiten.
Hun wil is wet! Daarbij draait alles om die eigenmachtige wil, al of niet
verpakt in fraaie volzinnen over het belang van de gemeenschap en over regeren
dat 'vooruitzien' zou betekenen. Het is evenwel niet moeilijk om in te zien dat
de hele zaak op het hogere gericht is en dat de gehuldigde voorstelling van dat
hogere in alle opzichten bepalend is. Niet de burgers zijn de maat, maar het
hogere, in welke vorm het zich ook voordoet. Vanuit dat hogere is het niet
moeilijk om met deelneming over de burgers te spreken. Dat kŕn trouwens niet
anders want het behoort bij het spel! Maar dat het om hen zou gaan is een
leugen. Het is vaak moeilijk te zeggen om wie het nu wel gaat als het niet om
de burgers gaat. Maar zoveel is steeds zeker dat het om iets hogers gaat en dat
dit op de een of andere manier door bepaalde personen of groepen opgeëist wordt
ter rechtvaardiging van hun niet te bevredigen honger naar macht.
Men vraagt zich wel eens af waarom macht toch altijd 'corrumperen' moet, maar
dat is gemakkelijk te begrijpen als je inziet dat machtshonger per definitie
niet te stillen is. Dat is namelijk het geval doordat het in het karakter van
macht ligt ŕlles en iedereen te willen overheersen. Daardoor blijft er steevast
iets over dat nog buiten het machtsbereik valt, maar dat beslist ook nog
onderworpen moet worden. Het hieruit voortkomende machtsstreven is door en door
corrupt, vergeleken bij de gebruikelijke fraaie verhalen die het veroveren van
macht begeleiden.
Hier laat zich op uitermate particuliere wijze gelden dat de mens wezenlijk
'bezitter van de kosmos' is. Op 'particuliere wijze' omdat het de individuele
mens vooralsnog alleen maar om zichzelf gaat en hij nog niet tot het inzicht is
gekomen dat het zichzelf tot bezitter maken voor iedereen geldt en dat het dus
onrechtmatig is om zichzelf op een zodanige wijze door te zetten dat het de
anderen onmogelijk gemaakt wordt zich ook als die bezitter van de kosmos waar
te maken.
Iedereen is namelijk bezitter van de kosmos vanwege het feit dat iedereen
'laatste verschijnsel' is. Dat is op zichzelf eigenlijk niets bijzonders, maar
de moeilijkheid voor de zich ontwikkelende mens is nu juist gelegen in dat
begrip 'iedereen'.
De mens als machtzoeker is de mens die alleen maar zichzelf als laatste
verschijnsel beleeft en die daardoor nooit op kan houden alles aan zich te
onderwerpen. Dat gaat onvermijdelijk samen met het besef hogergeplaatst te
zijn. Voorzover je namelijk van iets hogers wilt spreken moet dat liggen bij de
mens als laatste verschijnsel. Het is het niet-materie zijn dat zich,
uiteraard ongeweten, doet gevoelen.
Het begrip communicatie heeft betrekking op een zaak waarvan bijna nooit
het werkelijke menselijke belang wordt ingezien. Men ziet de communicatie
eigenlijk als een min of meer toevallig verworven luxe die uitvloeisel is van
de moderne technologie en die daarom ook als een lucratief winstobject kan
worden gezien. Anderzijds betreurt men het vaak dat de moderne mensen zo van
die communicatie afhankelijk zijn geworden. De aan de communicatie ten
grondslag liggende technische middelen worden soms zelfs als een gevaar gezien,
zoals dat bijvoorbeeld ook met de televisie het geval is. Maar welke onzin men
wat dit betreft ook klapt, feit blijft dat de communicatie nu reeds, in de
huidige wereld, functioneert als het zenuwstelsel van de mensheid.
Toegegeven moet worden dat het een overspannen zenuwstelsel is van een
dolgedraaide mensheid die zo langzamerhand danig het spoor bijster is geraakt,
maar toch zijn de moderne communicatie-middelen al als een zenuwstelsel gaan
fungeren. Op den duur zal dat stellig een gezonde zaak worden...
Als de volwassen mensen tenslotte hun wereld beschouwen en ervaren als een
samenhangend geheel, dan is dit volstrekt ňndenkbaar zonder een fijnmazig
netwerk van communicatie. Juist omdat de mensen als verschijnselen nu juist niet
samenhangen is een bewustzijn van samenhang onontbeerlijk en typisch
'menselijk'. Maar dat is volstrekt onmogelijk als niet allen met allen in
verbinding staan.
Zoals ons zenuwstelsel alle organen in ons lichaam, en in feite alle cellen,
met elkaar doet samenhangen, zo doet de communicatie dat met alle mensen, op
den duur. Natuurlijk betekent dit niet dat alle individuen feitelijk met elkaar
in verbinding staan, in die zin dat zij elkaar kennen en contact onderhouden.
Het betekent echter wel dat de verbinding er is en dat er op elk gewenst moment
gebruik van gemaakt kan worden.
Het vanuit de werkelijkheid als bewustzijn optredende besef in alle opzichten
met elkaar samen te hangen kan geen realiteit zijn als er niet een concrete
ondergrond is waarop dit besef zich kan manifesteren. En die ondergrond is nu
precies het fijnmazige netwerk van de communicatie!
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
door Jan
Vis
Zie bladwijzers: Waanvoorstellingen- zie afl. 17 ; 23 ; 36 ; 37 ; 46 ; 52 ; 60 ; 63 ; 64
AFLEVERING
NR. 17-(16-02-98)
Nog steeds gaat de wereld gebukt onder een groot aantal conflicten die de
mensen met de wapenen uitvechten. Over veel van die conflicten hoor je
nauwelijks iets omdat het voor de pers en de internationale organisaties niet
interessant is. Maar, er zijn toch altijd wel organisaties en individuele
deskundigen die inlichtingen kunnen verstrekken. Vraag je daarnaar dan blijkt
dat de bedoelde conflicten bijna steeds met het begrip oorlog benoemd
worden, maar daar in feite nauwelijks mee te maken hebben. Natuurlijk, er
sneuvelen mensen door toedoen van gewapende mannen en soms wordt er ook zwaar
oorlogstuig gebruikt zoals kanonnen en tanks, een enkele maal zelfs technisch
geavanceerde vliegtuigen. Ook kun je constateren dat er bevelsstructuren zijn
waarbij men gebruik maakt van de bekende benamingen zoals die sinds onheuglijke
tijden aan de verschillende rangen gegeven worden. Zo zijn daar korporaals,
sergeanten, luitenants enzovoort. Deze en nog wat andere zaken echter brengen
ons gemakkelijk op een dwaalspoor als het erom gaat een oordeel te vormen over
de hedendaagse gevechten van de mensen.
Het begrip 'oorlog' heeft in de loop der tijden een bepaalde inhoud
gekregen, voornamelijk naar aanleiding van de vele in de westerse wereld
gevoerde oorlogen. Het is zelfs zover gekomen dat er bepaalde regels
zijn opgesteld waaraan de oorlogvoerenden zich hebben te houden en na de tweede
wereldoorlog is men er zelfs toe overgegaan bepaalde militairen en politici te
berechten en schuldig te verklaren aan misdaden tegen de mensheid en de
menselijkheid. Alsof bepaalde vormen van 'burgerlijk recht' ook geldig zouden
zijn onder de abnormale omstandigheden van een oorlog, waarin als regel
juist het normale, algemeen aanvaarde 'burgerlijke recht' goeddeels buiten
werking gesteld wordt.
Niet alleen echter dat er bepaalde regels zijn opgesteld, er is ook een
definitie van oorlog op tafel gekomen, en die komt in grote trekken
hierop neer dat er sprake moet zijn van 'legers' met een bevelsstructuur en dat
er uitsluitend door die legers gevochten wordt. De burgers moeten letterlijk
'buiten schot' gehouden worden evenals trouwens geneeskundige diensten en
kampen voor krijgsgevangenen. Zo zijn er nog meer kriteria op te noemen die
echter alle betrekking hebben op grote organisaties die volgens van tevoren
opgestelde regels tewerk gaan en die optreden op gezag van statelijke overheden
en hun hoogste vertegenwoordigers.
Dit begrip 'oorlog' is echter volstrekt niet van toepassing op de strijd
die wij tegenwoordig in zo ongeveer alle windstreken aantreffen. Deze strijd
kent geen reglementen en andere kriteria en hij wordt bijna steeds door
betrekkelijk kleine groepen, slechts van een persoonlijke bewapening voorziene,
mannen gevoerd. En de activiteiten van deze mannen worden niet door
staatsinstituties bevolen en gerechtvaardigd, maar door 'warlords' die op eigen
gezag tekeer gaan. Desnoods hebben die 'warlords' wel een groter doel voor
ogen, zoals een eigen staat voor een bepaalde etnische groep, maar hun optreden
is geheel op eigen gezag. Verder valt op dat grotere doelen, indien aanwezig,
nauw samenhangen met de behoefte aan een eigen identiteit die uiteraard
onmiddellijk inhoudt dat er altijd 'anderen' zijn die uitgeroeid moeten worden
of tenminste verdreven.
De eigen identiteit sluit die van anderen volledig uit, precies zoals de mens
als 'ik' in principe slechts gedefinieerd kan worden door 'niet-ik' buiten te
sluiten en te ontkennen. De mensen kunnen qua ontwikkeling niet om deze zaak
heen. Het conflict tussen 'ik' en 'niet-ik' is niet te vermijden, maar het is
tegelijkertijd een feit dat de tegenwoordig steeds optredende gewelddadigheid
wel degelijk vermeden kan worden. Dat is te zeggen: als dat grote moorden
eenmaal begonnen is ontkomt men er zelden aan, maar het behoeft er niet
noodzakelijk aan mee te komen.
Doorgaans zijn het misdadige
geestdrijvers die zich als leiders opwerpen en de mensen tot
bloeddorstig fanatisme opzwepen. Een fanatisme dat bijna steeds met godsdienstige waanvoorstellingen
gepaard gaat. Dat alles maakt het onverantwoord om zonder nadere toelichting
over een oorlog te spreken. In feite hebben we bij de hedendaagse
gewelddadige conflicten te maken met losgebroken moordlust die zich
ongebreideld uitleeft. Doordat die moordlust zich bij die conflicten overal
voordoet hebben de al of niet toevallig erbij betrokken mensen geen enkele
keuze: zij zijn gedwongen zo goed mogelijk lijf, goederen en verwanten te
redden, bijna steeds door hun aanvallers met hetzelfde geweld tegemoet te
treden. Gemoedelijkheid, vredelievendheid en al helemaal geen redelijkheid
baten, niets biedt enige kans behalve even groot of groter geweld.
Omdat zij geen keus hebben is dat die mensen niet kwalijk te nemen. Anderzijds,
zelfs al zouden zij min of meer gelaten hun eigen dood aanvaarden, bijvoorbeeld
vanuit pacifistische overwegingen, dan nog kunnen zij geen vrede hebben met de
gruwelijke dood van hun verwanten. Er is geen ontkomen aan, behalve, als men
geluk heeft, een haastige vlucht...
De westerse mens, voorzover die alsnog een particuliere individu is,
gaat door de wereld als een roofmoordenaar en een lustmoordenaar. Het
eerstgenoemde begrip heeft betrekking op het in bezit nemen van al datgene dat
als de inhoud van de mens beschouwd moet worden. Dat is, op een bepaalde
manier, de ganse werkelijkheid. Dit in bezit nemen gaat gepaard met het
ontkennen van de aanwezigheid en de rechten van de medemens: dat is dus
'moord'.
Het tweede begrip, de lustmoordenaar, slaat op het feit dat die particuliere
individu de ontkenning is van het vrouwelijke als zijnde 'het geheel'
waarbinnen al het bestaande in een ongebroken en onbreekbare samenhang
opgenomen is. Dit 'geheel' moet volgens primair besef van de particuliere
individu vernietigd worden omdat het diens eigenheid en diens ontplooiing in de
weg zou staan. Ter verwerkelijking van de particuliere individu, om het even of
die een man is of een vrouw, moeten de vrouw, overdrachtelijk, en het
vrouwelijke, letterlijk, vermoord worden. Daaraan beleeft de moordenaar lust,
omdat het zijn meest fundamentele begeerten bevredigt.
Het spreekt vanzelf dat genoemde begrippen roofmoordenaar en lustmoordenaar
voor de praktijk als 'metaforen' opgevat moeten worden. Het zijn filosofische
typeringen van het culturele karakter van de westerse mens, die er echter niet
minder essentieel om zijn. Overigens moet opgemerkt worden dat deze begrippen
ook op de niet-westerse particuliere individu van toepassing zijn, maar het is
niet noodzakelijk dat zij in enigerlei concrete vorm het karakter van het gedoe
van die niet-westerse individu bepalen. Met enige zekerheid is te voorspellen
dat die zich realiserende niet-westerse particuliere individu in de praktijk
meer gedomineerd zal worden door een vaag aangevoeld gemeenschapsbesef, dat een
voorbode is van het 'met zijn allen zijn' van de toekomstige volwassen mens.
Zie bladwijzers: Waanvoorstellingen- zie
afl. 17 ; 23 ; 36 ; 37 ; 46
; 52 ; 60 ; 63 ; 64
FILOSOFIE
VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
Bladwijzer: Verlichting Verhullend taalgebruik-1 ; Verhullend taalgebruik-2 ; Opvoeding-1
; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ;
De Verlichting, zie: Nrs. 3 , 14 , 18 , 31, 37 , 42 , 55 , 73 ,
door Jan Vis
AFLEVERING NR.
18-(16-03-98)
Het is opmerkelijk dat in de moderne maatschappij alles in
het teken van de arbeid staat. Iedereen wordt qua maatschappelijke status
beoordeeld naar de aard en waardering van zijn arbeid. Vallen iemands
activiteiten buiten datgene dat als 'arbeid' gedefinieerd wordt, dan valt de
beoordeling niet gunstig uit. Ogenschijnlijk geldt dat niet voor zieken, ouden
van dagen, huisvrouwen en kinderen, maar bij nadere beschouwing blijkt dat hun
status wel degelijk afhankelijk is van de arbeid: die ouden van dagen moeten
'gepensioneerden' zijn die AOW of een pensioen genieten, wat op zichzelf ook
weer in betrekking staat tot de arbeid en de huisvrouwen danken hun waardering
aan het feit dat zij als onder- en achtergrond van des mans arbeidzame leven
fungeren. De kinderen tenslotte gelden als toekomstige arbeiders, hetgeen onder
andere duidelijk blijkt uit de opvoeding en opleiding die zij krijgen. Zieken kunnen zich in
deze wereld alleen maar dan veilig en verzorgd weten als zij zich doormiddel
van hun arbeid verzekerd hebben. Onvoorwaardelijke hulp wordt als regel niet
geboden.
De arbeid is de maat van het gehele maatschappelijke leven en alles wat buiten
de definitie van het begrip arbeid valt wordt hoogstens met welwillendheid
geduld. Werklozen bijvoorbeeld worden enigszins beleefd behandeld voorzover zij
buiten hun schuld zonder werk geraakt zijn en dus nog steeds als potentiële
arbeiders beschouwd kunnen worden, maar tegelijkertijd wordt hen almaar
voorgehouden dat zij wel zo spoedig mogelijk en zonder morren aan het werk
moeten...
Lui die letterlijk niet willen meewerken aan deze slavernij worden, niet alleen
vanuit de overheid, maar ook door hun medeburgers, met de nek aangekeken. Zij
worden asociaal gevonden en uitbuiters omdat zij volgens de socialen en
niet-uitbuiters 'anderen voor zich laten werken' en dat is iets wat uit den
boze is, tenzij je ondernemer bent, want dŕn wordt het weer als een bewijs van
slimheid en zelfs zakelijkheid beschouwd.
Maar, zelfs als het waar zou zijn dat anderen voor die asocialen werken (maar
het is niet waar!), dan nog zegt dit veel meer over de mentaliteit van die
werkenden dan over die zogenaamde asocialen: je moet immers nooit voor een
ŕnder werken, behalve natuurlijk voor een baas, als je er tenminste behoorlijk
voor betaald wordt..!
In de grond van de zaak is het terecht dat de arbeid in het maatschappelijke
leven zo'n dominante rol speelt. Op zichzelf is de maatschappij niets anders
dan het zo verfijnd mogelijke netwerk van relaties tussen de afzonderlijke
mensen. Maar dat netwerk kan niet functioneren als er niet een verzorgde
materiële basis is voor het bestaan van die afzonderlijke mensen. Die basis
moet veiliggesteld zijn en de grondslag daarvan is de arbeid.
In het veiligstellen spelen allerlei grootheden een rol, zoals daar zijn
medische voorzieningen, juridische waarborgen, mogelijkheden tot communicatie
en toegang tot kennis. Maar dat alles wordt een farce als de arbeid niet voor
het beschikbaar zijn van spullen zorgt. In de arbeid zet de mens de voorhanden
natuurlijke werkelijkheid om tot een menselijke. Hij maakt iets dat zo zonder
meer niet door het wordingsproces opgeleverd wordt.
Hij doet dat omdat de gehele kosmos zijn inhoud is vanwege het
feit dat het verschijnsel mens het laatste verschijnsel is waartoe de processen
in de werkelijkheid komen. Het eindresultaat van een proces houdt alle
voorgaande stadia in en zo houdt de mens als eindresultaat van de kosmische
processen de gehele kosmos in.(zie
Hoofdwerk Beweging en Verschijnsel)
Als eerste is daar natuurlijk de aarde die van een abstracte inhoud tot een
concrete omgezet wordt. Dat geschiedt, in een veelheid aan varianten, door de
menselijke activiteit van de arbeid. Omdat dit het geval is, is het sinds de Verlichting tot
zelfbewustzijn gekomen begrip 'arbeid' terecht herkend als van toepassing op de
maatschappelijke werkelijkheid. Maar meer dan een 'herkennen' is het tot nu toe
niet: telkens weer blijkt dat men niet het flauwste benul heeft van de
werkelijke verhoudingen die hier aan de orde zijn. Het begrip 'arbeid' is
concreet geworden en zijn alledaagse rol gaan spelen, maar door een diepgaand
onbegrip, wat overigens niemand kwalijk genomen kan worden, is er een bijna
niet te herkennen zaak ontstaan. Het klinkt hard, maar het moet toch gezegd
worden dat de arbeid sinds de industriële revolutie definitief tot slavernij
verworden is.
Het kon logischerwijs niet uitblijven dat de arbeid tot slavernij
zou ontaarden. Dat betekent onder andere dat het nu als handelswaar is gaan
fungeren. Er zijn er die werk in de aanbieding hebben, zij hebben het monopolie
op het bezit van dat werk en zij verstrekken dat van bovenaf. Dat wil zeggen
dat zij niet als gelijke partners onderhandelen met diegenen die werk willen
hebben, maar daarentegen als hoger geplaatsten die eigenlijk alles voor het
zeggen hebben, maar die onder omstandigheden eventueel wel bereid zijn wat
water in de wijn te doen.
Die omstandigheden zijn dan als regel bepaalde pressiemiddelen van de
arbeiders, zoals stakingen. Zomaar vanuit zichzelf geven de 'werkgevers' geen
behoorlijke tegenwaarde van de energie die de arbeiders te koop aanbieden.
Steevast moet die tegenwaarde ŕfgedwongen worden.
De werkgevers zijn particuliere, dat wil zeggen op eigen welvaart gerichte,
ondernemers die in het bezit zijn van een aantal werkzaamheden die verricht
moeten worden. Daarvoor hebben zij energie nodig en die kopen zij van anderen
die bepaalde bekwaamheden hebben. Van de arbeiders, tegenwoordig 'werknemers'
of nog verhullender
'medewerkers' genoemd, wordt die energie gekocht, maar steeds vanuit een hňgere
machtspositie van de ondernemers. In feite hebben die de middelen in handen om
het leven van de mensen veilig te stellen. Dat maakt hen machtig, maar het
geeft hen ook aanzien, ondanks het feit dat zij uitsluitend te eigen bate bezig
zijn.
De arbeiders worden dus zoveel als mogelijk door de werkgevers bedrogen bij de
verkoop van zichzelf als energiebron. Maar die arbeiders zijn genoodzaakt zich
bij deze praktijken neer te leggen omdat zij anders niet zouden kunnen
overleven.
Wat dus eigenlijk iets vanzelfsprekends is, namelijk dat de mens de planeet
omzet tot zichzelf, is verworden tot een louche handeltje van diegenen
die dat omzettingsproces in bezit hebben genomen. En de pechvogels die achter
het net vissen hebben geen keus: zij moeten hun natuurlijke arbeidsvermogen
tegen woekerprijzen verkopen.
Het gedwongen zijn om het eigen arbeidsvermogen te verkopen leidt er
onherroepelijk toe dat de arbeidende mens per definitie geen vrede heeft met zijn
bestaan. Diegenen die er echter wel vrede mee hebben zijn steeds mensen die aan
het gemarchandeer met arbeidskracht zijn ontkomen, door de 'hoogte' van hun
positie of door het 'eigen baas' zijn, hetgeen op zijn beurt inhoudt dat zij
aan de andere kant van de streep toch weer moeten marchanderen, namelijk om zo
goedkoop mogelijk arbeidskracht in te kopen of, als het maar even kan, te
stelen. Bijvoorbeeld van berooide asielzoekers.
En dan zijn er ook nog die spaarzame gevallen van mensen die, hoewel niet zo
erg tevreden met hun betrekkelijk armoedige bestaan, toch nog enige bevrediging
in hun werk vinden doordat zij toevallig op 'de goede plaats' zijn terecht
gekomen. Vaklui dus die ondanks alles hun werk als een menselijke en
menswaardige uitdaging zien en die het tenslotte maar voor lief nemen dat zij
bestolen worden.
Hoe dan ook, het algemene beeld is onvrede met het bestaan door een niet
op maat liggen van de arbeid.
Iets wat vanzelfsprekend aan de mens meekomt kŕn nu
eenmaal geen object van handel zijn.
De Verlichting, zie: Nrs. 3 , 14 , 18 , 31, 37 , 42 , 55 , 73 ,
Verhullend taalgebruik-1
; Verhullend taalgebruik-2
Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ;
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
door Jan
Vis
AFLEVERING
NR. 19-(13-04-98)
Rationeel-1 ; Rationeel-2 ; Rationeel-3 ; Rationeel-4 ; (On)verdraagzaam(heid)-1 ; (On)verdraagzaam(heid)-2 ; (On)verdraagzaam(heid)-3
; Beleving-1 ; Beleving-2 ; Beleving-3 ; Jesaja(1); Jesaja(2) ;
In de idealistische filosofie streeft men naar 'Zuiver
Begrip', met als vanzelfsprekende inhoud de waarheid. De realiteit van alle dag
moet op den duur in het licht van dat 'Zuiver Begrip' komen te staan. Dat wil
in de praktijk zeggen dat het menselijk leven samen moet gaan vallen met al
datgene dat door de filosofen uitgedacht is en dat nu voor 'waarheid' geldt.
Dit leidt ertoe dat die filosofie verwordt tot een ideologie.
Daarmee bedoel ik niet te zeggen dat het per se een dwangmatig maatschappelijk
streven van een groep wordt, die beoogt de gehele mensheid naar zijn ideeën om
te vormen, een politieke ideologie dus, maar ik bedoel dat het een dogmatische
norm voor de toekomst wordt. Vanuit dat begrip 'realiteit' en vanuit het begrip
'toekomst' krijgt de zaak een dwingend karakter doordat die norm
noodzakelijkerwijs voorgesteld wordt als een absolute, die voor een ieder
geldt. Of je het er nu mee eens bent of niet, of je er zin in hebt of niet, je
ontkomt niet aan het feit dat die toekomstige realiteit ook de jouwe zal moeten
zijn. Er ontstaat een situatie als in het christendom waarin gesteld wordt dat
'in het huis van de Vader' ook voor jou een woning gereserveerd is.
De in het denken ontwikkelde 'waarheid' wordt hier misvormd tot een concreet
bestaande zaak. En de begrippen die tot de inhoud van dit begrip 'waarheid'
behoren worden nu tot situaties omgevormd die bestaanbaar zijn, is het niet op
het ogenblik dan wel in een verre toekomst. Je zou als vanzelf gaan denken aan
het toekomstige 'Koninkrijk Gods' of zelfs aan de hemel!
Volgens die gedachtengang zullen er dus straks in concreto toestanden zijn die
overeenkomen met de begrippen die inhoud zijn van een bedachte, geconstrueerde
waarheid. Als voorbeeld: alle verschijnselen in het universum zullen blijken
met elkaar samen te hangen. De mensen zullen straks allemaal in liefde met
elkaar verenigd zijn. Schoonheid, harmonie, zelfverloochening, goedheid en nog
vele andere edele zaken zullen eindelijk de mens kenmerken en zelfs kun je
denken aan een eeuwig leven zonder ziekte, veroudering of dood. Uiteraard zal
er niemand buitengesloten worden en van discriminatie zal al helemaal geen sprake meer
zijn. Een treffende passage is te vinden bij Jesaja (11:6-9): "Dan zal de wolf bij het
schaap verkeren en de panter zich neerleggen bij het bokje; het kalf, de jonge
leeuw en het mestvee zullen tezamen zijn, een een kleine jongen zal ze
hoeden", enz.
En voor de holisten en New-Agers is er dit heerlijke vooruitzicht dat het
verfoeilijke analytisch verstandelijke denken voorgoed afgeschaft zal zijn.
Mooier kan het beslist niet! Het is de droom van ontelbare denkers, gelovigen
en andere idealisten.
Maar bij nadere beschouwing blijkt het een bijzonder boze droom
te zijn...
Een onvermijdelijk gevolg van de 'droom der waarheid' is de absolute
veroordeling. Dat wil zeggen dat er altijd een veroordeling volgt uit de
toetsing van de realiteit aan de door het denken voortgebrachte ware norm. De
realiteit kan vervolgens niet anders dan beneden de kwaliteit van de
werkelijkheid als waarheid blijven. Dat leidt noodzakelijkerwijs tot een
eeuwigdurende veroordeling van de realiteit, zowel de natuurlijke als de
menselijke.
Als we ons eens even op de mensen concentreren, dan blijkt dat zij
onvermijdelijk schuldig zullen zijn, hetgeen wil zeggen dat zij niet anders
zullen kůnnen dan tekortschieten. En ook zullen zij 'zondig' zijn en dat
betekent in dit verband dat zij fundamenteel slecht zijn. Het is uitgesloten
dat zij niet-slecht zouden kunnen zijn.
Wie op de hoogte is van de godsdienstige visie op de mens zal deze
kwalificaties onmiddellijk herkennen. Maar een waarschuwing is hier geboden:
niet alleen de godsdienstige, maar de gehčle westerse cultuur staat in het
teken van en is onderworpen aan kriteria van schuld en zonde...
Men gebruikt tegenwoordig andere termen en men doet alsof men er niet meer zo
zwaar aan tilt, maar een oplettend waarnemer zal het beslist niet ontgaan dat
er ook in onze betrekkelijk liberale cultuur niet veel goeds aan de mens
bedacht wordt. Alleen al het feit dat men vindt dat hij geregeerd moet worden
omdat hij zich anders zal gaan vergrijpen aan andermans lijf en goed, wijst er
op dat men geen hoge dunk van de mens heeft, en helaas lijken de feiten dit te
rechtvaardigen.
Maar deze kwalijke beoordeling van de mens is onjuist. Het is slechts een
gevolg van het als een concrete zaak stellen van de waarheid, oftewel het
'materialiseren van het begrip waarheid'. Hierdoor ontstaat de mening dat 'het
leven in de waarheid' bestaanbaar en dus haalbaar zou zijn. En omdat men denkt
dat dit het geval is gaat een negatieve beoordeling van de natuur en de mens
tot de gewoonten van de alsnog onvolwassen mensen behoren.
Dit echter is een tragische vergissing waarvan ter vergoelijking alleen maar
aangevoerd kan worden dat je hem niet van een alsnog ňnvolwassen mens af kunt
denken en dat het vaak niet kwaad bedoeld is.
Maar, de waarheid is niet te concretiseren. Het is geen werkelijkheid die op
zichzelf bestaan kan. Op zichzelf bestaat alleen maar de realiteit en dat blijft
zo.
Dat is geen zaak om treurig van te worden, want het is de werkelijkheid zelf
die in die realiteit uitloopt en niet in die vermeende waarheid. Dat heeft als
consequentie, ten eerste: het begrip 'zonde' is zonder meer onzinnig, want dat
begrip kan er alleen maar zijn zolang en voorzover men denkt dat er een
berekenbare waarheid is die, als de mensen dat zouden willen en als zij er aan
toe zouden zijn, realiteit worden kan.
En ten tweede: omdat zo'n waarheid niet bestaan kan is er in feite ook niet van
schuld te spreken. Het begrip 'schuld' bestaat overigens wel, maar niet in
relatie tot de waarheid. De werkelijke 'waarheid' is een begrip dat een
kwalificatie uitdrukt van de werkelijkheid als bewustzijn, als dat zich
bijwijze van 'beeld' op herkenbare wijze aan de werkelijkheid als
'voorstelling' afspiegelt. De waarheid is de werkelijkheid zoals deze zich aan
de mens voordoet als die mens zich richt op de werkelijkheid als beeld.
Voor deze humane werkelijkheid geldt dat alles onvoorwaardelijk en zonder onderscheid
aanwezig is, en dat is het begrip 'vrouwelijk', en er geldt dat alles ineen is,
en dat is het begrip 'liefde', en er geldt dat alles in harmonie is, en dat is
het begrip 'schoonheid'. En omdat voor dit humane besef het ene ding, evenmin
als het andere ding, op zichzelf staat en er tussen die dingen geen grenzen
zijn die een absolute scheiding betekenen, gelden er voor de mens - en
uitsluitend voor de mens - kwaliteiten als zelfverloochening, ruimhartigheid,
goedmoedigheid enzovoort.
In het kort kun je stellen dat alle genoemde begrippen en kwaliteiten gelden
voor de mens die zichzelf als bewustzijn heeft leren kennen, de volwassen mens
dus. Voor die mens is de werkelijkheid qua beleving als boven beschreven, maar die
werkelijkheid zelve is niets anders dan een realiteit waarvoor al die schone
zaken niet van kracht zijn: het ene ding staat buiten het andere ding, is er
volstrekt van gescheiden en van samenhang en dergelijke is ook geen sprake. Er
is slechts een fijnmazig netwerk van uitermate innige relaties.
Voorzover de mens zich gedraagt als ware hij de werkelijkheid als bewustzijn,
zijn voor zijn besef alle schone zaken realiteiten, maar je moet wel bedenken
dat deze mens het tegengestelde van de feitelijke realiteit is. Dat is dan ook
waarschijnlijk de betekenis van de oude evangelische uitspraak dat de ware, dit
is de volwassen, mens 'niet van deze wereld' is. Deze mens is inderdaad zonder
zonde en schuld want hij verbeeldt zich niet dat de waarheid er als een
realiteit kan zijn, maar hij weet tegelijkertijd dat hij als volwassen mens het
verschijnsel is dat zich gedraagt alsňf de waarheid desondanks wel degelijk een
realiteit is.
Vele denkers menen nog steeds dat de mens 'geestelijk' zou moeten zijn. Dat zou
betekenen dat hij zich naar zijn zelfbewustzijn zou moeten gedragen. Dat echter
is fout gedacht, het is daarentegen juist de ňnvolwassen mens die zich naar
zijn zelfbewustzijn, oftewel zijn 'geest', richt. De maat leggen bij het
zelfbewustzijn betekent dat men zich uitlevert aan het plaatselijke en
tijdelijke, aan het gedwongen zijn en het onderworpen zijn aan regels en
voorschriften. Maar ook dat men macht wil hebben!
Het betekent leven in een massieve waan die weliswaar strikt rationeel is maar die
juist daardoor van het leven alleen maar een 'onderneming' of een 'project'
maakt, intellectueel berekend, consequent logisch en principieel, zonder
onberekenbare emoties en waardevrij, maar volkomen levenloos. De bloedeloosheid
en kilheid zelve..!
In feite is dit het ideaal van de rationele beschaafde mens, de mens die
zelfbeheersing als een deugd ziet en die zichzelf ertoe dwingt 'redelijk' en
'verstandig' te zijn. Maar juist deze mens is in alle opzichten 'van deze
wereld'. Zijn zelfbewustzijn heeft immers niets ŕnders dan deze wereld tot
inhoud! Het feit dat voor het zelfbewustzijn op zichzelf geldt dat het voorbij
de materie is, dat het 'de materie als niet-materie' is, doet in dit verband
niet terzake. Het niet-materie zijn geeft alleen maar aan wat het
zelfbewustzijn voor een zaak is: het is de realiteit die zich laat gelden alsof
hij niet-materieel is.
Fenomenologisch gesproken: het zijn de beweeglijkheden die er zijn alsof zij
weer op zichzelf zijn, alsof zij niet langer deelnemen aan materiële systemen.
En op grond van dit laatste beoordeelt men die zaak intuďtief als 'geestelijk',
vluchtig en hoog verheven boven alledag. De praktijk van alle eeuwen laat
echter duidelijk zien dat dit 'geestelijke' bijzonder banaal, benauwd, onverdraagzaam, lelijk,
moordzuchtig en liefdeloos is. Bovendien zit het vol met occulte griezeligheden
die bij nadere beschouwing nergens anders op kunnen duiden dan op een uiterst
morbide geestelijkheid.
Eigenlijk zou men niet mogen vergeten dat de mensen tot nu toe de meeste
energie gestoken hebben in elkaar het leven zuur te maken. Dat kŕn men doen
juist omdat men 'geestelijk' is en dus 'beschaafd', 'rationeel' en 'praktisch'.
Beschouwde men zichzelf niet als geestelijk wezen, maar als intelligente
materie, dan zou het menselijk leven op deze planeet er heel anders
uitzien. En wel omdat dan het bewustzijn, het gevoel, de ontroering, de liefde
en de trouw hun essentiële rol konden spelen...
Rationeel-1 ; Rationeel-2 ; Rationeel-3 ; Rationeel-4 ; (On)verdraagzaam(heid)-1 ; (On)verdraagzaam(heid)-2 ; (On)verdraagzaam(heid)-3 ; Beleving-1 ; Beleving-2 ; Beleving-3 ;
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
door Jan
Vis
Naar
: Houvast-1 ; Houvast-2 ; Houvast-3 ; Houvast-4 ;
AFLEVERING NR.
20-(11-05-98)
In de moderne wetenschap houdt men zich bezig met het
analyseren van de werkelijkheid. Daarbij kan het niet uitblijven dat de
objecten van onderzoek steeds kleiner worden. De details verfijnen zich almaar
meer. Daarnaast echter wordt het aantal onderzoekers, dat zich met zo'n klein
deelgebied bezig houdt ook steeds kleiner, zozeer zelfs dat tenslotte niemand
meer van zijn collega's weet waarmee zij nu werkelijk bezig zijn. Denk je de
zaak tot het einde toe door, dan moet de conclusie zijn dat kennis zich niet
langer op wetenschappelijke wijze controleren laat.
Het zogenaamde, bij adepten van een 'objectieve' wetenschap zo geprezen, 'Forum
der Wetenschap' is dan in duigen gevallen. Het 'Forum' kan niet echt meer weten
waarover het gaat als iemand de door hem of haar verworven kennis presenteert.
Van het herhalen van experimenten en proeven kan ook geen sprake meer zijn. Wat
blijft er dan over?
Er blijft over dat de wetenschappers volstrekt betrouwbaar
moeten zijn. Dat houdt in dat zij zich niet (bewust) laten beďnvloeden door wie
of wat dan ook, dat zij niet met de resultaten van hun wetenschappelijke
activiteiten knoeien en het houdt ook in dat zij er getrouwelijk zorg voor
dragen dat de door hen verworven kennis vrij ter beschikking van de gehele
mensheid staat. Daarbij is van groot belang dat er een ethische relatie tussen
de wetenschapper en zijn of haar kennis ontstaat. Essentieel is daarbij dat die
kennis niet langer een uitwendige, zogenaamd objectieve, zaak is, maar een
intellectuele kwaliteit van de wetenschapper zčlf.
De mogelijkheid om op zichzelf staande wetenschappelijke kennis te controleren
(verifiëren) wordt almaar kleiner. Het enige wat overblijft, is het al of niet
bruikbaar zijn in de praktijk van de technologie, de toegepaste wetenschappen
dus. Wat betreft de bij voorbaat te stellen morele vraag naar het al of niet
verantwoord zijn van een toepassing zal men wederom aangewezen zijn op de
betrouwbaarheid van de erbij betrokken wetenschapper. Het zou een misdaad zijn
als zij of hij vanuit het een of andere belang de zaak verkeerd voorstelde,
informatie achterhield of zijn kennis aan de hoogste bieder te koop aanbood.
Hoe weinig de moderne denkers er mee ingenomen zullen zijn, er zit toch niets
anders op dan in de toekomst steeds meer af te gaan op betrouwbaarheid in
plaats van controleerbaarheid.
Trouwens, tegenwoordig wordt gaandeweg duidelijk dat het met het controleren
van wetenschappelijke kennis allang zo'n vaart niet meer loopt. Er wordt almaar
meer de hand mee gelicht, juist omdat het zo langzamerhand ondoenlijk wordt.
Voorlopig verdoezelt men dat nog met de smoes dat controle teveel geld kost.
Dat is tot op zekere hoogte zelfs nog waar ook! Maar binnenkort zal men toch
toe moeten geven dat controle een wetenschappelijke onmogelijkheid is geworden.
Uit het steeds meer onmogelijk worden van verificatie van wetenschappelijk
verworven kennis blijkt onder meer dat de voorheen door mij bij herhaling
verkondigde stelling dat het accepteren van aangeboden kennis een kwestie van
vertrouwen is, een juiste stelling is. En sterker nog: niet alleen dat leken
geen keuze hebben en in goed vertrouwen allerlei beweringen voor juist moeten
aannemen, maar ook dat het blijkt dat dit eveneens steeds meer voor de vaklui
gaat gelden.
Dus kun je wederom zeggen dat het ferme gepraat over 'verifieerbaarheid',
'controle' en over de voor iedereen geldende overtuigingskracht van de
zogenaamde logica, niets anders dan loze beweringen zijn geweest. Holle praat
van diegenen die, intellectueel zijnde, het van de wetenschap moeten hebben om
zichzelf een houvast en vaak ook een status te
verschaffen. Juist door van de wetenschap afhankelijke lieden zijn in de loop
der tijd heel wat arrogante uitspraken gedaan en al die uitspraken hebben
onmiskenbaar het karakter van godsdienstige stellingen waarvan de juistheid
niet straffeloos in twijfel getrokken mag worden.
Met het verwerven van op wetenschappelijk verantwoorde wijze verkregen kennis
ontsluit de mens de weg naar volwassenheid. Met nadruk moet ik zeggen: die
kennis leidt op zichzelf niet tot volwassenheid, maar tot het
ontsluiten van een weg. Tot nu toe betekent het dat zich in de mensen het
individualisme gaat laten gelden. Zij gaan zich herkennen en ontwikkelen als de
'unieke ik' die zij in wezen zijn. Dat moet gebeuren alvorens er van een
werkelijke volwassenheid gesproken kan worden.
Je kunt met enig leedvermaak vaststellen dat de totalitaire staten, zoals de
Sowjet-Unie, China,
Noord-Korea, Cuba, enzovoort, hun eigen graf graven door de bevolking onderwijs
te geven. Men behoeft er in dat onderwijs niet eens speciaal op te wijzen dat
bepaalde ideeën, zoals godsdienstige of kapitalistische, volgens de eigen
ideologie niet deugen. En men behoeft ook geen propaganda te maken voor andere,
bijvoorbeeld marxistische, 'waarheden'. Alleen maar het aanbieden van
betrouwbare, zakelijk juiste kennis omtrent de alledaagse verschijnselen om ons
heen, wetenschappelijke en technologische kennis, kortom, realistische en vooral
niet ideologisch gekleurde informatie, volstaat om de barričre op de weg naar
volwassenheid, die om te beginnen de weg naar individualisme is, te doorbreken.
Het instellen en bevorderen van gewoon alledaags onderwijs ondergraaft de macht
van elke totalitaire overheid doordat het collectivisme hiervan geen stand kan
houden tegenover het individualisme van de wakker wordende mens.
Zoals al eerder gezegd is de volwassen mens te typeren als de 'volledig tot
zichzelf gekomen individualist' voor wie, ten gevolge van zijn inmiddels
verworven zelfkennis, de medemens vanzelfsprekend onvoorwaardelijk erkend is.
Dat verdraagt geen collectivisme, noch totalitaire overheden die van bovenaf
hun wil opleggen. Tenslotte zijn in een volwassen mensheid alleen maar horizontale
verhoudingen mogelijk.
Er zijn heel wat wetenschappers die beweren dat de filosoof geen uitspraken mag
doen over wetenschappelijke zaken, zoals bijvoorbeeld de theorie van de
evolutie. Die wetenschappers halen als zo vaak weer eens alles door elkaar! Inderdaad
mogen filosofen uit hoofde van hun professie geen uitspraken doen over
wetenschappelijke disciplines. Zij moeten dat aan de deskundigen overlaten,
overigens om meer dan één reden.
Maar de basale gedachtengang die aan iedere theorie of hypothese ten grondslag
ligt valt wel degelijk onder het filosofische denken. Dat denken immers houdt
zich bezig met de werkelijkheid op zichzelf, zoals die zich als complete
voorstelling, met daarachter en daar doorheen het algemene beeld, aan ons
voordoet. Een gedachtengang over een aan voorstelling en beeld ontleend thema
behoort niet tot de analyse van de werkelijkheid. Er wordt niets uit elkaar
gehaald, er wordt slechts nagegaan.
Dat nagaan of nadenken is typisch filosofisch. Zo kan de filosoof een
samenhangende gedachtengang ontwikkelen over een thema als bijvoorbeeld de
evolutie en er is geen enkele redelijke grond voor de mening dat de filosoof
zich er buiten zou moeten houden. Dat is te zeggen: tenzij men materieel
onderzoek gaat doen, want dan begeeft men zich inderdaad op het terrein van de
wetenschapper. Hierbij doet zich echter al ras gevoelen dat de filosoof niet
werkelijk een specialist is. Hij is, als het goed met haar of hem is gesteld,
door en door een generalist die algemene uitspraken kan doen, maar die
geen details kan geven. Is zij of hij op enig gebied toch een specialist, dan
zouden daarop betrekking hebbende uitspraken nimmer als 'filosofie' aangediend
mogen worden. Toch is dat tegenwoordig helaas steeds meer de gewoonte geworden,
vooral onder wetenschappers van niet-exacte disciplines.
Naar
: Houvast-1 ; Houvast-2 ; Houvast-3 ; Houvast-4 ;
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
door Jan
Vis
Bladwijzers: Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3
; Opvoeding-4
; Opvoeding-5
; Opvoeding-6
; Opvoeding-7
; Sociaal Democratie ; Liberale Democratie-1
; Liberale
Democratie-2 ; Parlementaire
Democratie ;
AFLEVERING NR.
21-(08-06-98)
Het komt tegenwoordig veelvuldig voor dat filosofen proberen
een rol in de politiek te spelen. Zij denken dat het op basis van hun filosofie
mogelijk is beleid te maken, om zo de maatschappij in goede banen te leiden.
Zo was Sartre een filosoof die nagenoeg zijn gehele leven een betere wereld
verwachtte van het communisme. Helaas was die verwachting niet gericht op
verwerkelijking van de inhoud van het begrip communisme, maar op het alledaagse
politieke communisme, zoals dat tot voor kort in de Sowjet-Unie aan de macht
was.
Het is mijns inziens zonder meer duidelijk dat Sartre niet wist wat communisme
is! Had hij dit namelijk wel geweten, dan had hij begrepen dat er wat dit
betreft niets op planmatige wijze te verwerkelijken viel. Het begrip communisme
houdt namelijk in dat men zeker weet, psychisch voelt en redelijk laat gelden
dat wij mensen 'met zijn allen' zijn en dat dit onvoorwaardelijk
een feit is. Het is dus niet iets dat nog worden moet, maar iets dat
onmiddellijk geldt waar sprake is van de werkelijkheid als mens. Zou er iets
moeten gebeuren, dan zou het de bewustwording van dit feit moeten zijn, maar
dat is tenvolle een procesmatige zaak die zich niet dwingen laat, althans niet
waar het de maatschappij betreft.
Daarbij komt dat het begrip 'communisme' niet slaat op de maatschappij, de
mensheid, een groep of iets dergelijks, maar op de mens als individu. Je kunt
het zo verwoorden: "Ik weet, ik voel en ik laat redelijkerwijs gelden dat
wij met zijn allen zijn". En nu is het wellicht mogelijk dat die of gene
zichzelf zover brengt dat zij of hij met die uitspraak samen valt, maar dan heb
je het nog lang niet over de maatschappij of de mensheid. Eer die zover zijn is
de inhoud van het begrip communisme voor de in zo'n maatschappij levende
individuen een onbetwijfelbare zekerheid geworden, uiteraard niet als gevolg
van opvoeding en
onderwijs, maar als gevolg van verheldering van de werkelijkheid als menselijke
voorstelling.
Ook moet opgemerkt worden dat het nu niet bepaald pleit voor een filosoof als
zij of hij zich aansluit bij een bestaand maatschappelijk en politiek streven.
Juist voor de filosoof is dat kwalijk omdat een van de eerste lessen, die men
van het filosoferen leert, deze is dat de filosofie eist dat men vrij blijft
van alles wat tijdelijk en plaatselijk bepaald is. Wat het politieke communisme
betreft is die bepaaldheid heel erg opvallend. Men moet wel een bord voor de
kop hebben om dat niet op te merken en er hinder van te hebben. Sartre was
natuurlijk niet zo bot dat hij er niets van merkte. Dat verklaart waarom hij
almaar probeerde de zaak van het communisme goed te praten, hetgeen echter nňg
meer in het nadeel van deze filosoof pleit!
Als de filosoof zich bij een politiek maatschappelijk machtsstreven aansluit
verkwanselt hij zijn filosofische beweeglijkheid, vrijheid en
onafhankelijkheid. Maar bovendien geeft hij er blijk van de functie van de
filosofie niet te kennen. De functie van de filosofie is niet het tot stand
brengen of bevorderen van iets, maar het vertellen van een verhaal.
Het verhaal namelijk van de werkelijkheid. En daarbij is er een onverschillige
verhouding tussen de filosoof en zijn verhaal, althans in die zin dat de
kwaliteit van zijn verhaal zijn volledige bekommernis is, maar dat het hem
volslagen koud laat wat de mensen met zijn verhaal doen.
Let wel: het gaat over het vertellen van een verhaal! Het behoort er wel
degelijk bij dat de filosoof de zaak naar buiten brengt. Meer dan dat is echter
zijn taak niet. Volgens sommigen is het simpele vertellen van een verhaal wat
al te vrijblijvend. Die hebben evenwel niet in de gaten dat het doorlichten van
de werkelijkheid en het verhalen over de daaruit voortkomende conclusies een
wezenlijk levensgevaarlijke bezigheid is. Je vertelt immers voortdurend dingen
die in botsing komen met de algemeen geldende voorstellingen. Die
voorstellingen zijn namelijk tenvolle vastgelegd, bepaald aan de persoon en
zijn cultuur. Dat staat in tegenstelling tot het in alle opzichten beweeglijke
verhaal van de filosoof. Aan dat verhaal stort elk dogma, elk belang, elke
doelstelling, elke tijdelijkheid en plaatselijkheid in. Het betekent de
ondergang van het leven als vastgelegd en gereglementeerd bestaan en dat wordt
heel terecht als een gevaar ervaren.
Dat geldt des temeer in alsnog ňnvolwassen wereld, want dan worden genoemde
voorstellingen ook nog eens als de onbetwijfelbare waarheid gewaardeerd, een
waarheid dus die niet aangetast mag worden, een waarheid die in feite
functioneert als een waan. Het pogen zo'n waan te doorbreken is op zichzelf al
dodelijk gevaarlijk!
In een moderne liberale democratie heeft dat dodelijke
gevaar een verborgen karakter. Het is net of het er niet is: men zal je niet
gauw lastig vallen en behalve het verlies van een groot aantal vrienden
overkomt je niet veel kwaads. Maar juist het voortdurende 'geen gehoor vinden',
niet in de zin van bijval of waardering, maar in de zin van 'in de leegte
praten', kan tot een kwelling uitgroeien. En dat ondanks het feit dat de
filosoof, als het goed is, heel goed weet waarom de realiteit is zoals die
is...
In de psychologie kent men het begrip 'sublimatie'. Dat heeft betrekking op het
op een hoger plan brengen van instincten, hartstochten en driften die beschouwd
worden als van een lagere orde. Dat slaat vooral op het sexuele leven van de
mens. De gedachte is dan deze dat de sexuele aandriften door de mens omgezet
zouden moeten worden tot geestelijke activiteiten.
Dat nu is een onmiskenbaar geval van opwaardering. De mens heeft dus kennelijk
zijn natuurlijkheid op te waarderen tot iets geestelijks. Je hoort dan ook
beweren dat de mens zich moet ontwikkelen van 'natuur' tot 'cultuur'. Zonder
een dergelijke ontwikkeling zou er van de mens niets terecht komen. Het
irrationele en driftmatige zou anders dominant blijven en daardoor voor de mens
alle mogelijkheden afsluiten om ooit tot een goede en rechtvaardige wereld te
komen.
In alle godsdiensten wordt geprobeerd de mens ertoe te brengen zichzelf op te
waarderen. Maar het christendom spant wat dit betreft de kroon. Voortdurend is
men daarmee bezig: de mensen zouden zich moeten 'bekeren' en de gedachte dat
hun 'zonden' en 'schulden' ongedaan zullen worden gemaakt speelt een cruciale
rol.
Ook echter in het denken in het algemeen projecteert men de mens tegen iets
hogers. De filosofen bijvoorbeeld breken zich nog steeds het hoofd over de
vraag hoe je de mens zou kunnen verbeteren. Er zijn er zelfs die een oplossing
zien in genetische manipulatie. Men zou met behulp van die techniek betere
hersenen kunnen maken en dat zou de mens in staat stellen zich als een
'geestelijk wezen' waar te maken!
De mens die zich verbeeldt altijd het goede met zichzelf, zijn medemens en de
wereld voor te hebben is de mens met principes en normen en waarden. Het is de
mens die zichzelf 'beschaafd' vindt en die er rotsvast van overtuigd is dat hij
'het dierlijke', de 'hartstocht', de 'begeerte', het 'instinct' en de 'drift'
overwonnen heeft. Hij vindt zelfbeheersing het hoogste goed, hij vindt dat hij
'redelijk' moet zijn, geen vooroordelen mag hebben en zo nog een heleboel
fraaiigheden meer...
Tegelijk met het naar boven projecteren van de dingen beoordeelt
de hoog-laag denkende mens alles van bovenaf. Hij vindt dat alles in het licht
van het goddelijke bekeken moet worden, of, als hij niet in god gelooft, in het
licht van de rede, de wetenschap, het recht en wat al niet.
Steeds is een rationele abstractie de maat der dingen en, ten gevolge daarvan,
is de concrete praktijk onveranderlijk beneden de maat! In feite gaat het de
hoog-laag denkende mens nooit om de realiteit. Slechts datgene dat te bestreven
is mag gelden. En het merkwaardigste daarbij is wel dat die onwerkelijke mens
van zichzelf vindt dat hij een realist in optima forma is!
Uitermate praktisch is hij! Hij staat met beide benen stevig op de grond! Hij
laat zich geen knollen voor citroenen verkopen! Hij laat zich beslist niets
wijsmaken en geloven is er voor hem niet bij, hij wil zeker weten!
Maar intussen verbeeldt hij zich maar dat hij zo voortreffelijk is: de betekenis
van zijn leven hangt ergens onbereikbaar hoog in de lucht...
Bladwijzers: Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3
; Opvoeding-4
; Opvoeding-5
; Opvoeding-6
; Opvoeding-7
; Sociaal Democratie ; Liberale Democratie-1
; Liberale
Democratie-2 ; Parlementaire
Democratie ; Onafhankelijkheid: Zie nrs. 14 ; 21
; 25 ; 35 ; 45 ; 67 ;
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
door Jan
Vis
Zie bladwijzers: Sociaal Democratie ; Liberale Democratie-1 ; Liberale Democratie-2 ; Parlementaire Democratie ;
AFLEVERING NR.
22-(06-07-98)
Een belangrijk kenmerk van een liberale
democratie is dat, althans in theorie, de burgers tolerant zijn,
evenals de overheid trouwens. Hoewel ieder zinnig mens dit zonder meer zal
onderschrijven zit er toch iets in dat niet in de haak is. Het begrip
tolerantie weerspreekt namelijk zichzelf als je het van toepassing acht op een
maatschappij die, binnen het kader van een alsnog onvolwassen mensheid, de
moeite van het bestreven waard zou zijn, een liberale
democratie dus. Zo'n maatschappij is, hoezeer inderdaad acceptabel,
toch nog steeds een min of meer redelijk verband van ňnvolwassen mensen en dat
houdt voor het begrip tolerantie in dat het niet meer betekenen kan dan een
flexibel hanteren van de kriteria die voor het begrip grens gelden.
Men zal dan niet zo gauw vinden dat iemand 'te ver' gaat, 'grenzen uit het oog
verliest', en men zal heel wat accepteren alvorens iets af te wijzen en te
veroordelen. Wat uiteraard daarbij niet opgeheven wordt is die grens. Er blijft
gelden dat men 'ergens' niet verder kan en mag gaan. Dat betekent welbeschouwd
dat er nog steeds een besef is van wat moreel wel en niet goedgekeurd kan
worden. Het laten gelden van dit besef is dan echter gemakkelijk, flexibel,
geworden.
Nu is het de vraag of je dit toe kunt juichen. Tolerant-zijn en gemoedelijkheid
keren zich namelijk in een alsnog ňnvolwassen mensheid onherroepelijk tegen
zichzčlf. Onvolwassen mensen kunnen per definitie geen gemoedelijkheid
verdragen. Zij gaan dadelijk misbruik maken van de betrekkelijke vrijheid, die
aan die gemoedelijkheid en tolerantie meekomt. Dat komt doordat zij er nog
steeds op uit zijn de wereld in bezit te nemen. Een niet scherp gestelde grens
wordt onafwendbaar beschouwd als een goede gelegenheid eigen territorium uit te
breiden.
Meestal neemt men daartoe geen besluit: het gebeurt vanzelf omdat het in de
cultuurvoorstellingen ligt. Daardoor is dat misbruik gewoonlijk zo
vanzelfsprekend dat het niet eens opvalt. Onvolwassen mensen kennen per
definitie nooit hun plaats en weten geen maat te houden, terwijl zij
tegelijkertijd aan plaats en maat gebonden zijn om samen met de medemensen te
kunnen bestaan. Waar het op neerkomt, is dat tolerantie in een onvolwassen
mensheid leidt tot het voortdurend aantasten van het bestaan en de integriteit
van diegene die zich tolerant en gemoedelijk opstelt. Vrijheid wordt tenslotte
onafwendbaar bandeloosheid.
Spreek je dan toch van een 'liberale democratie'
dan zul je rekening moeten houden met het feit dat de vrijheid wčl inhoudt dat
men het bestaan van de ander erkent, bevestigt en verdedigt, maar dat de
vrijheid ničt inhoudt dat men het gedrag van de mensen zonder meer vertrouwen
en accepteren kan.
Het gedrag van de mensen houdt op een probleem te zijn als de mens volwassen
geworden is. Dat komt doordat dan niet alleen herkend en erkend wordt dat de
ander een onvoorwaardelijk recht op bestaan heeft, zodat je kunt zeggen dat
'ieder individu er volledig is', maar dat daarenboven in de mensen het feit
zelfbewust is geworden dat hun bestaan altijd tegelijkertijd en noodzakelijk
het bestaan van ŕllen betekent. Dus, naast het 'als ik er ben ben jij er
vanzelfsprekend ook' is daar eveneens en tegelijkertijd het 'wij zijn met zijn
allen'. Het eerste en het tweede, in feite socialisme en communisme, zijn dan
een eenheid geworden. Onder die volwassen omstandigheden is het gedrag van de
mens niet langer 'grensoverschrijdend' omdat het bestaan van de ander beleefd
wordt als 'op andere wijze het eigen bestaan', hetgeen onder andere inhoudt dat
er geen grenzen meer zijn die overschreden kunnen worden. Het bestaan van de
een is dan bij de ander veilig en dat geldt dan wederzijds.
Onder die volwassen omstandigheden vervalt ook het begrip 'tolerantie'. Als er
van geen grenzen meer gesproken kan worden, kan er ook niet langer van
tolerantie sprake zijn. De begrippen grens en tolerantie behoren immers bij
elkaar!
Zoals gezegd, de ňnvolwassen mens moet voortdurend op zijn grenzen gewezen
worden. Hij is er almaar op uit, gewild of ongewild, zijn eigen grenzen en
vooral die van de ander te overschrijden. Tolerantie ten aanzien van de
aanwezigheid van de ander is in een liberale democratie
gaandeweg te verwezenlijken en is zelfs een reële opgave die de moderne mens
zichzelf stelt, maar vrijheid wat betreft gedrag laat nog lange tijd op zich
wachten, omdat dit wčrkelijke, zčlfbewuste volwassenheid vooronderstelt.
Uit een en ander is te concluderen dat de moderne toegeeflijkheid ten aanzien
van het gedrag van allerlei lieden niet overeenstemt met de verhoudingen in en
van de werkelijkheid. Uiteraard is het het recht, met daar achter zeer
nadrukkelijk de wijsgerige ethiek, die qua gedrag de grenzen moeten blijven
stellen, handhaven en verdedigen. Dus in het kort: de moderne, maar vooralsnog
onvolwassen, mensheid kan moreel en praktisch niet zonder de politie-agent en
de rechter. En de individuele mensen kunnen niet zonder een voortdurend scherp
stellen van hun privacy. Hier en daar zal zelfs geweld gebruikt moeten worden
om aantastingen van die privacy, waaronder het bestaansrecht en de integriteit
van de persoon, een halt toe te roepen.
Als het gaat over een 'Open Society', zoals die door Popper aanbevolen werd, is
het raadzaam te vermijden dat het denken daarover in een flauwe
karakterloosheid uitloopt, waarin alles goed en normaal gevonden wordt, louter
op grond van het feit dat het tot de zogenaamd culturele eigenaardigheden van
anderen behoort. Het zogenaamd goedmoedig 'bedekken met de mantel der liefde'
is in principe rampzalig, al klinkt het geweldig humaan.
Het kan bijvoorbeeld gaan over het mismaken van jonge meisjes om bepaalde
morbide gevoelens van agressieve, fanatieke mannen te bevredigen. Besnijdenis
dus. En dan kun je tegenwoordig opmerken dat men, uit overwegingen van
karakterloze 'tolerantie', een dergelijke misdaad goedpraat met het argument
dat die besnijdenis tot de 'cultuur' van sommige volkeren behoren zou.
Filosofisch kun je dan alleen maar reageren door te stellen dat zo'n verhaal
wel aardig kan klinken, maar dat het tňch een misdaad is om de integriteit van
het menselijk lichaam van iemand anders aan te tasten, cultuur of geen cultuur,
begrip of geen begrip. Trouwens, wat is 'cultuur' anders dan een conglomeraat
van waandenkbeelden, frustraties en tirannie? Zelfs de 'edele' uitingen van een
cultuur zijn nooit zonder een achtergrond van waanideeën en andere malligheden.
Juist in een 'Open Society' zal men heel streng zijn universele waarheden
moeten bewaken. Dat zijn waarheden die onder alle omstandigheden, ongeacht welk
plaatselijk en tijdelijk bepaald verhaal dan ook, houdbaar zijn gebleken.
Terwille van de helderheid van een 'open' samenleving moet elk compromis
veroordeeld en vermeden worden. Een bepaald inzicht is 'waar' of het is dat
niet. Een beetje waar, een betrekkelijke waarheid, is iets onmogelijks. Maar,
toegegeven moet worden: zo'n betrekkelijke waarheid klinkt bijzonder tolerant,
begripsvol en zelfs wel wetenschappelijk. Echt iets om vrienden mee te maken!
Zie bladwijzers: Sociaal Democratie
; Liberale
Democratie-1 ; Liberale Democratie-2 ; Parlementaire
Democratie ;
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
Zie
bladwijzers: Waanvoorstellingen- zie afl. 17 ; 23 ; 36 ; 37 ; 46 ; 52 ; 60 ; 63 ; 64
Islam-1 ; Islam-2 ; Islam-3 ; Islam-4 ; Islam-5 ; Islam-6 ; Islam-7 ; Islam-8 ; Islam-9 ; Islam-10 ; Islam-11
Verhullend taalgebruik-1 ; Verhullend taalgebruik-2
; Beleving-1 ; Beleving-2 ; Beleving-3 ;
Naar
andere artikelen: Vrijheid
van godsdienst ; *Over de ISLAM, de vrije MENINGSUITING en het BELEDIGEN
– aug. 2010 ;
door Jan
Vis
AFLEVERING NR.
23-(31-08-98)
In traditionele religieuze culturen zoals bijvoorbeeld het Boeddhisme,
het Jodendom en de Islam
probeert men de ontwikkeling van de mens te bevorderen door herhaaldelijk lezen
en reciteren van de 'heilige schriften'. Men beschouwt dit als onderwijs en het
zou de enige zekere methode zijn om tot wijsheid en hogere kennis te komen.
Het is voor de leerlingen een
langdurig en zwaar proces dat erg veel van hen vergt. Tenslotte levert het een
heel verfijnde intellectuele ontwikkeling op. Dat geldt als de meest sublieme
vorm van wijsheid. Vooral is daarbij van belang dat het een onpersoonlijke zaak
is geworden. Het individu en het individuele tellen niet langer mee, zijn als
het ware uitgedoofd.
Helaas moet je vaststellen dat het allemaal onzin is.
Het is in alle opzichten vergeefse moeite: het leidt slechts tot kennis van de
geschriften. Zo'n geleerde is misschien binnen het kader van zijn godsdienstige
voorstellingen een wijze geworden, maar qua werkelijke wijsheid en helderheid
van inzicht is er niets aan de hand. Dat kŕn ook niet want die kunnen zich niet
realiseren aan de hand van allerlei onjuiste geloofsvoorstellingen, al zijn die
nog zo verfijnd en geraffineerd uitgedacht en al steekt er nog zo'n oude
cultuur achter.
Niet alleen echter is het een kwalijke zaak dat die voorstellingen onjuist
zijn. Nog veel erger is het dat die voorstellingen onaantastbaar
zijn. Zij mogen qua inhoud niet nader onderzocht worden en zelfs het nadenken
daarover en het doordenken daarop wordt beschouwd als een ernstige ketterij.
Het goddelijke is immers absoluut en dus ontoegankelijk voor denken en
onderzoek, zo meent men.
En uiteraard speelt op de achtergrond mee dat er niets van het zogenaamd
goddelijke overblijft als men er over gaat nadenken. Een reden temeer om
nadenken en onderzoek te verhinderen.
Het spreekt bovendien vanzelf dat het vastgelegde, dogmatische en niet
realistische karakter van dergelijke voorstellingen alleen al als zodanig een
ernstig beletsel vormt voor helder inzicht en dus voor een ontwikkeling tot
volwassenheid. Wat vastgelegd is, is per definitie duister en ondoorzichtig.
De zin van modern zakelijk onderwijs is hierin gelegen dat het het
zelfbewustzijn van de individuen verheldert. Hoezeer het ook een feit is dat
het moderne, op eenzijdig analytische, reductionistische westerse tradities
gestoelde, onderwijs de voor de mens geldende werkelijkheid als bewustzijn, en
dus ook de psychische belevingswereld, vervormt en
verdrukt, toch is het onderwijs de enige weg waarlangs de mens tot bevrijding
van waanvoorstellingen
komt. Het moderne onderwijs richt zich immers op de inhoud van de voor de mens
geldende werkelijkheid als voorstelling en dat lukt alleen maar via de
wetenschappen, want daaraan moet het onderwijs zijn materiaal ontlenen.
Dus: in feite stelt het onderwijs de scholieren in kennis van al datgene dat de
wetenschappen boven water gehaald hebben. Dat zijn allemaal zaken die zo goed
mogelijk onderzocht zijn, maar die tegelijkertijd blijvend openstaan voor nader
onderzoek, hetgeen op termijn een solide garantie is voor betrouwbaarheid.
Langs deze weg worden foute voorstellingen, vooroordelen en wanen langzamerhand
opgelost.
Daarmee worden de scholieren vertrouwd gemaakt. Op zichzelf leidt dat niet tot
betere of intelligentere mensen, maar wel tot meer realistische. Dat legt
langzaam maar zeker op indirecte wijze de noodzakelijke praktische basis voor
realisme.
Zonder realisme is er geen zinvol inzicht in de werkelijkheid, zoals dat immers
ontstaat aan de hand van het zich aan de voorstelling afspiegelen van de
'werkelijkheid als beeld'. Daartoe moet die voorstelling ontdaan zijn van alle
misleidende en verhullende onzin. Het
zich verdiepen van het inzicht is een essentieel aspect van de weg naar
volwassenheid.
Het onderwijs legt in de mensen de materiële basis voor
volwassenheid, evenwel zonder aan de ontwikkeling tot volwassenheid op zichzčlf
iets bij te dragen: de werkelijkheid als bewustzijn is nu eenmaal niet
ontvankelijk voor leerprocessen. Maar, zonder een zo betrouwbaar en gedegen
mogelijke materiële basis kan er helemaal geen effectieve groei naar
volwassenheid zijn. De functie van die basis is deze dat hij de belemmeringen
voor een helder inzicht wegneemt. Een duistere, onwerkelijke en occulte basis
sluit de mogelijkheid om tot inzicht te komen volstrekt af, dit in strijd met
wat allerlei moderne 'spirituele' theorieën ons willen doen geloven.
Aan die groei tot volwassenheid valt dus op zichzelf niets te
bevorderen. Dat komt doordat volwassenheid een kwestie van bewustzijn is en dat
hangt samen met het zich afspiegelen van de werkelijkheid als beeld. Dat
bewustzijn, dat aan de hand van dat afspiegelen effectief wordt, laat zich op
geen enkele manier beďnvloeden, veranderen, stimuleren en zo meer. Het is een
volstrekt onaantastbare zaak.
Wat dus wčl voor verbetering, of liever 'verheldering', vatbaar is, is de
voorstelling waaraan dat afspiegelen zich voltrekt. Hoe reëler die
voorstelling, hoe zuiverder het inzicht dat door die afspiegeling verkregen kan
worden.
Langs deze weg, namelijk het via het onderwijs en de communicatie informeren
van de mensen, wordt de materiële basis voor volwassenheid gelegd. Het gaat
daarbij per se niet om de hoeveelheid informatie die men opdoet en dus ook niet
om de hoeveelheid kennis die iemand ter beschikking heeft, maar het gaat
uitdrukkelijk om de kwaliteit en dus de betrouwbaarheid van kennis en
informatie.
Hoe veel of hoe weinig men weet is niet van belang, wel echter de vraag of dat
wat men weet reëel is. Met nadruk moet dan ook gesteld worden dat het niet gaat
om het onderwijs in kwantitatieve zin (er bij de leerlingen zoveel mogelijk kennis inpompen), zoals dat in de
moderne westerse cultuur gebruikelijk is geworden, maar dat het gaat om de
betrouwbaarheid van het onderwijs. Dat is afhankelijk van het
realiteitsgehalte.
Mensen kunnen niet buiten kennis en wetenschap. Toch leidt de ontwikkeling van
beide op zichzelf tot een waanvoorstelling
wat betreft de werkelijkheid. Naarmate echter deze waanvoorstelling inhoudelijk juister wordt
en de cultuurontwikkeling het moment nadert dat de mens volwassen zal zijn,
gaat het bewustzijn, en dus de werkelijkheid als beeld, zich steeds meer opdringen
totdat er tenslotte niet meer aan te ontkomen is. Wanneer dat eenmaal het geval
is wordt het beeld de maat voor de voorstelling.
Er is dan een voorstelling ontstaan die in hoge mate juist en uiterst
gedetailleerd is maar die zijn waarheid ontleent aan de
werkelijkheid als beeld. Je kunt nu stellen dat de voorstelling verlost is van
zijn waan en dat hij nu betekenis heeft gekregen. Alles is nu om zo te zeggen
op zijn plaats komen te liggen.
Meer dan dat is niet mogelijk...
Zie bladwijzers: Waanvoorstellingen- zie afl. 17 ; 23 ; 36 ; 37 ; 46 ; 52 ; 60 ; 63 ; 64
Islam-1 ; Islam-2 ; Islam-3 ; Islam-4
; Islam-5 ; Islam-6 ; Islam-7 ; Islam-8 ; Islam-9
; Islam-10 ; Islam-11 ; Verhullend
taalgebruik-1 ; Verhullend taalgebruik-2 ; Beleving-1
; Beleving-2 ; Beleving-3 ;
Naar
andere artikelen: Vrijheid
van godsdienst ; *Over de ISLAM, de vrije MENINGSUITING en het BELEDIGEN
– aug. 2010 ;
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
door Jan
Vis
AFLEVERING NR.
24-(28-09-98)
Een belangrijk bezwaar tegen de moderne kunst is hierin
gelegen dat die kunst niet meer voor zichzelf spreekt. Bij elk modern kunstwerk
moet een toelichting gegeven worden, anders is niet duidelijk wat de kunstenaar
heeft willen zeggen. En als dat niet duidelijk is zullen de mensen er niet of
nauwelijks op reageren. Volgens een aantal kunstenaars is het anderzijds zo dat
de 'genieter' er zelf maar wat van moet maken, geheel naar eigen goeddunken. De
kunst zou volgens hen 'vrijblijvend' moeten zijn. Een ieder moet er het zijne
aan kunnen beleven.
Eigenlijk is dat een loos advies omdat vrijblijvendheid voor alles geldt
waarmee iemand geconfronteerd wordt. Iedereen maakt zelf wat van zijn
ervaringen. De kunstenaar die zo'n advies geeft is dus meteen al te rekenen tot
de zwamneuzen! Overigens blijkt het ook bij die 'vrijblijvende' kunstwerken
noodzakelijk de 'genieter' ervan op de hoogte te stellen dŕt het gaat om diens
eigen interpretatie. Hij mocht anders eens gaan denken dat het 'kunstwerk' voor
zichzelf spreekt om vervolgens tot de conclusie te komen dat hij met een draak
van een ding van doen heeft!
Bijna steeds echter wordt er een zo diepzinnig mogelijk verhaal ter verklaring
van het kunstwerk gegeven, als een soort van 'bijsluiter'. Vaak gaat het
daarbij om een verhaal over de bedoeling van het kunstwerk, maar ook komt het
veelvuldig voor dat de kunstenaar uitlegt wat hij aan het doen is geweest en
hoe moeilijk dat wel was...
Verhandelingen over de technische moeilijkheden bij het vervaardigen van
kunstwerken ontbreken bijna nooit. Doorgaans is dat ook wel nodig om de onkunde
van de kunstenaar voor kunde door te laten gaan en de 'genieter' ervan
te overtuigen dat de hem aangeboden rommel inderdaad kunst is.
De wereld van de kunstenaars is een wereld van 'Spielerei' geworden. Dat wil
zeggen dat het een 'doen alsof' is. Men doet alsof men kunstenaar
is en vervolgens doet men alsof de geproduceerde bedenksels unieke kunstwerken
zijn. Het bedrieglijke daarbij is dat men er zčlf doorgaans nog heilig in
gelooft ook! Men heeft immers alle ingrediënten ter beschikking die bij het
kunstenaarschap behoren. Men weet, dank zij allerlei psychologische kennis en
andere wetenschappelijke informatie, precies wat zich in de kunstenaar af
behoort te spelen. Met behulp van die kennis meet men zichzelf een bepaald
gedrag aan en dat gaat zň automatisch dat het, ook op de zogenaamde kunstenaar
zelf, de indruk maakt echt te zijn.
Zo zie je bijvoorbeeld musici met een bewonderenswaardige ijver en groot
vakmanschap hun tijd verdoen met de grootst mogelijke artistieke onzin die,
juist omdat het onzin is, nauwelijks vertolkt kan worden.
Het gaat in de kunst om het uitdrukking geven aan en het laten ervaren van de
werkelijkheid als beeld. Dat 'beeld' is iets dat zich afspiegelt aan onze
voorstelling. Op geen enkele andere wijze dan als afspiegeling is het de
kunstenaar mogelijk dat 'beeld' te herkennen, gestalte te geven en het
bovendien ook nog zň te regelen dat anderen die zaak kunnen meebeleven en ervan
'genieten'. Dit 'genieten' blijkt, als je er dieper over nadenkt, een psychisch
mččtrillen te zijn: de 'genieter' gaat letterlijk meetrillen met het trillende
beeld van de werkelijkheid, dat door de kunstenaar op de een of andere manier
ervaarbaar gemaakt is.
De aanwezigheid van een voorstelling, zoals een ieder die van haar of zijn
wereld heeft, is absoluut noodzakelijk. Hij is in feite het onmisbare
'voertuig' van dat beeld, hij is de materiële basis waaraan het beeld zich
beleven laat. Het is nooit van tevoren te zeggen hoe dat 'voertuig' er uit zal
zien in het geval van de beeldende kunsten, of klinken in de muziek, bewegen in
de dans, als gebeuren in de epische kunst of typeren in de poëzie. Zeker is
echter wel dŕt het een herkenbaar voertuig is. En die herkenbaarheid moet zo
universeel mogelijk zijn.
Het herkenbare van de werkelijkheid als voorstelling heeft betrekking op de
afbeelding (beeldende kunst), de gebeurtenis (romankunst), de beweging (dans),
de trilling (muziek), de typering (gedicht) en nog enkele combinaties en
tussenvormen hiervan. Daarbij gaat het, wat het universele betreft,
achtereenvolgens om de essenties: vorm, verhaal, uitdrukking en
tenslotte klank. Deze essenties zijn 'essenties vŕn iets'. Zij kunnen, binnen het
raam van de kunst, nimmer op zichzelf gesteld worden. Datgene waarvan het
essenties zijn moet aanwezig zijn, want anders heft dit begrip zichzelf op. Zo
zie je bijvoorbeeld in de oude Chinese kalligrafische tekenkunst (niet bedoeld
is de kalligrafie op zichzelf!) dat er iets bepaalds afgebeeld wordt,
bijvoorbeeld de dichter Li Tai Po. Maar die afbeelding is vrijwel volledig tot
zijn essentie teruggebracht. Dat is de vorm. Vooral in de Chinese tekenkunst is
dit goed waar te nemen en je ziet ook dat die vorm ontstaat door de getekende
lijn.
Essenties zijn wat anders dan onderdelen of elementen. Essenties zijn niet door
ontleden te voorschijn te brengen, sterker nog: door het ontleden heffen zij
zichzelf geheel en al op. Ze zijn dan spoorloos verdwenen, hetgeen in de
moderne kunst zonder moeite vast te stellen is. In die kunst is de voorstelling
geanalyseerd, ontleed en tot zijn elementaire onderdelen teruggebracht.
Overigens precies zoals dat in de moderne wetenschappen gedaan wordt. De
moderne kunstenaar doet van allerlei met die elementen en beweert vervolgens
dat je met kunst te doen hebt. De zaak wordt daartoe rijkelijk voorzien van
commentaar en uitleg, meestal met een wetenschappelijk tintje om de zaak
enigszins aannemelijk te maken. Zonder zo'n uitleg zou er trouwens niets van
overblijven.
Het feit dat een dergelijk 'kunstwerk' eventueel toch iets in de genieter
teweeg kan brengen zegt absoluut niets: ŕlle andere dingen, die wij geen
kunstwerken noemen, kunnen dat ook!
Je spreekt van 'essenties' als je te doen hebt met een tot een enkelvoudig
gegeven teruggebrachte werkelijkheid. In die 'essentie' is feitelijk de gehele
zaak gecomprimeerd aanwezig. Zo is in de vorm de essentie gegeven van een
afbeelding van de voorstelling. En in de klank van muziek de essentie van de
trilling van de werkelijkheid. Dan behoren ook nog bij elkaar: in de romankunst
de begrippen verhaal en gebeurtenis en in de dans uitdrukking (expressie) en
beweging. Aan deze essenties, en uitsluitend daaraan, tovert ons bewustzijn ons
de werkelijkheid als beeld voor.
Om dat 'beeld' is het in de kunsten te doen, en trouwens ook in de filosofie.
De filosofie geeft (zou moeten geven) een zo consistent mogelijke logische
beschrijving van dat beeld.
Het zou in orde zijn met de moderne kunst als zij zo helder en zo zuiver
mogelijk gestalte zou geven aan de genoemde essenties. Het lijkt alsof zij dit
ook doet, maar in werkelijkheid geeft zij elementen en onderdelen, brokstukken,
in plaats van essenties. Men verwart de tot een eenvoudig teken gecomprimeerde
voorstelling met een ňnderdeel van een voorstelling. Typisch westers denkt men
de essentie te vinden door de zaak uit elkaar te halen, te ontleden! Men vindt
dan echter niets. En omdat dit het geval is moet men het doen voorkomen alsof de
keizer wel degelijk kleren aan heeft...
Het gaat in de kunst om de wereld 'achter' de dingen, zo zou je het gemakshalve
kunnen formuleren. Dat is een uitspraak die door de kunstenaars al tot in den
treure herhaald is, maar waarvan de strekking maar zelden echt wordt begrepen.
Letterlijk is er natuurlijk geen werkelijkheid achter de dingen, maar het is
wel zo dat de dingen niet alleen qua voorstelling voor ons verschijnen, maar
ook en tegelijkertijd als bewustzijn in ons aanwezig zijn. Het zich aan de
voorstelling 'afspiegelen' van dat bewustzijn is de werkelijkheid als beeld en
dat is wat men beseft als 'de wereld achter de dingen'. Om die wereld gaat het
in de kunst en ook in de filosofie.
In het dagelijkse leven van de mensen gaat het daar niet om, het gaat dan om
het 'nu'. Maar om dat 'nu' te kunnen plaatsen, een ondergrond en een zin te
kunnen geven is daar wel de wereld achter de dingen bij nodig. Omdat dat
'beeld' op de een of andere manier zingevend is, kan dat van de kunst ook
gezegd worden. De vraag daarbij is echter wel hoe je het begrip 'zin'
interpreteert. Heeft het de betekenis van een doel, of een les, of om
saamhorigheid tussen mensen aan te wakkeren en de moraal te dienen... in al
deze en dergelijke gevallen heeft de zaak niets met het begrip 'zin' te maken
zoals ik dat nu bedoel.
Het begrip 'zin' verwijst alleen maar naar het feit dat de in de voorstelling
los van elkaar staande dingen in het geheel van het beeld tot samenhang komen
en tot een harmonieus geheel gevormd worden. Meer dan een harmonieus geheel kan
voor de mens de werkelijkheid niet zijn. Als zodanig is het al of niet op
kunstzinnige wijze beleven van de werkelijkheid als beeld een 'zingevende
belevenis' te noemen. En als zodanig is dus het genieten van kunst zinvol!
Het voor zichzelf spreken van de kunst komt voort uit de omstandigheid dat
alles draait om de werkelijkheid als beeld. Dat is een werkelijkheid die, zoals
al eerder gezegd, berust op het bewustzijn, per se niet het zelfbewustzijn, dat
in ieder mens aanwezig is. Het is in ieder mens, altijd en overal dezelfde
werkelijkheid. Een verwijzing naar die innerlijke werkelijkheid, naar die
waarheid, is in principe voor een ieder, onafhankelijk van taal en cultuur
verstaanbaar. Het is een universele zaak! Omdat het 'voertuig' daarvan evenwel
de individuele voorstelling van ieders eigen wereld is kan het gebeuren dat
deze, in een ňnvolwassen mensheid heel vaak gebrekkig en bekrompen zijnde, een
hinderpaal vormt voor het genieten van kunst. Men kan de zaak dan niet
herkennen.
Het ligt echter in de logica dat met het zich verbeteren van de ontwikkeling
van de betreffende mensen ook het herkennen gemakkelijker wordt, althans in
universele zin. Plaatselijk en tijdelijk speelt de bedoelde hinderpaal
nauwelijks een rol van betekenis. De aardige paradox doet zich hier nu voor dat
ontwikkeling, die immers betrekking heeft op de voorstelling en dus op iets dat
voor de kunst op zichzelf niet essentieel is, toch het herkennen en genieten
van kunst bevordert.
Het gaat hier evenwel niet over de een of andere 'kunstzinnige vorming', die
bijna altijd averechts werkt, maar gewoon over alledaagse ontwikkeling zoals
men die onder andere op school opdoet.
Een geanalyseerde voorstelling is niet meer te herkennen in de gebruikelijke
zin, waarbij het gaat om een directe ervaring van een deel van de
werkelijkheid, zodat je onmiddellijk kunt zeggen 'wat het voorstelt'. Maar hij
valt als een geanalyseerde voorstelling toch nog steeds onder het begrip
'voorstelling'. Een geanalyseerde voorstelling is ook een voorstelling!
Voor de voorstelling geldt altijd dat hij op de een of andere manier
'verklaard' moet worden. Hij is nimmer voor zichzelf sprekend. Soms lijkt het
alsof dit wel het geval is, maar dan wijst nader onderzoek uit dat zo'n
zogenaamd voor zichzelf sprekende voorstelling eerder al eens 'verklaard' is en
nu tot kennis geworden is. Men kan zich die dan herinneren.
Omdat de voorstelling gegrond is op het zelfbewustzijn en omdat dit de
werkelijkheid als verschijnsel is die zich, aan het einde van wording en
evolutie, is gaan gedragen alsof het geen verschijnsel was, probeert de mens er
een heldere zaak van te maken: hij verlicht de zaak, hij verklaart en licht
toe. De tot voorstelling geworden ervaringen worden 'verlicht', 'verklaard', en
'toegelicht' en dat is een gang van zaken die onlosmakelijk met de
werkelijkheid als voorstelling verbonden is. Dat wil zeggen: aanvankelijke
voorstellingen kůnnen niet anders dan verklaard en toegelicht worden. Daarin
komt dus tot uiting dat de mens van nature en onontkoombaar zoekt ŕlles tot
kennis om te zetten.
De consequentie van het bij elkaar behoren van de voorstelling en zijn
verklaring is voor de kunst deze dat člke kunstuiting die niet het niveau van
het beeld bereikt en dus in feite niet boven de voorstelling uitkomt
automatisch niet zonder verklaring kŕn. Op de een of andere manier moet er een
toelichting bij. Ook een suggestieve titel is uiteraard een toelichting.
Een geanalyseerde voorstelling is nog steeds een voorstelling en dus is de
daarop gebaseerde kunst onvermijdelijk afhankelijk van een toelichting. Zonder
dat zou men vrijwel alle moderne kunstwerken niet eens als zodanig herkennen!
Dat vereist dus dat de moderne kunst op de een of andere manier toegelicht moet
worden. Enerzijds verraadt de noodzakelijkheid van een toelichting dat je met
een kunstzinnig (want dat is het doorgaans wčl!) doen alsof, een artistieke
spielerei te maken hebt en anderzijds kan kunstzinnige spielerei niet zonder
toelichting, juist omdat dat gedoe niet los komt van de voorstelling.
Met 'los komen van de voorstelling' wordt per se niet het verwerpen van de
voorstelling (zogenaamd abstracte kunst) of het in onderdelen opsplitsen ervan
bedoeld, zoals de moderne kunstenaars je maar al te graag willen doen geloven.
Bedoeld wordt daarentegen het comprimeren van de voorstelling in een eenvoudig
teken, zodat de essentie tot uitdrukking komt. Het onderscheid echter tussen
een geanalyseerde voorstelling en een tot teken gecomprimeerde voorstelling is
voor een modern denkende westerse mens niet of nauwelijks te vatten.
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
door Jan
Vis
AFLEVERING NR.
25-(26-10-98)
De
filosoof Hegel (1770-1831) heeft destijds opgemerkt dat het denken volgens een
dialectisch proces verloopt. Hij meende dat het, geheel eigenmachtig en
feitelijk buiten onze intellectuele wil om, voor zichzelf nagaat welke
tegenstelling logischerwijze meekomt aan een gegeven stelling. Beide, stelling
en tegenstelling, these en antithese, zouden daarna versmelten tot een synthese
en daarmee met elkaar in harmonie geraken.
Hegel bemerkte dat het denken 'van nature' aldus verloopt, maar zijn
volgelingen dachten dat hij het over een welbewust toe te passen methode had,
een wetenschappelijke methode met vaste procedures en uiteraard met
voorspelbare uitkomsten. Dat denken volgens de zogenaamde dialectische methode,
zoals bijvoorbeeld Marx en zijn socialistische epigonen dachten te kunnen
beoefenen, is evenwel volslagen onmogelijk! Misschien is het af en toe mogelijk
een behoorlijke these te formuleren, maar men gaat onvermijdelijk de mist in
als men daar een antithese tegenover wil gaan stellen.
De verklaring hiervoor is zo eenvoudig dat hij gewoonlijk over het hoofd gezien
wordt: tegenover een bepaalde these heeft al het overig denkbare de status van
antithese. Dat kan dus van ŕlles zijn, want alles buiten de these valt onder de
rubriek antithese. Eenvoudigweg omdat voor de antithese geldt dat hij de
ontkenning van de these is. Niet-de-these omvat natuurlijk alles behalve de
these! Je kunt dus alles ten tonele voeren wat je met het oog op de gewenste
resultaten invalt. Dat is dan ook precies wat Marx en zijn socialistische
volgelingen, benevens een aantal filosofische navolgers van Hegel, gedaan
hebben. Zij begrepen niet dat Hegel destijds met zijn ' Dialectiek ' geen
methode voor het denken aanbeval, maar slechts een beschrijving gaf van de
werkzaamheid van het denken.
Het denken flitst in de mens heen en weer, is wezenlijk onvoorspelbaar en leent
zich nimmer voor reglementering. Pas achteraf blijkt welke antithese de these
opgevolgd heeft en hoe die twee zich in een synthese met elkaar verzoend
hebben. Omdat het proces zo in het denken verloopt voltrekt ook de geschiedenis
zich op die manier. Achteraf is er eventueel een logica, althans een plausibele
voortgang in aan te wijzen, maar actie en reactie zijn en blijven
ontoegankelijk voor elke methodiek. Dat betekent onder meer dat ook de
Marxistische theorieën geen enkele voorspellende waarde hebben, hetgeen telkens
weer gebleken is.
In tegenstelling tot de andere levende wezens maakt de mensheid gedurende haar
bestaan op aarde een ontwikkeling door. Zij groeit langzaam maar zeker naar
volwassenheid, dat wil zeggen naar de mens die de waan achter zich gelaten
heeft en nu in overeenstemming met de werkelijkheid leeft. De mens dus voor wie
het aloude "Ken Uzelve" een feit geworden is. Tijdens die groei naar
volwassenheid is het optreden van het kapitalisme een onvermijdelijke fase. Als
zodanig ligt het bestaan ervan in de rede. Dat wil echter onder geen beding
zeggen dat het kapitalisme důs redelijk zou zijn. Op zichzelf is het dat
bepaald niet. De praktijk van het kapitalisme mag niet goedgepraat worden, het
is immers een onmiskenbaar feit dat het lange tijd een groot aantal mensen veel
ellende bezorgt. Zij worden op brutale wijze bestolen en ook de planeet zelf
knapt er niet van op.
Wat er desondanks zinvol aan is, is de grondslag ervan, namelijk dat het een
eerste manifestatie is van de mens die begonnen is zich als het werkelijk
zelfbewuste verschijnsel te ontwikkelen. Individualisme, want dat is het
streven van de mens om zichzelf te worden, is de goede en zinvolle achtergrond
van het kapitalisme. Met goed bedoel ik in dit verband dat het in
overeenstemming is met de ware verhoudingen en de essentiële processen in de
werkelijkheid. Dus is het ook in overeenstemming met datgene dat karakteristiek
voor de mens is.
De mens moet op den duur bij zichzelf terecht komen, hij moet 'individu'
worden. Alleen dan komt hij tot zijn recht als uiterste mogelijkheid van het
verschijnsel. Dat is dus het verschijnsel zoals dat als eindresultaat van de
wording voor de dag gekomen is.
Hoewel er vaak op gemopperd wordt is het de zogenaamde ondernemer die
rechtstreeks aan het proces van het zichzelf-worden, dus aan het
individualisme, meekomt. Hij is de mens die de voorhanden natuurlijke
werkelijkheid omzet tot een zaak van mensen. Als producent van de vele soorten
van levensbehoeften maakt hij van de planeet een mensenwereld. Deze ondernemer
staat tijdens de individualistische ontwikkeling onvermijdelijk in het teken
van het particuliere. Hij is de particuliere ondernemer en dat is in feite de
kapitalist. Deze kapitalist onderneemt al zijn activiteiten uitsluitend om er
persoonlijk beter van te worden. Uiteraard levert dat zo zonder meer een
volstrekt ňnrechtvaardige wereld op, die er weliswaar gaandeweg beter uit gaat
zien, maar die ondanks allerlei positieve sociale verbeteringen toch nimmer
echt rechtvaardig wordt. Een verbeterde verkeerde wereld is nog steeds een
verkeerde wereld..!
Pas als dat proces van de individualisering zijn einde nadert ontdekt die
particuliere ondernemer, die kapitalist, dat het zichzelf-zijn geen inhoud kan
hebben is zonder de volle en onvoorwaardelijke erkenning van de medemensen. Het
echte zichzelf-kennen houdt logischerwijs onmiddellijk het erkennen van de
ander in. Hoewel het individualisme aanvankelijk gepaard gaat met een
ondernemer die particulier ingesteld is en de zaak daardoor niet bepaald
menslievend genoemd kan worden, ligt het toch in de wezenlijke natuur der
dingen. Zo is dus ook te stellen dat het zinvolle van het kapitalisme ligt in
de ondergrond van bewustwording en realisering van de mens als individu.
Daaraan komt logischerwijs onmiddellijk mee dat via de ondernemer gaandeweg tal
van levensbehoeften ter beschikking komen. Uiteraard is dat positief te
waarderen. De mens kan nu eenmaal niet behoorlijk leven zonder beschikbare
levensbehoeften.
Bij het nadenken over de arbeid stuit je steeds op het opvallende feit dat
economen en managers, maar ook politici en vakbondsbestuurders, er nog altijd
niet bij stil staan dat het fout is om te rekenen in termen van arbeiders,
arbeidsuren en dergelijke. In de plaats daarvan moet het gaan over energie.
Als een werknemer zich verhuurt aan een werkgever, dan verkoopt hij of zij in
feite zijn of haar energie. Het is niet zonder grond dat men het soms over de
'arbeidskracht' van de werknemer heeft. Inderdaad gaat het om kracht, oftewel
energie. In een onderneming, en dat is vooral duidelijk zichtbaar in een
fabriek, heeft men energie nodig voor de productieprocessen. Die moeten in gang
gehouden worden en dat vergt niet alleen dat wat wij traditioneel 'energie'
noemen, bijvoorbeeld elektriciteit, stoom en menselijke arbeidskracht, maar ook
in niet geringe mate intellectuele energie. Maar die wordt gewoonlijk niet zo
genoemd.
Het is zelfs opvallend hoe slordig er met die intellectuele energie
omgesprongen wordt. Zelden wordt er op gewezen hoewel denkkracht en
inventiviteit er zelfs aan de eenvoudigste producten ten grondslag ligt. Men
heeft het wel over allerlei soorten van ontwikkelingskosten, maar die betreffen
uitsluitend kwantificeerbare economische investeringen.
Gevolg is een gigantische roofbouw op de werkers. Wordt bijvoorbeeld een
arbeider ontslagen omdat er voor hem een machine in de plaats komt, dan wil men
graag vergeten dat deze ruil als regel uitsluitend in het voordeel van de
ondernemer is. De lichamelijke energie was al overbodig gemaakt en nu is er ook
geen intellectuele energie meer nodig voor dezelfde werkzaamheden. Maar die
werker zit zonder inkomsten omdat zijn intellectuele energie nu eenmaal niet in
tel was. Het zou veel eerlijker zijn als de ondernemer het verschil tussen de
oorspronkelijk door de arbeider gebruikte lichamelijke en intellectuele energie
en die van de machine op de een of andere manier aan de werker, of althans aan
de samenleving, vergoedde. Deze heeft er een principieel recht op omdat ŕlle
productieprocessen in de grond van de zaak menselijke processen zijn.
Het is de totale menselijke energie waarop het omzettingsproces van de aarde
drijft. Alle productie is aanvankelijk dan ook een zaak van de menselijke
'geest' en de menselijke 'hand'. Energie die niet aan mensen vergoed wordt is
welbeschouwd gestolen energie. Maar, het kŕn in een onvolwassen wereld niet
anders! De particuliere ondernemer, de kapitalist, zoals die exponent is van de
nog maar net begonnen individualisering, weet nog niets beters te doen dan zijn
persoonlijke onafhankelijkheid aan zijn medemensen en ook aan de aarde te
ontfutselen. Hij rooft zijn onafhankelijkheid en zijn vrijheden.
Naar bladwijzer(s): Onafhankelijkheid: Zie nrs. 14 ; 21
; 25 ; 35
; 45 ; 67 ;
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
door Jan
Vis
AFLEVERING NR.
26-(23-11-98)
Het
is opvallend dat de doorsnee intellectueel vaak een slechte lezer blijkt.
Terwijl hij bij het lezen de woorden in zich opneemt is hij onmiddellijk al
bezig ze aan zijn eigen kennis, verzameld in zijn voorstelling, te toetsen.
Valt die toetsing verkeerd, dan is verder mee- en doordenken uitgesloten. Valt
die toetsing echter goed, dan zijn de gevolgen nog treuriger: er wordt
onmiddellijk en onvermijdelijk een eigen 'exegese' aan de zaak gegeven. Dat wil
zeggen dat er een uitleg aan gegeven wordt die geheel in het eigen straatje
past. In beide gevallen is er natuurlijk van het ter overdenking in zich
opnemen van eens andermans gedachten niets terecht gekomen!
De verklaring van dit, toch onverwachte, fenomeen is dat de intellectueel
alleen maar zichzelf kan zijn als en voorzover hij onverbiddelijk vasthoudt aan
zijn persoonlijke voorstelling van de werkelijkheid. De principes daarvan zijn
voor de intellectueel volstrekt onaantastbaar en maatgevend, uiteraard omdat
hem bij zijn opleiding geleerd is dat die op wetenschap berusten.
Zo kun je de gemiddelde intellectueel als voorbeeld nemen van een mens die het
slachtoffer is geworden van de dogmatiserende werking van de wetenschap.
Kenmerk daarvan is dat hij of zij uit een tekst alleen maar kan lezen wat hij
wěl lezen. Het is uitsluitend dit gelezene dat hij eventueel zal gaan
bestrijden of bijvallen. Zijn kritiek richt zich zelden op de inhoud en
betekenis van datgene dat wčrkelijk aan de orde is.
De moderne intellectueel richt zich uitsluitend op de realiteit zoals hij zich
die voorstelt. Hij doet daarmee van alles, maar dat komt allemaal neer op het
analyseren van die, eenmaal gegeven, voorstelling. Afhankelijk van de
resultaten van die analyse verwerft hij in een feed-back proces zijn kennis
omtrent de realiteit. Als hij er niet onderuit kan zal hij tenslotte die kennis
bijstellen. Zo is de grondslag van de levenshouding van de moderne,
intellectuele, mens.
Dat geldt derhalve voor iedereen, voorzover iemand een 'cultuurproduct' is.
Voor de meesten blijft het natuurlijk hierbij, maar er zijn er ook die verder
gaan. Voor hen geldt dat zij daarenboven ook nog een 'leerproduct' zijn. Dat
zijn de intellectuelen. Zij zijn de uiterste manifestatie van het principe van
de moderne cultuur.
De filosofische mens daarentegen richt zich niet op de voorstelling, maar gebruikt
die alleen maar, en wel om de werkelijkheid als 'idee' te leren kennen. De
werkelijkheid als 'idee' immers spiegelt zich aan de voorstelling af! Het is
daarom van groot belang die voorstelling zo helder, betrouwbaar en
gedetailleerd mogelijk te maken. Hoe beter dit gelukt, hoe meer kans er is op
het verkrijgen van een zuivere 'idee' omtrent de werkelijkheid. Vervolgens gaat
het om het leren begrijpen van die gezuiverde 'idee'. Dat leidt tot de waarheid,
tot een waarachtig 'weten hoe het zit'.
Beide mogelijkheden, namelijk kennis verwerven in wisselwerking met de
voorstelling en begrijpen in wisselwerking met de 'idee', behoren wezenlijk bij
elkaar. En daarbij liggen de verhoudingen zo dat het begrijpen het meest
essentiële is. Het gaat daarbij immers om de waarheid en uiteindelijk is die
bepalend voor de kwaliteit van het menselijk leven.
Het is nog altijd beter te leven met weinig kennis en veel begrijpen, dan met
veel kennis en weinig begrijpen!
Het klinkt inderdaad niet erg vriendelijk, maar welbeschouwd is het denken van
de moderne mens te typeren als 'domheid op hoog intellectueel niveau'.
Waar men gewoonlijk geen erg in heeft is dat denken niet hetzelfde is als
analyseren. Dit laatste is tegenwoordig inderdaad zo geraffineerd geworden dat
er in principe zelfs geen geheimen meer zijn. En daaruit leidt men dan af dat
die moderne mens goed zou kunnen denken, maar dat is in feite geenszins het
geval. Het is daarmee in het geheel niet zo best gesteld. Dat zogenaamde denken
getuigt van ernstig ňnbegrip, van een hopeloos gemis aan inzicht en een
nagenoeg geheel verziekte intuďtie.
Omdat het hierbij gaat om menselijke kwaliteiten die, zij het op de
achtergrond, met de cultuur mee-ontwikkeld zijn moet je beslist van 'domheid'
spreken. Men heeft namelijk de mogelijkheid om die kwaliteiten wčl tot
hun recht te laten komen!
Er kan namelijk van 'domheid' gesproken worden als er wel de mogelijkheid tot
iets is, maar als het vanuit een bepaalde redenering, opvatting of gewoonte
achterwege gelaten wordt. Zo moet je van de moderne westerse mens zeggen dat
hij ten voeten uit staat als 'domheid op hoog intellectueel niveau'.
Een belangrijke uiting van domheid is het almaar voortborduren op dezelfde
stramienen. Men zoekt en herkent geen nieuwe gedachten en als men het,
doorgaans met veel zelfoverschatting, toch over 'iets nieuws' heeft blijkt dit
bij nadere beschouwing ook weer hetzelfde te zijn, maar dan op een iets andere
wijze! Alleen in het geavanceerde wetenschappelijke onderzoek weet men
enigszins raad met wčrkelijk nieuwe denkbeelden, maar daaraan moet toegevoegd
worden dat men wat dit betreft nooit kan kiezen: aan wat het onderzoek boven
water brengt kan niet zomaar voorbijgegaan worden, althans tegenwoordig niet
meer. Vroeger kon men, zonder verlies aan geloofwaardigheid, beweren dat
bepaalde onwelgevallige uitkomsten aan de zogenaamde 'ruis' te wijten waren. Dus aan vervuiling
in de vorm van toleranties van de instrumenten en onvermijdelijke
onnauwkeurigheden in de waarnemingen. Tegenwoordig trapt men daar niet zo
gemakkelijk meer in. Toch zie je dat er nog steeds heel wat, doorgaans irrationele,
weerstanden overwonnen moeten worden om nieuwe theorieën aanvaard te krijgen.
De moderne mens is het verschijnsel dat handelt, maar dat nauwelijks iets
begrijpt. Daardoor heeft zijn handelen iets onwerkelijks en dat neemt hand over
hand toe naarmate dat verschijnsel zich verder ontwikkelt als een op zichzelf
als zelfbewustzijn gefixeerde cultuur aangelegenheid. Deze ontwikkeling heeft
alles te maken met het feit dat de werkelijkheid als voorstelling steeds meer
een wetenschappelijk model wordt, een stelsel dus dat aan alle mogelijke
wetenschappelijke criteria voldoet en dat dus in hoge mate juist is. Maar intussen
verhoudt dat model zich tot de realiteit als was het bijvoorbeeld een
televisiebeeld. Dat televisiebeeld schijnt getrouw de realiteit te
weerspiegelen, maar als en voorzover men in de waan verkeert inderdaad met de
realiteit bezig te zijn, is het resultaat van iemands bemoeienissen, ondanks
alle wetenschappelijke juistheid, uitermate irreëel.
Het handelen van de moderne mens is als van een slaapwandelaar. Hij is heel
verantwoord bezig met iets waarvan hij nauwelijks iets begrijpt. Maar als
gevolg blijkt het al verwoesting wat hij aanricht. Het is één gigantische fictie
en het beroerde daarvan is dat die fictie bijna niet doorbroken kan worden,
omdat hij in zichzelf zo juist en verantwoord is...
Als ik zeg dat de wetenschappelijke werkelijkheid een fictie is, dan bedoel ik
daarmee niet te zeggen dat de inhoud van die werkelijkheid een hersenspinsel,
een slag in de lucht of een fantasie zou zijn. Integendeel, die inhoud is een
verzameling juiste kennis waarop, sinds het algemeen erkend worden van een
aantal logische kriteria, in principe niets aan te merken is. Dat blijkt onder
andere uit het grote succes van de natuurwetenschappen, de technologie en de
daaruit voortspruitende techniek. Daarom gaat het dus niet.
Waarom het gaat is de uitwerking die de wetenschappen op de mensen, zowel
wetenschappers als leken, hebben. Die uitwerking leidt tot het ontstaan en zich
vastzetten van een 'levensbeschouwelijke fictie'. Deze fictie moet tot de
ernstige wanen gerekend worden. Dat zijn onoplosbare toestanden die gegrond
zijn op de werkelijkheid als voorstelling en die alleen maar van buitenaf
opgeheven kunnen worden.
Er is onmiskenbaar enige overeenkomst tussen de wetenschap en de godsdienst.
Beide hebben in sterke mate een indoctrinerende werking op de mensen. Zij
steunen echter ieder op een ŕnder principe om die indoctrinatie tot een succes
te maken. In de godsdienst maakt men gebruik van macht. Naarmate het gelukt
macht over de mensen uit te oefenen kunnen ze geďndoctrineerd worden en kan men
ze van alles inprenten. Zijn ze om de een of andere reden niet ontvankelijk
voor de door de godsdienst aangewende macht, dan wordt het ook met het
inprenten niets.
Zo heeft de Roomse godsdienst post kunnen vatten doordat men de 'heidenen' met
geweld wist te onderwerpen, in Europa in het voetspoor van de Romeinse legers.
Onder druk van dat geweld kon men de mensen inprenten dat de Christelijke god
almachtig was en als zodanig verre de macht van de Germaanse goden overtrof.
Hoewel er in de wetenschappelijke wereld heel wat machtsstrijd gevoerd wordt
gaat het toch wezenlijk niet om de macht. Daarin ligt de overtuigingskracht van
de wetenschap dan ook niet. Hij ligt daarentegen in de onmiskenbare juistheid
van de wetenschappelijke beweringen, theorieën en toepassingen. Om 2x2=4 kan
men niet heen en men kan er ook niet onderuit. Elke macht is op de een of
andere manier te ontduiken, al was het maar door zich in stilte te verzetten.
Maar 2x2=4 is onontkoombaar. Daardoor is de wetenschappelijke overtuiging de
meest effectieve en indringende. En dat is nu juist een heel groot gevaar, in
tegenstelling tot wat de denkers uit de toenmalige Verlichting gemeend hebben. De eerder
genoemde fictie namelijk berust op die onmiskenbare juistheid van de
wetenschappelijke werkelijkheid en bijgevolg is hij op zichzelf niet te
bestrijden en te doorbreken. Het is een zichzelf steeds weer bevestigende zaak
die van buitenaf, namelijk door de mens als idee, doorbroken moet worden.
FILOSOFIE
VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
door Jan
Vis
Deskundigheid of bekwaamheid: A1, B2,
C3 en D4 ;
AFLEVERING NR.
27-(21-12-98)
Ook
als het over de kunst gaat is het werkelijk opvallend hoe slordig er doorgaans
gedacht wordt. Kennelijk hebben de, toch zo ongeveer door iedereen genoten,
opleidingen niet veel zoden aan de dijk gezet.
Zo ziet men voortdurend over het hoofd dat er, wat de kunst betreft, een groot
verschil is tussen de begrippen 'schoonheid' en 'mooi vinden'. Het ligt
namelijk voor de hand dat 'schoonheid' een objectieve strekking heeft en 'mooi
vinden' een subjectieve. Maar door het uitermate slordige denken van de moderne
mensen wordt dit verschil zelden opgemerkt. En de enkele keer dat dit wel het
geval is wordt er toch ook weer een rommeltje van gemaakt, bijvoorbeeld als
iemand het verschil wel aanvoelt maar geen kans ziet dat voor zichzelf
duidelijk te krijgen.
Het ergste is natuurlijk als men het verschil helemaal niet opmerkt. Dat
gebeurt voortdurend, zelfs met een bloedstollend gemak. Gevolg is onder andere
dat men over de kunst onmiddellijk met zo ongeveer iedereen ruzie kan krijgen,
zoals onlangs weer bleek toen enkele kunstbazen voor veel geld een
'meesterwerk' van Piet Mondriaan gekocht hadden.
Op het ene moment beweert men met grote stelligheid dat een bepaalde kunstenaar
geweldig 'goed' is om op een ander moment met betrekking tot diezelfde
kunstenaar staande te houden dat het waarderen van kunst een kwestie van smaak
zou zijn en dat daarover beslist niet valt te twisten. Dan is er dus geen
objectieve beoordeling mogelijk. "De een vindt dit mooi en de ander
dat", zo verkondigt men met overtuiging. Eerst gaat het dan blijkbaar over
'schoonheid', wat duidt op iets objectiefs, en vervolgens over 'mooi vinden',
hetgeen een subjectieve zaak is. Dat beide standpunten elkaar wat dit betreft
uitsluiten valt kennelijk niet op. Dat is eigenlijk bijzonder slordig...
Als het goed is kan er van een kunstwerk gezegd worden dat het mooi is, in de
zin van 'schoonheid'. Deze kwalificatie is overigens uitsluitend aan de kunst
voorbehouden. Je kunt uiteraard ook een andere term gebruiken als de essentie,
datgene waarom het in de kunst gaat, maar duidelijk tot uitdrukking komt.
Spreken over 'schoonheid' behoeft volstrekt niet te betekenen dat het kunstwerk
fraai, lieflijk, sierlijk, bevallig, of iets dergelijks, is. Het kan zelfs
helemaal niet mooi gevonden worden. Maar het begrip 'schoonheid', of een ander
woord, slaat op een unieke eigenaardigheid van een kunstwerk, namelijk dat het
de werkelijkheid als beeld, zo men wil de werkelijkheid als idee, tot
uitdrukking brengt. Dat is een universele zaak. Behalve de kunsten is er niets
dat daartoe in staat is.
Om deze 'schoonheid' van een kunstwerk te herkennen is een volstrekt onbevangen
kijk nodig. Zo'n onbevangen kijk kan men ontwikkelen door zich zoveel mogelijk
met kunst bezig te houden, in de zin van het beleven ervan. Dat vereist kijken,
luisteren en lezen van literatuur.
Die kijk ontwikkelt zich per se niet door boeken over kunst te lezen of de
commerciële wartaal van moderne kunstkenners aan te horen. Ook is het niet
nodig dat men zich persoonlijk met het vervaardigen van kunstwerken onledig
gaat houden. Men behoeft beslist geen piano te kunnen spelen om te horen of
iemand al of niet goed en mooi piano speelt. Maar men moet wel goed kunnen
luisteren!
Het veelgehoorde argument dat men verstand van kunst moet hebben en dat alleen
gekwalificeerde deskundigen in staat zouden zijn een oordeel over een kunstwerk
te geven, is volstrekte onzin. Onzin die verkondigd wordt door intellectuelen
die nu ook beslag willen leggen op de kunsten. Hun zogenaamde deskundigheid
heeft betrekking op aangeleerde kennis die kunstzinnig absoluut niet
interessant is, hoogstens voor de kunsthandel. Omdat een kunstwerk autonoom is,
voor zichzelf spreekt, heeft het verstand hebben ervan geen betekenis. Dat
geldt overigens ook voor de filosofie, maar dit terzijde...
Wel echter gaat het om inzicht en het hebben van een heldere kijk op de zaak.
Maar dat is niet te leren zoals je het alfabet en rekenen kunt leren. Je kunt
het alleen maar in jezelf ontwikkelen.
Mooi vinden is puur subjectief. Het kan dan ook op van alles betrekking hebben.
Je kunt je fiets mooi vinden en een locomotief, maar ook een kunstwerk. Dat is
inderdaad een kwestie van smaak. Zo kun je bijvoorbeeld Beethoven mooi vinden,
maar Chopin helemaal niet; je kunt Breitner mooi vinden maar Van Gogh lelijk,
enzovoort. Maar je kunt naar aanleiding daarvan niet stellen dat Van Gogh of
Chopin niet onder het begrip 'schoonheid' vallen. Dat wil zeggen: je kunt het
wel stellen, maar dan blijkt daaruit dat je er geen kijk op hebt.
Iedereen heeft zijn voorkeuren. Dat geldt niet in de laatste plaats voor het
genieten van kunst. Over die voorkeuren valt niet te twisten, zij zijn
simpelweg zoals ze zijn. Dat is inderdaad een kwestie van smaak. Maar, daar
bovenuit gaat de kijk op de kunst en die leert je wat werkelijk mooi is en wat
niet.
De zaak is scherper stellen door je af te vragen of iets kunst is of niet. Dan
echter wordt het van belang op je definitie van het begrip kunst te letten:
versta je onder kunst elke individuele creatieve uitdrukking van emoties, dan
valt letterlijk al het gebruikelijke artistieke gedoe er onder. Dus ook zonder
meer alle moderne kunst, inclusief allerlei vormen van modieuze artistieke
spielerei van verveelde dames en heren. Deze benadering is in zoverre te
verdedigen dat je het artistieke gedoe in zijn algemeenheid onderscheidt van
alle andere activiteiten en het op grond daarvan ook rechtvaardigt.
Uiteindelijk blijft het een feit dat diegene die zich met artistieke spielerei
bezig houdt verschilt van iemand die in materiële zin productief wil zijn.
Maar wie er werkelijk kijk op heeft zal doorgaans de voorkeur geven aan een
scherp onderscheid tussen kunst en artistiek gedoe. Als criterium geldt dan dat
de kunsten uitdrukking geven aan de werkelijkheid als beeld of idee. Maar dan
zal de zogeheten moderne kunst over vrijwel de gehele linie buiten de boot
vallen, om maar te zwijgen over die artistieke spielerei.
Toch worden er onder de noemer van de moderne kunst heel wat werkstukken
gemaakt die mooi gevonden kunnen worden. Vaak zijn in schilderijen de kleuren
zo mooi dat zij allerlei associaties en emoties in de beschouwer oproepen. Vaak
zijn in de muziek de klanken mooi, in de literatuur de woorden fraai gekozen,
enzovoort. Dikwijls kan men er oprecht enige tijd van genieten.
Maar het staat vast dat na een poosje de verveling toe zal slaan. Dat geldt in
principe voor alles wat niet boven de materie uitgaat. De redenen daarvoor laat
ik nu even buiten beschouwing, want een ieder kan bij zichzelf nagaan dat het
zogenaamd mooie steevast gaat vervelen.
Het kijk hebben op kunst en dus het herkennen van 'schoonheid' staat geheel los
van de voorkeuren die men heeft en dus ook los van de smaak. De een zal deze
kunstwerken prefereren, bij de ander zal de voorkeur een geheel andere kant
uitgaan. De smaak wordt door een veelheid van factoren bepaald en daaronder
zijn er uiteraard die betrekking hebben op de tradities waarin iemand
opgegroeid is. Daarnaast wordt de smaak bepaald door de talenten die men heeft.
Maar, kijk hebben op kunst betekent dat men herkent waar het in de kunst
werkelijk om gaat. Het gaat om het bijwijze van beeld of idee aan de
voorstelling ŕfspiegelen van de werkelijkheid als bewustzijn. Het is ook goed
om te stellen dat de werkelijkheid als idee door de voorstelling heen straalt.
Men beleeft dus iets universeels aan zijn eigen voorstelling van de
werkelijkheid.
Als men bevangen is in de mode van zijn tijd of als men te weinig aanleg heeft
om het beeld te herkennen, blijft men onherroepelijk in de smaak steken en dan
kan het niet uitblijven dat op den duur de, op een bepaald moment heersende,
mode de maat wordt voor het al of niet mooi vinden van een of ander kunstzinnig
object. Omdat de mode in sterke mate beďnvloedt wordt door allerlei tijdelijke
opvattingen, waarvoor men tegenwoordig via de media intensief reclame kan
maken, is ook het daaraan meekomende mooi vinden gebaseerd op allerlei
verhalen. In feite is het een buitengewoon kinderachtige aangelegenheid die
vooral populair is bij oppervlakkige lieden uit de wereld van geld, glamour en
glitter.
Het hedendaagse glitterdom is rijkelijk voorzien van dames en heren die hun
innerlijke leegheid en verveling trachten te verdrijven door zich met
schilderen bezig te houden. Omdat zij als regel zwemmen in het geld dringen zij
met hun producten gemakkelijk door in het circuit van galerieën zodat zij
regelmatig hun leeg hoofderij kunnen exposeren. Zo nemen zij de plaats in van
ernstige kunstenaars die nauwelijks nog een schijn van kans hebben.
Opmerkelijk is dat bedoelde dames en heren zich bij voorkeur met schilderen
bezig houden. De verklaring daarvoor blijkt echter heel eenvoudig: je kunt dan
namelijk naar hartenlust knoeien en net zolang poetsen tot het net lijkt alsof
er iets moois ontstaan is. Wat dat betreft is het schilderen een gemakkelijk
medium! Iets moeilijker, maar toch ook zeer in trek bij de dames en heren, is
het schrijven van boeken. Met behulp van handige journalisten, die tegenwoordig
immers de kenners op het gebied van de schrijfkunst zijn, krijgt men toch al
gauw een boek in elkaar geknutseld. De relaties en het geld zorgen er
vervolgens voor dat er ook gemakkelijk een uitgever gevonden wordt, iets wat
voor een čchte schrijver nagenoeg onmogelijk is.
Het schilderen en het schrijven van boeken zijn populair bij de verveelde
bovenlaag, maar tekenen en dichten bijvoorbeeld worden angstvallig gemeden,
want de dames en heren hebben natuurlijk al lang begrepen dat het daarbij zelfs
voor de leek duidelijk is dat men werkelijk talent moet hebben. Ze vallen dus
een beetje te snel door de mand met hun rommel. Muziek maken of componeren is
al helemaal uit den boze want die vakken vereisen ook nog een grote mate van bekwaamheid!
Niet doen dus..!
Deskundigheid of bekwaamheid: A1, B2,
C3 en D4 ;
FILOSOFIE
VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
door Jan
Vis
AFLEVERING NR.
28-(18-01-99)
Bladwijzer(s): VIRUSSEN
- nrs. 28 en 29 ; Aanpassingsproces-1 ; Aanpassingsproces-2
; Aanpassingsproces-3 ; Aanpassingsproces-4 ;
Bij
alle levende wezens, of het nu primitieve eencelligen zijn of uitermate
ingewikkelde organismen zoals mensen, valt op dat zij in zichzelf beweeglijk
zijn. Zij veranderen daardoor voortdurend van uiterlijke vorm en innerlijke
toestand. Naar aanleiding daarvan valt vervolgens nog een tweetal essentiële
bijzonderheden op. Om te beginnen is dat het feit van het levend-zijn, oftewel 'leven'
en vervolgens kan opgemerkt worden dat er bewust-zijn, oftewel 'bewustzijn',
voor die levende wezens geldt. Deze laatste twee begrippen, leven en
bewustzijn, behoren uiteraard onlosmakelijk bij elkaar, afgeleid als zij zijn
van één enkele oorsprong, namelijk het in zichzelf beweeglijk zijn. Er is dus
geen leven zonder bewustzijn en er is geen bewustzijn zonder leven.
Voor de duidelijkheid zij opgemerkt dat het begrip 'bewustzijn' in dit verband
een wijdere betekenis heeft dan wanneer wij bijvoorbeeld spreken van "bij
bewustzijn zijn" of, in andere gevallen, "bewusteloos zijn". Het
begrip 'bewustzijn' geldt ňngeacht deze en dergelijke incidentele toestanden.
Het begrip 'leven' duidt op de eerste plaats op het almaar innerlijk en
uiterlijk veranderen van het verschijnsel zelf, terwijl het tegelijkertijd
geheel en al zichzelf gelijk blijft. Dit verschilt in alle opzichten van de
toestand waarin de niet levende verschijnselen zich bevinden. Hoewel daarin de
elementaire deeltjes zelf volop in beweging zijn gaat het toch over starre
verschijnselen, ondanks het feit dat ook die eventueel, door bepaalde
inwerkingen van buitenaf, enigszins kunnen veranderen. Zij kunnen bijvoorbeeld
door het toevoeren van warmte een weinig uitzetten, of zelfs in een totaal
andere toestand geraken, maar dat is natuurlijk iets heel anders dan het
voortdurend uit zichzelf en in zichzelf bewegen van het verschijnsel zelf.
Ten tweede slaat het veranderlijk zijn op de plaats waar het betreffende
levende verschijnsel zich bevindt. Het merkwaardige is dat het in principe niet
aan een plaats gebonden is. Op de een of andere manier kan het ergens anders
heen gaan, zelfs op een doelbewuste manier in verband met het verbeteren van de
mogelijkheden om te overleven. Ook dat is iets wat voor de dode verschijnselen
niet geldt. Deze worden tenvolle gekenmerkt door starheid.
Ten derde valt op dat het levende verschijnsel voort kan leven in telkens
nieuwe individuen. Het reproduceert zichzelf waarbij er tegelijkertijd ook nog
een vernieuwing optreedt, enerzijds door nieuw, van buitenaf ingevoerd,
genetisch materiaal en anderzijds door bepaalde noodzakelijke aanpassingen.
Het begrip 'bewustzijn' heeft betrekking op de verhouding die er is tussen de
innerlijke beweeglijkheid van het levende verschijnsel zelf en de
beweeglijkheid van de wereld van de verschijnselen als geheel. Anders gezegd:
de verhouding tussen de binnenwereld en de buitenwereld, waarbij in het oog
moet worden gehouden dat genoemde binnenwereld op een speciale manier eveneens
inhoud van die buitenwereld is. Dat is er onder andere oorzaak van dat het
levende verschijnsel ook op zichzelf kan reageren. De verhouding tussen de
binnen- en buitenwereld is geen starre, maar een veranderlijke. Uiteraard is
dat het geval omdat het over beweeglijkheden gaat. Er is een voortdurende
wisselwerking tussen beide werkelijkheden, rijkelijk voorzien van wat
tegenwoordig 'feed-back processen' genoemd worden. Zo'n wisselwerking kan er
logischerwijze alleen maar zijn als genoemde binnenwereld op andere manier
dezelfde is als de buitenwereld. Zonder die overeenkomst kunnen er geen feed-back
processen zijn en dat betekent onder andere dat het levende verschijnsel niet
zou kunnen reageren op de dingen om haar heen, dus op het geheel van het milieu
of de biotoop.
Dat reageren op situaties in de buitenwereld is een programmatische zaak. Dat
wil zeggen dat het specifieke innerlijke reacties zijn op specifieke toestanden
zoals die zich almaar voordoen, zowel in de buitenwereld als in de binnenwereld
van het betreffende levende wezen zelve. Er is geen sprake van willekeur, het
is een zaak van programma's die zich na een bepaalde prikkel onvermijdelijk en
volgens een vast patroon af gaan wikkelen, ongeveer zoals computer programma's
dat doen.
Zo is het ook noodzakelijk dat die prikkels herkend worden. Is dat niet het
geval, dan kan er geen adekwate reactie volgen, hetgeen doorgaans een gewisse
ondergang van het organisme betekent. Wanneer bijvoorbeeld een eencellig
diertje in een sloot geconfronteerd wordt met een onbekende prikkel zoals die
van een bepaald landbouwgif, weet het niet zinvol te reageren zodat het ten
onder gaat. Maar, op een tot haar biotoop behorende prikkel kan het effectief
reageren, uiteraard al of niet met uiteindelijk succes.
De werkelijkheid als bewustzijn kan beschreven worden als de op 'virtuele
wijze' in alle levende wezens aanwezige buitenwereld. Die virtuele
werkelijkheid is onaantastbaar, zij is er gewoon. En het reageren er op laat
ook geen keuze toe: er mňet gereageerd worden en wel op een via de evolutie
geprogrammeerde manier.
Toch is dat feed-back programma niet helemaal vastgelegd. Er is altijd een
zekere tolerantie, die mogelijk is doordat het bewustzijn wezenlijk een
beweeglijke, niet vastgelegde, zaak is. Daardoor is het mogelijk geworden dat
organismen zich in zekere mate kunnen aanpassen aan veranderingen in hun
buitenwereld. Meer dan een zekere mate is het evenwel niet: de poes zal altijd
een poes blijven, al heeft zij zich aan de kattebak aangepast en de koe wordt
nimmer echt een melkmachine, al denken hedendaagse techneuten dat in hun
verblinding.
Een belangrijk deel van wat doorgaans evolutie genoemd wordt heeft, in strijd
met wat die techneuten ook nog beweren, niets met het ontstaan van nieuwe
soorten van organismen te maken. In feite zijn het alleen maar nieuwe aanpassingen van oude
organismen aan veranderde omstandigheden. Bestaande leefvormen stellen zich in
op hun nieuwe omgeving teneinde zo veilig mogelijk te kunnen overleven.
Dat is bijvoorbeeld het geval bij micro-organismen zoals bacteriën en virussen die na verloop
van tijd resistent zijn geworden voor anti-biotica. Zij hebben zich in enkele
generaties aangepast aan de gewijzigde en bedreigende omstandigheden.
Anders dan het genoemde aanpassingsproces levert de evolutie,
zolang die nog aan de gang is, wčl geheel nieuwe organismen op. De structuur
daarvan is zonder tussenfase naar een hogere graad van innigheid gemuteerd.
Daaraan komt logischerwijs mee dat de zich binnen het organisme bevindende
virtuele werkelijkheid enigszins omvangrijker wordt, om tegelijkertijd ook
genuanceerder te worden. Zo is ook weer dit nieuwe levende wezen onlosmakelijk
verbonden met haar biotoop, zodat het de mogelijkheid heeft zinvol te reageren
en bijgevolg te overleven.
Tijdens de evolutie verinnigt zich de structuur van het levende verschijnsel.
Die structuur is, hoewel door en door beweeglijk, wezenlijk materieel van aard.
De samenstellende elementen komen tot elkaar in steeds inniger verhoudingen te
staan, maar, vanwege hun materiële karakter komt aan dit proces onvermijdelijk
een eind. Op een zeker moment kan het niet inniger en dat betekent het
onherroepelijke einde van de evolutie op een planeet. Op die planeet gaat de
evolutie dan niet verder.
Terzijde: de meeste aanhangers van de evolutietheorie willen van geen eindpunt
weten. Nu zij eenmaal hebben begrepen dat er geen goddelijke creatie maar
evolutie is zŕl er ook tot in alle eeuwigheid evolutie zijn!
Het enige wat echter in feite voort gaat is niet de evolutie maar het aanpassingsproces. Opdat
het leven zich zal kunnen handhaven zullen de organismen zich aanpassen aan de
wisselende omstandigheden. Uiteraard levert dat talloze vernieuwde levensvormen
op, maar een wezenlijk nieuw verschijnsel kan op evolutionaire wijze nimmer
meer optreden. Wat de techneuten ooit nog eens zullen produceren is natuurlijk
een andere, overigens uiterst dubieuze, zaak. Met het laatste verschijnsel is
de evolutie echter definitief klaar.
En zie, dat laatste verschijnsel is de mens...
Bladwijzer(s): Aanpassingsproces-1 ; Aanpassingsproces-2 ; Aanpassingsproces-3 ; Aanpassingsproces-4 ;
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
door Jan
Vis
AFLEVERING NR.
29-(15-02-99)
Naar bladwijzers: Rationeel-1 ; Rationeel-2 ; Rationeel-3 ; Rationeel-4 ; Eenzijdgheid-1
; Eenzijdgheid-2
; Eenzijdgheid-3
;
Gewoonlijk
worden de begrippen 'zelfbewustzijn' en 'bewustzijn' door elkaar heen gebruikt,
als zouden zij dezelfde betekenis hebben. In de filosofie is het echter
noodzakelijk, als het over de mens gaat, scherp onderscheid te maken tussen de
werkelijkheid als zelfbewustzijn en de werkelijkheid als bewustzijn. De eerste
is namelijk qua inhoud bepaald door een aantal variabele persoonlijke factoren
terwijl de tweede, in het kort 'het bewustzijn' te noemen, qua inhoud in het
geheel niet persoonlijk maar universeel is. Dat betekent onder meer dat er geen
enkel verschil is tussen het bewustzijn van de ene en de andere mens, althans
niet waar het het bewustzijn op zichzelf betreft. Het ondergaan ervan, het
ervaren en het beleven ervan verschilt wel degelijk van individu tot individu.
De een voelt zich er meer mee verbonden, stelt er meer vertrouwen in dan de
ander. Daarin spelen de geldende cultuur, de sociale en intellectuele
omstandigheden en iemands persoonlijke aanleg een cruciale rol.
De modern-westerse cultuurmens staat uitgesproken vijandig tegenover zijn eigen
werkelijkheid als bewustzijn. Hij vindt het een subjectieve en dus
oncontroleerbare zaak. Wat niet gecontroleerd kan worden is voor hem al bij
voorbaat onbetrouwbaar. Bovendien is volgens de moderne mens die werkelijkheid
als bewustzijn door en door emotioneel van karakter en ook dat is iets waarvan
hij niets wil weten. Hij vindt dat hij rationeel moet zijn, logisch redenerend en
afstandelijk. Uiteraard erkent hij het bestaan van emoties, maar die zijn
alleen toegestaan in de privésfeer en in de kunsten, maar per se niet in het,
qua belangrijkheid alles overtreffende, werkzame leven. Daarin dient de orde
van het intellect te heersen, vindt hij.
Wat dat emotionele betreft speelt bij die modern-westerse cultuurmens ook nog
een belangrijke rol dat hij, overigens terecht, het gevoel heeft dat het
private en het kunstzinnige aan het vrouwelijke verwante zaken zijn. Maar dat
vrouwelijke is nu juist iets waarbij die moderne mens, hetzij vrouw of man,
zich bepaald ongemakkelijk voelt. De ongrijpbaarheid en het onberekenbare ervan
worden als zo bedreigend gevoeld dat men er maar het liefst niets mee te maken
wil hebben. Uiteraard is de moderne mens beschaafd genoeg om het bestaan ervan
te erkennen en zelfs wil men wel zijn sympathie voor het feminisme betuigen.
Tolereren wil men het wel, maar het laten gelden van dat vrouwelijke, met haar
inhoud van schoonheid, harmonie en ruimte, wordt graag achterwege gelaten.
Alle verschillende verhoudingen van beweeglijkheid, zoals die ontstaan zijn
tijdens de wording van
het universum, zijn in levende cellen samengesmolten tot één
totaaltrilling die op 'virtuele' wijze alle bestaande trillingen inhoudt. Als
voorbeeld kan hierbij gedacht worden aan de groeve zoals die op een ouderwetse
grammofoonplaat aangebracht is. Dat is in feite een enkel spoor, maar toch is
hij tegelijkertijd een samenstel van een groot aantal op zichzelf staande
trillingen. Die laten zich weer horen bij het afspelen van de grammofoonplaat.
Er weerklinkt dan een totaalklank waarin de afzonderlijke klanken te herkennen
zijn, evenwel zonder dat die van elkaar gescheiden kunnen worden. Ook in elke
levende cel is een dergelijke alles omvattende trilling aanwezig en ook daarin
kunnen onderscheidingen gemaakt worden. De voortdurende aanwezigheid van die
'totaaltrilling' is wat ik pleeg te noemen de werkelijkheid als bewustzijn.
Omdat dit een samenspel van alle soorten trillingen is kan het voor de mens,
als laatste verschijnsel, logischerwijs niet anders dan een universele zaak
zijn die zomaar, zonder meer, in iedereen volledig aanwezig is. De ervaring van
het bewustzijn noem ik 'de werkelijkheid als beeld' of ook wel 'de
werkelijkheid als idee'.
Het beeld, de idee, kan niet zelfstandig optreden en wel omdat het toch ten
allen tijde een trilling blijft die als zodanig onmogelijk een concrete vorm
kan aannemen. Het bewustzijn heeft iets ŕnders nodig om zich als een beeld of
een idee te manifesteren. Zoals de trillende vioolsnaar de klankkast nodig
heeft om hoorbaar te worden, zo heeft ook het bewustzijn een soort van klankkast
nodig om zich te kunnen manifesteren. Het is de werkelijkheid als
zčlfbewustzijn die zich daartoe leent. Hoewel dit als inhoud van onze geest een
abstracte zaak is, is hij toch in feite concreet omdat het gaat om een getrouwe
afbeelding van ieders persoonlijke wereld. Dat hij inderdaad concreet is moge
eveneens blijken uit het feit dat hij voor iedereen ietwat ŕnders is en ook uit
het feit dat hij zich uiteenleggen laat in zijn samenstellende delen. Deze
concrete werkelijkheid nu fungeert als 'klankkast' voor het bewustzijn. Dat wil
zeggen: aan het zelfbewustzijn laat het bewustzijn zich ervaren, en wel
bijwijze van 'beeld' of, zo men wil, 'idee'. Tot op zekere hoogte is het
verantwoord om te stellen dat het nu gaat over de werkelijkheid achter de dingen,
zoals kunstenaars het graag willen noemen. Die werkelijkheid is een
'algemeenheid', want zij is niet opgebouwd uit een veelheid aan bijzonderheden,
maar daarentegen uit een eenheid van 'essenties'. Zij vertoont geen details,
maar nuances.
Voor alle duidelijkheid: genoemde genuanceerde werkelijkheid is er altijd
zolang en voorzover er een levend mens is. Bovendien is zij op zichzelf
onafhankelijk van wat dan ook. Zij is onaantastbaar. Maar het zich manifesteren
is wel degelijk een afhankelijke zaak. Die is namelijk afhankelijk van het
zelfbewustzijn. Zij spiegelt zich immers aan dat zelfbewustzijn af, straalt er
als het ware doorheen! In dat afspiegelen speelt evenwel het zelfbewustzijn als
zodanig geen rol, in die zin dat alleen de aanwezigheid ervan bepalend is.
Anders gezegd: de mens kan vanuit zijn zelfbewustzijn geen invloed uitoefenen
op de werkelijkheid als bewustzijn. Het gaat alleen maar om de aanwezigheid.
Daarvan is te zeggen dat die logischerwijs gevarieerd is, namelijk van vrijwel
geheel duister tot en met nagenoeg glashelder, hetgeen op zijn beurt weer
bepalend is voor de kwaliteit van de werkelijkheid als beeld. Dat betreft dan
voornamelijk de meerdere of mindere mate van genuanceerdheid, maar per se niet
het waarheidsgehalte ervan. Dit laatste begint pas dan dubieus te worden
wanneer de helderheid van het zelfbewustzijn een bepaald punt gepasseerd is,
het omslagproces namelijk waarop de mogelijkheid om de werkelijkheid te
analyseren effectief begint te worden. Een zaak moet immers eerst voldoende
herkenbaar zijn om nader onderzocht en uiteengelegd te kunnen worden.
In de cultuurgeschiedenis van de mensheid ligt genoemd omslagproces aan het
einde van de Oudheid. Dan begint, zij het uiteraard vooralsnog pover en
schuchter, de analytische periode van de mensheid. Aan deze periode is dus een
bepaalde graad van helderheid van het zelfbewustzijn voorondersteld, maar dat
wil niet zeggen dat er eerder geen analyse kan zijn en dat er na die periode
geen waarheid meer mogelijk zou zijn. Waarom het gaat is dat eerst de analyse
in culturele zin nog niet echt effectief is en dat dit daarna, na de Oudheid,
wel het geval is, terwijl tegelijkertijd het weten omtrent de waarheid
aanvankelijk effectief is om daarna steeds meer dubieus te worden. In de periode
na de Oudheid, gemakshalve te noemen de Moderne Tijd, is het met de waarheid,
oftewel het inzicht in de werkelijkheid, almaar beroerder gesteld.
Tijdens de geschiedenis van de mensheid gaat de ontwikkeling van de cultuur
nooit in een eenzijdigheid op. Er is dus nimmer
eenzijdig kennis van de waarheid en ook nooit eenzijdig analyse. Het is altijd
een kwestie van effectiviteit van het een of van het ander, maar nooit is een
van die twee volledig uitgeschakeld. Dat zou ook niet kunnen, want dat zou betekenen
dat het mens-zijn verloren is gegaan. Maar, al is de mens tijdens zijn groei
naar volwassenheid nog zo zeer van zichzelf vervreemd, nimmer kan hij zijn
bewustzijn en zelfbewustzijn opheffen, behalve uiteraard in de dood...
Naar bladwijzers:
Rationeel-1
; Rationeel-2
; Rationeel-3
; Rationeel-4
; Eenzijdgheid-1
; Eenzijdgheid-2 ; Eenzijdgheid-3
; VIRUSSEN - nrs. 28 en 29 ;
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
Bladwijzer: Vervreemding ; Rechten van de mens-1 ; Rechten van de mens-2 ; Rechten van de mens-3 ;
The beautiful Art of Philosophy
door Jan
Vis
AFLEVERING NR.
30-(15-03-99)
Aan
het einde van de Oudheid geraakte de ontwikkeling van de mensheid in een,
overigens langdurige, overgangsfase. Ten einde liep de periode waarin de
relatie van de mens met zijn werkelijkheid gekenmerkt werd door
ervaringskennis, in het leven van alledag opgedaan aan de confrontatie met
velerlei praktische problemen, gevoegd bij de van geslacht op geslacht
doorgegeven kennis die gebaseerd was op ervaringen uit vroeger tijden. Dat
alles bij elkaar vormt een gigantische schat aan kennis waarvan de omvang en
systematiek nu pas enigszins begint door te dringen tot de geleerden van de
moderne wereld. Tot voor kort beschouwden zij, in vaak ergerlijke
zelfoverschatting, de kennis van de Oudheid en in het algemeen ŕlle
niet-westerse kennis als primitief en in het beste geval voor-wetenschappelijk,
hetgeen feitelijk in hun jargon betekent dat het allemaal niet veel om het lijf
heeft.
Ervaringskennis vooronderstelt een ňngebroken werkelijkheid. Daarmee wordt van
alles geprobeerd, uiteraard met de bedoeling meer en betere instrumenten in
handen te krijgen om te overleven. Daartoe wordt op alle mogelijke manieren
gebruik gemaakt van de door de planeet voortgebrachte materialen, die zo tot
inhoud van het verschijnsel mens worden. Dat wil zeggen dat zij aan zijn bezit
aan kennis worden toegevoegd. Zo worden zij getransformeerd tot instrumenten
van de mensen om op die manier hun mogelijkheden uit te breiden om de aarde
leefbaar te maken.
Dat transformeren is in de eerste plaats een zaak van vallen en opstaan, van
'trial and error'. Maar, waarom het in dit verband gaat is dat bij al die
pogingen de oorspronkelijke materialen niet wezenlijk van karakter zijn
veranderd. En ook de daaruit voortgekomen toepassingen zijn gebaseerd op de
vormen en eigenschappen van de gebruikte materialen. Die zijn als het ware
alleen maar 'opgewaardeerd'. Bijvoorbeeld: een boom wordt opgewaardeerd tot een
kast of een boerenkar. En de huid van een koe tot leder voor schoenen en
dergelijken.
In feite gaat het er bij ervaringskennis om dat de mens heeft geleerd wat hij
met de voorhanden werkelijkheid kan doen. Dat voorhandene is dus de basis van
die kennis en uiteraard is dat allemaal concreet en praktisch van aard. En als
zodanig is dat het uitgangspunt van een omzettingsproces dat zich in de werkelijkheid
als mens realiseert. De omzetting namelijk van verschijnsel tot mens oftewel
van 'natuur' tot 'cultuur'.
Genoemd omzettingsproces heeft in de eerste plaats betrekking op het overleven.
Dit is alleen maar mogelijk als en voorzover de mens de wilde onherbergzame
natuur van de aarde, oftewel het biotoop, aangepast heeft aan zijn eigen
specifieke behoeften. Het moet een bij hem behorend milieu worden. Daartoe moet
hij raad leren weten met die hem bedreigende natuur. Maar dat gaat bepaald niet
vanzelf. In tegenstelling tot de overige levende wezens heeft de mens geen door
de evolutie ingeprent instinct, een programma dat hem in staat stelt als
vanzelf het juiste te doen om te overleven. Hij moet werkelijk ŕlles leren en
wel door via 'trial and error' zoveel mogelijk ervaringen op te doen. Deze en
dergelijke nimmer aflatende menselijke activiteiten zijn samen te vatten onder
het begrip arbeid.
Het gaat echter niet alleen maar om arbeid ten behoeve van het overleven. Het
door de mens 'tot zichzelf omzetten' van de voorhanden verschijnselen vertoont
ook nog iets anders dat merkwaardigerwijs volstrekt tegengesteld is aan de
arbeid in bovengenoemde betekenis. Het gaat nu om de kunsten. Ook daarin worden
de verschijnselen tot een menselijke zaak omgezet, nu evenwel niet met de
bedoeling het praktische overleven mogelijk te maken, maar eigenlijk met geen
enkel concreet doel.
Indien men desondanks toch van een 'doel' wil spreken, omdat de activiteiten
van de mens nu eenmaal uit door hem bewust genomen besluiten voortkomen, zou
dat doel kunnen zijn dat de mens de werkelijkheid tot inhoud van zijn
bewustzijn wil maken. Door dat te doen raakt hij aan het uiterste waartoe de
werkelijkheid kan komen, namelijk het als één geheel ineenzijn van alles wat er
is. Die situatie kan alleen maar 'als mens' in diens bewustzijn voorkomen.
In werkelijkheid blijft het 'een' noodzakelijkerwijs gescheiden van het
'ander'. Die twee zullen in de praktijk nimmer één worden, maar als inhoud van
het bewustzijn kunnen zij zelfs niets anders dan een eenheid vormen.
Het is in de kunsten - waartoe in strijd met de gebruikelijke opvattingen ook
het filosoferen behoort - dat de mens uitdrukking geeft aan die tot eenheid
getransformeerde werkelijkheid. Nu is dat een zaak geworden van schoonheid en
waarheid. Deze twee begrippen zijn cruciaal voor een helder inzicht in de
cultuur van de Oudheid. Zij verklaren namelijk de kunstzinnigheid en het
mythische van die oude culturen. Want dat de mensen van de Oudheid op een
uitzonderlijke manier gedisponeerd waren voor het schone en het ware staat
onomstotelijk vast! Alles wat zij aanraakten werd tot iets moois en waars, of
het nu een gebruiksvoorwerp was of een beeld van een godin, een verhandeling
over het bakken van potten of over de grondslagen van de werkelijkheid.
Dergelijke verhandelingen zijn overigens meestal in dichtvorm gesteld, hetgeen
uiteraard ook op de behoefte aan schoonheid wijst.
Twee karakteristieken vallen dus op als het over de cultuurperiode van de
Oudheid gaat, namelijk ten eerste die van een op ervaringskennis berustende
wetenschappelijkheid en ten tweede die van een op schoonheid en waarheid
gerichte kunstzinnigheid. Aan het einde van de Oudheid evenwel zet de ondergang
van deze kennis en kunstzinnigheid in. De nieuwe tijd begint! Zo ongeveer met
de opkomst van de Romeinse beschaving krijgt de werkelijkheid als een ongebroken geheel
almaar minder nadruk, terwijl op de voorgrond komt te liggen dat de
werkelijkheid onmiskenbaar vooral een verzameling van allerlei op zichzelf
staande verschijnselen is. Dat heeft onder andere tot gevolg dat er onderscheid
gemaakt gaat worden tussen het ene en het andere ding, hetgeen vanzelfsprekend
leidt tot het vergelijken van die twee zaken.
Men wil voortaan weten wat de verhouding is tussen de dingen. Dat slaat
uiteraard vooral op het onderscheid tussen de ene persoon en de andere. Hiermee
neemt het formuleren van rechten een aanvang, met als voorlopig hoogtepunt de ' Universele Verklaring van de Rechten van de Mens ',
geproclameerd in 1948 door de Verenigde Naties.
Het maken van onderscheid tussen de dingen leidt
natuurlijk niet alleen tot het formuleren van het voor de mensen geldende
recht. Het uit elkaar halen van de verzameling materiële verschijnselen zet
zich nu eveneens in volle omvang door. Dat wil zeggen dat vanaf dit moment de
wetenschappelijke analyse van de werkelijkheid een feit wordt. Daarmee vervalt
gaandeweg de rol van de ervaringskennis om plaats te maken voor fundamentele
kennis, dat wil zeggen: kennis die betrekking heeft op de basale elementen
waaruit de dingen bestaan. Was de werkelijkheid voordien een samenhangend
geheel, thans wordt zij opgedeeld in zo klein mogelijke elementen waar de
mensen na verloop van tijd helaas geen wijs meer uit kunnen worden.
Dat is de paradox van de moderne tijd, namelijk dat de buitengewone
wetenschappelijke ontwikkeling tegelijkertijd een waanzinnige vervreemding teweeg
brengt...
Rechten van de mens-1 ; Rechten van de mens-2 ; Rechten van de mens-3 ;
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
Bladwijzer: Verlichting
De Verlichting, zie: Nrs. 3 , 14 , 18 , 31, 37 , 42 , 55 , 73 ,
door Jan Vis
AFLEVERING
NR. 31-(12-04-99)
Met
betrekking tot de westerse wereld heeft iemand eens beweerd dat in wezen
"iedereen de vijand van iedereen" is. Het ligt voor de hand te
veronderstellen dat deze kreet alleen maar een incidentele boze reactie op de
een of andere nare ervaring is.
Toch is dat niet het geval.
Het is een ernstig gemeend oordeel, zelfs wel een hartenkreet, van iemand die
er uitvoerig zijn gedachten over heeft laten gaan. Bij nadere beschouwing
blijkt dat dit oordeel maar al te waar is, zij het slechts in voorlopige zin.
Dat de mensen elkaar in letterlijke zin voortdurend naar het leven zouden staan
en dat moord en doodslag tot de normale dagelijkse bezigheden zouden behoren,
is een gedachte die logischerwijs, in het licht van de eeuwigheid en
oneindigheid, absoluut onhoudbaar is. Maar gelet op de afschuwelijke manier
waarop het er op tal van plaatsen op de wereld toegaat, lijkt die gedachte wel
degelijk juist te zijn. Aan de ene kant blijkt het noodzakelijk te zijn de
mensen met overheidsgeweld in toom te houden en aan de andere kant blijkt het
weinig moeite te kosten om een onvoorstelbaar wrede moordlust bij zo ongeveer
iedereen te ontketenen.
Toch is het niet moeilijk om vast te stellen dat vooral de westerse mensen
doorgaans behoorlijk geweldloos met elkaar omgaan, zeker als het over 'gewone'
mensen gaat. Voorzover er toch agressie voorkomt blijft dat beperkt tot,
overigens inderdaad vaak heel ernstige, incidentele gevallen, meestal
onmiskenbaar berustend op individuele criminaliteit. Helaas moet hierbij
tegelijkertijd opgemerkt worden dat de doorsnee machthebber zich doorgaans niet
zo bijzonder aardig pleegt te gedragen.
Macht corrumpeert inderdaad..!
Over het geheel genomen gaat het er vooral in de moderne westerse wereld aardig
redelijk en geweldloos aan toe. Dat zou toch eigenlijk wel enige bevreemding
moeten wekken, want de moderne, in principe westerse, cultuur levert een
buitengewoon rijke voedingsbodem voor agressie en geweld op. Een proces van
toenemende fragmentatie van de materiële werkelijkheid behoort namelijk
onlosmakelijk bij die cultuur. De dingen worden almaar meer van elkaar
gescheiden en in hun onderdelen uiteengelegd. Dat is in feite de analyse die
letterlijk door alles heengaat.
Niet alleen de dingen maar ook de mensen zijn aan ditzelfde proces onderhevig.
Gewoonlijk wordt dat echter niet als een zich, vanuit de cultuur, doorzetten
van een analytisch proces gezien. Men heeft het in dit verband zelden over
fragmentatie of analyse, maar daarentegen wel over 'emancipatie', over
'zelfbewustzijn' en over 'mondigheid'.
In feite is het niet per se onjuist dat men er die begrippen aan bedenkt en
vervolgens naar voren haalt, maar het verdoezelt wel enigszins waar het
werkelijk om gaat. Die begrippen hebben namelijk geen betrekking op de kern van
de zaak. Zij duiden niet de eigenlijke oorzaak aan, maar slechts de gevolgen.
Het is bij de mens als zelfbewustzijn dat die gevolgen thuishoren en zich
manifesteren. Maar daaraan is wel het een en ander vooraf gegaan.
Pas na verloop van tijd gaan bepaalde cultuurprocessen in het zelfbewustzijn
van de mensen een actieve rol spelen. Vanaf dat moment treedt er emancipatie op
die tenslotte tot mondigheid zal leiden. Maar zoals zo vaak wordt alle aandacht
op die symptomen en gevolgen gericht en niet op het er aan ten grondslag
liggende proces. Te begrijpen is dat wel, want de gevolgen en symptomen zijn
duidelijk waarneembaar en doorgaans ook ontvankelijk voor wetenschappelijk
onderzoek. De basale processen binnen de cultuur als zodanig evenwel zijn op
zichzelf niet concreet waarneembaar. Zij zijn slechts na te gaan vanuit het
beweeglijke virtuele beeld van de werkelijkheid zoals zich dat, meestal
ongeweten, in ieder mens op eendere wijze vertoont. Het is dan ook aan de hand
van het creatieve filosoferen dat men inzicht kan krijgen in deze diepliggende
processen.
In tegenstelling tot de andere levende wezens geldt voor het verschijnsel
'mens' dat het zich ontwikkelt. Het begrip 'ontwikkelen' houdt in dat het
verschijnsel 'mens' zichzelf almaar meer naar zijn eigen niet-materiële
gesteldheid waarmaakt. Hij blijft daarbij tenvolle het verschijnsel dat hij
vanuit de evolutie is, om tegelijkertijd langzaam maar zeker te veranderen, en
wel in 'verhelderende' zin.
Vanaf zijn geboorte op de planeet is het ontwikkelingsproces van de mens aan de
gang. Hij verheldert zichzelf gestaag. Dat proces voltrekt zich, in feite
onmerkbaar voor het individu, via de opeenvolgende generaties. Toch blijken er
twee naadloos in elkaar overgaande fasen in te onderscheiden te zijn. Zij
worden door grote onderlinge verschillen gekenmerkt.
In de eerste fase wordt de onmiddellijk gegeven werkelijkheid langzaam maar
zeker duidelijk voor het zelfbewustzijn van de mensen. Zij beginnen dingen te
onderscheiden en de onderlinge verbanden te ontdekken. Dit alles evenwel binnen
het geheel van een niet verbroken, vrouwelijk geaccentueerde werkelijkheid. Het
is en blijft één in zichzelf samenhangend geheel. Grofweg gesproken is dit de
periode van de Oudheid tot zo ongeveer het begin van onze jaartelling.
In de tweede fase worden de, inmiddels helder geworden, dingen van elkaar
gescheiden. De Romeinen vertonen de eerste onmiskenbare manifestaties daarvan.
Het vooralsnog prille scheidingsproces komt bij hen hoofdzakelijk voor de dag
als een behoefte om te verzamelen. Zij harken zoveel mogelijk bij elkaar in een
schier onverzadigbare verzamelwoede. Zo ontstaat het Romeinse wereldrijk, een
verzameling waarin de afzonderlijke landen, zoals het bij een verzameling
behoort, zoveel mogelijk hun eigen identiteit behouden, ja zelfs vanwege dat
eigene bijeengebracht worden.
Dat geldt niet alleen voor de veroverde gebieden maar vooral ook voor de binnen
de verzameling opgenomen culturen. Zo maakten de Romeinen zich meester van alle
kunstvormen van de Oudheid en zij beoefenden die alsof het hun eigen
authentieke uitingen waren. Behalve in technische zin werden de kunsten niet of
nauwelijks verder ontwikkeld. In feite werd er heel banaal, maar vaak uiterst
bekwaam, gekopieerd. Hetzelfde was het geval met de verschillende religies. Bekend
is dat Rome een vergaarbak van de meest uiteenlopende godsdiensten was. Wat dit
betreft is het overigens niet verwonderlijk dat de Christelijke Kerk hier aan
de macht kwam, want het christendom is in feite ook samengesteld uit allerlei
oude religies, vaak zelfs uit de grijze Oudheid.
Te beginnen met de Romeinen gaat dus de werkelijkheid zichzelf
fragmenteren. Steeds kleinere fragmenten scheiden zich af van het geheel en dat
gebeurt niet alleen met de dingen, maar ook met de mensen. Bij hen treedt in toenemende
mate individualisering op, uiteraard om te beginnen op een uitermate primitieve
wijze. Die vooralsnog primitieve individu staat nog helemaal in het teken van
het voor hem geldende culturele uitgangspunt. De inhoud daarvan manifesteert
zich als het besef: "Ik ben ik en jij bent niet-ik en dus tel jij voor mij
niet mee". Deze gesteldheid is inderdaad te typeren door te zeggen:
"Iedereen is de vijand van iedereen". Omdat genoemd cultureel
uitgangspunt nog steeds verbonden is met het voor de Oudheid geldende besef van
samenhang en eenheid gaan zich aanvankelijk bepaalde groepen vormen met
specifieke identiteiten, geworteld in gemeenschappelijke belangen. Die groepen
gelden dan als eenheden waarvoor dat vooralsnog primitieve begrip 'individu'
van kracht is.
Gaandeweg, onmiskenbaar sinds de Verlichting aan het eind van de 18e eeuw, vallen evenwel ook
die groepen uiteen, een proces dat vandaag in de westerse wereld definitief
doorgebroken is. Thans komen de afzonderlijke mensen op zichzelf te staan, maar
alweer: het is een uitermate primitief begin. Het begin namelijk van de
geboorte van 'de' individu, te weten 'de mens als individu'. Voorlopig is er
van die mens niet veel goeds te verwachten, want pas met zijn volledige
ontplooiing zal hij tot de ontdekking komen dat zijn eigen aanwezigheid
onmiddellijk en noodzakelijkerwijs die van de ander inhoudt. Als het met de
mens zover is gekomen wordt het echt gezellig in de wereld...
De Verlichting, zie: Nrs. 3 , 14 , 18 , 31, 37 , 42 , 55 , 73 ,
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
door Jan Vis
AFLEVERING NR. 32-(10-05-99)
Overgang-1 ; Overgang-2 ;
De straks volledig gefragmenteerde werkelijkheid van de
westerse cultuur is er een die geheel en al doortrokken zal zijn van een
fundamentele 'culturele vijandschap' van allen tegen allen. Gaandeweg zijn dan
alle groepen van door belangen met elkaar verbonden individuen ten prooi
gevallen aan de fragmentatie. Daarbij is dan ieder voormalig lid van een belangengroep of politiek collectief op zichzelf komen
te staan als een van al het andere en de anderen afgezonderd verschijnsel.
Voor de in dat proces betrokken mensen geldt in principe dat de een zonder meer
de ontkenning is van de ander. Geldig is de fundamentele notie: 'Jij' bent 'ik'
niet. In wezen staan daardoor alle leden van de uiteindelijke westerse cultuur
elkaar onverbiddelijk naar het leven. Hoe onaangenaam dit ook klinkt, het is de
onvermijdelijke consequentie van het uiteenvallen en als zodanig moet het als
uitgangspunt genomen worden van het denken over de moderne cultuur. Zonder dat
uitgangspunt blijft het denken over de moderne cultuur steken in allerlei
moralistisch gedoe over hoe het zou moeten zijn, maar ten enen male niet is.
De 'culturele vijandschap' gaat in de moderne cultuur letterlijk door alles
heen. Duidelijk is dat waarneembaar aan het merkwaardige verschijnsel dat de
moderne mensen elkaar als een object zijn gaan beschouwen. De overheid
bijvoorbeeld behandelt de burgers als onderdelen van een door haar bestuurde
machine die, zoals bij een machine gebruikelijk, op voorspelbare wijze een
bepaald product, in dit geval een economisch voordelige maatschappij, moet
afleveren. Mankeert er iets aan zo'n onderdeel, dan wordt dat door deskundige
technici gerepareerd opdat het werk door kan gaan. Blijkt het niet meer te
herstellen, dan wordt het tegen een minimum aan kosten afgeschreven.
Als het inderdaad over een machine zou gaan zou dat in orde zijn, maar mensen
zijn geen onderdelen van machines, noch is de samenleving een machine. Dit
betekent dat er, als er iets mis is met iemand, in de eerste plaats 'medeleven'
vereist is. Maar de moderne praktijk laat het tegendeel zien: er komt een
deskundige opdraven die uitvoerig het dossier van zijn client raadpleegt en
die, met behulp van wat hij op een cursus geleerd heeft, een beoordeling geeft,
zonder zelfs maar in de verste verte te bevroeden over wie zijn cliënt nu
feitelijk is.
De huidige herkeuringen voor de WAO zijn wat dit betreft exemplarisch. Een
onderdeel van een machine kan door elke willekeurige deskundige getest en
beoordeeld worden. Als hij geleerd heeft hoe het zit met een zo'n onderdeel
kent hij ze automatisch allemaal. Maar elk mens is een volstrekt uniek geval,
dus kan men met geleerdheid niet ver komen. Toch is in de moderne samenleving
geleerdheid de maat van zo ongeveer alles wat met de mens te maken heeft.
Gelukkig ervaren de mensen elkaar vaak als een aardig object, anders zou er
helemaal niet te leven zijn in onze moderne wereld. Zij kunnen zelfs wel van
elkaar houden, maar ook als dat onder omstandigheden niet het geval is gaan zij
er niet of hoogst zelden toe over elkaar uit te roeien. Terecht wordt een
dergelijk gedrag als uitzonderlijk beschouwd en ingedeeld in de rubriek
'criminaliteit'. Dus loopt het in de praktijk niet zo'n vaart met die
'culturele vijandschap'. Maar het zou anderzijds beslist heel verkeerd zijn bij
het nadenken over deze wereld die basis van 'culturele vijandschap' te
ontkennen of zelfs maar uit het oog te verliezen, ook al moet toegegeven worden
dat het nu niet bepaald een vrolijke voorstelling van zaken is.
Het is heel verhelderend om eens na te gaan hoe er in onze cultuur over de liefde gedacht wordt,
vooral omdat het thema van de liefde bij alle mogelijke gelegenheden opvallend centraal staat,
bijvoorbeeld in de zogenaamde lichte muziek. Het blijkt dan dat men het
steevast heeft over de liefde
tůssen mensen, alsof het zou gaan over een relatie, een wederzijdse betrekking,
een bepaald onderling verband. Logisch gevolg daarvan is dat overeenkomstige
interessen, opvattingen en belangen een cruciale rol spelen. Men vindt het van
belang dat men 'goed met elkaar kan praten', dat men 'elkaar begrijpt' en
dezelfde kijk op de dingen heeft. Dat alles wil zeggen dat de betrekking tůssen
de partners goed moet zijn. Tot voor kort ging dat zelfs zover dat men van de geliefden verlangde dat
zij van een overeenkomstige maatschappelijke en godsdienstige status zouden
zijn.
Gelukkig zijn er steeds enkelingen die beseffen dat het eigenlijk anders moet
zitten met de liefde. Zij worden daarin gesterkt
door onder andere de slechte ervaringen met de meeste huwelijken en met
verliefdheden die onveranderlijk op een fiasco uitlopen. Het besef van die
enkelingen is inderdaad juist. Wat zij namelijk aanvoelen is dat het bij het begrip
'liefde' niet om
een relatie tůssen de een en de ander gaat, maar om een gesteldheid van het
individu zčlf. Het is een persoonlijke kwaliteit, in feite 'is' ieder
afzonderlijk mens liefde.
Dat wil zeggen dat voor het zelfbewustzijn van een ieder de werkelijkheid
verschijnt als een ondeelbaar, in zichzelf samenhangend, geheel. Een geheel
waaraan niets ontbreekt en waar zelfs niets aan mŕg ontbreken. Binnen dat
samenhangende geheel zijn al die inhoudelijke zaken niet in absolute zin door
een kloof van elkaar gescheiden, maar in elkaar overgaand. De grens tussen het
een en het ander, de een en de ander, is onder die omstandigheden niet een
afscheiding maar daarentegen een overgang. Daardoor is het één altijd op andere wijze het ŕnder.
Om met Spinoza te
spreken: alle dingen zijn 'bestaanswijzen' van een en dezelfde substantie.
Liefde in de zin
van een relatie tůssen mensen is daarentegen een door en door tijdelijke,
toevallige en afhankelijke zaak, die bovendien gebaseerd is op het
onvermijdelijke bestaan van een niet te dempen kloof tussen de een en de ander.
In feite is het dus een variatie op genoemde 'culturele vijandschap'.
Iemand heeft eens gezegd dat het een wonder mag heten dat er nog niet veel meer
moord en doodslag in de westerse samenlevingen voorkomt, juist omdat er zo'n
rijke voedingsbodem voor aanwezig is. Inderdaad is dat verwonderlijk!
Het is zelfs nog sterker! Die moderne samenlevingen zijn zelfs rechtvaardiger,
veiliger en vredelievender dan welke andere samenleving ook. Dat zal menigeen
niet graag willen toegeven, modieus als het is om een bijna autistische nadruk
te leggen op de negatieve aspecten van de moderne westerse cultuur. Toch is het
een feit dat juist in die individualistische westerse wereld de veiligheid en
de humaniteit het grootst zijn. Zo is bijvoorbeeld de weerstand tegen geweld en
oorlog voeren dermate sterk dat het zelfs in de ogen van een heleboel
lieden als een ernstige vorm van lafheid aangemerkt zou moeten worden.
Inderdaad lijkt het daar verdacht veel op, maar die indruk is wezenlijk
onjuist. Hij wordt vooral gevestigd door de halfslachtige houding van
gezaghebbende politici die almaar ferme en dreigende taal uitslaan en niet in
de gaten hebben dat zij vanuit de cultuurontwikkeling niet meer tot massaal
geweld en oorlog in staat zijn. Eigenlijk is die halfslachtigheid een
goed teken, ware het niet dat het nu niet bepaald een bewijs van inzicht is om
onverdroten door te gaan met agressief oorlogszuchtig gedoe, zoals thans in de
Balkan het geval is.
Naarmate de individualiserende cultuur-ontwikkeling voortgaat gaat zich
ongemerkt sterker in de mens als individu manifesteren dat voor hem de
werkelijkheid niet louter een verzameling van aparte dingen is, maar vooral een
allesomvattend geheel, waarin niet gediscrimineerd kan worden, noch
buitengesloten. Dat inzicht dringt sluipenderwijs tot de mensen door, althans
tot diegenen die effectief tot die individualiserende cultuur behoren. Het is
namelijk de mens als individu die vanuit zijn bewustzijn gaandeweg tot het
inzicht komt dat voor hem de werkelijkheid als een samenhangend geheel geldt.
Deze notie hangt dus onverbrekelijk samen met individualisme en niet, zoals
maar al te vaak gedacht wordt, met een of ander romantisch
'gemeenschapsgevoel'.
Helaas, zoals altijd en onvermijdelijk, zijn er ook nog streken waarin de
mensen zover nog niet zijn en bijgevolg onder omstandigheden enthousiast aan
het moorden, plunderen en branden slaan. Daarbij kan elk absurd verhaal als
argument ter rechtvaardiging dienen. Zo'n argument is nimmer op redelijke wijze
te ontzenuwen omdat redelijkheid met individualisme behoort samen te gaan. Als
dat individualisme ontbreekt, wordt het dus niets.
Zoals bekend is men op het ogenblik op de Balkan volop bezig te moorden en te
verkrachten. Terecht vindt de westerse cultuurmens dat zo misdadig dat hij er
een eind aan wil maken. Maar helaas kan het met zijn inspanningen niet echt wat
worden omdat hij vanuit zijn individualistische denken probeert een politieke
oplossing te vinden, gecombineerd met een voor hemzelf zo risicoloos mogelijke
militaire actie.
Overigens, wat dit laatste betreft: men spreekt nu van een 'oorlog' en
dat is juist voorzover het gaat over de laffe luchtacties van de NAVO. Waar het
evenwel wčrkelijk om gaat zijn bloedige moordpartijen, die over en weer
gepleegd worden door over hun toeren gejaagde simpele zielen, die nog
overwegend denken in termen van bloed en bodem. Daarvoor is een
politieke oplossing onmogelijk omdat het een probleem betreft dat in wezen niet
politiek, maar cultureel en mentaal van aard is.
Het is treurig, maar de praktijk zal uitwijzen dat die brand uit zal moeten
woeden, hoe verschrikkelijk dat ook voor de slachtoffers is...
Overgang-1 ; Overgang-2 ;
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
door Jan Vis
AFLEVERING NR. 33-(07-06-99)
Naar bladwijzers: Individualiteit-01
; Individualiteit-02
; Individualiteit-03 ;
Individualiteit-04 ; Individualiteit-05 ; Individualiteit-06 ; Individualiteit-07 ; Individualiteit-08 ;
______________________________________________________
De mens, eenmaal volwassen geworden, berust
inderdaad op een uiterst merkwaardige paradox: enerzijds is hij een eenmalig en
uniek verschijnsel dat volstrekt op zichzelf staat en dat als zodanig de
absolute ontkenning is van alle andere verschijnselen, terwijl hij anderzijds
zichzelf op zelfbewuste wijze ervaart als een verschijnsel dat een onmiskenbare
variatie is van een ondeelbaar en volledig samenhangend geheel. Daardoor laat
hij zichzelf gelden als de absolute bevestiging van alles wat er is.
Bij nadere beschouwing blijkt die paradox toch niet helemaal zuiver, want het
eerste lid ervan verwijst naar een, buiten zijn invloed om bestaande,
fundamentele situatie, namelijk dat hij er uitsluitend voor zichzelf is. Maar
het tweede lid heeft betrekking op iets dat tenslotte, als hij getrouw zichzelf
geworden is, aan hem meekomt als een secundaire situatie. Dat wil zeggen dat
bij het verschijnsel mens, als het tenslotte volwassen en dus individu geworden
is, de tegenstelling tussen de enkeling en de gemeenschap ook opgelost is. Het
is dan immers zčlf een 'bestaanswijze' van dat samenhangende geheel.
De tegenstelling tussen enkeling en gemeenschap houdt de gemoederen van de
denkers tot op de dag van vandaag in hevige mate bezig. Dat is eigenlijk heel
tragisch, want het blijkt bij nadere beschouwing helemaal geen tegenstelling te
zijn. Hij doet zich slechts bij die denkers als zodanig voor doordat zij
vrijwel nooit de tot nu toe bestaande mens als een vooralsnog onvolgroeide,
onvolwassen zaak herkennen. Zouden zij dat wel doen, zij zouden begrijpen dat
het in de mens reeds vanaf zijn geboorte op aarde besloten lag om uiteindelijk
het totaal van alle afzonderlijke dingen tegelijkertijd als een in zichzelf
gevarieerd geheel te zien. Dit als gevolg van het feit dat hij als volwassene,
dus als individu, een helder bewustzijn heeft verkregen, dit overigens niet te
verwarren met zijn zčlfbewustzijn.
Bijna zonder enige uitzondering is men tegenwoordig van mening dat de mens een
'kuddedier' is. Dat betekent dat het in het verschijnsel mens besloten zou
liggen dat het vanuit de evolutie geprogrammeerd zou zijn op een leven binnen
een groep, een kudde of een roedel. Men verkijkt zich kennelijk op de
omstandigheid dat mensen zich aaneensluiten, omdat zij elkaar nodig hebben om
behoorlijk te kunnen overleven. Dat men zich daarop verkijkt is eigenlijk heel
vreemd, want ŕlle levende wezens hebben elkaar immers nodig. Dat is dus niets
bijzonders!
Dan is het bovendien uitermate bevreemdend dat er steeds als vanzelfsprekend
aan een kuddedier gedacht wordt, want ook solitair levende dieren onderhouden
op velerlei wijzen betrekkingen met elkaar. Waarom de mens vergeleken met een
rund, in plaats van met een leeuw?
De verklaring voor deze vooringenomenheid blijkt niet ver te zoeken. In een
alsnog onvolwassen wereld past het model van een kudde volkomen in het straatje
van de machthebbers, omdat het op die manier zonder meer gerechtvaardigd
schijnt dat de enkeling zich moet onderwerpen aan het geheel van de
samenleving. Het model van een leeuw zou daarentegen naar een zichzelf
besturende anarchist verwijzen. Maar dat is natuurlijk het laatste waarnaar men
uit zit te kijken.
De evolutie kan niet uitlopen in een laatste verschijnsel dat ergens op
geprogrammeerd is. Dat verschijnsel kan dus ook niet als kuddedier ontworpen
zijn. Bovendien: zou dat wčl het geval zijn, dan zou dat logischerwijs
betekenen dat dit verschijnsel er niet 'op en voor zichzelf' zou zijn, maar
terwille van iets anders, namelijk de groep, kudde of roedel. In feite zou dan
de evolutie niet uitlopen in het verschijnsel mens, maar in het verschijnsel
groep of kudde of roedel. De mens zou bijgevolg in die situatie niet de laatste
kunnen zijn, hetgeen noodzakelijkerwijs zou betekenen dat hij niet het karakter
van een dubbelwezen kon hebben. Maar, dat heeft hij onmiskenbaar wel!
Het laatste verschijnsel komt aan het einde van de evolutie voor de dag als de
mens als enkeling, zonder ook maar enige dienstbaarheid aan iets dat er aan
voorbij zou gaan, iets 'hogers' zo men wil. Die enkeling ontwikkelt zich in de
loop der eeuwen tot 'de individu', hetgeen wil zeggen dat hij tenslotte
zichzelf ontdekt. Met die ontdekking gaat samen dat hij zichzelf als bewustzijn
heeft leren kennen en dat leidt er vervolgens toe dat hij de werkelijkheid als
een in zichzelf gevarieerd alles omvattend geheel kan zien.
Daarmee, met dat individu-zijn, is hij op een zelfstandige manier in staat
geworden zich sociaal te gedragen, in het volle besef van
gemeenschappelijkheid. Deze levenshouding gaat uitsluitend van hemzčlf als
volwassen mens uit. Het is in geen geval een verplichting die hem vanuit een
hogere instantie, namens de groep, dwingend opgelegd is. Dus, werd een sociale
levenshouding aanvankelijk ŕfgedwongen vanuit een externe instantie, namelijk
het boven hem uitgaande geheel van de samenleving, bij de volwassen mens is
daarvan geen sprake meer. Hij bepaalt vanuit een interne instantie, namelijk
het bewustzijn, zijn persoonlijke sociale levenshouding.
Nadenkende over de tegenstelling tussen de mens als enkeling en de mens als lid
van een gemeenschap heeft men in de loop der tijd de meest merkwaardige
constructies bedacht om tot een oplossing van het probleem te komen. Over het
algemeen heeft men als vanzelfsprekend aangenomen dat de gemeenschap boven de
enkeling uit zou gaan. Dat betekent logischerwijs dat de enkeling op de een of
andere manier er toe gebracht moest worden zichzelf enigszins te verloochenen
terwille van het belang van de gemeenschap. Het heet dan dat hij zich van zijn
'plichten' bewust moet worden.
Voorzover deze opzet in de loop der tijden steeds beter gelukt, wordt de
enkeling in toenemende mate het slachtoffer van allerlei beknottingen, wat in
de praktijk natuurlijk een almaar grotere onvrijheid betekent.
Vrijelijk zichzelf-zijn is thans in de moderne wereld bijna geheel ňnmogelijk
geworden, waaraan overigens onmiddellijk toegevoegd moet worden dat de moderne
mens die beknottingen nauwelijks voelt omdat hij inmiddels volledig instemt met
het gangbare bedrijfsmatige wereldbeeld. Hij is het er mee eens dat hij aan de
gemeenschap verplichtingen heeft en dat het niet redelijk is eenzijdig zichzelf
door te zetten ten koste van anderen.
Tot op zekere hoogte is de moderne situatie te billijken, vooral op grond van
het droeve feit dat culturele ňnvolwassenheid in principe met een ongebreideld
egoďsme gepaard gaat. Dat daaraan paal en perk gesteld wordt is zonder meer
redelijk, maar dat neemt niet weg dat op zichzelf het feit dŕt de moderne mens
dat redelijk vindt uitermate gevaarlijk is...
Het gevaar dat in een redelijk begrip voor de eisen van de gemeenschap schuilt,
komt voort uit de omstandigheid dat een gemeenschap niet kan bestaan zonder een
elite die haar zegt te vertegenwoordigen. Er is dus onvermijdelijk ook een
redelijk begrip voor die machthebbende elites en hun autoritaire gedoe. Sterker
nog, er ontstaat zelfs in de enkelingen, dus in feite de burgers, een
onstuitbaar verlangen zich aan het gedrag van die elites te spiegelen en zich
bij hen aan te sluiten. Dat is in feite de pragmatische basis van het
voortdurende streven naar macht.
Op zichzelf zou het eventueel niet zo erg kwalijk zijn als bepaalde elites de
dienst uitmaakten. Zeker in een onvolwassen wereld is gedegen management
onmisbaar. Maar, helaas gaat het in de praktijk niet om management als
noodzakelijk instrument, maar om genoemde macht. Die wordt dus niet gezien als
een middel tot het laten slagen van het management, maar als doel op zichzelf.
Macht behoort onlosmakelijk bij een ňnvolwassen wereld. Macht hebben betekent
voor iemand de, uiteraard asociale, vrijheid om zichzelf te zijn, in feite dus
om, zij het op uitermate primitieve wijze, 'individu' te zijn. In de praktijk
treedt hier wederom een paradox op: de elites houden de mensen voor dat zij
zich aan de wetten, de normen en de moraal van de gemeenschap moeten houden.
Zij beletten hen zich als volwassen individu te laten gelden. Zelfstandig en
vanuit zichzelf sociaal zijn is bij hen niet gewenst. Maar voor zichzelf
claimen zij zonder meer het recht om tot persoonlijke individualiteit te komen.
Dat is door de gehele geschiedenis heen en in alle culturen een vast patroon.
Er is wat dit betreft geen beter voorbeeld dan het asociale gedoe van de
leiders van zogenaamd communistische staten. Als een noodzakelijke consequentie
van hun ideologieën trekken zij alle macht naar zich toe teneinde precies zo te
kunnen leven als zij hun burgers met alle geweld beletten te doen. In strijd
met al hun uitspraken over een sociale wereld maken zij onverdroten zichzelf
breed.
Voor de goede orde: ŕlle machthebbers gedragen zich aldus, maar zij zijn wat
dit betreft niet allemaal even gewetenloos...
Naar bladwijzers: Individualiteit-01 ; Individualiteit-02 ; Individualiteit-03 ; Individualiteit-04 ; Individualiteit-05 ; Individualiteit-06 ; Individualiteit-07 ; Individualiteit-08 ;
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
Bladwijzer: Werkgelegenheid
door Jan Vis
AFLEVERING NR. 34-(05-07-99)
______________________________________________________
In de loop der tijden zijn er heel wat definities
en omschrijvingen voor de kunst van het filosoferen gegeven. Het is zelfs niet
ongebruikelijk de filosofie onder te verdelen in een aantal afzonderlijke
vakgebieden. Maar uiteindelijk draait de hele zaak maar om een enkele vraag:
"Hoe zit het nu echt met de werkelijkheid?" Zo ook als het de vraag
is wat elites nu eigenlijk voor een verschijnsel zijn. Zij spelen in bijna de
gehele geschiedenis van de mensheid een dominante rol, zodat het voor de hand
ligt om te veronderstellen dat zij manifestaties zijn van een essentiële
ontwikkeling van het verschijnsel mens. Bij het nadenken daarover gaat het er
niet om wat men ervan zou kunnen vinden, maar om de zakelijke vraag wat er op
filosofische wijze aan bedacht kan worden. Het is zinvol hier nog eens extra op
te wijzen omdat het begrip 'elite' niet zonder meer en bij voorbaat een
aangename inhoud heeft vanwege de dubieuze rol die vooral politieke en
economische elites tot op vandaag spelen.
Vooral de ethische normen, die men als vanzelfsprekend bij het begrip 'elite'
geneigd is aan te leggen, moeten nadrukkelijk buiten beschouwing gelaten
worden, want zowel de opvattingen als het gedrag van de elites hebben niets met
het begrip 'ethiek' te maken, noch in positieve, noch in negatieve zin. Dat wil
zeggen dat het voor de elites geldende normstelsel iets volslagen anders is dan
de gangbare, op de begrippen 'goed' en 'kwaad' gebaseerde, ethische oordelen.
Het elitaire stelsel is namelijk in de eerste plaats een manifestatie van de
absolute vrijheid van de mens als laatste verschijnsel. Die vrijheid is per
definitie aan geen enkele beperking gebonden. Normen noch waarden zijn er op
van toepassing.
Met recht kan gesteld worden dat de elites dezer wereld 'boven en buiten de
wet' staan. Deze uitspraak klinkt inderdaad als de ongenuanceerde kreet van een
linkse activist die zijn toehoorders ervan wil overtuigen dat de elites niet
deugen, in tegenstelling tot het gewone volk dat zich wel getrouw naar de
wetten zou voegen. Dergelijke kreten hebben al heel wat teweeg gebracht in de
wereld, vaak zelfs de aanzet tot positieve ontwikkelingen. Maar qua inhoud zijn
zij evident onzinnig, want in feite houden ook de gewone mensen zich niet aan
ethische normen en waarden. Ook het volk laat zich niets aan 'goed' en 'kwaad'
gelegen liggen, het staat ook 'boven en buiten de wet'.
Er is natuurlijk wel een verschil tussen de opvattingen en het gedrag van de
elites en die van het gewone volk. De eersten namelijk ontwerpen wetten en
trachten ze af te dwingen, terwijl de tweeden eraan gehoorzamen, uiteraard
voorzover er niet aan te ontkomen valt, doordat zij voortdurend gecontroleerd
worden en daarmee sancties riskeren. In beide gevallen heeft de zaak evenwel
een pragmatisch karakter: de maat ligt bij de vraag of en in hoeverre het
uitvaardigen van, dan wel het gehoorzamen aan wetten, normen en waarden,
voordeel biedt. Het is in geen geval zo dat de inhoud en betekenis van een en
ander als vanzelfsprekend in het zelfbewustzijn van de mensen liggen. Dat wil
zeggen dat de mensen niet zonder meer van zichzelf uit een sociale
levenshouding aannemen, dus een gedrag dat gegrond is op het volwassen inzicht
dat de werkelijkheid aan de mens verschijnt als een ondeelbaar en samenhangend
geheel. Een gedrag dus vanuit het inzicht dat wij mensen 'met zijn allen' zijn.
Dat immers wordt pas dan een menselijke realiteit wanneer de mensheid tenslotte
volwassen geworden zal zijn. Voorlopig is daar echter nog geen sprake van.
Daarentegen ligt de verhouding zo dat het nut en het voordeel maatgevend zijn
inzake het ethische. Men ervaart dit ethische als iets uitwendigs, iets dat
zich van buitenaf aan hen opdringt, niet omdat het van elites afkomstig zou
zijn, maar omdat het hen, elites zowel als gewone mensen, in alle opzichten
wezensvreemd is.
Zoals gezegd is het het opvallende van elites dat zij zich in de praktijk
buiten en boven de wet stellen. Dat is zogezegd hun levenshouding, die in feite
manifestatie is van het verschijnsel mens dat op intellectuele wijze los is
gekomen van alle natuurwetten. Dat dus 'vrij' is van die wetten en bijgevolg
ook van al datgene dat hetzij als 'goed', hetzij als 'kwaad', gekwalificeerd
kan worden, zodat hiermee elke ethiek onmiddellijk vervalt. Het verschijnsel
mens is werkelijk gesitueerd 'voorbij goed en kwaad', zoals destijds kennelijk
ook Nietzsche duidelijk heeft willen maken. Van essentieel belang is het om
hierbij te bedenken dat de mens op alles 'ja' of 'nee' kan zeggen, iets wat
verder op geen enkel niveau van de werkelijkheid mogelijk is. Alles, of het nu
levend is of niet, is gebonden aan onontkoombare betrekkingen met andere
verschijnselen. Maar de mens heeft, als enige, daarin de mogelijkheid tot het
maken van een keuze, nu even daar gelaten of hij al dan niet van een eenmaal
gemaakte keuze opknapt.
Wanneer een bepaalde groep zichzelf als een elite, als een uitverkoren groep,
laat gelden is dat in feite een manifestatie van de werkelijk zelfbewuste mens.
Maar men mag hieruit geen voorbarige conclusies trekken! Aan die constatering
moet namelijk onmiddellijk toegevoegd worden dat zo'n manifestatie bepaald niet
automatisch redelijk en menselijk zal zijn. In tegendeel: in een vooralsnog
ňnvolwassen mensheid als de huidige is het onvermijdelijk dat uitsluitend een
bepaald blind eigenbelang de leidraad voor die levenshouding is. Dat
eigenbelang kan getypeerd worden als het streven om, koste wat het kost, het
eigen leven veilig te stellen. Dat is op zichzelf niets bijzonders, want het
geldt voor elke mens, maar het is bij de elites toch in zoverre opmerkelijk dat
zij in dat streven alles mee hebben omdat zij in principe alles naar hun hand
kunnen zetten. De gewone mensen kunnen dat per se niet. Gehoorzamen is het
enige wat voor hen is weggelegd. Dezelfde elites die voor zichzelf het recht
opeisen hun eigen belangen als de maat te stellen, beletten dat meedogenloos en
hardnekkig de gewone mensen.
Veiligheid is een cruciaal begrip voor de werkelijk zelfbewuste mens. Dat houdt
in dat hij er in de praktijk in geslaagd is van de voor hem in wezen
onherbergzame planeet een leefbare wereld te maken. Dat is een planeet die met
behulp van wetenschap, technologie en techniek in cultuur gebracht is en die
als zodanig optimaal verzorgd wordt. In feite is dat een 'vermenselijkte'
wereld. Over de betekenis daarvan tast de huidige mens nog volstrekt in het
duister. Zijn ideeën daarover komen nog lang niet boven plunderen en uitbuiten
uit. Een 'vermenselijkte' wereld is in zijn optiek een planeet die als een
machine functioneert, met louter voorspelbare processen. Regelmatig hoort men
geëxalteerde wetenschappers de loftrompet steken over het modificeren van het
DNA van planten en dieren. Dat nu berust op puur mechanistisch denken. Zij
stellen zich daarbij voor dat zij straks het gehele leven in hun macht zullen
hebben en op die manier de planeet tot een zaak van de mens zullen hebben
omgetoverd.
Dat dit laatste inderdaad moet gebeuren ligt volkomen in de rede, maar niet op
de kinderachtige en in feite zelfs levensgevaarlijke manier die de huidige
wetenschappers en hun managers voor ogen staat. Een werkelijk 'vermenselijkte'
planeet heeft als belangrijkste kenmerk dat zij niet langer uitgebuit wordt,
zoals tot nu toe het geval is, maar dat zij zo goed als redelijkerwijs mogelijk
is wordt verzorgd. Dat wil zeggen dat de levende planeet, inclusief de mens,
optimaal tot haar recht kan komen, getrouw volgens eigen aard en mogelijkheden.
Dus per se niet volgens de letterlijk wereldvreemde theorieën van op almacht
beluste en betweterige wetenschappers, maar uitsluitend volgens aan het leven
eigen procedures. Alleen op die manier kan de planeet een leefbare wereld zijn.
De absolute noodzaak van veiligheid, gebaseerd op die praktische grondslag,
wordt bijna altijd door de denkers over het hoofd gezien, stellig omdat zij nog
steeds, diep verborgen in hun onderbewustzijn, een onoverkomelijke afschuw van
het materiële hebben. Vooral vanuit de christelijke traditie is dat immers het
banale, het beperkte en het benauwde dat bij de werkelijkheid als 'het lagere'
behoort. "Hier beneden is het niet", houden de godsdiensten nog immer
hun gelovigen voor. En de meeste elites maken dankbaar gebruik van die stelling
om de gewone mensen zand in de ogen te strooien. Maar intussen is toch
datzelfde 'hier beneden' de onmisbare basis voor een behoorlijk menselijk
leven, zo onmisbaar zelfs dat er zonder het verzorgd zijn ervan volstrekt niets
van het menselijk leven terechtkomt. De lijdensweg van de aanvankelijke onvolwassen
mensheid toont dat onverbiddelijk aan. De idealen van de mensen kunnen bij
gelegenheid zo hoog niet zijn of zij sneuvelen vroeg of laat door het ontbreken
juist van die materiële basis. Armoede en gebrek, maar ook kunstmatigheid
en academische heerszucht, staan elke werkelijk menselijke ontwikkeling in de
weg.
Het is onvermijdelijk dat ook de elites tot op
heden uit cultureel onvolwassen mensen bestaan. Zij mogen dan wel manifestaties
zijn van het verschijnsel mens als een absoluut vrije zaak en als zodanig 'ware
menselijkheid' vertonen, maar logischerwijs is dat alles totaal verwrongen door
die onvolwassenheid. Ten gevolge daarvan berust genoemde vrijheid op
ŕfzondering: men zondert zich af van zijn medemensen en verheft zich zelfs
boven hen. In feite maakt men zich zelfs los van de gehele werkelijkheid om
tegelijkertijd zijn toevlucht te zoeken bij een zelf ontworpen wereldje met
eigen normen en waarden. In die onvolwassen toestand is de vrijheid dus door en
door een voorwaardelijke en in genen dele een absolute. De basale materiële
veiligheid is eenzijdig geworteld in de armoede, het sloven en sjouwen van de onderlaag
van gewone mensen. Juist deze slavernij, die nog altijd voortduurt, zij het
onder de misleidende namen 'werkgelegenheid' en 'democratische plichten', maakt die
betrekkelijke vrijheid van de elites mogelijk. Zonder dit geploeter van het
gros van de mensen kan er in een onvolwassen wereld geen elite zijn. Bezien in
dat licht moet vastgesteld worden dat het sociale karakter van de elites nu
niet bepaald een voorbeeld van ware, vrije en alles omvattende menselijkheid
is.
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
verantwoordelijkheid-1 verantwoordelijkheid-2
door Jan Vis
Bladwijzer: verantwoordelijkheid
AFLEVERING NR. 35-(06-09-99)
______________________________________________________
Hoe er binnen de sfeer van een cultuur tegen de daarin aanwezige elites
aangekeken wordt heeft te maken met een tweetal nauw met elkaar samenhangende
ideeën. Het gaat om interpretaties die de mensen geven van eigenaardigheden die
zij zo af en toe aan zichzelf opmerken, maar die zij zo zonder meer niet
begrijpen kunnen. Zij krijgen namelijk telkens de indruk dat zij op de een of
andere manier deel uitmaken van twee werkelijkheden. Daarvan zou de eerste
aards zijn, namelijk alledaags en materieel, maar de tweede daarentegen
goddelijk, te weten niet-materieel en boven alles verheven.
Nu blijkt die indruk op zichzelf volkomen juist, maar de interpretaties ervan
getuigen zelfs tot op de dag van vandaag, na zovele eeuwen van filosofie en
wetenschap, van een betreurenswaardig gebrek aan inzicht. Het is namelijk nog
steeds niet tot het gros van de mensen doorgedrongen dat het in feite gaat om
slechts één zaak, die weliswaar in een tweetal gedaanten verschijnt maar die
van slechts een enkel verschijnsel het karakter uitmaakt: het verschijnsel
mens.
De mens is het ultieme verschijnsel. Inniger dan zo kan de materie zich niet
samenvoegen. Hij is het absolute eindpunt van de wordingsprocessen, en als
zodanig heeft hij een dubbel karakter: hij is het laatste en meest volkomen
moment van de wording en de evolutie, om in de kwaliteit van eindpunt
tegelijkertijd de ontkenning daarvan te zijn. Gevolg is dat dit verschijnsel
zowel materieel als niet-materieel van aard is. Men pleegt dan ook te zeggen
dat mens uit 'lichaam en geest' bestaat.
Doordat dit dubbele, hoewel ongeweten, het hele wezen van de mens uitmaakt
houdt hij zich voortdurend daarmee bezig. Hij spiegelt almaar zijn eigen
bestaan aan die twee gedaanten van die ene werkelijkheid. Als vanzelfsprekend
geldt het niet-materiële daarbij als de absolute maat voor alle dingen, omdat
het aangevoeld wordt als een zaak die na de materie komt en er dus boven
uitgaat. En logischerwijs wordt daarbij tegelijkertijd beseft dat die
werkelijkheid het toppunt is van onafhankelijkheid en vrijheid, niet langer
onderworpen als zij is aan de gebondenheid die voor de materie geldt. Dus
vinden de mensen dat zij die onafhankelijkheid en vrijheid zouden moeten
zoeken, waarbij zij overigens steevast van mening zijn dat het vinden ervan niet
mogelijk is zonder een voorafgaande lichamelijke dood, wat in hun gedachtengang
betekent dat de materie ontkend wordt.
In alle culturen en alle tijden hebben de mensen aangevoeld dat de echte,
volwassen, mens gekenmerkt wordt door vrijheid en onafhankelijkheid, in welke vorm dan ook.
Het streven daarnaar van de elites wordt bijgevolg bewust of onbewust beschouwd
als iets voorbeeldigs dat navolging verdient. Men heeft er niet alleen
bewondering voor, maar niet in de laatste plaats ook ontzag. Daardoor wordt de macht
die de elites zich toe-eigenen vrijwel zonder morren aanvaard en zelfs als iets
natuurlijks gezien.
Voor het aanvaarden van macht zijn er uiteraard altijd twee nodig. De een is
bereid tot aanvaarden, maar de ander vindt het normaal en verantwoord macht uit
te oefenen. De elites vertonen bijgevolg een bijna irritante zelfverzekerdheid
als het over hun macht gaat. En als die elites daarbij dan ook nog zelf
verklaren in verbinding te staan met het hogere, bijvoorbeeld God, is de onderwerping aan hun
macht een voldongen feit. En men vraagt zich niet of nauwelijks af of er enige
praktische rechtvaardiging voor dat superieure gedrag te vinden is. Op dat
psychische mechanisme is de tweedeling van elke huidige en vroegere
maatschappij gebaseerd, een feit waaraan op zichzelf helaas tot het verschijnen
van de uiteindelijke volwassen mens niet te ontkomen is.
Zolang de mensen niet inzien dat zij zelf, persoonlijk, die dubbele
werkelijkheid zijn zullen zij vooral de niet-materiële kant van hun
persoonlijkheid buiten zichzelf plaatsen en daarmee het fundament leggen voor
enerzijds hun eigen ondergeschiktheid of anderzijds machtsbegeerte. Hun wereld
zal onvermijdelijk verdeeld zijn in een waardevolle hogere en een banale lagere
afdeling.
Het is waar dat zich in de elites manifesteert
dat de mens op weg is naar de bij zijn wezen behorende persoonlijke vrijheid en
onafhankelijkheid, maar het is tegelijkertijd een feit dat diezelfde elites
zich in de regel uitermate asociaal gedragen. Dat kwalijke gedrag wordt ňf met
enige nadruk voorgesteld als dienstbaarheid aan de mensheid en haar welzijn, ňf
angstvallig verborgen gehouden omdat het uiteindelijk toch niet strookt met het
verheven imago dat bij een elite behoort. Men doet het voorkomen alsof men zich
behoorlijk gedraagt en zich voortdurend bewust is van zijn verantwoordelijkheid
voor de wereld en de mensen. Maar zelfs als men van de waarheid hiervan voor
zichzelf ten diepste overtuigd is, kŕn het simpelweg niet waar zijn, omdat het
elite-zijn nu eenmaal op genoemde tweedeling berust en dus een verbreken van de
werkelijkheid vooronderstelt.
In de loop van de geschiedenis zijn er talloze mensen geweest die zich met
volle overtuiging beijverd hebben het goede te doen, wat wil zeggen dat zij
hebben geprobeerd te 'deugen'. Maar onveranderlijk is dat, vanaf het moment dat
zij zich met hun medemensen gingen bemoeien, in dwingelandij ontaard. Dan kwam
onvermijdelijk de splitsing van werkelijkheden te voorschijn. En aangezien het
niet mogelijk is zich niet op de een of andere manier met zijn medemensen te
bemoeien treedt het moment van tweedeling met zekerheid op.
Vooral tegenwoordig, met de toenemende mogelijkheden van onderzoek en
communicatie en het tanende ontzag voor de zogenaamd hoger geplaatsten, wordt
er steeds meer onthuld over de praktijken van de elites. Daarbij blijkt onder
andere steeds dat zij over een soort van 'dubbele agenda' beschikken. Dat wil
zeggen dat geen van hun handelingen zijn wat zij lijken te zijn. Zij lijken
door redelijkheid en edelmoedigheid ingegeven te zijn, maar zijn in feite
steeds gericht op eigen belangen in verband met de ongebreidelde vergroting van
de eigen vrijheid. Het komt vaak voor dat het nastreven van eigen belangen zich
voordoet als 'wereldverbetering'. Men wil dan oprecht de maatschappij
veranderen. Uiteraard heeft men daarbij een bepaalde blauwdruk van een goede
maatschappij voor ogen. Maar juist die blauwdruk bepaalt de criteria voor de
veranderingen, zodat, wellicht soms ongewild, datgene dat men zelf als
belangrijk beschouwt maatgevend wordt. En aldus is men toch weer met een
'dubbele agenda' bezig met als feitelijk resultaat dat men wederom in de
valkuil van de tweedeling valt.
De genoemde 'dubbele agenda' behoort logischerwijs bij de elites. Hun algehele
bestaan staat in het teken van dit dubbele. Zij maken er immers gebruik van om
de eigen vrijheid en onafhankelijkheid te kunnen bevorderen en in stand te
houden. Doordat dit het geval is kunnen ook behoorlijke mensen, die op de een
of andere manier tot een elite zijn gaan behoren, er niet aan ontkomen. Niet
ten onrechte heeft men opgemerkt dat macht altijd corrumpeert! Behoorlijke
mensen kunnen in feite niet meer doen dan zo weinig mogelijk gebruik maken van
de 'dubbele agenda', maar onvermijdelijk zullen zich steeds situaties voordoen
waarin de werkelijke belangen gediend moeten worden, te weten de asociale
belangen van de elite.
Die 'dubbele agenda' behoort tot de elite omdat deze zich noodzakelijkerwijs
ŕfzondert van het gros van de samenleving. Geheel in overeenstemming met de
tweedeling verheft de elite zich boven de samenleving en gaat daarvoor de
dienst uitmaken.
In feite hebben de elites een niet-materiële basis. In de praktijk komt dit
voor de dag aan het voortdurend verabstraheren van hun welstand. Zij doen het
voorkomen als zouden bezit en macht, rijkdom en onafhankelijkheid, niet
belangrijk zijn. Graag houden zij de minder bedeelden voor: "Geld maakt
niet gelukkig", om er vervolgens zorgvuldig op toe te zien dat hun eigen
rijkdom zich gestaag vermeerdert. En tegenwoordig, nu de wetenschap de nieuwe
basis voor macht is geworden, mogen zij zich graag als intellectuelen voordoen,
overigens zonder ooit met een intelligente gedachte te komen. Vooral politici
blinken hierin uit. Als men een ogenblik stilstaat bij de verschrikkelijke
misdadige wanorde in de wereld en vervolgens het daarmee samenhangende denken
en gedrag van al die erbij betrokken politici in ogenschouw neemt, moet erkend
worden dat de elites de pretentie aan de wereld leiding te geven absoluut niet
waar kunnen maken.
Volgens de filosoof Hegel vormen de elites 'de idealiteit van de samenleving'.
Als men louter op abstracte wijze hierover nadenkt en dan in aanmerking neemt
dat die elites gebaseerd zijn op een afzonderlijke, hogere, niet-materiële
werkelijkheid, kan men het eventueel wel met Hegel eens zijn. In abstracto
klopt het inderdaad, maar als men onbevangen over de feiten nadenkt, blijkt er
juist niets van te kloppen, want die zogenaamde idealiteit van de elites berust
tenvolle op die kwalijke tweedeling van de werkelijkheid.
Ziet men evenwel het onvolwassene van deze situatie in, dan wordt onmiddellijk
duidelijk dat elites eigenlijk in termen van onmenselijkheid aangeduid zouden
moeten worden.
Geen enkele goede bedoeling kan dat feit ongedaan maken, maar er is wel te
spreken van een soort 'excuus': het zich verheffen kan in een alsnog
ňnvolwassen wereld niet uitblijven omdat het juist bij de kinderlijkheid
behoort om de eigen onstoffelijkheid als iets aparts en hogers te beschouwen.
Daardoor is de tweedeling onvermijdelijk. En dus is het ook logisch dat deze
'onmenselijkheid' zich gedurende lange tijd handhaaft en een tragisch stempel
op de mensheid drukt.
Naar bladwijzer(s): Onafhankelijkheid: Zie nrs. 14 ; 21
; 25 ; 35
; 45 ; 67 ;
verantwoordelijkheid-1 verantwoordelijkheid-2
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
Zie bladwijzers: Waanvoorstellingen- zie afl. 17 ; 23 ; 36 ; 37 ; 46 ; 52
; 60 ; 63 ; 64 ; Vrije keuze-1 ; Vrije keuze-2 ;
door Jan Vis
AFLEVERING NR. 36-(04-10-99)
______________________________________________________
Ondanks het feit dat het heel goed verklaarbaar is dat er nog maar betrekkelijk
weinig moderne mensen zijn die echt in God geloven, kan men zich er bij
gelegenheid toch hevig over verbazen dat nog steeds bijna niemand in de gaten
heeft hoe het nu feitelijk zit met dat fenomeen dat 'God' genoemd wordt. Ook de
denkers geven doorgaans weinig uitsluitsel op dit punt, zelfs niet als zij
inmiddels wel erkennen dat het bij het geloof in goden over een of ander
psychisch of sociologisch verschijnsel gaat.
Op zichzelf is het niet verwonderlijk dat de mensen in goden geloven, want een
dergelijke fictie behoort tot de onvermijdelijke dwalingen van de onvolwassen
mens, de mens dus die zichzčlf nog altijd niet ontdekt heeft. Ook de moderne
mens is nog onvolwassen, ondanks het feit dat hij in hoge mate met wetenschap
en technologie vertrouwd is en zelfs op het punt staat de basis van de
werkelijkheid bloot te leggen. Hij heeft zich toegang verschaft tot de gehele
planeet en hij is druk bezig zich een weg door het heelal te banen, maar hij
heeft de mens nog steeds niet ontdekt.
Inderdaad houdt hij zich al lange tijd met het verschijnsel 'mens' bezig, door
het qua lichaam en geest te ontleden en vervolgens in een groot aantal
wetenschappelijke rubrieken onder te verdelen. Maar ook dat blijkt niet tot de
ontdekking van de mens te leiden. Sterker nog: al deze activiteiten doen hem
zelfs steeds verder van zichzelf vervreemden, zodat hij nu zo langzamerhand een
voorstelling van zichzelf heeft ontwikkeld die beangstigend dicht bij een waanvoorstelling komt.
De waan is deze dat de onvolwassen mens zijn eigen onstoffelijkheid, deftiger
gezegd 'zichzelf als niet-materie', voor een uitwendige zaak aanziet en zelfs
als een zaak die verre boven hemzelf en de wereld van de concrete dingen
uitgaat. Die 'dichotomie', oftewel tweedeling, is oorzaak van de vele
misdragingen die de mensen tot op de dag van vandaag vertonen. Dat loopt van
een ogenschijnlijk onschuldige huiselijke pesterij tot en met een afschuwelijke
massamoord. In allerlei gedaanten komt daarin steeds de 'hoog-laag verhouding'
voor, op die manier dat men het een of andere verzinsel als een hogere,
doorgaans goddelijke, aangelegenheid voorstelt om daaraan vervolgens als
vanzelfsprekend het recht te ontlenen zijn medemens te vernederen en te
krenken, door het hem of haar onmogelijk te maken volgens eigen aanleg en naar
eigen vrije keuze
te leven en te handelen. Dat wil in feite zeggen dat men vindt macht over
anderen te kunnen en te mogen uitoefenen. Genoemde 'hoog-laag verhouding' is
wezenlijk typerend voor de vooralsnog ňnvolwassen mensen en dat is als zodanig
op zijn beurt consequentie van die dichotomie. Uiteraard betekent dat
tegelijkertijd dat ook de notie 'god' uit die dichotomie voortspruit.
Ik heb het al vaak laten zien: het verschijnsel 'mens' heeft een dubbel
karakter. Dat komt doordat het aan de uiterste grens van de wordingsprocessen
ligt. Eigenlijk zou dat gemakkelijk te begrijpen moeten zijn want aan uiterste
grenzen liggen altijd en noodzakelijkerwijs dubbele verhoudingen. Zo'n uiterste
grens is de twee-eenheid van iets en onmiddellijk ook van de ontkenning van
datzelfde iets. Elk ding houdt aan zijn grens op en is dus 'dat ding' en 'niet
dat ding' tegelijkertijd. De rand van de tafel is beide, tafel en niet- tafel
en zo is de mens als laatste product van het wordingsproces tegelijkertijd
verschijnsel en niet-verschijnsel, materie en niet-materie.
Bij het nadenken over de mens is men logischerwijs genoodzaakt uit te gaan van
de mens als materie, want die is het die zich vervolgens als niet-materie laat
gelden. De mens als materie is dus onmogelijk wčg te denken zodat hieruit als
eerste de conclusie getrokken moet worden dat de materie zich tenslotte, mens
geworden zijnde, laat gelden alsof zij géén materie ware.
Het opmerkelijke van het geloof aan goden is dat de mensen een volstrekt
ňnmogelijke gedachte proberen voor correct te laten doorgaan om daarna aan die
foute idee een concreet bestaan toe te dichten. Het onmogelijke van die
gedachte is gelegen in de omstandigheid dat men nu juist wel de basis van de
mens als materie wegdenkt en vervolgens de mens als niet-materie beschouwt als
een op zichzelf bestaande werkelijkheid. Uiteraard vindt men vervolgens dat dit
een hogere zaak is, omdat men in de verte wel beseft dat hij pas gaat gelden
nŕdat de materie zich in volle omvang gemanifesteerd heeft. Het wordingsproces
van de materie moet dus definitief aan zijn eind gekomen zijn.
Doordat de mens het, sprekende over zijn God, in feite over zichzelf heeft
komen de kwalificaties die hij aan zijn God toekent volstrekt en volledig
overeen met al of niet in hun tegendeel verkeerde menselijke kwalificaties.
Enerzijds ziet men dan typisch menselijke kleinzieligheden zoals jaloezie,
machtswellust, wreedheid en dergelijken en anderzijds tot in het oneindige
uitvergrote evenzeer menselijke ondeugden. Zo is bijvoorbeeld de hooggeprezen
'liefde' van God niets anders dan een als universeel opgewaardeerd egoďsme dat
alleen maar eist en nooit iets belangeloos geeft, een verfoeilijke eigenschap
overigens die bij de volgelingen van God eveneens nadrukkelijk op de voorgrond
treedt.
God is in het groot zoals zijn miezerige gelovigen in het klein zijn. De
beperktheid in tijd en plaats worden eeuwigheid en oneindigheid, machteloosheid
wordt omgezet in almacht en dwingelandij in rechtvaardigheid. Maar, als die God
aldus gedefinieerd is worden op hun beurt die gelovigen omgezet tot
nietsontziende reproducties van die god en zijn verfoeilijke eigenschappen. Als
nu die reproducties de kans krijgen en hun gang kunnen gaan ontzien zij niets
en niemand, daartoe als vanzelfsprekend gesanctioneerd door de uit de
dichotomie afgeleide hogere machtspositie. Dat betekent dat zij altijd en
onvoorwaardelijk in hun recht menen te staan, zonder enige souplesse en
grootmoedigheid. Nooit leren zij af hun opvattingen en hun gedrag te
rechtvaardigen met 'de wil van God' als doorslaggevend argument en het is
onmogelijk hen ervan te overtuigen dat die 'wil van God' logischerwijs hun
eigen tirannieke willetje is.
Gelukkig betekent het bovenstaande niet zonder
meer dat iedere gelovige zich consequent daarnaar gedraagt. Moderne vrijzinnige
gelovigen zijn zo langzamerhand aardig in staat hun medemensen met rust te
laten en zich van benepen oordelen te onthouden. Maar als grondtoon is dat
beroep op de 'wil van God' toch steeds onmiskenbaar aanwezig. Vrijzinnige
gelovigen zijn dan ook mensen die een bepaald gedrag nu eens niet vertonen, een
gedrag evenwel dat wel degelijk, op grond van hun godsdienstige instelling, van
hen verwacht mag worden. Zo is bijvoorbeeld de verwachting gerechtvaardigd dat
katholieken homoseksualiteit
zullen veroordelen omdat het volgens hun kerkleer en dus de geboden van hun God
een ernstige zonde zou zijn. Maar tegenwoordig is waarschijnlijk een overgrote
meerderheid van hen een andere opvatting toegedaan. Zij vinden homoseksualiteit
niet langer een zonde en ook geen lichamelijk of psychisch defect. Zij
beschouwen het gewoon als een sexuele mogelijkheid die onvoorwaardelijk recht
van bestaan heeft. Toch behoort een veroordeling wezenlijk bij hun
levensbeschouwing, maar dan als een achterhaalde zaak, die nu op 'negatieve
wijze' geldt.
Zie bladwijzers: Waanvoorstellingen- zie afl. 17 ; 23 ; 36
; 37 ; 46 ; 52 ; 60
; 63 ; 64 ; Vrije keuze-1 ; Vrije keuze-2 ;
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
Zie bladwijzers: Waanvoorstellingen- zie afl. 17 ; 23 ; 36 ; 37 ; 46 ; 52 ; 60 ; 63 ; 64 ; Verlichting Schepping(s)verhaal-zie afl. 03, 37, 43, 44, 69
De Verlichting, zie: Nrs. 3 , 14 , 18 , 31, 37 , 42 , 55 , 73 ,
door Jan Vis
AFLEVERING NR. 37-(01-11-99)
______________________________________________________
Over het algemeen is te zeggen dat sinds het begin van de 19e
eeuw de idealen en de doelstellingen van de voorvechters van de Verlichting in hoge
mate werkelijkheid zijn geworden. Hun overtuiging dat voorlichting, onderwijs
en arbeid, gepaard gaande met voor een ieder toegankelijke gezondheidszorg en
onvoorwaardelijke juridische veiligheid, de mensen zou bevrijden van angst,
armoede en minderwaardigheid, is zonder meer een juiste gebleken. Het individu
is gaandeweg erkend als een zelfstandige en wezenlijk onaantastbare grootheid.
De moderne westerse mensen hebben intussen nagenoeg allemaal een redelijk goede
opleiding genoten. Op hun scholen hebben zij niet alleen geleerd zich enigszins
begrijpelijk uit te drukken, te lezen en te schrijven, maar, weliswaar
zijdelings, maakten zij ook kennis met velerlei takken van wetenschap. Daardoor
zijn zij min of meer spelenderwijs vertrouwd geraakt met een redelijke wijze
van redeneren, waarin de maat ligt bij de feiten en een zo betrouwbaar
mogelijke controle daarvan.
De meeste waanvoorstellingen,
zoals die als regel door maatschappelijke en godsdienstige machthebbers worden
verspreid en in stand gehouden, zijn als gevolg daarvan verdwenen, althans
teruggedrongen naar het terrein waar zij wezenlijk thuishoren, namelijk dat van
de persoonlijke overtuigingen, levensbeschouwingen en wanen. Zij hebben plaats
gemaakt voor op onafhankelijke wetenschap gestoelde wereld- en
levensbeschouwingen. Dat is intussen al dermate gemeengoed geworden dat vrijwel
het gehele maatschappelijke en individuele leven ervan doortrokken is. Het
wordt thans beheerst door management dat de al dan niet terechte pretentie
heeft wetenschappelijk te zijn.
Al met al dus een groot succes voor de Verlichting. Die heeft immers in een
tijdsbestek van slechts twee eeuwen een gigantische omwenteling teweeg
gebracht. Inderdaad is dat geen geringe prestatie, vooral als men daarbij
bedenkt dat het Europa van het begin van de 19e eeuw totaal verpauperd was door
toedoen van de schurken van adel en geestelijkheid.
Toch is het alles niet bepaald goud wat er blinkt. Eigenlijk zijn de overigens
onmiskenbare verworvenheden van twee eeuwen Verlichting alleen maar als een dun goudlaagje
opgedampt op een banale ondergrond van individuele gelovigheid en occultisme,
met de erbij behorende intellectuele eigenwijsheid en arrogantie. Daarvan zijn
gemakkelijk velerlei voorbeelden te geven.
Zo kan het gebeuren dat in een Nederlands genootschap van sceptici, uitermate
kritisch zoals het sceptici betaamt, zich toch een antroposofische professor bevindt die, zij
het onder het mom van wetenschappelijk onderzoek, reclame maakt voor zijn
ideeën omtrent reďncarnatie en daarbij met een professorale arrogantie noties
hanteert als een 'hiertussenmaals', het totaal versleten begrip 'karma' en de
een of andere duistere 'reďncarnerende identiteit' (zie:
Rotterdams Dagblad 30 oktober j.l.).
Uiteraard heeft iedereen, zelfs een professor, recht op zijn
eigen onzin, maar de associatie met een flinterdun 'verlicht' goudlaagje op een
ordinaire en kinderachtige ondergrond is ontegenzeggelijk frappant. En
bovendien blijkt eens te meer dat de wetenschap sinds het vervallen van de
autoriteit van de godsdiensten gemakkelijk als zo'n bedrieglijk goudlaagje kan
fungeren. Als het er op aankomt is er dus niet zo bar veel aan de hand qua
wetenschappelijkheid. In dit geval hebben wij zelfs te doen met een heuse
professor. Maar gewoonlijk betreft het allerlei charlatans zoals waarzeggers,
astrologen en andere duisterlingen die al lang in de gaten hebben dat wetenschappelijke
pretenties uiteindelijk niets voorstellen, maar wel uitermate bevorderlijk zijn
voor de geldbuidel...
Nu echter gaat het speciaal over nog een andere variant van dat goudlaagje,
namelijk die van het 'intellectueel autisme'. Dit merkwaardige verschijnsel
komt, zoals de naam reeds aangeeft, vooral voor bij intellectuelen, speciaal
die met een academische opleiding. Het houdt in dat zij bij kennismaking met
een gedachtengang van iemand anders niet in staat zijn die onbevangen in zich
op te nemen. Zij blijven als een autist steeds binnen hun eigen
voorstellingswereld opgesloten. Ook als zij oprecht menen kennis te hebben
genomen van zo'n andere gedachtengang is die toch onmiddellijk vervormd tot een
in hun eigen voorstelling inpasbare zaak.
Tragisch gevolg van dat intellectuele autisme is dat men een gedachtengang van
iemand anders onmogelijk kan leren kennen. Daardoor wordt kritiek op en
beoordeling van andermans gedachtengang een indirecte uitdrukking van het eigen
autisme en de daaruit voortkomende misvattingen. Een behoorlijke
gedachtenwisseling is dan al bij voorbaat een fiasco. Sterker nog: er is
helemaal geen uitwisseling van gedachten mogelijk!
Het intellectuele autisme neemt, met het gestaag verhogen van de
wetenschappelijke standaard van de moderne cultuur, hand over hand toe.
Vanzelfsprekend is dat het geval bij de academici. En journalisten blijken maar
al te vaak iets heel anders in een verklaring van iemand te horen of te lezen
dan er in feite gezegd wordt of geschreven is. Zij zijn niet in staat uit hun
intellectuele isolement te treden. Dat geldt overigens in nog heviger mate voor
politici. Een gezelschap van dit soort lieden, bijvoorbeeld in het parlement,
roept bij de toeschouwer onvermijdelijk een vergelijking met een bijeenkomst
van autistische kinderen op. Allemaal horen ze alleen maar hun eigen gebazel.
Er zijn verschillende mogelijkheden wat betreft discussies. De meest redelijke
en in feite filosofisch en wetenschappelijk verantwoorde is deze dat de een de
gedachtengang van de ander nauwkeurig en onbevangen in zich opneemt en
eventueel vervolgens probeert de fouten die er naar zijn oordeel in zitten ter
discussie te stellen. Daartoe moet hij dus de oorspronkelijke redenering stap
voor stap gevolgd hebben. Uiteraard is het noodzakelijk dat hij die redenering
begrijpt, want anders is het volstrekt onmogelijk na te gaan of er door de
ander fouten gemaakt zijn. Deze laatste kan dan op zinvolle wijze duidelijk
proberen te maken dat het volgens hem geen fouten zijn, ofwel hij kan toegeven
zich vergist te hebben. Een op deze manier verlopende discussie vertoont het
tegendeel van intellectueel autisme want men neemt geen afgesloten, in zichzelf
gekeerde, standpunten in maar staat daarentegen open voor elkaars
gedachtengangen. En dat doet men zelfs als men het niet met elkaar eens blijkt
te zijn.
Zo is er met recht te spreken van wederzijds begrip. Dat houdt namelijk niet
in, zoals veelal ten onrechte gemeend wordt, dat men het met elkaar eens zou
zijn, maar dat men elkaars gedachtengang begrepen en beoordeeld heeft.
Meestal echter stelt men zijn eigen verhaal botweg tegenover dat van de ander.
Daarbij lijkt het alsof die ander nooit beweerd heeft wat hij beweerd heeft.
Aan zijn redenering wordt volledig voorbij gegaan. Autistisch als men is heeft
men die in feite helemaal niet gehoord. Desnoods zou dat onder bepaalde
omstandigheden door de vingers gezien kunnen worden maar dan kan er uiteraard
geen sprake van een discussie zijn. Toch doet men het vaak als zodanig
voorkomen, vooral in het politieke debat. Maar niet alleen daarin. Ook in de
filosofie wordt met gretigheid gebruik gemaakt van deze autistische kunstgreep.
Inderdaad is hij ideaal om collega's onderuit te halen.
Een voorbeeld uit de praktijk van mijn eigen werk: op deze pagina's heb ik,
zowel in het Nederlands als in het Engels, telkenmale mijn gedachtengang
omtrent de godsdienst, het geloof en het al of niet bestaan van goden verwoord.
Daarin heb ik duidelijk gesteld dat goden niet kunnen bestaan en dat alle
verhalen over iets hogers het gevolg zijn van het buiten en boven zichzelf
plaatsen van de eigen niet-materiële dimensie. Vanzelfsprekend is een en ander
gedegen onderbouwd en beargumenteerd. Toch blijken velen te moeten reageren met
de opmerking: "Er moet toch iets hogers,
iets spiritueels, zijn" en "De schepping is er niet zomaar, hij moet
een bedoeling hebben".
Kennelijk zijn die hartekreten bedoeld als weerlegging van het door mij
gestelde. Maar als zodanig zijn zij een typisch voorbeeld van autisme, want ik
had nu net stap voor stap(zie
het hoofdwerk Beweging
en Verschijnsel) beredeneerd dat iets
hogers niet bestaan kan, evenmin als iets of iemands bedoeling met de
schepping, die overigens ook geen schepping kan zijn maar het onvermijdelijke
resultaat van een kosmisch proces. Die gedachtengang werd echter volledig
genegeerd alsof hij nimmer ter tafel gebracht was. Men heeft de betekenis ervan
niet opgemerkt doordat intellectueel autisme dat belette...
Zie bladwijzers: Waanvoorstellingen- zie afl. 17 ; 23 ; 36 ; 37 ; 46 ; 52 ; 60 ; 63 ; 64 ; De Verlichting, zie: Nrs. 3 , 14 , 18 , 31, 37 , 42 , 55 , 73 ,
Schepping(s)verhaal-zie afl. 03, 37,
43, 44, 69
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
door Jan Vis
AFLEVERING NR. 38-(29-11-99)
Naar : Houvast-1
; Houvast-2 ; Houvast-3
; Houvast-4
;
______________________________________________________
Eigenlijk is 'intellectueel autisme' niet alleen maar een modern verschijnsel.
Toegegeven moet worden: het bijvoeglijk naamwoord 'intellectueel' doet
inderdaad vermoeden dat het om iets moderns zou gaan. Tegenwoordig heeft immers
iedereen wel de een of andere intellectuele vorming ondergaan. De term roept
dan als vanzelf een associatie op met een meer dan gemiddelde geleerdheid. In
dit verband is de term 'intellectueel' dus uitdrukking van een persoonlijke
specialiteit. Daarbij kan de een een hogere intellectuele vorming ondergaan
hebben en de ander een lagere. Wellicht gelden sommigen dan zelfs als helemaal
gespeend van iedere intellectuele ontwikkeling.
Het gaat nu bij het begrip 'intellectueel autisme' evenwel niet over een
toevallige kwaliteit of eigenschap van die of gene. De term 'intellectueel'
heeft in verband met het begrip 'autisme' een wezenlijk andere betekenis. Het
betekent nu dat er sprake is van een bepaalde wezenlijke verhouding binnen het
geheel van člke mens, namelijk dat zij of hij als slotaccoord van de wording en
de evolutie gekenmerkt wordt door het vermogen om zichzelf en daarmee de gehele
natuurlijke werkelijkheid te ontkennen. Die werkelijkheid is in de mens 'op
ontkende wijze' aanwezig, hetgeen wil zeggen dat zij wel degelijk en ten voeten
uit aanwezig is, maar dat zij als zodanig voor de mens op een andere manier
geldt. Het is bijgevolg de mens zčlf die besluit wanneer en hoe de natuurlijke
werkelijkheid en haar wetten van kracht zijn. Die betrekkelijke vrijheid wordt
beheerd door het intellect, dat wil zeggen: door het oordeelsvermogen en de wil
van de mens. Het is naar deze unieke verhouding dat het begrip 'intellectueel'
verwijst.
De mens is het enige dier dat eigenmachtig bepaalt hoe het, binnen de grenzen
van het eigen concrete bestaan, met zichzelf en de buitenwereld om zal gaan.
Hij is het enige dier met intellect, reden overigens waardoor hij in feite geen
dier meer is. Daarvan is hij zich doorgaans in het dagelijks leven niet of
nauwelijks bewust, uiteraard doordat het voor hem een vanzelfsprekende zaak is.
Het functioneert bijna als een automatisme, de mens is nu eenmaal zo, of hij
dat goed- of afkeurt, prettig vindt of niet.
Iedereen kan betrekkelijk gemakkelijk bij zichzelf nagaan dat zij of hij op de
een of andere manier de gehele dag bezig is besluiten te nemen, lang niet
altijd gewichtige maar daarentegen meestal heel banale, zoals: ik ga nu op mijn
hoofd krabben. Het is zelfs mogelijk te besluiten over zichzelf of over iets
anders na te gaan denken. Hoe dan ook, de mens is noodzakelijkerwijs
voortdurend bezig zichzelf te besturen en daarbij zichzelf tot iets te vormen.
Dit laatste evenwel met deze restrictie dat hij onlosmakelijk gebonden is aan
het materiaal dat hem van nature gegeven is. Buiten die basis om kan hij met
zichzelf qua zelfontplooiing niets aanvangen.
Inzicht in die stoffelijke gebondenheid is erg belangrijk. Telkens zijn er
namelijk mensen die vanuit een bepaalde cultuur, een bepaalde theorie of een
bepaald geloof menen zichzelf volgens een bepaald plan te kunnen veranderen.
Intuďtief voelen zij aan dat zij, zoals gezegd, hun eigen ontplooiing bepalen,
maar uit onwetendheid denken zij ook de mogelijkheid te hebben zichzelf
fundamenteel te veranderen. Dat wil zeggen dat zij niet in de gaten hebben dat
zij wčl van zichzelf als natuur uit moeten gaan. Uitsluitend van die basis, dat
stoffelijke systeem, dat dier, kan de mens iets maken. Hij kan er dus niets aan
toevoegen of afhalen of veranderen. Het blijft altijd gaan over 'dat bepaalde
verschijnsel' en in feite kan de vraag slechts zijn of en hoe hij daarmee om
weet te gaan.
Vooral binnen de godsdiensten is er een voortdurend pogen de mens te veranderen
volgens een model dat van God gegeven zou zijn. Dat model komt er op neer dat
er een groot aantal menselijke onhebbelijkheden afgeschaft moet worden. Men
gaat daarbij vaak zover dat de ideale, de goden welgevallige, mens zich in
niets meer onderscheidt van de zogenaamde zombie, ontdaan als hij is van alles
wat als verkeerd, zondig en duivels wordt beschouwd. In de vroegere Roomse kerk
waren tal van figuren die zichzelf van alles ontzegden of die zichzelf tot
bloedens toe kastijdden in de hoop een ander en beter mens te worden. Onder
'beter' moet dan natuurlijk verstaan worden 'zoals God dat wil', dus in feite
zoals de kerkelijke machthebbers dat willen.
Het behoeft evenwel niet te verbazen dat al die onnozele pogingen op niets
uitliepen. Dat is logisch want de basale mens is niet te veranderen. Veranderd
kan slechts worden de wijze waarop iemand tegen zichzelf aankijkt en wat zij of
hij daarmee aanvangt.
Nu wil het geval dat het 'zelfbeeld' van de mens tijdens zijn aanvankelijke
ňnvolwassenheid vrijwel geheel bepaald wordt door de instantie die binnen de
cultuur maatgevend is. Die instantie voorziet hem van een bepaald complex van
kennis die, vaak uiterst willekeurig, als betrouwbaar voorgesteld wordt. Die
kennis zou dus de 'waarheid' zijn. Inderdaad doet het er nauwelijks toe of die
kennis controleerbaar juist is. Van belang is slechts dat ze ondersteund wordt
door de geldende cultuur-opvattingen zodat ze als houvast
kan dienen. Dat is voor de onvolwassen mens voldoende argument om zich die
kennis gehoorzaam eigen te maken. De betrouwbaarheid ervan, de juistheid en
waarheid laten voor hem geen enkele twijfel toe, hoewel die hem in feite alleen
maar aangepraat zijn. Met recht kan van hem gezegd worden dat hij aan
'intellectueel autisme' lijdt.
Tot voor kort waren het de godsdiensten die de mens tot een autist maakten. In
zijn algemeenheid kan gezegd worden dat dit thans nog slechts bij enkele op
macht beluste tobbers gelukt, maar dat de hedendaagse, voornamelijk
Noord-Atlantische, cultuur aan dit stadium voorbij is. Het is overigens een
behoorlijk langdurig proces geweest om zover te komen, een proces zelfs wel van
enkele eeuwen. Het intellectueel autisme op grond van de godsdienst bleek
bijzonder hardnekkig ondanks de omstandigheid dat de betreffende waarheden op
geen enkele concrete ondersteuning, laat staan bewijsvoering, konden rekenen.
Dat ligt in de moderne cultuur wel anders! Daarin wordt het intellectuele autisme
veroorzaakt en gevoed door de vanwege de wetenschap verstrekte kennis. Het
zelfbeeld van de moderne mens heeft derhalve een wetenschappelijk karakter. Dat
is in zoverre een vooruitgang vergeleken bij de vroegere situatie dat de door
de wetenschap aangeleverde kennis op onderzoek en feiten berust. Daardoor is de
overtuigingskracht ervan bijzonder groot, hetgeen de hardnekkigheid van het
moderne autisme enorm bevordert. De hedendaagse mens heeft de beschikking
gekregen over veelvuldig getoetste kennis waaraan hij enerzijds onbelemmerd
zijn vertrouwen kan geven, maar waaraan hij anderzijds onmogelijk kan ontkomen.
Zijn intellectueel autisme ligt dus veel dieper verankerd dan voordien het
geval was.
Hoe meer iemand overtuigd is van de waarheid en dus van de juistheid van zijn
kennis, hoe absoluter het bevangen-zijn in enigerlei vorm van intellectueel
autisme is. Hieruit volgt onvermijdelijk dat hoog opgeleide mensen het meeste
aan deze kwaal lijden, uiteraard op voorwaarde dat bedoelde kennis dient ter
fundering van hun zelfbeeld. In dat geval wordt die kennis namelijk gebruikt,
misbruikt eigenlijk, ter vorming en versterking van hun persoonlijke
zekerheden. Zij ontlenen er dan een zo hoog mogelijke status aan, niet alleen
voor eigen genoegen maar vooral in maatschappelijke zin, als regel met het oog
op het verwerven van macht en een riant inkomen.
Het ligt voor de hand dat deze situatie bij alsnog onvolwassen mensen de meest
voorkomende is. Het geeft een gevoel van veiligheid. En het is altijd maar een
zeer kleine minderheid die, gelijk Socrates indertijd, het niet-weten als
principe stelt en daardoor vanzelf aan de verlokkingen van het zelfvoldane,
arrogante en onverdraagzame intellectuele autisme ontkomt...
Naar : Houvast-1 ; Houvast-2
; Houvast-3 ; Houvast-4
;
FILOSOFIE
VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
Volwassen worden-1, Volwassen
worden-2
Islam-1 ; Islam-2 ; Islam-3 ; Islam-4 ; Islam-5 ; Islam-6 ; Islam-7 ; Islam-8 ; Islam-9 ; Islam-10 ; Islam-11
Bladwijzers:
Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ;
door Jan Vis
AFLEVERING NR. 39-(27-12-99)
______________________________________________________
Aan het einde van de Oudheid is het mogelijk geworden de samenstellende delen
van de werkelijkheid van elkaar te scheiden: de mens kan beginnen met het
analyseren van de werkelijkheid. Dat analyseren resulteert in een tweetal
processen, namelijk het zich realiseren van de mens naar het aspect
'wetenschap' en het zich realiseren naar het aspect 'individu'. Het aspect
'wetenschap' betreft het verwerven van betrouwbare kennis inzake de
werkelijkheid en het aspect 'individu' heeft betrekking op het volwassen worden van
de mens. Voor hem wordt gaandeweg duidelijk wat zijn positie in de
werkelijkheid is.
Voortaan staan alle hoofdstromingen van de cultuur in het teken van de analyse,
dus van de ontwikkeling van de wetenschap en het individu-zijn. Dat levert als
eerste wetenschappelijk moment op dat het goddelijke en het aardse van elkaar
gescheiden worden. Volgens het cultuurbesef van de Oudheid waren die twee, hoewel
ňnderscheiden, niet gčscheiden maar daarentegen een onverbrekelijke eenheid. Nu
echter wordt datgene wat oorspronkelijk als goddelijk werd beseft veranderd in
een hogere werkelijkheid en het aardse wordt een lagere. Dat lagere wordt
natuurlijk zonder mankeren als iets minderwaardigs gewaardeerd.
Om te beginnen is de analyse gericht op dat hogere. Resultaat daarvan is de
wetenschappelijke beoefening van de theologie. In zijn allereerste moment, dus
nog net voordat men feitelijk van theologie kan spreken, wordt het christendom
gesticht en later gebeurt hetzelfde met de stichting van de Islam in de 7e eeuw.
Beide godsdiensten zijn gebaseerd op de oude Joodse godsdienst, namelijk die
van de onbenoembare Jahwe.
Noodzakelijkerwijs, namelijk in verband met het proces van individualisering,
wordt in beide godsdiensten dat hogere getransformeerd in goddelijke
individuen, God en Allah, die dus wel degelijk te benoemen zijn. Het zijn
overigens verschillende namen voor een en dezelfde god. Zowel de een als de
ander treedt op als absoluut heerser over het universum. Vergeleken bij hen
geldt alles als laag bij de gronds, niet waard om zich voor hun verheven
aangezicht te vertonen. Eigenlijk bestaat er niets behalve God of Allah, hij is
zonder meer het enige individu.
Het christendom en de Islam
zijn in feite alsnog prille uitingen van de beginnende wetenschap, maar dat
neemt niet weg dat het als zodanig toch buitengewoon geraffineerde bedenksels
zijn. In tegenstelling tot wat gewoonlijk gesuggereerd wordt zijn zij geen
logisch vervolg op oude culturen, maar juist een totale verwerping daarvan. Het
zijn uitgesproken politieke manifestaties die gebaseerd zijn op een dramatische
cultuur-breuk aan het einde van de Oudheid. Een breuk die gevolg is juist van
dat feit dat voor de mens de werkelijkheid helder geworden is. Begonnen is
daardoor het verbreken van het geheel, dus de analyse. Beide godsdiensten zijn
daar exponenten van.
Christendom en Islam
hebben met geloof, in de betekenis van inzicht, niets van doen. Daarentegen
vormen zij het primitieve begin van de wetenschappelijke ontwikkeling van de
moderne mens. Het was dan ook al spoedig dat de wetenschap zich aankondigde. Om
te beginnen onvermijdelijk op de verkeerde manier, namelijk binnen het
godsdienstige wereldbeeld, in de vorm van theologie. Ook wat destijds filosofie
genoemd werd was niets anders dan verhulde theologie.
Daar was bijvoorbeeld Augustinus (354-430) van wie nog steeds bekend zijn de 'Confessiones'
(Belijdenissen, d.d. 397) en 'De Civitate Dei' (De Staat Gods, d.d.
ca. 420). Wat later kwam de Christelijke theologie zelfs tot grote bloei,
vooral door Thomas van Aquino (1224-1274), die heel dweperig 'doctor angelicus'
genoemd werd: engelachtige doctor! En binnen de Islam hebben de denkers Avicenna (980-
1037) en Averroës (1126-1198) terecht grote faam verworven.
Tot op de dag van vandaag beweren gezaghebbende theologen van genoemde twee
godsdiensten dat zij wetenschappelijk bezig zijn, maar dat is volstrekt
onjuist. De theologie kan geen wetenschap zijn omdat er bij voorbaat en in het
geniep een premisse gehandhaafd moet worden die men beslist niet mag
onderzoeken: God. Dit verbod is eigenlijk nog het ernstigste vergrijp tegen het
redelijke denken, het is er zelfs een aanfluiting van! Desondanks bezetten
theologen nog steeds leerstoelen op de universiteiten en dat is alleen maar
mogelijk doordat zij zich als wetenschappers voordoen en doordat de echte
wetenschappers niet tegen de godsdienst durven ingaan. Zij zien de godsdiensten
als rechtmatige cultuurgoederen...
Overigens zijn het niet alleen maar theologen die zich achter de wetenschap
verschuilen. Ook de zogenaamde evangelisten zijn er zeer bedreven in. Bij hen
is echter de officiële theologie nauwelijks de maat. Zij baseren zich graag op
de moderne natuurkunde om te bewijzen dat de natuurwetten aan goddelijke
creativiteit ontsproten moeten zijn. De praktijk heeft die uitgekookte
evangelisten, net als andere reclame- makers, geleerd dat de mensen nauwelijks
weerstand kunnen bieden aan wetenschappelijk klinkende argumenten. Wat valt er
voor een leek tegen te spreken als men bijvoorbeeld met de zogenaamde Tweede
Hoofdwet van de Thermodynamica aantoont dat God inderdaad bestaat?
De splitsing van de werkelijkheid in een hogere en een lagere is het eerste
moment van de analyse, maar dat wil niet zeggen dat hij van voorbijgaande aard
is. Zoals altijd het geval is met ontwikkelingen binnen de cultuur blijft ook
deze tweedeling gedurende de gehele analytische periode van kracht, hetgeen
betekent dat hij allesbepalend is totdat de volwassenheid van de mensheid een
feit is. Maar zijn godsdienstige manifestatie raakt wel langzamerhand op de
achtergrond en wel naarmate de analyse zich verder doorzet en zich op andere
terreinen gaat richten, namelijk die van de werkelijkheid als het lagere, met
als gevolg de ontwikkeling van zowel het individualisme als de moderne
wetenschap.
Individualisme is het proces van het ontwaken en het zich ontwikkelen van de
mens tot individu. Dat begon dus ook onmiddellijk bij het intreden van de
nieuwe tijd, maar het is in Europa lange tijd blijven sudderen, in niet geringe
mate onder druk van de autoritaire godsdiensten. Hun machthebbers zaten bepaald
niet uit te kijken naar zelfbewuste individuen! Toch kwamen de Romeinen al met
het recht! Dat wijst er onmiskenbaar op dat de mens als individu binnen de
Romeinse cultuur herkend werd. De Romeinen gingen daarmee al dadelijk erg ver,
zozeer zelfs dat hun Romeinse Recht nog altijd op de universiteiten gedoceerd
wordt.
Ook de ontwikkeling van de moderne wetenschap begon
destijds al meteen, maar het heeft zelfs tot in de 19e eeuw
geduurd vooraleer er practisch iets van terecht kwam. Zoals gezegd bleef de
zaak aanvankelijk almaar binnen de godsdienst rondtobben en tot overmaat van
ramp zo ongeveer vanaf de 16e eeuw ook nog
binnen de machtssfeer van absolute heersers. Maar inmiddels is alles in zoverre
terechtgekomen dat op het ogenblik de wetenschap op bijna alle terreinen van
maatschappij en samenleving de maat is geworden. Maar, zoals te verwachten was,
is ook dat weer de perken te buiten gegaan: de wetenschap heeft zelfs
beslag gelegd op zaken die zich van nature niet voor een wetenschappelijke
benadering lenen, zoals de
kunsten, de opvoeding van kinderen,
de liefde, de sport, de ontspanning en
nog veel meer...
Volwassen worden-1, Volwassen worden-2
Islam-1 ; Islam-2 ; Islam-3 ; Islam-4 ; Islam-5 ; Islam-6 ; Islam-7 ; Islam-8 ; Islam-9 ; Islam-10 ; Islam-11
Bladwijzers:
Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ;
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
door Jan Vis
AFLEVERING NR. 40-(24-01-2000)
Bladwijzers:
Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ; Deskundigheid of bekwaamheid: A1, B2,
C3 en D4 ;
______________________________________________________
De moderne
mensheid bestaat in principe uit deskundigen. Het begrip 'deskundige' is te
definiëren als geldend voor de mens die eindproduct is van de analytische
cultuur. De intellectuele inhoud van diens zelfbewustzijn bestaat uitsluitend
uit de resultaten van die analyse, in de vorm van al of niet juiste
wetenschappelijke theorieën. Zij bepalen dus diens gehele zelfbewuste leven.
Bij de deskundige is alles afhankelijk van wat de wetenschap er over te zeggen
heeft. Doorgaans is hij zich hiervan nauwelijks bewust, maar dat is
gebruikelijk bij essentiële cultuurprocessen. Die blijven als regel onder de
oppervlakte.
In tegenstelling tot wat gewoonlijk gedacht wordt doet de feitelijke juistheid
van de intellectuele inhoud van het zelfbewustzijn er weinig toe. Waarom het
gaat is dat iemand meent dat zijn of haar voorstelling van de zaak juist is.
Het is immers per definitie voor niemand mogelijk ŕlles persoonlijk na te gaan
en te controleren. Het ene geval zal voor iemand controleerbaar zijn maar
tegelijkertijd het andere niet, afhankelijk van iemands specialiteit. Dat geldt
voor iedereen, altijd en onder alle omstandigheden. Uiteindelijk is het een
kwestie van vertrouwen stellen in hetgeen door anderen beweerd wordt. Het
betekent derhalve in de praktijk dat niet doorslaggevend kan zijn of men iets
op zijn juistheid kan toetsen, maar dat essentieel is wat iemand zelf voor een
voorstelling over het geval heeft.
Zo is er een tijd geweest dat de intellectuele inhoud van het zelfbewustzijn
bepaald werd door de godsdiensten. Toen werden door de mensen de daaraan
ontleende voorstellingen voor juist gehouden, ondanks het bijna altijd
controleerbare feit dat zij nergens op sloegen. Een dergelijke controle was
mogelijk doordat de praktische handelingen en ervaringen niet pasten in de
godsdienstige voorstellingen. Desondanks bleven de mensen vasthouden aan die
occulte voorstellingen, uiteraard omdat die de pretentie hadden juist te zijn.
Omdat dit echter slechts een pretentie was is het begrip 'deskundigheid' hier
niet van toepassing. Dit begrip vooronderstelt het gericht zijn op feiten. Het
begrip 'bekwaamheid' geldt echter
wel.
Maar voor de moderne mens ligt dat in zoverre anders dat hij zijn informatie
niet betrekt van occulte fantasten, maar van rationele wetenschappers. Het is
nu juist hierdoor dat het begrip 'deskundige' van toepassing wordt. Het gaat nu
immers niet langer over hersenspinsels maar over heldere feiten waarvan in vol
vertrouwen verwacht wordt dat zij deugdelijk wetenschappelijk gefundeerd zijn.
De begrippen 'deskundigheid' en 'bekwaamheid'
mogen in geen geval met elkaar verward worden. Inderdaad geeft het deskundig
zijn een indruk van bekwaamheid, maar
dat is bedrieglijke schijn. Bekwaamheden zijn het gevolg van praktische
ervaringen bij het verrichten van bepaalde handelingen. Via vallen en opstaan,
doen de mensen aan bepaalde handelingen ervaringen op. Die kunnen zij eventueel
aan elkaar doorgeven maar niet zonder dat die bepaalde handelingen nagedaan
worden. De ervaring, bijvoorbeeld die van het haaks afzagen van een balk, is
niet mogelijk zonder het herhalen van de handeling van het zagen door diegene
die er kennis van neemt en zich er in wil bekwamen. Dus, de ervaring is nimmer
zonder de handeling en andersom is de handeling nooit goed uitvoerbaar zonder
de ervaring.
Door de onverbrekelijke samenhang van handeling en ervaring is de bekwaamheid noodzakelijkerwijs gebonden
aan het individu. Hij is het immers die handelt. Maar ook het ervaren is aan
het individu gebonden. Zelfs is te stellen dat de ervaring op zichzelf niet aan
iemand anders over te dragen is. Men kan er wel over vertellen, maar daarmee is
de ervaring zčlf niet overgedragen. De mate van bekwaamheid, als resultaat van handelen en ervaren, wordt
vervolgens bepaald door iemands individuele aanleg en oefening, hetgeen
onvermijdelijk ook betekent dat de ene mens tot een grotere bekwaamheid zal komen dan de andere. En
zelfs betekent het dat er doorgaans velen zullen zijn die nooit aan bepaalde
bekwaamheden zullen toekomen. Eigenlijk zijn bekwaamheden logischerwijs steeds
voorbehouden aan minderheden: de meeste mensen kunnen iets bepaalds ničt..! Tot
op zekere hoogte is ieder individu ook in dit opzicht uniek.
Met het begrip 'deskundigheid' is het evenwel totaal anders gesteld. Het
vooronderstelt in het geheel geen beoefende handelingen en bijgevolg ook geen
specifieke ervaringen. Wat dit betreft is het er in opgenomen begrip
'kundigheid' uitermate misleidend, want de zaak heeft niets met kunde of
kundigheid te maken. Dat is te zeggen: het ligt in de logica dat er mensen zijn
die kundigheid en dus bekwaamheid
paren aan deskundigheid en omgekeerd zijn er stellig mensen die behalve bekwaam
ook nog deskundig zijn. Maar, zoals kenmerkend voor het filosoferen, het gaat
nu om de fundamentele betekenis en de specifieke inhoud van begrippen. Dan is
met reden te stellen dat deskundigheid op zichzelf niet met bekwaamheid samengaat.
Beide begrippen staan los van elkaar. Dat is het geval omdat de deskundigheid,
als behorende tot de moderne cultuur, uitsluitend voortbrengsel is van het
analyseren van de werkelijkheid. De zaak berust tenvolle op informatie die als
overdraagbare kennis aanvaard is en die, al of niet terecht, is opgenomen in
controleerbaar geachte systemen. Met het primaire verwerven van die informatie,
namelijk door praktisch onderzoek, behoeft men in het geheel geen bemoeienis te
hebben gehad: het gaat om de secundaire kennisname uit geschriften en andere
bronnen.
Omdat dit het geval is verdwijnt het begrip 'bekwaamheid' buiten beeld. Dus ook doen persoonlijke aanleg en
oefening niet langer ter zake. Of beter gezegd: in feite zijn alleen nog maar
van belang de aanleg en oefening om zich ingewikkelde leerstof eigen te maken.
Iemand die 'goed kan leren' kan gemakkelijk op het een of andere terrein
deskundig worden, zonder dat er ook maar een greintje bekwaamheid aan te pas behoeft te komen.
Doordat de moderne cultuur draait om het analyseren van de werkelijkheid wordt
de praktijk van de erin betrokken mens steeds meer theoretisch. Die praktijk is
niet meer, zoals in het verleden, bepaald door ervaringen die uit concrete
handelingen, uit allerlei activiteiten voortgekomen zijn, maar hij is bepaald
door wat de wetenschappen zeggen. Die hebben, geheel overeenkomstig hun aard,
gaandeweg alle deelgebieden van de werkelijkheid in beslag genomen en dat
stelselmatig omgezet in theorieën, in verhandelingen, in boeken. De inhoud van
die verhandelingen wordt bij de moderne mens automatisch de inhoud van zijn
zelfbewustzijn. Het wordt dus zijn wereldbeeld. En na verloop van tijd raakt
hij ervan overtuigd dat dit wereldbeeld overeenstemt met de realiteit. Hij
meent de waarheid in handen te hebben, maar het is slechts een wetenschappelijk
model ervan. Een behoorlijk juist model inderdaad, maar toch: een model...
Met dat model voor ogen gaat de moderne mens zijn wereld te lijf. Hij verkeert
in de mening er alles vanaf te weten en bijgevolg ook alles naar zijn hand te
kunnen zetten. Dat gaat zelfs zover dat hij er heilig van overtuigd raakt de
wereld te kunnen verbeteren, overeenkomstig het wetenschappelijke model dat hij
in zijn hoofd heeft. De Marxisten bijvoorbeeld dachten dat hun ideeën in de
toekomst zeker gerealiseerd zouden worden, louter op grond van het feit dat
volgens hen het Marxisme een wetenschappelijke ideologie zou zijn.
En er zijn tegenwoordig heel wat denkers die ervan overtuigd zijn dat de mens
in geestelijke en lichamelijke zin verbeterd kan worden, niet op de ouderwetse
manier via opvoeding
en onderwijs en gezondheidszorg, maar op de modern wetenschappelijke doormiddel
van genetische modificatie. De cruciale vraag of iemand ooit het recht en de
macht zou mogen hebben om te definiëren wat een beter mens is, wordt zorgvuldig
buiten de discussie gehouden. Bij nadenken daarover zou wel eens kunnen blijken
dat het complete moderne wereldbeeld over de gehele linie een tragische
zinsbegoocheling is.
Een ander, en minstens even verontrustend, modern verschijnsel is het
voortdurend en in toenemende mate mislukken van pogingen tot zogenaamde
'maatschappelijke vernieuwing'. Steeds weer blijkt dat politici en economen
struikelen over situaties en ontwikkelingen die niet binnen het kader van het
wetenschappelijke model passen, die dus niet te berekenen zijn en die dan maar
buiten beschouwing worden gelaten of zelfs geheel over het hoofd worden gezien.
Tot die onberekenbare zaken behoort nu juist tenvolle de bekwaamheid, dat geheel van handelen en ervaren. Daarmee weet men
zo langzamerhand absoluut geen raad meer. Men vindt die zaak te willekeuring,
te afhankelijk van toevallige talenten onder de mensen. Het is dan ook
gemakkelijk vast te stellen dat men daarom probeert de bekwaamheid te omzeilen, door namelijk overal handleidingen, regels
en voorschriften voor op te stellen.
Niemand behoeft dan meer te weten waarmee hij bezig is als de juiste handgrepen
maar toegepast worden...
Bladwijzers:
Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ; Deskundigheid of bekwaamheid: A1, B2,
C3 en D4 ;
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
door Jan Vis
AFLEVERING NR. 41-(02-2000)
Bladwijzers: Rechten van de
mens-1 ; Rechten van
de mens-2 ; Rechten
van de mens-3 ;
______________________________________________________
Zo
langzamerhand hebben de wetenschappen beslag gelegd op alle terreinen van het
leven. Daaronder vallen allang niet meer de materiële zaken die doormiddel van
bepaalde technieken planmatig geregeld kunnen worden, maar helaas ook dat wat
typisch niet vatbaar is voor planmatige manipulaties omdat het een beweeglijk
karakter heeft. Dat is het geval met alles wat met het leven te maken heeft.
Daar valt niets te manipuleren in de zin van het uitvoeren van plannen die van
tevoren op grond van bepaalde theorieën ontworpen zijn. Doordat het nu gaat om
processen, manifestaties van een beweeglijke werkelijkheid, is het onmogelijk
te voorspellen wat er zal gebeuren als men bepaalde ingrepen pleegt. Men kan
hoogstens vermoeden hoe groot de waarschijnlijkheid is dat een gewenste reactie
optreedt. Maar zekerheid is er niet bij.
Het begrip 'voorspellen', dat essentieel is voor alle vormen van techniek, is
ten enen male niet van toepassing op de levende werkelijkheid. Voor voorspellen
is nodig dat men bepaalde informatie heeft die men kan invoeren in een gegeven
formule. Maar ingeval van het leven is die informatie volstrekt niet te
bepalen. Men kan er slechts naar gissen. Voorzover de hedendaagse
wetenschappers en technologen desondanks toch proberen levenszaken voorspelbaar
te regelen zijn zij gedwongen die processen tot bepaalde modellen te
vereenvoudigen.
Tot die 'levenszaken' behoort al datgene wat direct en indirect voortkomt uit
de werkelijkheid als bewustzijn. Dat manifesteert zich in het dagelijkse leven
via de werkzaamheid van de PSYCHE. [een nadere uiteenzetting over de PSYCHE
treft U aan in Beweging
en Verschijnsel deel 1, 2 en 3 en/of Een
korte schets van de menselijke SEKSUALITEIT- zie de
betreffende bladwijzers. (toegevoegd
door Rob van Es)].
Op directe wijze komt dat voor de dag als de begrippen 'liefde' en 'schoonheid'
(abstract) en als het beoefenen van kunst en filosofie (concreet). Het begrip
'liefde' houdt in dat alle dingen gelden als opgenomen in een allesomvattend
geheel. Daarvoor geldt het begrip 'ineen-zijn' en dat wil zeggen dat zij niet
van elkaar gescheiden zijn door een onoverbrugbare kloof, zoals dat in de
alledaagse realiteit het geval is. Binnen het begrip 'liefde' is het ene ding
onmiddellijk op zijn eigen wijze het andere ding. En 'schoonheid' houdt in dat
in het licht van dat ineenzijn al die dingen met elkaar harmoniëren. Dat
betekent dat zij elkaar niet in de weg zitten maar daarentegen elkaar tenvolle
bevestigen.
Vervolgens zijn daar ook, indirect, allerlei ontwikkelingen binnen de
maatschappij die zich, in tegenstelling tot de meeste gangbare opvattingen,
eveneens onttrekken aan planmatige ingrepen. Dat zijn ontwikkelingen die onder
het begrip 'samenleving' vallen.
Het vanuit modieuze wetenschappelijke redeneringen negeren van deze
onmogelijkheid tot planning leidt practisch altijd tot een fiasco. Gewoonlijk
valt dat bij niemand op want de managers weten daar goed raad mee! Zij
verdoezelen zo'n mislukking met een groot aantal zogenaamd 'flankerende
maatregelen'. Daardoor krijgt de argeloze buitenstaander de indruk dat alles
volgens plan verloopt, terwijl er in feite helemaal niets van de
oorspronkelijke plannen terechtkomt. Mocht het onverhoopt toch te bont worden
gewaagt men kwasi deemoedig van 'onvoorziene omstandigheden' alsof het om
incidenten zou gaan...
Tot voorbeeld van dit laatste strekke het rampzalige gedoe met de landen van
het voormalige Oostblok en de zogenaamde Derde Wereld. Eigenlijk lijkt de
intentie wel goed: men wil, overigens bepaald niet zonder eigenbelang, die
landen politiek en economisch op het peil van de Westerse wereld brengen. Dat
beantwoordt mooi aan de normen van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Een loffelijk streven dus...
Maar, het denken over de vraag welke weg daartoe gevolgd moet worden zit bijna
autistisch beklemd in de moderne wetenschappelijke opvatting dat uitsluitend de
analytisch wetenschappelijke benadering tot een aanvaardbare oplossing kan
leiden. Dus worden er modellen ontworpen en plannen gemaakt.
Uiteraard zijn het uitsluitend deskundigen die dit mogen doen. Zij hebben
immers op hun universiteiten geleerd hoe dergelijke zaken aangepakt moeten
worden. En inderdaad: in lijvige rapporten worden geheel nieuwe constructies
beschreven, maatschappijen met een infrastructuur die aan alle gestelde eisen
voldoet.
Aan alles is gedacht, behalve aan het feit dat die modellen per definitie geen
van alle kunnen functioneren. Zij zijn namelijk gebaseerd op voorbije, als
'geschiedenis' vastgelegde, situaties. Uiteraard is daaruit reeds lang het
beweeglijke vervlogen. Er treden in die geschiedenis geen veranderingen meer
op. Op zo'n vastgelegde zaak is analytisch onderzoek inderdaad mogelijk. En het
is natuurlijk prima als wetenschappers dat doen. Zij kunnen er veel uit leren,
maar of dat inderdaad het geval is staat nog te bezien...
Bovendien zouden de geleerden er zich rekenschap van moeten geven dat hun
analyses afspiegelingen van de huidige politieke en economische Westerse wereld
zijn. Maar merkwaardigerwijs schijnen zij te vergeten dat die wereld geenszins
planmatig tot stand is gekomen. Hij is namelijk al doende ontstaan! Met vallen
en opstaan, aan de hand van steeds meer praktische ervaringen, hebben 'gewone'
mensen stap voor stap hun wereld opgebouwd. Dat geschiedde niet volgens van
tevoren opgestelde theorieën en technische blauwdrukken, maar op grond van
gaandeweg verworven bekwaamheden. En men deed dat met het oog op de dagelijkse
behoeften van die gewone mensen.
Voorzover er daarbij rekening moest worden gehouden met anderen werd ook dit
door henzelf geregeld, al of niet doormiddel van het verstrekken van
bevoegdheden aan colleges van gedeputeerden.
In tegenstelling tot wat doorgaans gedacht wordt was de rol van de zichzelf
benoemende overheden als regel meer remmend dan stimulerend. Dat komt doordat
overheden niet op sociaal welzijn maar op macht uit zijn, hetgeen per definitie
in strijd is met de belangen van de burgers. Als gevolg daarvan laat de
geschiedenis een voortdurende strijd zien van de gewone mensen tegen
heerszuchtige en inhalige overheden, autoriteiten van allerlei slag:
geestelijk, politiek, economisch, al of niet voorzien van een zogenaamd
democratische gezindheid.
Ondanks het feit dat het noodzakelijk is om, doormiddel van met macht beklede
overheden, aan een vooralsnog ňnvolwassen mensheid gezagsmatig leiding te geven
moet dus logischerwijs gesteld worden dat in de praktijk de belangen van die
overheden nimmer overeen kunnen komen met die van de onderdanen. Het steeds
aangevoerde argument dat er 'in het belang van het volk' geregeerd wordt en,
sterker nog, dat de machthebbers 'geroepen zijn het volk te dienen' is niet
meer dan een volstrekt hypocriete poging de eigen heerszucht te legitimeren.
Ook nog in de praktijk van vandaag blijkt dat uit het feit dat burgers steeds
voor hun rechten moeten vechten. Voor hun welzijn is als regel geen of slechts
mondjesmaat geld beschikbaar. Altijd moet er op hen 'bezuinigd' worden!
Hoe dan ook, van een wetenschappelijk planmatige inrichting van een
maatschappij komt noodzakelijkerwijs niets terecht, omdat het beweeglijke, en
dus de samenleving, zich niet beheersen laat. Het is ten enen male onmogelijk
de samenleving in zijn macht te krijgen.
Het begrip 'samenleving' houdt namelijk in: het geheel van op de werkelijkheid
als bewustzijn gestoelde intermenselijke betrekkingen. Het begrip 'samenleving'
heeft een geheel andere inhoud als het begrip 'maatschappij' waarbij het gaat
over op het zčlfbewustzijn gegronde rationele contracten. De onder het begrip
'samenleving' werkzame krachten zijn de feitelijke drijfveren voor het
opbloeien van een humane maatschappij. Dus: niet de op analyse gebaseerde
theorieën kunnen tot de vorming van goede maatschappelijke structuren leiden,
maar uitsluitend processen binnen de samenleving. Het zijn de ongrijpbare krachten
van de werkelijkheid als bewustzijn die een leefbare wereld kunnen doen
ontstaan.
De moderne, planmatig georganiseerde, wereld zal onvermijdelijk instorten, is
daarmee in feite al bezig. Dat is dus het geval juist doordat er nauwelijks nog
een samenleving mogelijk is. Dat leidt in toenemende mate tot een formeel
uitgedachte maatschappij, waaraan alle gemoedelijke warmte ontbreekt.
Helaas is hieraan niet te ontkomen want de moeilijkheid is dat het moderne
denken die dramatische gang van zaken voorlopig nog enthousiast stimuleren zal.
Het heeft immers het wetenschappelijk gelijk aan zijn kant en bezit daardoor
een schier absolute overtuigingskracht.
Bladwijzers: Rechten van de
mens-1 ; Rechten van
de mens-2 ; Rechten van de mens-3
;
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
Bladwijzer: Verlichting
De Verlichting, zie: Nrs. 3 , 14 , 18 , 31, 37 , 42 , 55 , 73 ,
Bladwijzers:
Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ;
door Jan Vis
AFLEVERING NR. 42
______________________________________________________
Er is een
tweetal begrippen die betrekking hebben op het met elkaar omgaan van de mensen,
te weten als eerste het begrip 'samenleving' en als tweede het begrip
'maatschappij'. Het is opvallend dat beide begrippen voortdurend door elkaar
heen gebruikt worden alsof ze dezelfde betekenis zouden hebben. Dat hebben ze
echter in het geheel niet. Bovendien valt op dat tegenwoordig het begrip
'maatschappij' qua inhoud verre de overhand heeft en bijgevolg in de praktijk
van politiek en dagelijks leven vrijwel kritiekloos het denken bepaalt.
Het begrip 'samenleving' spruit voort uit de voor de mens, en overigens voor
ŕlle levensvormen, geldende werkelijkheid als bewustzijn.
Het kenmerkende van die werkelijkheid is dat alle verschijnselen in één
allesomvattende trilling opgenomen zijn, met als gevolg dat zij niet door
elkaars begrensdheid van elkaar gescheiden zijn, maar daarentegen in elkaar
overgaan. Als zodanig vormen zij een in zichzelf genuanceerd, maar overigens
homogeen, geheel.
Het gaat dan bijvoorbeeld niet over een bepaalde boom, op een zeker moment in
een bepaalde tuin, maar over het begrip 'boom'. Zo zijn de verschillende dingen
'nuances' binnen het geheel van de werkelijkheid als bewustzijn. Daaraan
ontbreekt niets, alles, inclusief de mens, is er in opgenomen. Omdat het over
nuances gaat is de zaak volkomen ňnberekenbaar. Het een is immers niet naast en
tegenover het ander te zetten, iets wat voor een berekening noodzakelijk is.
Nu is de menselijke samenleving afspiegeling van deze verhoudingen. De mensen
gaan met elkaar om vanuit genoemd 'geheel' en zij doen dat onvoorwaardelijk,
zonder speciale reden, maar gewoon omdat zij er nu eenmaal zijn. Eventueel kan
men dit 'saamhorigheid' noemen en ter illustratie kan aan een gezin gedacht
worden.
Het begrip 'maatschappij' heeft de werkelijkheid als zelfbewustzijn
als basis. In tegenstelling tot de hierboven genoemde werkelijkheid als
bewustzijn geldt dit zelfbewustzijn uitsluitend voor de mens, dank zij het feit
dat hij het absolute sluitstuk is van de evolutie, zoals die zich op deze aarde
voltrokken heeft.
Ook in het zelfbewustzijn komen de dingen op trillende wijze voor, maar nu gaat
het over een verzameling ŕfzonderlijke trillingen. Dus is bijvoorbeeld een
bepaalde boom aanwezig. Dit betekent dat bij elk individu de inhoud van het
zelfbewustzijn onvolledig is: die inhoud is 'aan het individu bepaald'. Het is
resultaat van opgedane ervaringen van allerlei aard. Dus, slechts de bij iemand
behorende dingen komen er in voor. En die dingen zijn bovendien ook nog eens
eenzijdig bepaald: het aloude filosofische probleem namelijk, dat van een
voorwerp alleen de zichtbare kant bekend is en dat kennis omtrent de
onzichtbare achterkant logischerwijs slechts op een veronderstelling kan
berusten.
Omdat de samenleving manifestatie is van het menselijk bewustzijn is zij een afspiegeling
van de werkelijkheid zelve. Dat wil zeggen: afspiegeling van de wezenlijke en
ware werkelijkheid, die er is zonder dat ook maar iemand haar heeft kunnen
vormen of veranderen. Zij is zňmaar aan de evolutie meegekomen als een
verhouding binnen het materiële systeem van het leven. Omdat dit het geval is
vertoont de samenleving dan ook dat onaantastbare karakter. Voorzover de mensen
met elkaar een 'samenleving' vormen, en dat vormen zij automatisch, is er niets
met hen aan te vangen: zij laten zich niets gezeggen en zij zijn niet
afhankelijk van plannen en regelingen. Qua samenleving is de mensheid niet te
besturen. Het kan lang duren, maar onherroepelijk komt er een moment dat de
mensen zich vrij maken en proberen getrouw te zijn aan het ware. De
geschiedenis laat dit proces van vallen en opstaan duidelijk zien.
Anders is het gesteld met de maatschappij. Ieder mens geldt daarin als een
volstrekt op zichzelf staand geval dat door zijn eigen begrenzing afgezonderd
is van alle anderen, die op hun beurt ook binnen hun eigen begrenzing
opgesloten zijn.
Qua maatschappij zijn alle mensen aparte bolwerken waar niemand binnen kan
treden en waar zelfs, in een behoorlijke maatschappij, niemand binnen mŕg
treden. De enige mogelijkheid om met elkaar om te kunnen gaan is gelegen in het
bouwen van bruggen van de een naar de ander. Dat zijn door de mensen zelf
uitgedachte constructies die voor een verbinding tussen beiden zorgen. Die
verbinding, die relatie, valt onder het begrip 'communicatie'. Uiteraard kan
zoiets alleen maar functioneren op voorwaarde dat beiden zich redelijk gedragen
en zich getrouw aan de afspraken houden.
Omdat het bij het begrip 'maatschappij' gaat om een complex van rationele, dat
wil zeggen op het intellect gegronde, verbindingen, die als zodanig resultaat
zijn van gezamenlijk overleg, is het mogelijk en zelfs noodzakelijk de zaak aan
een gezaghebbende leiding te onderwerpen.
In de moderne maatschappij zijn de kriteria voor het leidinggeven
wetenschappelijk en dus technologisch van karakter. Zij zijn evenwel niet
democratisch. Vooral politici proberen de mensen steeds te doen geloven dat het
om 'democratische' kriteria zou gaan, maar dat betreft slechts de uiterst dunne
vernislaag die, ter geruststelling van de mensen, over het wetenschappelijke
model aangebracht is. Als het inderdaad om democratie zou gaan zou dat
betekenen dat het welzijn van 'het volk' centraal staat, met als logische
consequentie dat de samenleving de maat zou zijn. Eventuele voorschriften en
regelingen zouden dan gericht zijn op het beschermen van het beweeglijke en
ongrijpbare karakter van de samenleving.
Maar niet alleen dat: er zou sprake zijn van een onmiskenbaar pogen een ieders
ontplooiing te bevorderen. Ook zou men als vanzelfsprekend de zwakke steunen en
belangeloos begeleiden. Maar dat is tot nu toe geenszins het geval, hetgeen
onder andere moge blijken uit het feit dat mensen gedwongen worden elkaar in
oorlogen te vernietigen en natuurlijk ook uit het feit dat zij niet als mensen
maar als arbeidskrachten worden gewaardeerd. Ondanks alle inspraak, hebben zij
bovendien nog steeds niets in te brengen. Zij zijn zelfs in toenemende mate
gevangen in harteloze administratieve en economische systemen.
De bestuurders
zeggen het trouwens zelf als zij quasi luchthartig spreken over bijvoorbeeld
"de BV Nederland" als ware het een onderneming, een bedrijf. Logisch
is dat dan de marktpositie van dat bedrijf als hun enige werkelijke bekommernis
geldt. Alle belangen van de samenleving moeten zonder meer daarvoor wijken.
Overigens staan noch die bestuurders,
noch de gewone mensen daar bij stil. Zij weten doorgaans niet eens dat er
zoiets als een samenleving bestaat!
Zoals gezegd draait tot nu toe alles om de maatschappij. Die situatie heeft
zich vooral sinds de Verlichting,
dus sinds het eind van de 18e eeuw, ontwikkeld. Vooral in de denkers was de
idee opgekomen dat de samenleving beschouwd kon worden als een maatschappij,
dus als een maakbare zaak. Dat betekent vanzelfsprekend ook dat ontwikkelingen
voorspeld kunnen worden en dat er dus 'management' mogelijk was.
Om dat echter succesvol te kunnen doen moet er enerzijds betrouwbare
wetenschappelijke informatie beschikbaar zijn en anderzijds een aantal
theorieën waarmee de plannen uitgewerkt kunnen worden. Vandaag aan de dag is
een en ander in hoge mate gerealiseerd: vrijwel de gehele samenleving is
omgezet in een maatschappij en nagenoeg alle er in voorkomende elementen zijn
in kaart gebracht en in databanken opgenomen. Er is nauwelijks nog een
levensterrein dat niet door al of niet politieke managers ingepalmd is en op
wetenschappelijke wijze beheersbaar gemaakt.
Enkele voorbeelden:
- Het met elkaar omgaan van de mensen is een kwestie van relatie-modellen
geworden, gebaseerd op uitvoerig wetenschappelijk onderzoek en in formules
uitgedrukt;
- De kennis van de mensen over zichzelf en de wereld wordt hen verstrekt door
de verschillende wetenschappen, eigen ervaringen spelen nauwelijks nog een rol;
- Voorzover mensen gezond zijn komt dat doordat er een medische wetenschap is, het
aanvoelen van het eigen lichaam komt nog zelden voor en wordt in ieder geval
niet serieus genomen;
- De opvoeding van
kinderen is alleen dan verantwoord als het volgens wetenschappelijke
handleidingen geschiedt en in handen is van daartoe opgeleide deskundigen;
- De beoordeling en waardering van de kunsten is in handen gekomen van
deskundigen die ervoor geleerd hebben op de universiteiten. Een heldere kijk op
schoonheid en waarheid is niet meer nodig en eigenlijk zelfs ongewenst. Kennis
van zaken is het parool.
Al deze voorbeelden betreffen het vervangen van de samenleving door de
maatschappij, het vervangen van het leven door procedures, het in beslag nemen
van het leven door onpersoonlijke wetenschappen.
Eigenlijk ligt de verhouding zo dat de maatschappij er op gericht zou moeten
zijn de samenleving mogelijk te maken en te beschermen. De doelstelling van het
management zou dan negatief gedefinieerd moeten worden, namelijk dat het gaat
om het verhinderen van aanslagen op de vrijheid, de beweeglijkheid en de
inventiviteit van de met elkaar samenlevende mensen. De huidige maatschappij
echter heeft als doelstelling de mensen in het gareel te brengen en te houden.
Maar, als steeds zullen de mensen ooit ook dat juk van zich afschudden...
De Verlichting, zie: Nrs. 3 , 14 , 18 , 31, 37 , 42 , 55 , 73 ,
Bladwijzers:
Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ;
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
door Jan Vis
AFLEVERING NR. 43
Bladwijzer(s): Aanpassingsproces-1 ; Aanpassingsproces-2 ; Aanpassingsproces-3 ; Aanpassingsproces-4 ;
Schepping(s)verhaal-zie afl. 03, 37,
43, 44, 69
;
______________________________________________________
Vooral in
wetenschappelijke kringen is er veel weerstand tegen de gedachte dat de mens
het laatste verschijnsel is dat ten gevolge van het wordingsproces te
voorschijn is gekomen. Nu is de uitdrukking 'laatste' verschijnsel in zoverre
bedrieglijk dat het de suggestie wekt dat het om een tijdsbepaling zou gaan.
Dat is het echter geenszins, de term bedoelt te zeggen dat het gaat over het
uiterste waartoe het wordingsproces kan komen. Wat betreft dat wordingsproces
gaat het dus over het tot stand komen van het meest verfijnde materiële
systeem. Het verband tussen de samenstellende delen van dat systeem kan niet
nňg inniger worden, het heeft zijn uiterste mogelijkheid gerealiseerd.
Wat evenwel, nadat het wordingsproces als zodanig ten einde is, nog door blijft
gaan is het aanpassingsproces,
waarin het reeds aanwezige leven zich instelt op haar omgeving. In feite is dat
proces zelfs nog nooit aan zijn eind gekomen. Het gaat steeds door, gebaseerd
als het is op de tolerantie die op evolutionaire wijze in de beweeglijke
levensprogramma's ingegroeid is. Een aardige illustratie bij dit laatste is dat
recent onderzoek heeft aangetoond dat bepaalde antibiotica geen effect meer
sorteren omdat de te bestrijden ziekteverwekkers resistent zijn geworden. Met
andere woorden: zij hebben zich aan de gewijzigde omstandigheden aangepast. Dat
is dus het aanpassingsproces
dat actief blijft zolang het leven op aarde sterker is dan de ervoor eveneens
geldende vergankelijkheid.
De mens is de manifestatie van de ultieme mogelijkheid van het wordingsproces.
En nu is het juist dit feit dat door de meeste moderne wetenschappers bestreden
wordt. Vaak doen zij dit alleen al omdat zij het niet uit kunnen staan dat ook
binnen het godsdienstige denken sprake is van de mens als laatste mogelijkheid,
geschapen door God weliswaar, maar toch als apotheose van de schepping. Menig
zogenaamd vrijdenker bijvoorbeeld vertoont deze afwijzende reactie. Het mag
immers niet zo zijn dat de godsdienst ook maar het geringste gelijk heeft.
Een deugdelijk argument tegen de notie 'laatste verschijnsel' wordt overigens
nooit ter tafel gebracht. Men blijft almaar het flauwe argument herhalen dat de
evolutie te langzaam zou gaan om herkenbaar te zijn. Een volstrekt loze
bewering die zichzelf onderuit haalt juist omdat hij steunt op iets waarvan
zojuist gesteld is dat het niet herkend kan worden. Ten overvloede staat daar
tegenover dat de argumentatie vóór het ten einde geraken van de wording helder
en alleszins aannemelijk is.
Omdat de wording een materieel proces is, ook tijdens de evolutie van het
leven, is het logischerwijs een eindige zaak. Er moet een moment komen dat het
niet verder kan. Dat betekent evenwel dat er tenslotte een grenssituatie op zal
treden en dat dit een 'dubbelfiguur' moet zijn. Dat dubbele is onvermijdelijke
inhoud van het begrip 'grens'. Kenmerkend voor die laatste situatie moet zijn
het tegelijkertijd gelden van het materiële en het niet-materiële, waarbij dit
laatste niet slaat op de afwezigheid van materie, maar op de wijze waarop het
materiële systeem functioneert. Dat doet namelijk alsof het geen materie ware.
Kennen wij mensen een dergelijke situatie? Inderdaad, wij herkennen hem aan
onszčlf!
De mens weet al vanaf zijn geboorte op de planeet dat hij, zoals hij zelf zegt,
lichaam en geest is, stoffelijk en onstoffelijk tezamen. Het is waar, tot op de
dag van vandaag begrijpt hij er nauwelijks iets van zodat hij met de meest
wonderlijke fantasieën komt, maar het enkele feit van dat dubbel-zijn wordt
nooit ontkend. Op geen enkel moment tijdens de wording is het optreden van een
dergelijke dubbelfiguur mogelijk. Er zijn natuurlijk wel steeds dubbelfiguren,
afhankelijk van de definities die men hanteert, maar nooit treedt er een
situatie op waarbij de materie zichzelf ontkent. Die situatie is uitsluitend
aan het einde denkbaar en mogelijk. Ergo, het kan niet anders dan dat de mens
die grens, dat einde, is.
De gedachtengang kan ook omgekeerd worden zodat er eigenlijk een soort van
cirkelredenering ontstaat. Die zou binnen het kader van alle wetenschappen
terecht ongeoorloofd worden gevonden, behalve binnen het kader van de echte
filosofie - maar dat is dan ook geen wetenschap...
Zoals gezegd kan de mens aan zichzelf vaststellen dat hij een tweeledige
structuur heeft waarbij zijn zogenaamde geest een tegenstelling vormt met zijn
lichaam. Bovendien is voor hem de objectieve werkelijkheid tweeledig, althans
voorzover hij nog geen benul heeft van zichzelf als zelfbewustzijn. Onder die
omstandigheden verdeelt hij namelijk als vanzelfsprekend de werkelijkheid in
een hogere afdeling en een lagere, oftewel een goddelijke en een aardse. Ook
die tweedeling wijst op het besef van iets dubbels in het eigen wezen.
Dat de mens zichzelf vanaf de vroegste tijden als iets tweeledigs aanvoelt
behoeft beslist niet te betekenen dat hij daaruit de conclusie zal trekken dat
hij aan het einde van een proces staat. Maar het betekent doorgaans wel dat hij
zijn situatie verbeeldt door te verklaren dat hij het laatste ding is dat door
een scheppende god geschapen is. Als laatste schiep God de mens, zo kan men nog
steeds in de Bijbel lezen. Uiteraard is die voorstelling van zaken op zichzelf
volkomen fout. Er is niets geschapen. De werkelijkheid
heeft zichzelf tot mens ontwikkeld zonder dat er een externe impuls en een
doelgericht programma voor nodig was. Maar daarom gaat het nu niet. Het
essentiële is dat er steeds, en werkelijk in alle culturen, een besef van
tweeledigheid aanwezig is, een besef dat op de een of andere manier
geobjectiveerd wordt en tot een projectie tegen de hemel leidt, maar dat in
feite teruggevoerd moet worden tot een vermoeden van de eigen dubbele situatie,
met de daarbij behorende consequentie dat er op de een of andere manier van een
eindpunt, een grens of een apotheose sprake moet zijn.
De eerste argumentatie gaat uit van het wordingsproces en stelt vast wat het
eindpunt moet zijn. Dan blijkt dat de mens volledig aan de eigenschappen van
dat eindpunt voldoet. Hij moet dus inderdaad het eindpunt zijn.
De tweede argumentatie gaat uit van de mens zelf en stelt vervolgens vast welke
bijzondere eigenschappen hij heeft. Bijzonder is het tweeledige karakter. Dat
leidt tot de gedachte dat de mens een grensgeval moet zijn, op een eindpunt
moet staan. Dat kan aanleiding zijn om na te gaan hoe zijn wordingsgeschiedenis
verlopen is.
De moderne, wetenschappelijk ingestelde mens houdt niet van filosofische
redeneringen, tenzij ze opgesteld zijn met behulp van objectief controleerbare
kwantificeerbare gegevens. Maar dan is het in feite geen filosofie meer, iets
wat bijna altijd over het hoofd gezien wordt.
Nu wil het geval dat op die wetenschappelijke manier het ten einde gekomen zijn
van de wording en van de evolutie niet aantoonbaar is. Netzomin trouwens als
het voortgaan ervan te bewijzen is. Maar merkwaardigerwijs wordt dat feit
doorgaans zorgvuldig buiten de discussie gehouden. En dus blijft men almaar
volhouden dat de evolutie nog lang niet ten einde is hoewel het veel aannemelijker
is dat er wel een einde aan gekomen is.
Er zijn zelfs denkers die het veronderstelde voortgaan van de evolutie
gebruiken als uitgangspunt voor een toekomstvisie waarin een andere en betere
mens optreedt, een mens die verstoken is van al die onaangename eigenschappen
die de huidige mens kenmerken. Zij willen ons zelfs doen geloven dat die
toekomstige mens zich verhoudt tot de huidige zoals de huidige zich verhoudt
tot de mensaap.
En dan zijn er ook nog wetenschappelijke techneuten die menen dat het
binnenkort mogelijk zal zijn de genen van de mens te modificeren zodat die
ideale Uebermensch al eerder op aarde kan verschijnen. Wat de geleerden, die
geacht worden zo intelligent te zijn, aan dwaasheden verzinnen tart in feite
elke beschrijving. Zo hebben zij niet eens in de gaten dat die ideale
Uebermensch in de praktijk een wezenloze 'zombie' zal blijken te zijn, wat
overigens een heerlijk vooruitzicht is voor al die autoritaire machthebbers die
nu hun al eeuwenoude droom van absolute macht bewaarheid zien worden!
Bladwijzer(s): Aanpassingsproces-1 ; Aanpassingsproces-2 ; Aanpassingsproces-3 ; Aanpassingsproces-4 ;
Schepping(s)verhaal-zie afl. 03, 37,
43, 44, 69
;
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
door Jan Vis
AFLEVERING NR. 44
Naar bladwijzers: Individualiteit-01 ; Individualiteit-02 ; Individualiteit-03 ; Individualiteit-04 ; Individualiteit-05 ; Individualiteit-06 ; Individualiteit-07 ; Individualiteit-08 ; Schepping(s)verhaal-zie
afl. 03, 37, 43, 44,
69
______________________________________________________
Uit de omstandigheid dat de mens het laatste
verschijnsel is dat op deze planeet door de evolutie is voortgebracht volgt dat
hij, in tegenstelling tot alle voorgaande verschijnselen, aan geen enkel
ingeboren programma gebonden is. Het onontkoombare karakter van die
levensprogramma's, die eigenlijk natuurwetmatigheden zijn, is voor hem een zaak
van vrije keuze
geworden, dus iets waaraan hij zelf invulling kan geven en een betekenis
toekennen. Welbeschouwd betekent dit dat de mens in principe een onbeschreven
blad is.
In het zogenaamde scheppingsverhaal, zoals dat onder andere in de Bijbel
voorkomt, wordt het al nadrukkelijk gesteld, want de eerste mens wordt daarin
getekend als 'onschuldig' zonder ook maar ergens op toegerust te zijn. Het eten
van de verboden vrucht geeft aan dat het onvermijdelijk is dat de mens aan zijn
leven inhoud gaat geven, uiteraard in de vorm van kennis. Dat dit onmiddellijk
'kennis van goed en kwaad' is, is in feite volstrekt logisch en het is
overigens ook te begrijpen dat in oude verhalen deze eerste stap van de mens op
de weg naar individualiteit als 'duivels' getekend wordt. Maar opgemerkt moet
worden dat dit duivelse meer slaat op het rebelse karakter van die eerste stap
dan op fundamentele slechtheid van de mens. Die veronderstelde slechtheid,
gecombineerd met de dwaze 'erfzonde', berust op een geraffineerde streek van
het christendom. Het gaat daarbij niet om stichting van de mensen, maar om
vernedering opdat zij zich gedwee zullen buigen voor de absolute macht van de
kerk.
Dat de mens in principe een onbeschreven blad is speelt in het filosofische
denken een belangrijke rol, hoewel die rol vooral tegenwoordig nauwelijks
herkend wordt. De huidige filosofie is academisch van karakter en dat houdt
onder andere in dat voor elke nieuwe gedachtengang een bepaalde verzameling van
reeds bestaande ideeën als uitgangspunt gekozen wordt. Het is in feite een
filosofie die ňver filosofie gaat, een filosofie dus die zich met zichzelf
bezig houdt. Dat behoort onlosmakelijk bij het academische denken, want dat
heeft nu eenmaal een 'cumulatief' karakter, wat wil zeggen dat er wordt
uitgegaan van en voortgebouwd op de stand van zaken van een bepaald moment. Wat
er daarna bij de denk-procedure voor de dag komt wordt er, na grondige
overdenking en toetsing, aan toegevoegd. Dat is het cumulatieve.
De filosofische kennis breidt zich gestaag uit en vormt als zodanig een steeds
omvangrijker academische discipline. Degenen die de studie daarvan voltooien
worden tenslotte 'filosofen' genoemd. Dat is zo langzamerhand zo
vanzelfsprekend geworden dat alleen nog deze gekwalificeerde wetenschappers als
wijsgerige autoriteiten worden erkend. En het verdient aanbeveling het tot
hoogleraar gebracht te hebben, maar op zijn minst gepromoveerd te zijn op het
denken van een vroegere collega. De moderne filosoof is de in alle opzichten
academische filosoof.
Daarbuiten is iedere denker een charlatan. Men heeft het zelfs over een
'para-filosoof', wat natuurlijk een slinkse associatie met onbetrouwbare
para-psychologen en dergelijke mensen suggereert.
Een andere, in wezen ook academische wijze van filosoferen is die welke
gebaseerd is op fundamentele natuurkundige kennis. Men vraagt zich daarbij af
hoe de oerwerkelijkheid is en in hoeverre het moderne onderzoek, bijvoorbeeld
van de zogenaamde Quarks, die werkelijkheid al benaderd heeft. In het verlengde
daarvan probeert men te berekenen hoe op zichzelf mysterieuze fenomenen als
denken, voelen, bewustzijn en zelfbewustzijn tot stand zijn gekomen. Deze
benadering van de werkelijkheid heeft de verdienste niet te steunen op wat
anderen verondersteld hebben maar op gedegen wetenschappelijk onderzoek van de
materie.
Het behoeft niet te verbazen dat ook die wijze van filosoferen door
eerdergenoemde filosofische machthebbers nauwelijks serieus genomen wordt. In
het beste geval beschouwen zij het als een hobby van bepaalde natuurkundigen.
En uiteraard onthouden zij zich niet van verdachtmakingen in de richting van
New-Age voorzover natuurkundigen als Fritjof Capra en collega's, stellig tegen
hun zin, daarmee geassocieerd worden.
Hoe dan ook, of men zich veilig beperkt tot academisch denken ňver filosofie,
of dat men zich baseert op de natuurkunde en zich dus eigenlijk met een vorm
van theoretische natuurkunde bezig houdt, in beide gevallen heeft de zaak niets
met filosoferen te maken.
Het gaat bij het filosoferen om de vraag hoe de werkelijkheid is. Het object
van het denken daarover is de mens zčlf omdat, ten eerste, in hem alles
samenkomt, maar, ten tweede, ook omdat hij de zogenaamde objectieve
werkelijkheid per definitie niet rechtstreeks benaderen kan. Hij moet dat
noodzakelijkerwijs altijd doen via iets anders, om te beginnen zijn zintuigen.
Maar zichzelf kan hij wel zonder tussenkomst van iets anders doorgronden, want
hij is immers de apotheose van de wording! Dit betekent dus dat de vraag hoe de
werkelijkheid is neerkomt op het doorgronden van de werkelijkheid als mens.
In de filosofie poogt de mens de werkelijkheid te ontdekken door zichzčlf te
leren kennen, vanzelfsprekend niet in psychologische of biologische zin, maar
in universele zin. Het gaat dus eigenlijk om de aloude vraag: "Wie ben ik?". Nu is de moeilijkheid bij
laatstgenoemde vraag dat de mens die zichzelf deze vraag stelt geconfronteerd
wordt met het feit dat hij wezenlijk een onbeschreven blad is, dus dat hij zo
zonder meer niet in staat is een betrouwbaar antwoord te geven. Want hij weet
niets doordat hij aan geen enkele natuurwetmatigheid gebonden is. Toch moet hij
het antwoord in zichzelf zoeken. Er is filosofisch gezien geen andere
mogelijkheid.
Hij vindt het antwoord door om te beginnen nergens van uit te gaan, van geen
voor juist gehouden wetenschappelijke of intuďtieve kennis. Vervolgens door
nauwkeurig na te gaan wat er zich, onafhankelijk van ruimte en tijd, afspiegelt
aan de realiteit om hem heen. Dat is de vaak door kunstenaars zo genoemde
'werkelijkheid ŕchter de dingen'.
(Voor dat 'nagaan' gelden enkele criteria, waarover meer in de volgende
aflevering).
Alle reeds bestaande filosofische ideeën en alle concrete kennis doen voor het
filosoferen niet ter zake. Het is voor dat filosoferen niet interessant of zij
betrouwbaar en juist zijn of niet, omdat de filosoof dat vanuit zijn filosofie
niet kan beoordelen, hoewel hij er doorgaans wel kennis van zal nemen. Maar ook
dat is niet echt noodzakelijk.
Lang geleden is dat al door Oosterse Taoďstische monniken begrepen! Zij
brachten dit inzicht tot uitdrukking in het rituele verscheuren van boeken...
Naar bladwijzers: Individualiteit-01 ; Individualiteit-02 ; Individualiteit-03 ; Individualiteit-04 ; Individualiteit-05 ; Individualiteit-06 ; Individualiteit-07 ; Individualiteit-08 ; Schepping(s)verhaal-zie afl. 03, 37,
43, 44, 69
Vrije keuze-1 ; Vrije keuze-2 ;
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
door Jan Vis
AFLEVERING NR. 45
Bladwijzers: Opvoeding-1
; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ; Eenzijdgheid-1
; Eenzijdgheid-2 ; Eenzijdgheid-3
;
______________________________________________________
Hoe de mens ook naar de werkelijkheid kijkt,
onvermijdelijk zal hij dit moeten doen via een tussenstation. De meest voor de
hand liggende, want de onmiddellijk gegeven vorm daarvan zijn, de zintuigen.
Die zijn de mens zeer nabij, uiteraard omdat zij onderdeel van zijn eigen
lichaam uitmaken. Anders dan met de gespecialiseerde zintuigen van de dieren
het geval is, zijn die van de mens niet bepaald effectief. Dat is evenwel niet
zo erg omdat het in de logica ligt dat hij in de loop der tijden allerlei verlengstukken
van zijn zintuigen ontwerpt, enerzijds om de onbetrouwbaarheid van die
zintuigen zoveel als mogelijk op te heffen en anderzijds om dieper in de dingen
door te kunnen dringen.
Hoezeer die verlengstukken ook zijn kennis van de werkelijkheid uitbreiden en
verbeteren, nimmer is het de mens mogelijk het tussenstation van zijn zintuigen
uit te schakelen. Hij kan nog zulke verfijnde en betrouwbare instrumenten
bouwen, toch blijven zijn zintuigen het zwakste moment in zijn
waarnemingsproces. Op grond daarvan is te zeggen dat zuivere objectiviteit een
fundamentele ňnmogelijkheid is. Dat betekent logischerwijs ook dat het
ontdekken en kennen van de waarheid voor altijd een ijdele wens zal blijven,
althans als het de bedoeling is de waarheid op objectieve en dus
wetenschappelijke wijze bloot te leggen. Onder het begrip 'waarheid' moet
verstaan worden de werkelijkheid zoals zij werkelijk is, ongeacht wat dan ook.
De wetenschappen komen noodzakelijkerwijs niet verder dan het aanleggen van een
verzameling zo betrouwbaar mogelijke kennis. Die betrouwbaarheid is vooral bij
de moderne exacte wetenschappen tot buitengewoon grote hoogte opgevoerd,
hetgeen onder andere op tal van gebieden blijkt uit de schitterende
toepassingen ervan. Het mag dan ook niet verbazen dat velen, hierdoor verblind,
in de mening verkeren dat alleen de wetenschappen de waarheid zullen kunnen
vinden, hoewel er heel wat wetenschappers zijn die zeggen dat er helemaal geen
waarheid bestaat, wat overigens een niet zo erg intelligente opvatting is...
Het kan niet uitblijven dat zowel het een als het ander tot een buitengewoon
gevaarlijke eenzijdigheid leidt. Enerzijds krijgen
academici de kans de macht in de maatschappij en de samenleving over te nemen
en anderzijds wordt nagenoeg het hele scala van niet-academische ideeën en
ervaringen steeds arroganter afgedaan als niet relevante onzin. Thans is er al
vrijwel geen enkel gebied meer waarop de academisch gevormde machthebbers geen
beslag hebben gelegd. Zij hebben de mensen zelfs wezenlijk niet-wetenschappelijke
zaken als kunst en filosofie afhandig gemaakt en ook wordt het dagelijkse leven
al in hoge mate door academici bestierd. De gezondheid, de opvoeding, de sporten, de
vrijetijds besteding, de vakanties, de dagelijkse omgang met elkaar, leven,
liefde en dood, bij alles ligt vandaag de maat bij wat de wetenschap er over
zegt.
Zoals vroeger de godsdienst de normen voor het leven bepaalde doet thans de
wetenschap het. Die vergelijking gaat zelfs zozeer op dat de academici zich net
zo betweterig en autoritair zijn gaan gedragen als voorheen de priesters en de
dominees. En het feit dat het slechts over betrekkelijke objectiviteit gaat en
niet over absolute waarheid wordt buiten elke discussie gehouden, als ware het
een taboe. Modern is wat dit betreft de truc om met stelligheid te beweren dat
de waarheid niet bestaat omdat alles betrekkelijk is.
Voor het getrouw omgaan met de werkelijkheid is echter heel wat meer nodig dan
alleen maar de moderne wetenschap. Sterker nog, het is eigenlijk helemaal niet mogelijk
om op een humaan verantwoorde wijze wetenschap toe te passen als er geen
inzicht is. Tot nu toe wordt bij gebrek daaraan heel wat wetenschap
onverantwoord en zelfs misdadig toegepast.
Dat inzicht is een uniek menselijk vermogen dat gebaseerd is op het
alomvattende geheel van de werkelijkheid. De mens als laatste verschijnsel is
dit geheel. Dat betekent dat hij alles, het gehele universum, tot inhoud heeft.
Weliswaar op 'virtuele' wijze, maar toch. Om zich van die inhoud bewust te
worden heeft de mens niets nodig. Hij heeft geen zintuigen nodig en al helemaal
geen instrumenten. Dat zou overigens ook nergens op slaan want zoals gezegd is
die inhoud 'virtueel' van karakter. Het is een zaak van algemeenheden, dus
bijvoorbeeld niet 'deze' boom, maar 'de' boom, niet 'hier en nu' maar altijd en
overal. Bovendien is de zaak beweeglijk, wat overigens in de logica ligt omdat
er niets, op welke manier dan ook, vastgelegd is. Die algemene werkelijkheid
ligt fundamenteel in de mens verborgen zodat deze niets anders behoeft te doen
dan inzicht in zichzelf te ontwikkelen. Als gevolg daarvan kan hij nagaan hoe
de werkelijkheid is en naarmate hem dat beter gelukt kan hij dat steeds
genuanceerder.
Het verkrijgen van inzicht in zichzelf is een cultuur-proces dat zich
geleidelijk via de opeenvolgende generaties voltrekt. Langzaam maar zeker
verheldert zich de kijk van de mens op zijn universele inhoud. Dat proces laat
zich door niets versnellen of anderszins manipuleren, het is een volstrekt
autonome gang van zaken. Het is zelfs zo dat de mensen er doorgaans niets van
merken. Het speelt zich in het verborgene af.
Post-moderne filosofen beweren dat zo'n proces er helemaal niet is. Zij vinden
dan ook dat de geschiedenis zich lukraak afspeelt, dus zonder dat er een lijn
in zit. Maar er is wel degelijk een bepaalde geleidelijke voortgang aan de
geschiedenis op te merken, hoewel inderdaad niet op de manier waarop die
filosofen en tal van historici naar de geschiedenis kijken.
Doordat die virtuele werkelijkheid in de mens als een gegeven aanwezig is kan
iemand zich er op toeleggen er voor zichzelf een helder zicht op te krijgen
zodat het mogelijk wordt na te gaan hoe het ermee zit. Vervolgens is het dan de
opgave er op de een of andere manier uitdrukking aan te geven.
Volgens de wijsgeer Spinoza
(1632-1677) moet men daartoe 'zijn verstand zuiveren', wat zeggen wil dat alle
aangeprate flauwekul er uit moet. Het gaat dan echt om de waarheid, ook als die
op een ruwe of gebrekkige wijze vertolkt wordt. Door de onafhankelijkheid van
zintuigen en doordat het strikt over de werkelijkheid als eigen inhoud gaat kan
zo'n verheldering volstrekt geen collectief karakter hebben. Het is per
definitie een persoonlijke zaak, dus in feite een kwestie van aanleg, zelfs een
bijzondere aanleg. Sommigen spreken niet geheel ten onrechte van een 'vleug van
genialiteit'. Uiteraard is het bijzondere gelegen in het ongrijpbare, het
onbepaalde en het vluchtige.
Die bijzondere situatie is kenmerkend voor de kunstenaar en de filosoof. Beiden
geven almaar opnieuw een beschrijving van de werkelijkheid zoals ze naar
waarheid is. In hoeverre dat zuiver is, behoort tot de zorg van de kunstenaar
en de filosoof, maar wezenlijk is dŕt het voortdurend en uitsluitend om de
waarheid gaat, een waarheid die geldig blijft ongeacht tijd en plaats.
Voor het filosoferen, in de zin van nagaan hoe de werkelijkheid is, volgen hier
enkele criteria:
a. het gebruik van onverschillig welke beschikbare kennis om als bewijs te
dienen voor de eigen gedachtengang, is in strijd is met het wezen van het
filosoferen, omdat die kennis een externe oorsprong heeft.
b. het is fout om een gedachtengang sluitend te maken doormiddel van een niet
via een eerdere gedachtengang verkregen argument. De zogenaamde 'Deus ex
machina' is verboden..!
c. het ter ondersteuning van een gedachtengang gebruik maken van een slechts
tijdelijk en plaatselijk geldig argument is fout, omdat een filosofische
waarheid te allen tijde waar moet zijn.
d. het geheel van de helder geworden waarheid moet in zichzelf in alle
richtingen consistent zijn, hetgeen wil zeggen dat de ene gedachtengang nimmer
op de andere mag vastlopen.
Het feit dat het zoeken van de waarheid een ňnmiddellijke zaak is werd zonder
probleem door de denkers van de Oudheid erkend. Zij waren nog niet door de
moderne wetenschap verblind. Voor de oude Grieken bijvoorbeeld had het
Apollinische advies "Ken Uzelve" een
heel plausibele betekenis. Zij begrepen dat in de mens de gehele werkelijkheid
geconcentreerd is. Als dan de denkers van het oude Oosten adviseerden om af te
dalen naar de 'innerlijke bron' getuigden ook zij van het besef dat de waarheid
in de mens zčlve gevonden moet worden.
Bladwijzers: Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3
; Opvoeding-4
; Opvoeding-5
; Opvoeding-6
; Opvoeding-7
; Eenzijdgheid-1 ; Eenzijdgheid-2
; Eenzijdgheid-3
; Onafhankelijkheid: Zie nrs. 14 ; 21
; 25 ; 35
; 45 ; 67 ;
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
door Jan Vis
Zie
bladwijzers: Waanvoorstellingen- zie afl. 17
; 23
; 36
; 37
; 46 ; 52
; 60
; 63
; 64
;
AFLEVERING NR. 46
______________________________________________________
Het is bepaald deprimerend om op te merken
hoezeer de filosofie van de beginnende West-Europese beschaving bij vergelijking met die van
de Klassieke Grieken in het slop is geraakt. De filosofie van onder anderen
Plato en Aristoteles heeft qua filosofische integriteit een veel hoger niveau
dan die van welke westerse denker uit die dagen ook. De thematiek van die
westerse denkers blijft almaar gebonden aan modderige Christelijke waanvoorstellingen over
God en de Duivel en de fundamentele slechtheid van de mens, zonder dat er ook
maar de geringste poging wordt gedaan die voorstellingen op zichzelf in twijfel
te trekken. Als er sprake zou zijn van integere filosofie zou juist dit in
twijfel trekken onmiskenbaar aanwezig zijn, niet als een tobberige
zelf-promotie, zoals tegenwoordig bij filosofen en kunstenaars gewoonte is
geworden, maar als onbevooroordeeld uitgangspunt voor een creatieve denkweg.
Bovendien is het logische niveau van die Christelijk-filosofische
verhandelingen onvoorstelbaar laag. Voorzover er van logica gesproken kan
worden blijft die steken in een platvloers redeneren via primitieve
causaliteiten. Onwillekeurig doet dat denken aan de corrupte verhalen van
hedendaagse politici die ondanks alles hun zin willen doordrijven. Maar helaas
valt die overeenkomst nauwelijks op. Zelden hoort men iemand klagen over de
vroege Europese filosofie. Doorgaans wordt zij daarentegen met evenveel respect
benaderd als de Klassiek Griekse, waarin wellicht een rol speelt dat men zich
laat misleiden door het feit dat die Europese filosofie ogenschijnlijk op Plato
en Aristoteles voortborduurt.
Maar ook en vooral speelt er in mee dat het redeneren via primitieve, want
enkelvoudige, causaliteiten typerend is voor de Europese cultuur. Dat komt
vanwege de analyse, een denken dat niet verder kan komen dan het blootleggen
van de relaties tussen de dingen. Dat is de basis van die enkelvoudige
causaliteiten. Door het splitsende karakter gaan de veelzijdige samenhangen
onherroepelijk verloren. Maar die zijn nu juist essentieel voor het
filosoferen. Tot en met de dag van vandaag voert het zoeken van enkelvoudige
causaliteiten de boventoon, ook in het wetenschappelijke denken. Sterker nog,
het is in belangrijke mate de oorzaak van deszelfs succes...
In tegenstelling tot het denken van de filosofen uit de Klassieke Oudheid heeft
dat van de Europese denkers steeds een vooropgezette bedoeling. Er moet ergens
naar toe gerommeld worden, wat er vooral aanvankelijk op neer komt dat het
bestaan en de functie van de Christelijke God aannemelijk gemaakt moeten
worden. En daarmee samenhangend staat dat denken in het teken van de macht. Een
macht die de mensen voorgesteld wordt als iets universeels waaraan niemand zich
kan onttrekken. Daardoor is de conclusie gewettigd dat het gaat over een
maatschappelijk gebonden, een politiek, denken. Een denken dat
noodzakelijkerwijs uitsluitend dient om belangen te behartigen.
Daarmee is het zonder meer qua filosofie veroordeeld.
Hoe anders is het gesteld met het denken van bijvoorbeeld Plato. Hij laat zien
hoe Socrates ter dood veroordeeld werd juist omdat hij weigerde zijn denken aan
de maatschappelijke belangen ondergeschikt te maken. Uit de gesprekken van
Socrates blijkt zijn onmiskenbare behoefte om de waarheid te vinden, gewoon
door zo zuiver mogelijk te redeneren. Dat betekent niet alleen dat er geen
vooropgesteld belang gediend wordt, maar het betekent ook en vooral dat het
denken zčlf aan geen voorgeschreven thema's, regels en methoden gebonden is. In
dit verband is dan ook met recht te spreken van het ware 'vrijdenken'.
Vrijdenken is noodzakelijk om inzicht in de werkelijkheid te verkrijgen. Voor
het filosoferen is het zelfs een absoluut vereiste. Logisch, want een
gereglementeerd denken kan immers niets nieuws ontdekken. Het blijft opgesloten
binnen van tevoren getrokken grenzen en herkent daardoor het onverwachte niet.
Dat laatste valt niet erg goed bij de moderne denkers, omdat het vrijdenken en
het filosoferen logischerwijs als een zaak van een persoonlijke aanleg opgevat
moeten worden. Maar zo'n zaak is ňngrijpbaar en dus voor hen volstrekt
onnavolgbaar. Er valt niets te controleren en dus valt er volgens die denkers
ook niets te bewijzen. Dat nu is voor de moderne intelligentsia onverteerbaar,
want zij is nu eenmaal geworteld in en afhankelijk van de grijze middelmaat.
Daarvan moet zij het hebben als het er om gaat zichzelf te laten gelden en te
handhaven.
Toch is er aan het filosoferen, net als aan de kunsten, wel degelijk ičts
voorondersteld. Men moet namelijk een 'artistieke' kijk op de werkelijkheid
hebben. Daarbij gaat het niet om een wereldbeschouwing, want die berust op de
meer of minder zelfbewuste voorstelling die men van de werkelijkheid heeft.
Zo'n voorstelling is opgebouwd uit een verzameling al of niet betrouwbare
brokjes kennis. Dat betekent onmiddellijk dat de wereldbeschouwing volstrekt
tijd- en plaatsgebonden is, zodat hij voor het filosoferen niet gebruikt kan
worden.
Met een 'artistieke' kijk echter is het geheel anders gesteld. Wat er al of
niet geweten wordt qua kennis is van geen wezenlijk belang, het gaat om het
beeld dat men heeft van de werkelijkheid als geheel. Anders gezegd: het gaat om
'hoe' de werkelijkheid is en niet om 'wat' zij is.
Een ondergeschikte rol speelt hierbij het verband dat er is met de cultuur
ontwikkeling van de mensheid. Die ontwikkeling komt in het kort hierop neer:
tot en met het einde van de Oudheid was de mens qua zelfbewustzijn gericht op
het in zichzelf samenhangende, ongebroken, beeld van de werkelijkheid. Dat is
die 'artistieke' kijk. Aanvankelijk, in het verre verleden, was hem dat beeld
nog onduidelijk, maar het was daarom niet minder waar. Een onduidelijk beeld is
per se nog geen onwaar beeld. Op grond daarvan konden filosofen en kunstenaars
ware verhalen over de werkelijkheid vertellen. Dat deden zij als regel in de
vorm van verbeeldingen, zeg beeldverhalen. In de loop der tijden werd de
werkelijkheid als beeld meer duidelijk totdat zij aan het einde van de Oudheid
werkelijk helder geworden is, hetgeen overigens niet betekent dat men nu weet
'wat' de werkelijkheid is. Daar komen de mensen pas veel later achter. Er was
nu echter wel een heldere 'artistieke' kijk op de werkelijkheid, met als gevolg
dat filosofie en kunsten tot grote bloei konden komen, niet alleen in het oude
Griekenland, maar ook elders op de planeet.
Nu zou men in zijn argeloosheid verwachten dat ook na de Oudheid, op basis van
die heldere 'artistieke' kijk, voortgegaan werd met het nader uitwerken van de
filosofie en de kunsten. Niets is echter minder waar, dat wil zeggen: die
activiteiten als zodanig gingen natuurlijk wel door maar men ging zich niet
langer op het 'artistieke' beeld richten, maar op de, nu zichtbaar geworden,
samenstelling ervan. Dus in feite verdween vanaf dat moment de samenhang uit
het beeld. Het was niet 'artistiek' meer. Daarmee kwamen filosofie en kunsten
onvermijdelijk in het teken van analyse te staan. Hoewel aanvankelijk nog
nauwelijks merkbaar begon het proces van kennisverwerving zich door te zetten.
Dat brengt logischerwijs met zich mee dat de causale verbanden tussen de dingen
de plaats gingen innemen van de vroegere samenhang. Voor de wetenschappen is
dat een heilzame ontwikkeling, maar voor de filosofie en de kunsten is het een
ramp. Zij begonnen dan ook langzaam maar zeker te verzanden in, letterlijk,
uiteenzettingen over concrete situaties en gebeurtenissen. En de waarheid kwam
op een zijspoor te staan.
Op het ogenblik is het zover gekomen dat veel mensen zelfs betwijfelen of er
überhaupt een waarheid bestaat. Onvermijdelijk is dat ook de overtuiging van
veel filosofen en kunstenaars geworden, met als tragisch gevolg dat de
resultaten van hun arbeid vernuftig in elkaar geknutselde constructies zijn.
Maar over de hoedanigheid van de werkelijkheid gaat het al lang niet meer. Het
gaat over dat wat er van gemaakt is door kennisbrokstukken aan elkaar te
koppelen. Hoewel dat wetenschappelijk van veel kennis van zaken getuigt is het
filosofisch en kunstzinnig een zaak van betreurenswaardige ideeloosheid.
Zie
bladwijzers: Waanvoorstellingen- zie afl. 17
; 23
; 36
; 37
; 46 ; 52 ; 60 ; 63 ; 64
;
FILOSOFIE
VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
door Jan Vis
AFLEVERING NR. 47
Deskundigheid of bekwaamheid: A1, B2,
C3 en D4 ;
______________________________________________________
Het schijnt dat de filosoof Hegel indertijd over
de toekomstige moderne wereld gezegd heeft dat tenslotte de Middelmaat zich alles zal
toe-eigenen, zich 'breed zal maken', om vervolgens de wereld te gaan regeren.
Deze voorspelling komt precies uit wat betreft de intellectuele kwaliteit van
de huidige mensheid. Hegels opinie blijkt te kloppen inzake het functioneren
van de wetenschappen als maatgevend geloof en, daarmee samenhangend, inzake de
toestand van de moderne democratie, die namelijk gaandeweg tot een academische
speelwei is verworden.
Inderdaad is, althans in de Atlantische wereld, de brede middengroep van de mensheid
op alle gebieden bepalend geworden. Uiteraard is dat een rechtstreeks gevolg
van het feit dat zij, kwantitatief gezien, met zovelen zijn. Maar veel
belangrijker is de kwalitatieve kant van de zaak. De kwaliteit van die
middengroep berust niet op de persoonlijke aanleg, bekwaamheid en ervaring van de betrokkenen,
maar op hun opleiding. Niet wijsheid is de norm, maar het schooltje dat men
doorlopen heeft en het diploma dat, desnoods met kunst en vliegwerk, verkregen
is.
De eis dat de mensen goed opgeleid moeten zijn is natuurlijk alleszins
redelijk. Het ligt voor de hand dat de samenleving niet gebaat is bij knoeiers
die niet weten waarover het gaat. Het lijkt dus goed dat de maat bij een goede
opleiding gelegd wordt. Maar bij nadere beschouwing blijkt dat toch een fixie
te zijn. Zelfs een gevaarlijke fixie, juist omdat er geen alternatieven meer
mogelijk zijn. Een moderne, voor een ieder toegankelijke, opleiding berust
noodzakelijkerwijs op een gemiddelde, of het nu een lagere dan wel een hogere of
zelfs academische opleiding betreft. Steeds is de middelmaat cruciaal. Er moet
immers voldaan worden aan de criteria van het begrip 'emancipatie', hetgeen
betekent dat de geboden informatie in principe voor iedereen bevattelijk moet
zijn. Moeilijke zaken, aan de grenzen van kennis en weten, zijn uit de aard der
zaak elitair, slechts bestemd voor uitzonderlijk begaafde enkelingen.
Er is niets verkeerds aan emancipatie. Uiteindelijk moet ieder individu volgens
haar of zijn aanleg en mogelijkheden kunnen leven, zonder dat externe machten
dat sturen of belemmeren. En het is ook volstrekt redelijk dat die vrije mensen
gezamenlijk een maatschappij en een samenleving vormen waarop zij, elk op eigen
wijze, invloed kunnen uitoefenen. Dus behoort er een individualistische,
oftewel 'libertaire' democratie te zijn. Dat is de uiterste mogelijkheid qua
maatschappijvorm, juist omdat het dan de mensen zelf zijn die bepalen hoe hun
maatschappij is.
Ogenschijnlijk is dat thans in de Atlantische wereld al het geval. Maar niets
is minder waar. Het huidige democratische systeem dient in feite alleen maar
ter legalisering van de dictatuur van overheden voor wie de mensen slechts als
stemvee gelden. Wat dat betreft is er geen wezenlijk verschil met vroegere
maatschappelijke situaties: Lodewijk de Veertiende regeerde alleen want hij
vond dat hijzelf de staat was. Thans zijn er besturen van goed opgeleide
burgermannetjes die de touwtjes in handen hebben en die betrekkelijk
ongehinderd hun zin door kunnen drijven. De kwaliteit van hun regeren wordt
daarbij bepaald door de min of meer geheime wensen van economisch-politieke
elites. Genoemd stemvee mag aan die burgermannetjes een schijnbaar redelijke
machtsbasis geven, evenwel zonder ook maar de geringste zeggenschap te hebben
over de plannen van zo'n regering en die elites op de achtergrond. Die
plannetjes worden het stemvee zonder meer voorgelegd als voorgekookte hapklare
brokken: slikken of stikken!
Toch is er wel een verschil met de vroegere situatie waarin alleenheersers het
eenzijdig voor het zeggen hadden. Dat verschil betreft het begrip
'middelmatigheid'. Destijds waren het uitzonderlijke, verre van middelmatige,
lieden met speciale begaafdheden, soms zelfs wel een zekere mate van wijsheid.
Uiteraard hield dat uitzonderlijke doorgaans een niets ontziende
schurkachtigheid in, die zij onbeschroomd lieten gelden. Maar ook daarin kan
men geniaal zijn! Als regel was er van een opleiding nauwelijks sprake. Hun
kennis van zaken omvatte gewoonlijk niet veel meer dan de jacht en het soldatendom.
Kortom, alles draaide om hun persoonlijke, meer of minder criminele,
kwaliteiten. Daardoor kan men zelfs vandaag de dag nog spreken van Karel de
Grote, Peter de Grote, Lodewijk de Heilige, Willem de Zwijger, Iwan de
Verschrikkelijke en zo meer. Maar het zou nergens op slaan als er gesproken zou
worden van Wim Kok de Wijze of Clinton de Geweldige. Deze mensen zijn immers
niet uitzonderlijk, zij zijn exponenten van een grijze middelmaat.
Het is allemaal wel te verklaren. De moderne mens heeft een intellectueel
stadium bereikt waarin het hem mogelijk lijkt de werkelijkheid te beheersen.
Natuurlijk is dat een rampzalige vergissing: de werkelijkheid is ten enen male
niet te beheersen, in feite omdat zij gestoeld is op absolute beweeglijkheid.
Maar de moderne mens denkt dat hij de zaak wel naar zijn hand kan zetten. Hij
heeft immers de verschillende wetmatigheden leren kennen en begrijpen. Maar het
beheersen van die formules is heel wat anders dan het beheersen van de concrete
situaties waaraan die formules refereren.
Hoe dan ook, deze wil tot beheersen richt zich onvermijdelijk ook op de
capaciteiten van het individu. Daarvoor is evenwel een meetbare grootheid
nodig. Welnu, deze is gelegen in de al of niet succesvolle training van het
intellect, dus in de opleiding. Omdat het betreffende individu zich voor meting
en kwalificatie moet lenen moet het beantwoorden aan gemiddelde criteria, niet
aan ongrijpbare uitzonderlijkheden. Het moet goed aangepast zijn. Een
persoonlijkheid als Winston Churchill was nuttig in de uitzonderlijke toestand
van de Tweede Wereldoorlog, maar toen alles weer normaal was moesten er ook
weer 'normale' leiders komen en dus zo vlug mogelijk: exit Churchill!
De controleerbare en beheersbare middelmatigheid moet zich breed kunnen maken.
Daaraan staan bijzondere persoonlijke kwaliteiten in de weg. Is het een wonder
dat de moderne mensheid ver beneden haar mogelijkheden blijft als zij in haar
infantiele verblinding steeds maar weer de grote talenten uitstoot..?
Deskundigheid
of bekwaamheid:
A1, B2, C3 en D4 ;
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
door Jan Vis
AFLEVERING NR. 48
______________________________________________________
Doorgaans hebben wetenschappers weinig begrip
voor de gedachte dat de wetenschap onder het begrip 'middelmaat' valt, zuiver
filosofisch gezien. Zeker tegenwoordig is men juist van mening dat de
wetenschap een manifestatie is van het uiterste waartoe de mens qua
intelligentie kan komen. Men vindt dat er niets boven het wetenschappelijk
denken uitgaat.
Die mening is fout, hoewel hij op zich wel begrijpelijk is. De moderne cultuur
staat immers in het teken van wetenschap. Bovendien echter heerst er een
hardnekkige begripsverwarring over dat begrip 'middelmaat'. Gewoonlijk verstaat
men er namelijk een kwalitatieve graduatie onder. Men spreekt dan van
middelmatigheid, bijvoorbeeld in verband met onopvallende prestaties van
iemand. De betekenis ervan is in dat geval niet bepaald gunstig.
Daarover gaat het echter niet bij het filosofische begrip 'middelmaat'. Het
betreft niet een graduatie maar een typering van het wezen van iets, in dit
geval van de moderne cultuur. Van die cultuur is te zeggen dat zij staat in het
teken van het begrip 'middelmaat'. En dat begrip geldt dus ook voor de moderne
wetenschap. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat het een overdraagbare zaak
is. Hoe knap iemand ook is, al zijn of haar kennis kan gemakkelijk aan anderen
overgedragen worden. Die behoeven alleen maar goed te kunnen 'leren', dat wil
zeggen: de aanleg hebben om gemakkelijk kennis op te kunnen nemen. Kennis die
hun door anderen aangereikt wordt en waaraan zij slechts bij hoge uitzondering
zelf iets toe voegen.
Inzicht of visie is
niet vereist, in tegenstelling tot wat het geval is bij de kunsten
en de filosofie, die het daarvan juist moeten hebben. In feite bestaan de
wetenschappen uit gestaag groeiende opstapelingen van (kennis)elementen die op
zichzelf niets bijzonders zijn. Daar is absoluut niets op tegen, het is precies
zoals het behoort. Kwalijk is het echter als in de moderne cultuur die
verzamelingen kennis als de maat voor het gehele leven gesteld worden. Zij zijn
in feite slechts de maat voor de concrete dingen.
Het door het begrip 'middelmaat' te typeren karakter van de moderne wetenschap
betekent per se niet dat vele wetenschappelijke prestaties op zichzelf niet
hoogst uitzonderlijk, zelfs wel geniaal, zouden kunnen zijn. Nadat in de loop
van de 19e eeuw de sleutel gevonden was tot de geheimen van de materie, zijn er
gigantische prestaties geleverd. Een ieder kan dat gemakkelijk constateren. Die
sleutel is de analytische procedure. Daarzonder kan geen enkel geheim
ontsluierd worden.
Hoewel de vernieuwende ideeën gewoonlijk door hoogbegaafde enkelingen
aangeleverd worden is in principe het wetenschappelijk onderzoek op zichzelf
een kwestie van teamwork. Men overlegt met elkaar. Het is vervolgens het
samengaan van individuele talenten die tot resultaten leiden. Vaak behoeven dat
helemaal geen grote talenten te zijn, als men zijn vak maar verstaat en over de
nodige wetenschappelijke integriteit beschikt.
Analyse van de werkelijkheid is het eerste waartoe de mens komt als het er om
gaat kennis te verwerven. Eigenlijk doet hij dat al onmiddellijk vanaf zijn
geboorte op de planeet. Het is namelijk zijn primaire aanleg om het een van het
ander te scheiden. Dat blijkt, achteraf gezien, zijn gereedschap te zijn om als
vreemdeling temidden van een vijandige natuur te overleven. Zo kan hij
vaststellen welke gewassen en dieren al of niet eetbaar zijn of te gebruiken
voor andere doeleinden.
Maar aanvankelijk, in feite tot de 19e eeuw, is dit scheidingsproces louter een
automatisme. Het gebeurt als ware het een vanzelfsprekendheid, wat het
overigens ook is. Dat evenwel verandert in de loop van de 19e eeuw. Het wordt
dan een cultuurthema, een opdracht zelfs. Dat wil zeggen dat de dan
doorbrekende cultuurfase volledig in het teken van dat scheiden komt te staan.
Deze, nu zelfbewust geworden, zaak heet 'analyse' en het realiseren ervan
gebeurt in de moderne wetenschap.
In de grond van de zaak gaat het bij de analyse, en dus ook bij de moderne
wetenschap, om het elimineren van bijzonderheden. Het uit elkaar halen van de
dingen houdt onmiddellijk ook in dat de materie haar bijzondere eigenschappen
verliest. Een ijzeratoom bijvoorbeeld valt uiteen in delen die geen ijzer meer
zijn. Het eindresultaat is dus een elementaire bouwsteen die zich in niets meer
onderscheidt van de andere bouwstenen. Zo'n bouwsteen is letterlijk 'niets
bijzonders'.
De moderne wetenschap is dus manifestatie van een algemeen menselijke
eigenschap die in feite in dubbele zin niets bijzonders is, enerzijds omdat hij
fundamenteel bij iedereen voorkomt en anderzijds omdat de hele zaak op den duur
in niets bijzonders uitloopt. Ook als een wetenschapper blijk geeft van
bijzondere bedrevenheid gaat het nog altijd over niets bijzonders. En daarop
berust nu het genoemde begrip 'middelmaat'.
Dat begrip is extra relevant geworden nu, met het zich ontwikkelen van de
Romeins/Westerse cultuur, de mens als individu centraal is komen te staan. Dat
leidt ertoe dat in toenemende mate het begrip 'middelmaat' voor de samenleving
is gaan gelden, want in principe is iedereen zonder aanzien des persoons mee
gaan tellen. Dat wil, nogmaals, niet zeggen dat iedereen nu als middelmatig
beschouwd moet worden. Het hele scala van domheid tot en met genialiteit is nog
steeds aanwezig. Maar dat geheel van variaties valt onder de rubriek 'middelmaat'.
Dat het begrip 'middelmaat' de moderne wereld typeert blijkt uit velerlei
verschijnselen. Zo kan opgemerkt worden dat er een grote en zelfs
verontrustende mate van onbenul is wat betreft het leven en de daarin
voorkomende verhoudingen. Het is juist de werkelijkheid als 'leven' die als het
ware van bijzonderheden aan elkaar hangt. Geen enkele verhouding of situatie
herhaalt zich of doet zich twee maal voor. Elk moment van het leven is
bijzonder. Dat komt uiteraard doordat de werkelijkheid als 'leven' door en
door, en nimmer aflatend, beweeglijk is. Er is bijgevolg niet van een 'middel'
te spreken, noch van een 'maat'. Dergelijke kwalificaties zijn eenvoudigweg
niet van toepassing.
Omdat dit het geval is weet men doorgaans vanuit de cultuur van de 'middelmaat'
geen raad met levenssituaties. De grootste geleerden kunnen wat dat betreft de
grootste onzin verkondigen zoals bijvoorbeeld de dwaze veronderstelling dat het
straks mogelijk zal zijn om doormiddel van genetische modificatie betere en
intelligentere mensen te maken. Of die malligheid vanuit de feministische hoek
dat er binnenkort mannen omgebouwd zullen worden tot vrouwen die, in het
gelukkige bezit van een baarmoeder, kinderen kunnen krijgen. Afgezien van het
feit dat er geen enkele noodzaak is om zoiets te doen is het ook onvermijdelijk
dat een dergelijke nieuwe 'moeder' alleen met kunst- en vliegwerk kan
functioneren.
Het is duidelijk dat al die vreemde toekomstbeelden ingegeven zijn door
frustraties die het gevolg zijn van volstrekte onbenulligheid op het terrein
van het leven.
De cultuur als middelmaat...
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
door Jan Vis
AFLEVERING NR. 49
______________________________________________________
De moderne samenleving, of zij nu in
maatschappelijke zin democratisch is of niet, staat in het teken van het begrip
'middelmaat'. Zou het gaan over de maatschappij, dan zou dit normaal en in orde
zijn. De maatschappij kan niet anders dan onder het begrip 'middelmaat' vallen.
Maar als de samenleving in dat teken is komen te staan zijn de verhoudingen
onmiskenbaar in de war. Dat de kwalificatie 'middelmaat' voor de moderne
samenleving geldt is te constateren aan het feit dat er door de mensen
nauwelijks nog andere criteria dan materiële gehanteerd worden. Hoe terecht dat
ook is voor de werkelijkheid van de dingen, dus voor de maatschappij, voor de
samenleving als een organisch levend geheel is het volstrekt dodelijk.
Gelukkig is het een zaak van voorbijgaande aard. Van deze wantoestand is
namelijk niet te zeggen dat het een fundamentele fout is. Er is niets misgegaan
met de mensheid. Het is zo dat zij er, in een bepaalde fase van haar
ontwikkeling, onmogelijk omheen kan. Het ligt in de logica dat een tijd lang
alles zonder enige uitzondering als een materiële zaak beschouwd wordt. Dat is
een noodzakelijke voorwaarde voor de analyse, het uit elkaar halen en op
zichzelf stellen van de onderdelen waaruit de dingen bestaan.
Zo ligt het evenzeer in de logica dat ook de levende wezens geacht worden
dingen te zijn, hetgeen alleen in zoverre juist is dat ook aan die levende
wezens noodzakelijkerwijs een materiële structuur ten grondslag ligt. Zij
kunnen dus ook uit elkaar gehaald worden. Op grond hiervan vallen voor het
besef van de moderne cultuurmens de levende wezens eveneens onder de dingen en
dus, filosofisch gezien, onder het begrip 'middelmaat'. Dat is overigens de
verklaring voor het feit dat het meerendeel van de moderne mensen zo ergerlijk
oppervlakkig is, zoals onder andere duidelijk uit de slechte kwaliteit van hun
media blijkt. Het is een en al banaliteit...
De middelmatige mens is een mens die, als ding onder de dingen, mee mag tellen
en die dat dan ook onder alle omstandigheden wil. Hij is de werkelijkheid als
aanvankelijke individu. In West-Europa is hij langzaam maar zeker te voorschijn
gekomen, aan de hand van de analyse van de werkelijkheid. Dank zij die analyse
is zijn bestaan niet alleen bekend geworden maar noodzakelijkerwijs ook steeds
meer erkend. Maar dat is niet zonder meer het geval: hij is in feite niet
erkend als dat unieke wezen dat hij eigenlijk is, met name op grond van zijn
niet-materiële kwaliteit. Die individuele mens is slechts erkend als onderdeel
van de bestaande materiële werkelijkheid. Hij is zogezegd 'in zakelijke zin'
erkend.
De 'in zakelijke zin' erkende mens komt het beste tot zijn recht in de moderne
democratie. Binnen dat systeem kan hij naar hartelust meedoen en meepraten. Dat
is ook wat hij eist van de maatschappij en zijn medemensen. Hij wil zich overal
mee bemoeien en zoveel mogelijk zeggenschap hebben. En het merkwaardige is dat
hij daar in principe alleen dan tevreden over is als die zeggenschap volgens de
voorgeschreven regels en procedures tot uiting kan komen. Waar het feitelijk
over gaat dringt nauwelijks tot hem door en dat die procedures en regels bijna
altijd een farce zijn deert die moderne mens ook niet. Als maar aan de eisen
van het systeem voldaan is. Maar, zoals gezegd, dat systeem is uitsluitend
zakelijk en dus materieel van karakter. Het dwingt de mens tot berekenbaar en
voorspelbaar gedrag. Daar behoort onmiddellijk het nivelleren en gelijkschakelen bij, want
alleen dan zijn de zaken berekenbaar en voorspelbaar. Als het zou gaan over
appels en peren en er dus van geen gelijkschakeling sprake is zou er niets
berekend en voorspeld kunnen worden.
Naarmate die moderne zakelijke cultuur zich verder ontwikkelt gaat het de
bedoelde democratische mens steeds heviger storen als iemand zich naar zijn of
haar werkelijke menselijke kwaliteiten laat gelden. Dat wil zeggen wanneer
iemand met iets komt dat in het teken van de ware menselijke aard staat, dus in
het teken van het niet-materiële. Omdat zoiets onberekenbaar en onvoorspelbaar
is kan er onmogelijk meegepraat worden en van meedoen is natuurlijk al helemaal
geen sprake. En de aan de democratische mens noodzakelijkerwijs meekomende
drang tot nivelleren
en gelijkschakelen kan zich niet uitleven. Gevolg is een niet te onderdrukken
gevoel van buitengesloten zijn wat zich afreageert doormiddel van agressie
tegen diegene die het gewaagd heeft zich naar zijn of haar menselijke kwaliteit
te laten gelden. Niemand mag de kop boven het maaiveld uitsteken..!
Het mag dan ook niet verwonderlijk zijn dat het in de huidige fase van de
menselijke ontwikkeling zo uitzichtloos is, zo kil en zonder inspiratie.
Uiteindelijk moet de mensheid het van het 'bovenmiddelmatige' hebben. Evenwel
niet zonder de middelmaat als praktische ondergrond. Die basis is namelijk
onmisbaar voor het voorzien in de noodzakelijke levensbehoeften en veiligheden.
De dingen, de communicatie en de regelingen ter bescherming van het leven
moeten voorhanden zijn. Daartoe dient de werkelijkheid als middelmaat, die
tenslotte culmineert in een alles omvattend veiligheidsstelsel. Overigens komt
daarvan tot nu toe nog bitter weinig terecht, hoewel de mensheid daarzonder
geen enkele mogelijkheid heeft om te overleven, laat staan om inderdaad
menswaardig te leven.
Maar zoals gezegd kan die middelmatige fase niet overgeslagen worden. Dat is
evenwel geen geldig excuus om blindelings mee te doen met de van nature
ontbindende krachten in de huidige maatschappij. Zij moeten blijvend aan de
kaak gesteld worden. Daarbij is het van belang in te zien dat zij niet in de
eerste plaats een gevolg zijn van het zogenaamde kapitalisme met zijn vrije
markt, zoals veelal gemeend wordt, maar daarentegen van genoemde eenzijdig op
de materie gerichte culturele mentaliteit. Het heeft dan ook weinig zin dat
kapitalisme en die markt te bestrijden.
Waar het wezenlijk om gaat is dat het thans alles overheersende belang van de
analyse gerelativeerd moet worden. Beter is het dan ook om op logische gronden
de hoge autoriteit van de moderne wetenschap aan te tasten door er op te wijzen
dat ook zij slechts tot de werkelijkheid als middelmaat behoort...
Ware menselijkheid is per definitie individueel van karakter. Zij wordt
vertoond door bepaalde mensen die haar geheel vanuit zichzelf en op
onafhankelijke wijze uitdragen, ongeacht de reactie van de anderen. Dus ook
zonder de behoefte die anderen terwille te zijn. Een collectief kan die
menselijkheid nimmer laten gelden. Waartoe dat tenslotte komt is een zo helder
mogelijke redelijkheid. Dat wil in feite zeggen een zo verfijnd mogelijke
logische berekening en voorspelling. Binnen het kader van een democratische
maatschappij is dat het maximum aan rechtvaardigheid en een optimale garantie
voor practische veiligheid. Alleen als zodanig is de werkelijkheid als
middelmaat tenvolle in orde.
Als samenleving vertonen de mensen echter voortdurend onverwachte en
onnavolgbare kwaliteiten die, doordat zij onberekenbaar zijn, de werkelijke
bron van vooruitgang vormen. Het berekenbare leidt nimmer tot vooruitgang,
omdat het binnen de perken van zijn eigen systematiek moet blijven. Daarentegen
is het onberekenbare manifestatie van de werkelijk menselijke aard: materie als
niet-materie. Het is dan ook alleen in deze gedaante dat de mens boven de
werkelijkheid als middelmaat uitstijgt en tot volwaardig leven komt.
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
door Jan Vis
AFLEVERING NR. 50
______________________________________________________
Het is kenmerkend voor de mens die behoort tot
een mensheid die qua ontwikkeling nog onvolwassen is dat hij vrijwel nooit in
staat is zich een mens-zijn zonder macht in te denken. Daardoor wordt het met
zijn denken over een toekomstige volwassen mensheid ook niet veel. Daaraan
staat in de eerste plaats in de weg dat het steeds over een van buitenaf
opgelegde macht gaat. De macht van de staat of die van God.
Maar er is nog bij lange na niet het inzicht dat er ook innerlijke machten zijn
die moeten verdwijnen. Ook die zetten de mensen onder druk, zij het dat zij het
alleen maar zichzelf aandoen. Men verwacht humaan gedrag nog steeds van
allerlei vormen van zelfbeheersing. De mens moet leren zichzelf in de hand te
houden is de grondgedachte. Dat evenwel is gebaseerd op de overtuiging dat het
zonder die innerlijke macht een puinhoop wordt.
Onmiskenbaar ligt hieraan de veronderstelling ten grondslag dat de mens
wezenlijk niet deugt. Dat besef van 'niet deugen' behoort typisch bij de
onvolwassen mens. Het is heel diep in zijn bewustzijn aanwezig. Dat is mogelijk
doordat hij in de diepte een vermoeden heeft van wat hij eigenlijk is. Gevolg
is de overtuiging dat hij daaraan niet beantwoordt. Maar eigenlijk is het ten
enen male ondenkbaar dat er aan het eind van het wordingsproces een
verschijnsel opkomt dat niet deugt. Dus is het verkeerd bij het nadenken over
een toekomstige behoorlijke samenleving uit te gaan van een een mens die
geleerd heeft zich te beheersen en redelijk te zijn. Uitgangspunt moet
logischerwijs een mens zijn die af is gekomen van de onjuiste mening niet te
deugen.
Als men weet wie de mens eigenlijk is wordt het betrekkelijk
gemakkelijk te bedenken hoe in haar algemeenheid de volwassen samenleving
straks zijn zal. In de oudheid wist men al aan te geven hoe men er achter kan
komen hoe het zit met de mens. Het recept van de ouden is: verdiep je in jezelf.
Voor de meeste mensen die dit willen proberen is dit zo zonder meer een
ondoenlijke opgave, dus worden er allerlei onnatuurlijke hulpmiddelen te baat
genomen: godsdienst, kluizenaarschap, zelfkastijding,
yoga, vasten, meditatie en
natuurlijk ook bepaalde drugs. Maar al die hulpmiddelen leiden eerder van de
zaak af dan dat zij tot een goed resultaat leiden. Als men immers de mens in
zichzelf wil leren kennen en die zaak ook in de praktijk wil laten gelden, zal
men zoiets toch bij vol bewustzijn moeten oefenen. Zeker de moderne mens zou
zich niet méér met occulte flauwekul
moeten inlaten. Hebben de modieuze flirtations met zogenaamde
spiritualiteit al een zelfbewust, behoorlijk mens opgeleverd? Een mens die raad
weet enerzijds met de liefde en anderzijds met de haat van een corrupte wereld
waarin zij of hij noodgedwongen leven moet?
De Roomse kerk heeft zich destijds, uitgekookt als altijd, de gnostiek toegeëigend. Het heeft die vroege vorm van dat 'in
jezelf verdiepen' vervalst tot een geloofszaak, met de bedoeling het
Romeinse wereldrijk een nieuwe inhoud te geven. Dat was een sluwe zet: de
resultaten van de gnostiek, waartoe
onder andere de Evangeliën behoren,
hebben betrekking op de wezenlijke mens. Dat kwam uitstekend te pas als basis
voor een systeem van onderdrukking. Want onbewust was geen enkel mens er in
psychologische zin ongevoelig voor.
Tenslotte is vrijwel iedereen vergeten waarom het oorspronkelijk ging. Zelfs
vele vrijdenkers weigeren het gnostische weten uit de oudheid los te zien van
de gangbare godsdiensten. Daarmee sluiten zij zich volkomen af voor al het
werkelijke weten van de oudheid. Dat weten culmineerde in de Gnosis, en niet, zoals
zovelen menen, in de Griekse filosofie. Deze vertegenwoordigt namelijk de
beginnende moderne wetenschap. Maar die verschilt wezenlijk van de gnostiek. Voor de moderne mens heeft het
'je in jezelf verdiepen' weinig betekenis. Op zijn best denkt men dat het om
psychologie gaat, wat dan weer de zoveelste denkfout van die moderne mens is.
Want het gaat juist om het zoeken van algemeen geldige waarheden en niet om het
ontraadselen van incidentele psychologische structuren. Die zijn immers geen algemeenheden,
maar persoonlijke bijzonderheden. Algemene waarheden liggen in elk mens
besloten. Weliswaar manifesteren zij zich in de ene mens anders dan in de
andere mens, maar het zijn daarmee geen andere waarheden geworden. Er bestaan
trouwens geen andere waarheden, hun inhoud en betekenis zijn steeds dezelfde.
De moderne mens heeft niets met de gnostiek.
Hij pleegt er af en toe wel wat cultuurhistorisch onderzoek naar, maar daarbij
komt zijn relatie met de gnostiek
niet verder dan wat onduidelijke romantiek. Dat is overigens best te begrijpen,
want de moderne cultuur staat in het teken van het zelfbewuste denken en dat
betrekt zich noodzakelijkerwijs alleen maar op concrete dingen. Die cultuur is
de werkelijkheid als middelmaat. Algemene waarheden komen daarin niet voor.
Wat is dan eventueel de rol van dat denken?
De betekenis van het zelfbewuste denken ligt niet in het feit dat de mens door
de toename van zijn kennis een beter mens zou kunnen worden. Integendeel, thans
zijn de mensen ondanks al hun kennis nog steeds bandieten. Pas als zij
tenslotte door alle dingen heen gedacht zijn en er niet langer waarde aan
hechten komt er vrij wat altijd al in de mens klaar lag: het weten van de
werkelijkheid als algemeenheid. Dat wil zeggen: het weten van de waarheid. Dan behoeft niemand aan
zichzelf te sleutelen en voor niemand is het nodig zich tot die waarheid te
forceren. Alles gaat geheel vanzelf. Er is geen sprake meer van innerlijke of
uiterlijke dwang. Daarmee vervalt ook het machtsdenken in al zijn
verschijningsvormen.
Bij het beantwoorden van de vraag hoe een volwassen wereld zijn zal is het dus
op de eerste plaats noodzakelijk van dat machtsdenken los te komen, wat alleen
maar kan door 'gnosis', het in zichzelf opzoeken van de algemene waarheid. Aan
het vinden daarvan komt mee dat het besef van niet-deugen verdwijnt en daarmee
komt de mogelijkheid vrij om zinvol over de volwassen mens te filosoferen.
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
door Jan Vis
AFLEVERING NR. 51
______________________________________________________
Er zijn tegenwoordig in de westerse wereld heel
wat ongelovigen. Dat is niet altijd even duidelijk zichtbaar doordat vooral
niet-christelijke en buitenkerkelijke gelovigen alles en iedereen
overschreeuwen en voortdurend de maat proberen te stellen. Bovendien vinden de
meeste ongelovigen hun ongeloof zo vanzelfsprekend dat zij er niet speciaal
gewag van maken. Men zou hen best wel 'heidenen' kunnen noemen, ter
onderscheiding van 'atheďsten' die zich meer nadrukkelijk als godloochenaars
manifesteren.
Toch is het opvallend dat er binnen de kring der atheďsten nogal veel
verwarring omtrent het begrip 'atheďsme' bestaat. Het is zelfs niet uitgesloten
dat de scherpste tegenstellingen juist daar liggen. Uiteraard is er wel
eenstemmigheid over de grondgedachte: er is geen god. Daarbij staat de term
'god' voor elke hogere macht waaraan de mensen onderworpen zouden zijn, hetzij
een macht buiten de mens, zoals een god, hetzij een innerlijke macht, zoals een dwingende moraal
of absolute principes. Strikt genomen is met deze grondgedachte de volledige
inhoud van het begrip 'atheďsme' gegeven. Die inhoud valt samen met de
samenstellende betekenissen van het woord atheďsme: a betekent 'zonder' en
theos betekent 'god'.
Het blijft natuurlijk niet bij enkel de grondgedachte. De zaak ontwikkelt zich
noodzakelijkerwijs tot een atheďstische levenshouding. Dat wil zeggen dat de
zaak tot leven komt en zich aan dat leven op allerlei wijzen afspiegelt. Het is
in die praktijk dat de tegenstellingen tussen de verschillende interpretaties
van het begrip 'atheďsme' zich het duidelijkst voordoen. Je kunt de zelfbewuste
atheďsten namelijk onderverdelen in twee groepen: de bestrijders en de
begrijpers. Waarschijnlijk typeren deze termen heel behoorlijk de verhoudingen
waarom het in dit geval gaat. Maar het is wel van belang dat het begrip 'begrijpen' in wijsgerige en niet in psychologische zin
opgevat moet worden. In het laatste geval heeft het namelijk een
verontschuldigend karakter. In wijsgerige zin echter richt het zich op het
achterhalen van authentieke betekenissen, zoals bijvoorbeeld het begrip 'Magna
Mater' of het begrip 'Maagd'.
De bestrijders zijn in de grond van de zaak afhankelijke mensen. Immers, het
bestrijder-zijn vooronderstelt iets dat bestreden moet worden. Het
vooronderstelt een object dat buiten de bestrijder zelf ligt en waarop hij zich
in afkeurende zin richt. Hij is van de aanwezigheid en van de geaardheid van
dat te bestrijden object afhankelijk. En naarmate dat object zich meer of
minder drukkend en agressief manifesteert is zijn weerstand meer of minder fel.
Dat is aan de ontwikkeling van allerlei sociale bewegingen in het verleden te
zien en uiteraard ook aan de ontwikkeling van de atheďstische beweging. De
zware sociale druk en de indringende psychische agressie die van de godsdienst
uitgingen maakten de toenmalige atheďsten tot geduchte tegenstanders, die
menigmaal zelfs grote successen boekten. Nu het met het instituut godsdienst,
althans in deze landen, niet zo'n vaart meer loopt, nu lijkt het er zelfs op of
de atheďsten uitgestreden zijn. Voor velen van hen geldt dat ook: zij zijn zo
langzamerhand zonder vijand komen te staan en dat betekent dat zij de grond
voor hun bestaan als bestrijder van de godsdienst kwijt zijn. Een dergelijke
ontwikkeling is ook bij de socialistische beweging te zien.
Het object dat de bestrijder aanspoort tot krachtig handelen kan in het geval
van de atheďst naar twee gedaanten optreden: het kan voornamelijk iets
concreets zijn en dan gaat het over de godsdienst zoals die zich manifesteert
in de vorm van gezag afdwingende kerken, en het kan voornamelijk iets abstracts
zijn, in welk geval het geloof als zodanig in het geding is. Het is te
begrijpen dat de bestrijders van het geloof de meest universele taak hebben:
zolang de mensheid onvolwassen is zal zich daarin de een of andere vorm van
geloof in iets bovennatuurlijks vertonen. Maar de bestrijders van de
godsdienst, waartoe de meeste atheďsten gerekend moeten worden, zijn
onvermijdelijk steeds gebonden aan de tijdelijke en plaatselijke
omstandigheden. Zij zijn dus praktisch de meest afhankelijken. Maar toegegeven
moet worden dat zij tegelijkertijd onder bepaalde omstandigheden ook de meest
nuttige atheďsten zijn. Zij oefenen vaak een directe invloed uit en brengen hun
medemensen er soms zelfs toe het juk van autoritaire godsdienstige
machtssystemen van zich af te schudden.
Maar beiden, bestrijders van het geloof en bestrijders van de godsdienst, zijn
tenvolle afhankelijk van hun object. In zekere zin komen zij zelfs op het
tweede plan. Aan hun levenshouding en praktisch optreden gaat het bestaan van geloof en
godsdienst vooraf. Pas daarna kunnen zij overgaan tot het
ontkennen en bestrijden daarvan.
Met het begrijpen
loopt het bij hen zo'n vaart niet. Dat leidt er vaak toe dat zij allerlei
cultuuruitingen, zoals bijvoorbeeld kerkelijke kunst, zonder meer verwerpen. Er
zijn er zelfs die weigeren naar de muziek van Bach te luisteren omdat deze zich
als een gelovig man liet kennen.
Met de ' begrijper ' is het geheel anders gesteld. Hij heeft géén buiten
hem staand object nodig om zichzelf te zijn en uit de voeten te kunnen. Zijn
levenshouding wordt dan ook niet door een object beďnvloed. Hij is er als het
ware onverschillig voor. Maar deze onverschilligheid betekent niet dat alles
maar gelaten wordt zoals het nu eenmaal is. Juist degene die begrijpt is tot
een indringend oordeel in staat, omdat hij niet verlamd wordt door het feit dat
alle argumenten onvermijdelijk tégen
argumenten zijn, zoals dat bij de 'bestrijder' wel het geval is. Zijn
argumenten zijn positief en dat houdt in dat het hem er niet in de eerste
plaats om gaat almaar te reageren op verhalen over hoe het niet zit, maar dat
hij zich er op toelegt duidelijk te maken hoe het wel zit.
Zo kan hij de gelovige verklaren hoe het komt dat deze gelooft wat hij gelooft
en hij kan zelfs laten zien welke zinvolle elementen er hier en daar in zijn
geloof verborgen zitten. Want lang niet alle voorstellingen uit de
geloofswereld zijn onzinnig. Het is namelijk vooral het theologische, quasi
filosofische, denken dat van die inzichten onzinnige denkbeelden maakt doordat
het genoodzaakt is uit te gaan van het bestaan van een opperwezen als
vaststaand gegeven.
Natuurlijk gaat ook de 'begrijper' onmiddellijk tegen elk ongefundeerd denken
in, zoals hij ook tegen elk onredelijk handelen ingaat. Het verzet is bij hem
echter secundair, terwijl het positieve menszijn primair is. Daarom beperkt
zijn verzet zich niet tot bepaalde verschijnselen in de mensheid, maar het
richt zich op alle verschijnselen die voortkomen uit de vele waandenkbeelden
die de onvolwassen mens kenmerken. Hij ziet helder in dat die waandenkbeelden
allemaal met elkaar samenhangen, en als zodanig over de gehele aarde een
netwerk van onmogelijkheden vormen.
Juist in de huidige moderne tijd wordt de samenhang van dat netwerk duidelijk.
Daarom zou het de taak van de moderne atheďstische mens kunnen zijn zich in de
toekomst te richten op het verbreken van dat netwerk, overal waar hij er mee te
maken krijgt. Dat kan alleen maar echt gelukken als hij zijn atheďsme verruimt
tot het atheďsme van de ' begrijper
', die zich niet meer eenzijdig als ontkenner en bestrijder laat gelden, maar
veel meer is dan dat: de mens die aantoont 'hoe het zit', zonder daarbij dan
ook maar voor iets beleefd opzij te gaan. (zie
het hoofdwerk van Jan Vis, creatief
filosoof)
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
door Jan Vis
AFLEVERING NR. 52
Zie
bladwijzers: Waanvoorstellingen- zie afl. 17
; 23
; 36
; 37
; 46 ; 52 ; 60 ; 63 ; 64
; (On)verdraagzaam(heid)-1 ; (On)verdraagzaam(heid)-2 ; (On)verdraagzaam(heid)-3 ;
______________________________________________________
De tegenwoordige morele voorlichters dwepen met
het begrip 'verdraagzaamheid'.
Zij doen alsof hiermee alle problemen tussen de mensen opgelost kunnen worden,
maar in feite leiden hun bemoeienissen tot niets omdat genoemd begrip geen
enkele praktische betekenis heeft. Het kan alleen maar gefrustreerde mensen
opleveren.
Het is bepaald geen populaire gedachte dat er met het begrip 'verdraagzaamheid'
niets te beginnen is. Toch is het wel degelijk een onbruikbaar begrip. En met
'onverdraagzaamheid' kan men trouwens ook geen kant uit. Het blijkt dat er
niemand is die niet op zekere momenten in zijn leven van onverdraagzaamheid
beschuldigd kan worden. Het hangt er maar net vanaf waarom het op zo een moment
gaat. Maar ook is er bij ieder mens wel een voorbeeld van verdraagzaamheid aan
te wijzen. Over en weer kunnen de mensen aan de gang blijven elkaar op dit
gebied te prijzen of verwijten te maken, zonder dat men ooit werkelijk uit de
voeten kan met deze begrippen.
Dat behoeft niet te verwonderen, want de hele zaak van het al of niet
verdraagzaam zijn berust op een fictie: de misvatting namelijk dat de
werkelijkheid op verschillende manieren verklaard kan worden, zodat in de
praktijk volkomen van elkaar afwijkende waarheden naast elkaar kunnen bestaan.
Vooral in het zogenaamd post-moderne denken viert deze dwaasheid hoogtij. Men
houdt zichzelf en anderen voor dat een ieder recht heeft op 'het zijne' en dat
niemand het recht heeft daar kritiek op te hebben. Dat komt er in feite op neer
dat men respect voor elkaars onzin zou moeten betonen, een eis die inderdaad in
de praktijk met een grote mate van gestrengheid aan een ieder gesteld wordt.
Dat dit een misvatting is zou eigenlijk onmiddellijk duidelijk moeten zijn: de
werkelijkheid is immers zoals ze is. Ze is niet anders dan zoals ze is, en de
mens kan alleen maar proberen er achter te komen hoe het daarmee zit. Het ziet
er inderdaad naar uit dat dit geen eenvoudige opgave is, vooral vanwege
misleidende invloeden van de heersende cultuur en de daarbij behorende wanen
van de dag. Maar dat neemt niet weg dat het toch mogelijk is dat een mens er
achter komt hoe het zit. Hij heeft eigenlijk zelfs de menselijke plicht
daartoe. Voorzover dit gelukt heeft hij inzicht gekregen in de
enig mogelijke waarheid. En dan is het ondenkbaar dat de een met een andere
waarheid komt als de ander. Het is tenslotte onmogelijk dat er onenigheid
bestaat over bijvoorbeeld de vraag of god bestaat of over de vraag of het
heelal oneindig is of nog meer door mensen bewoonde planeten telt, enzovoort.
Er kan welbeschouwd niet eens discussie zijn over de vraag of de mens wel ooit
zal weten hoe het zit met de werkelijkheid, en wel omdat de mens zčlf de
werkelijkheid is en omdat voor hem bovendien het 'weten' geldt. Hij kan
tenslotte niet ŕnders dan weten hoe het zit. Zelfs als hij zich nooit om die
vraag zou bekommeren komt hij op de lange duur toch aan de weet hoe het zit.
Dat is een vanzelfsprekend, oftewel 'onmiddellijk' weten. Hij heeft er niets en
niemand bij nodig en hij behoeft het niet op school te leren alsof het een
kwestie van wetenschap was. Met wetenschap heeft een dergelijk weten niets te
maken. Eerder zal het dan andersom zijn, namelijk dat de wetenschappen met dat
weten te maken zullen hebben, in die zin dat zij hun bevindingen voortdurend
getrouw aan het bedoelde 'weten' zullen moeten toetsen. Daardoor kunnen over de
inhoud van dat weten straks geen misverstanden meer bestaan.
Dat de mensen tot nu toe allerlei meningen omtrent de werkelijkheid hebben is
te verklaren uit hun voorlopige gebrek aan inzicht, zoals dat voor de alsnog ňnvolwassen mens
kenmerkend is. De verschillende wereldbeschouwingen, godsdienstig of
atheďstisch, zijn dan ook evenzovele staaltjes van onbegrip. Dat is helaas geen
gezellige constatering, maar gelukkig moge als troost dienen dat het niet
anders dan zo kŕn zijn. Het ligt in de logica dat de mensheid een ontwikkeling
door moet maken. De daarbij behorende dwaasheden, misverstanden en waanvoorstellingen kunnen
de mensen eigenlijk niet verweten worden: zij weten inderdaad niet wat zij
doen! Maar het zou in de praktijk een stuk schelen als zij daar ieder voor zich
rekening mee hielden. Het is juist dat dit op zichzelf ook een vorm van
verdraagzaamheid is, maar het verschil met wat gewoonlijk bedoeld wordt is dat
men geen respect meer behoeft te betonen, noch voor de onzin van de ander, noch
voor de eigen onzin.
Aangezien het intussen toch op de weg van de mens ligt om tenslotte het
onbegrip uit te bannen is er geen enkele reden om tegenover genoemd onbegrip
een vriendelijke houding aan te nemen: ieder mens moet in zichzelf en in de
ander het onbegrip te lijf gaan. Dat 'moet' omdat niemand de wetenschap kan
verdragen in een waan te leven, zodat het noodzakelijk wordt de zaak aan te
pakken. Het wapen dat de mens daarbij ter beschikking staat is het
denkvermogen. Met dat wapen kan hij langzaam maar zeker alle waanvoorstellingen
uit de weg ruimen, als hij maar aan één essentiële voorwaarde voldoet: dat het
hem ernst is met het zoeken naar de waarheid. Als dat het geval is kan hij niet
langer verdraagzaam zijn omdat hij zich niet kan neerleggen bij fouten, noch
die van hemzelf, noch die van een ander.
Maar, paradoxaal genoeg, kan hij ook niet onverdraagzaam
zijn, omdat hij op een gegeven moment bij het zoeken naar de waarheid het
'onbegrip' leert begrijpen. In tegenstelling tot wat gewoonlijk gedacht wordt
houdt dit 'begrijpen van het onbegrip' niet in dat hij het vergoelijkt. In
tegendeel: hij heeft er nimmer een goed woord voor over. Zijn begrip ervan
betekent slechts dat hij weet dat hij met onbegrip van doen heeft en het
betekent tevens dat hij weet waarom het er is. Als reactie daarop legt hij er
zich toch niet zuchtend bij neer. Hij wacht in geen geval tot de laatste dwaas
goed bij het hoofd is geworden. Daarentegen tracht hij ook voor de andere
mensen de mist te doen optrekken, omdat immers ook zij aangewezen zijn op de
waarheid.
Dit laatste heeft met dwingelandij niets te maken. Er is pas van dwingelandij
sprake als de ene mens zijn eigen onbegrip aan de andere mens opdringt. In dat
geval gaat het over 'iemands waarheid', de particuliere waarheid van de een of
ander. Dat echter is altijd en per definitie een dwaling. Dwalingen moeten
noodzakelijkerwijs altijd opgedrongen worden omdat zij wezenlijk niet bij de
mens passen. In de diepte voelen de mensen aan dat er iets niet klopt, maar met
behulp van een zo logisch mogelijk klinkende redenering geven zij zich, vooral
in de westerse cultuur, gemakkelijk gewonnen. Vervolgens wordt die waan voor de
ware werkelijkheid gehouden. Deze dwaas zal alles naar zijn hand trachten te
zetten, hij zal alles en iedereen in de vorm van zijn werkelijkheid proberen te
forceren en daarbij laat hij niets en niemand met rust. Juist deze mens is de
echte dwingeland...
Degene die het om begrip te doen is forceert niets, hij wil juist weten hoe het
zit zonder de bemoeiingen van hemzelf en de andere mensen. Hij vermijdt dus
ingrepen, want hij wil juist zien hoe de werkelijkheid zichzčlf verwerkelijkt,
niet door de een of andere dwang, zoals die van god bijvoorbeeld, maar door de
noodzakelijkheid van het onvermijdelijke.
Zie
bladwijzers: Waanvoorstellingen- zie afl. 17
; 23
; 36
; 37
; 46 ; 52 ; 60 ; 63
; 64
; (On)verdraagzaam(heid)-1 ; (On)verdraagzaam(heid)-2 ; (On)verdraagzaam(heid)-3 ;
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
door Jan Vis
AFLEVERING NR. 53
______________________________________________________
Er is een weten dat 'buitenwetenschappelijk'
genoemd kan worden. Het gaat als het ware buiten de wetenschap om, zowel wat de
methode van onderzoek als de aard van het object betreft. Dit
buitenwetenschappelijke weten heeft door alle eeuwen heen de culturen begeleid.
Het is nooit afwezig geweest en zelfs heeft het in belangrijke mate het
karakter van de gebruikelijke wetenschappen bepaald. Vooral wat betreft de
steeds in die wetenschappen optredende taboes is dat buitenwetenschappelijke
weten bepalend, niet zozeer omdat het de mensen ertoe aanzet om bepaalde aspecten
van de werkelijkheid verborgen te houden, maar daarentegen vooral omdat het de
mensen met zaken confronteert die hen in hun rust verstoren. Het taboe berust
juist op iets dat zich in alle duidelijkheid aan de mens opdringt en dat
vervolgens door hem verworpen wordt omdat het als iets vernietigends uitermate
bedreigend en ongewenst is.
Overigens betekent dit voor de filosoof, die de werkelijkheid als mens naar
waarheid wil leren kennen en begrijpen, dat het bestuderen van de vele taboes,
die in de loop der tijden de mensen getreiterd hebben, een uiterst leerzame
bron is voor zijn denken over de werkelijkheid en de mens.
Als eerste zal echter duidelijk moeten zijn dat het buitenwetenschappelijke
denken iets heel anders is dan ňnwetenschappelijk denken. Dit laatste namelijk
is een denken dat zich niets gelegen laat liggen aan betrouwbare kennis of
helder logische redeneringen of dat, wat in feite nog erger is, op slinkse
wijze voorwendt er op gebaseerd te zijn. Dat bedrog speelt bijvoorbeeld een
grote rol bij de zogenaamde wanen van de dag, bijvoorbeeld allerlei dwaze
speculaties over toekomstige wetenschappelijke toepassingen zoals de
biotechnologie en de exploitatie van de ruimte. En vele onrealistische
politieke utopieën en plannen om de mens en de wereld fundamenteel te
veranderen behoren wel degelijk ook tot de wanen van de dag, hoewel zij als
zodanig vaak niet herkend worden. Teveel mensen hebben er belang bij die in
stand te houden...
Een erg voor de hand liggend voorbeeld van ňnwetenschappelijk denken is
natuurlijk ook het godsdienstige denken. Voorzover in de theologie logica
voorkomt dient die alleen maar om de schier onontwarbare kluwen van religieuze
onzin enigszins te ontrafelen en voor dwazen aannemelijk te maken. Voor het
leren kennen van de essentie van de godsdienst is onwetenschappelijk denken
zelfs vereist zoals destijds een van de beroemde Christelijke kerkvaders stelde
toen hij sprak over het geloof in het absurde.
En wat te denken van de modieuze hedendaagse spiritualiteit? Daarin wordt de
mensheid rijkelijk vergast op verhalen die op niets anders berusten dan op de
warrige fantasieën van losgeslagen twijfelaars. Ter compensatie van hun
intellectuele schemertoestand presenteren zij met een schier grenzenloze
zelfoverschatting die onzin alsof het ultieme waarheden zijn. Daarbij hebben
zij dan ook nog de euvele moed dat onwetenschappelijke gefantaseer voor te
stellen als betrouwbaar buitenwetenschappelijk denken. Het heeft daar
natuurlijk niets mee van doen, buiten het feit dat het dit denken nog meer een
slechte naam bezorgt.
Buitenwetenschappelijk denken wordt er door gekenmerkt dat het zich richt op de
werkelijkheid als bewustzijn, in feite dus op de onvoorwaardelijke waarheid.
Door het bijzondere karakter van het bewustzijn zijn de methoden van dit denken
en de daarvoor geldende kriteria totaal verschillend van de erkend
wetenschappelijke. Maar, als het goed is, zijn zij daarmee volstrekt niet in
strijd.
Dit laatste wordt gewoonlijk door officiële wetenschappers vurig bestreden: zij
vinden een en ander wel degelijk in strijd met hun wetenschappelijke denken.
Dat zij die mening bij voorkeur niet toetsen aan de feiten toont onmiskenbaar
aan dat er kennelijk andere belangen in het spel zijn. Uiteraard gaat het dan
om hun status en machtspositie zoals zij die aan hun wetenschap ontlenen.
Inderdaad wordt die autoriteit vaak ernstig ondermijnd door de voor het
buitenwetenschappelijke denken kenmerkende ethische kriteria. Het gaat nu
namelijk om het louter logisch nagaan van de samenhangende verhoudingen binnen
het geheel van de werkelijkheid en dat is niet denkbaar zňnder ethische
component, zoals onder anderen Aristoteles en Spinoza al in de gaten hadden.
Het bona fide buitenwetenschappelijke denken houdt zich bezig met het strikt
eerlijke en waardenvrije nagaan van de samenhangende verhoudingen binnen de
werkelijkheid als bewustzijn. Dat is essentieel voor alle vormen van kunst. Het
nagaan vindt in de kunsten op intuďtieve wijze plaats en het leidt ertoe dat de
kunstenaar op strikt eigen wijze gestalte gaat geven aan de samenhang. Zonder
die creativiteit heeft de kunst geen wezenlijke betekenis. Zij is dan hoogstens
een meer of minder aangename en aandoenlijke versiering van de dagelijkse
realiteit of ook wel een vrijblijvende illustratie bij het gebruikelijke
alledaagse denken. Hoe kunstig en boeiend bij gelegenheid ook, het heeft niets
met 'kunst' te maken. Het ontbreken van die psychische creativiteit doet de
kunst verworden tot een platvloers 'doen alsof', tot irritante 'Spielerei'.
Ook de filosofie drijft op het buitenwetenschappelijke denken. Maar, anders dan
bij de kunsten is zij geen uitdrukking van een intuďtief nagaan, maar van een
logisch dčnkend nagaan. Die creativiteit leidt bij haar tot een zo helder en zo
logisch mogelijke beschrijving van de werkelijkheid als bewustzijn en dus van
de waarheid. Omdat het ook bij de filosofie gaat om nagaan hoe de werkelijkheid
is valt ook zij onder de rubriek 'kunst', zeg 'de kunst van het denken'.
Het is een kenmerk van de moderne cultuur dat de werkelijkheid als bewustzijn
schromelijk verwaarloosd wordt. Bijgevolg is het ook slecht met de kunsten en
de filosofie gesteld. Dat er tegenwoordig een verhevigde interesse voor beide
activiteiten lijkt te bestaan kan alleen maar verklaard worden uit de pijn van
het gemis. Het is louter 'overcompensatie' als reactie op de zelfbewuste
dimensies van het menselijk leven die eenzijdig in het middelpunt van de
culturele belangstelling staan.
Op zichzelf is die ontwikkeling van de wereld van het zelfbewustzijn een
buitengewoon vruchtbare zaak, uiteraard omdat eindelijk de geheimen van de
materie blootgelegd worden, maar vooral omdat de daardoor verworven kennis
gaandeweg tot een voor een ieder leefbare wereld zal leiden. Vaak lijkt dat
laatste niet het geval te zijn, maar dat komt doordat de hedendaagse mens nog
steeds ňnvolwassen is en daardoor steeds zijn kennis misbruikt om zichzelf als
particulier breed te maken. Dat misbruik ligt niet zozeer op het terrein van de
consument maar het ligt voornamelijk bij de wetenschappers zelf. De consument
heeft bijvoorbeeld geen fosfaten aan de wasmiddelen toegevoegd. Hij was daartoe
niet eens in staat. Maar bij de producenten ligt dat anders omdat zij door de
wetenschappers maar al te graag van de benodigde kennis voorzien worden.
Ondanks dat onvolwassen gescharrel echter wordt de wereld langzaam maar zeker
meer leefbaar voor de mens. Maar tegelijkertijd vervreemdt hij in gelijke mate
van zichzelf als bewustzijn. Hij geraakt namelijk steeds meer in de ban van
zijn eigen wetenschappelijke denken en dus van zichzelf als zelfbewustzijn. De
waan dat de werkelijkheid berekend kan worden hoort daar tenvolle bij.
Niet alleen dat het leven daardoor haar warmte en schoonheid verliest en tot
een soort van intellectuele methode verkilt, maar ook en vooral dat de mens
zijn beeld van de werkelijkheid kwijt raakt en daarmee tot een 'dolende in de
woestijn' degenereert.
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
door Jan Vis
AFLEVERING NR. 54 Rationeel-1 ; Rationeel-2 ; Rationeel-3 ; Rationeel-4 ; Beleving-1
; Beleving-2 ; Beleving-3 ; Deskundigheid of bekwaamheid: A1, B2,
C3 en D4 ;
______________________________________________________
Sinds
de kunstenaars in de eerste decennia van de vorige eeuw op het idee kwamen om
voortaan 'modern' te gaan worden is het met hun kunst in versnelde mate
bergafwaarts gegaan. Alleen al de oorsprong van hun nieuwe opvattingen is
onmiskenbaar een voorteken van het naderende onheil: die oorsprong is namelijk
een rationele berekening. Geheel in overeenstemming met de nieuwe, zojuist
definitief doorgebroken, cultuurfase wordt voortaan de werkelijkheid als
zelfbewustzijn de maat voor alle dingen. In de grond van de zaak is dat een
werkelijkheid waarvoor het begrip 'analyse' geldt. Dat heeft tot gevolg dat de
moderne mens zijn gehele wereld op berekenende wijze benadert. Uiteraard is er
zonder het voorafgaand uit elkaar halen van de dingen, het analyseren, geen
berekening mogelijk. Men heeft immers elementaire grootheden nodig om iets te
kunnen berekenen.
Wat de cultuur betreft leidt die gang van zaken uiteindelijk binnen het
zelfbewustzijn van de mens tot een berekende theoretische voorstelling van de
werkelijkheid. Ongemerkt is de werkelijkheid voor de mensen een constructie
geworden.
Ook met de moderne kunst is het onvermijdelijk de kant van de analyse en de
berekening opgegaan. Ook hier zijn de resultaten noodzakelijkerwijs zelfbewust
bedachte constructies geworden, weliswaar min of meer kunstzinnig vormgegeven,
maar niettemin toch manifestaties van berekeningen.
Zo heeft men bijvoorbeeld in de muziek de eigenschappen van klanken en
harmonieën ontleed en uit de gevonden elementen nieuwe procedures voor het musiceren
en componeren ontwikkeld. De resultaten zijn er naar: rationeel bedachte
constructies die, behalve dat zij geluid voortbrengen, niets meer met muziek
gemeen hebben. Die bedenksels zijn zo bizar dat zij alleen nog maar gewaardeerd
kunnen worden als er een uitvoerige toelichting aan vooraf is gegaan. En de
luisteraar moet natuurlijk op de juiste wijze geschoold zijn. Hij moet er
verstand van hebben om iets aan de ontstane kakofonie te kunnen beleven.
Natuurlijk geldt hetzelfde voor alle overige kunsten. Zonder algemene
deskundigheid met daarbij een speciale toelichting, vaak een soort van
hersenspoeling, is er niets mee aan te vangen. En voorzover dat
eventueel toch een keer gelukt, is het genieten van een kunstwerk gedegenereerd
van een psychische, op schoonheid gestoelde, beleving tot een kille intellectuele zaak. Kennis van
zaken op het gebied van de kunst is daarbij een absoluut vereiste. Zonder een
gedegen, tegenwoordig zelfs academische, opleiding is de toegang tot de kunsten
in feite afgesloten. Zo heeft het wetenschappelijk establishment zich nu ook de
kunsten toegeëigend.
Voor diegenen onder de moderne mensen die zichzelf tot kunstenaar willen
promoveren is het een zegen dat de kunst een zaak van deskundigheid is
geworden. Nu kan immers iedereen het leren en zich er mee bezig houden, zonder
wegens gebrek aan talenten bij de goegemeente door de mand te vallen. Dus zijn
zo langzamerhand alle zichzelf respecterende moderne mensen 'kunstenaars'
geworden. Vooral het schilderen en tekenen zijn erg populair, uiteraard omdat
er, in tegenstelling tot de andere kunstvormen, nauwelijks vakbekwaamheid bij nodig
is. Voor de talenten zijn doe-het-zelf boekwerken en populaire cursussen in de
plaats gekomen. En men houdt zichzelf en elkaar voor dat er in elk mens een
kunstenaar steekt. Intellectueel raffinement, kennis van zaken en een fijne
neus voor wat 'trendy' is zijn de kwaliteiten die gegarandeerd tot succes
leiden. Succes uiteraard voor de droogstoppels die nu gemakkelijk voor kunstkenners door kunnen
gaan en succes voor de 'kunstenaar' voor wie alleen nog maar het aanleren van
een aantal vaardigheden volstaat.
Vooral een gladde tong is dringend gewenst...
Analyse van de werkelijkheid levert een oneindige hoeveelheid stukken en
brokken op. Kunnen die door de technicus, voor de bouw van bijvoorbeeld een
brug, slechts op een bepaalde logische manier tot een zinvolle constructie
samengevoegd worden, voor de moderne kunstenaar geldt die beperking niet: hij
kan door elkaar husselen en aan elkaar plakken wat hij wil. Of hij dat al of
niet op een logische manier doet is uitsluitend zijn zaak, of, anders gezegd:
hij maakt zčlf uit wat logisch is en wat niet. Zo heeft destijds Piet Mondriaan
zelf bepaald aan welke normen het fröbelen met stukjes gekleurd papier moest
voldoen om tot een 'wereldschokkend' kunstwerk te komen: de 'Victory Boogie
Woogie' (1944). Als hij zich andere normen had gesteld hadden de zogenaamde
kenners het ook goed gevonden. Het is namelijk altijd goed omdat er nu eenmaal
ontelbare mogelijkheden ter beschikking staan. Maar al die mogelijkheden leiden
zonder uitzondering tot deerniswekkende rommel...
Wat de moderne kunstenaar ook verzint, er is geen enkel universeel inzicht dat hem tot die
ene goede manier van doen kan dwingen. Omdat dit echter evenzeer voor al zijn
collega's geldt, is het voor hem wel zaak iets te bedenken wat de anderen nog
niet gedaan hebben. Hij moet dus 'origineel' zijn! Maar dat is nauwelijks een
probleem want er staan ontelbare mogelijkheden ter beschikking.
De moderne kunstenaar verwijt de 'ouderwetse' dat deze slechts een afbeelding
van de realiteit schept, iets wat eigenlijk veel beter doormiddel van een foto
gedaan kan worden. Maar, volgens de moderne kunstenaar gaat het in de kunst
niet om een natuurgetrouwe weergave, maar om de idee, het wezen van de
werkelijkheid. Op zichzelf is die gedachte juist, maar de toepassing ervan
getuigt helaas van een volslagen onbegrip omtrent dat 'wezen' van de
werkelijkheid. Dat is namelijk niet te vinden door de dingen, de klanken, de
bewegingen en de gebeurtenissen, waaruit de werkelijkheid bestaat, uit elkaar
te halen om vervolgens een samenraapsel te maken van de verkregen wanordelijke
rommel. Het is daarentegen zaak zich te richten op de werkelijkheid als
bewustzijn om die vervolgens zo helder mogelijk gestalte te geven. Doordat deze
procedure een individueel karakter heeft is het resultaat noodzakelijkerwijs
origineel. Er behoeft dus niets origineels bedacht te worden want dat is er
vanzelf al. En het houdt tevens in dat het niet om oppervlakkig realisme gaat,
maar wel degelijk om het wezen van de werkelijkheid. Vervelend is alleen dat
hiervoor unieke talenten vereist zijn maar dat is nu net iets dat voor de
moderne, naar eenvormigheid strevende, moderne mens onverteerbaar is.
Niet alleen evenwel dat het op de werkelijkheid als bewustzijn geďnspireerde
kunstwerk wezenlijk, uniek en origineel is, maar het heeft ook de verdienste
dat het niet ŕnders had kunnen zijn dan het is. Het is niet ontvankelijk voor
een trendy discussie. Er is namelijk maar één universeel bewustzijn en dus is
er wat het ware kunstwerk betreft maar één mogelijkheid. Uiteraard wordt die
door elke echte kunstenaar op eigen wijze tot leven gewekt. De ouderwetse
kunstenaars deden dat, vanzelfsprekend meestal op minder en bij uitzondering op
meer talentvolle wijze. Zij deden dat niet zozeer vanuit inzicht of overtuiging,
maar eigenlijk omdat zij niet beter wisten. Zij waren wat dit betreft nog
onbedorven. De analyse had nog niet toegeslagen.
Maar bij de zich 'modern' noemende kunstenaars is dat wel het geval, met als
gevolg dat niet langer een 'zien' hun kunst bepaalt, maar een 'redenering'. Zij
verzinnen iets. Daarmee maken zij van de kunst een 'Spielerei', een 'doen
alsof'. Op zich hebben zij daar het volste recht toe, maar voorzover zij zich verbeelden
kunstenaar te zijn, zijn zij toch echt het slachtoffer van een treurige
illusie...
Rationeel-1 ; Rationeel-2 ; Rationeel-3 ; Rationeel-4 ; Beleving-1 ; Beleving-2
; Beleving-3 ; Deskundigheid
of bekwaamheid: A1, B2,
C3 en D4 ;
FILOSOFIE
VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
Bladwijzer: Verlichting
vervreemding
Bladwijzers:
Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ;
Islam-1 ; Islam-2 ; Islam-3 ; Islam-4 ; Islam-5 ; Islam-6 ; Islam-7 ; Islam-8 ; Islam-9 ; Islam-10 ; Islam-11
De Verlichting, zie: Nrs. 3 , 14 , 18 , 31, 37 , 42 , 55 , 73 ,
door Jan Vis
AFLEVERING NR. 55
______________________________________________________
De enige menselijke kwaliteit die absoluut
universeel is, is de 'werkelijkheid als bewustzijn'.
Die is binnen het verschijnsel 'mens' gesitueerd. Eenzijdig op zichzelf
beschouwd is het een volstrekt autonoom beweeglijk systeem dat in de levende
cellen functioneert, ongeacht het individu waarvan het een levend deel
uitmaakt. Anders dan vaak gedacht wordt is het een puur materiële zaak. Het
gaat over een kwantitatieve samenstelling van deeltjes. Het in trilling zijn is
daarvan een bijverschijnsel, een eigenschap die meekomt aan het zich
organiseren van de materie tot steeds inniger verbanden. Een dergelijke
meekomende eigenschap bestaat niet op een concrete manier. Men kan het niet
aanraken en beetpakken: het is een 'abstractie'. Maar, ondanks het niet-concrete
karakter daarvan behoort deze toch bij het stoffelijke verschijnsel.
De mens ervaart dat universele, onaantastbare, bewustzijn
via zijn zčlfbewustzijn. Het wordt een
'beeld' in hemzelf. Helaas wordt daar over het algemeen niet veel van begrepen.
Ook de denkers geven wat dit betreft nauwelijks enige opheldering. In het beste
geval maken zij gewag van de 'idee', van de 'psyche' of zelfs van 'god', wat in
alle gevallen onjuist is. Er is ook een filosofische theorie waarin een
onduidelijk vermoeden omtrent het bewustzijn en het beeld tot uitdrukking komt.
Men spreekt dan van 'psychisch monisme', wat dat ook betekenen mag...
Hoewel de werkelijkheid als 'beeld' voor elk mens dezelfde is vertoont zij zich
enigszins anders in hun zelfbewustzijn. Bepalend daarvoor is het geheel van
iemands persoonlijke levenservaringen. Daarin speelt een aantal factoren een
belangrijke rol: ten eerste zijn er uitwendige omstandigheden zoals
dwingelandij, rechteloosheid, milieuvervuiling, armoede, honger en dergelijken.
Dan zijn er ten tweede lichamelijke factoren zoals een zwak gestel of een
geestelijke handicap. En, ten derde, zijn er de nog belangrijker culturele
conditioneringen die, vooral in een alsnog ňnvolwassen wereld, bij een ieder
via opvoeding en
onderwijs ingeprent zijn.
Het maakt een wezenlijk verschil uit of iemand bijvoorbeeld een Islamitische, een
Christelijke, een Oosterse of een Joodse culturele achtergrond heeft. Het
culturele filter van het zelfbewustzijn, dat de ervaringen selecteert en
kwalificeert, kan bij een mens een volledig vertekende voorstelling teweeg
brengen van de 'werkelijkheid als beeld' en in feite dus van het bewustzijn.
Zelfs kan zo'n filter bijna alle ervaringen tegenhouden en vertekenen, zoals
dat in de moderne, van oorsprong Westerse, cultuur het geval is.
Het centrale thema van de moderne cultuur is het ontledende onderzoek van de
werkelijkheid als 'zelfbewustzijn'. In feite ontleedt daarbij het
zelfbewustzijn zichzčlf, want het ontleden behoort tot zijn essentiële
eigenschappen en de te onderzoeken en ontleden objecten vormen zijn eigen
inhoud. Dat lijkt een merkwaardige en zelfs wel onmogelijke situatie, en in
zekere zin is het dat ook. De verklaring evenwel is gelegen in het feit dat het
zelfbewustzijn manifestatie is van materie die zich gedraagt alsof zij géén
materie ware. Daardoor is het voor haar mogelijk zichzelf als 'iets anders' te
laten gelden. Een mogelijkheid die voortkomt uit het feit dat elke structuur
tegelijkertijd en onmiddellijk uiteengevallen is in zijn elementaire delen. Dat
is het zichzelf onderzoeken en ontleden. Overigens: doordat dit een voor het
verschijnsel 'mens' structurele situatie is hebben mensen geen keuze wat
betreft het al of niet onderzoeken en ontleden van hun wereld. Waar mensen zijn
wordt er onderzocht en ontleed, zowel in de grijze oudheid als in het heden. De
opvatting van bepaalde 'New Age' denkers dat het voor het welzijn van de
mensheid noodzakelijk zou zijn het analyseren voortaan achterwege te laten en
zijn toevlucht te nemen tot onder andere in het Oosten ontwikkelde kennis van
het 'hogere bewustzijn' is derhalve onzinnig. En wel minstens net zo onzinnig
als bijvoorbeeld van de mensen te verlangen hun sexualiteit af te schaffen. Er
is wat dit soort zaken betreft geen enkele keuze.
Dit alles mag dan zo zijn, toch schuilt er enige waarheid in de opvatting dat
het analytische denken de mensheid geen goed doet. Het is namelijk een feit dat
dit denken, op zichzelf beschouwd, uitloopt in krankzinnigheid. Niet alleen dat
het alle dingen tot gruis vermaalt, dus de 'objectieve' werkelijkheid tot niets
terug brengt, maar ook dat het alle ideeën en levensbeschouwingen vernietigt.
Dat leidt er op den duur toe dat de mensen in verwarring geraken, zodat zij met
zichzelf geen raad meer weten. Hun denken krijgt een zwalkend, willekeurig,
pragmatisch en onbetrouwbaar karakter. Het van nature gegeven oordeelsvermogen
van het zelfbewustzijn gaat volkomen teloor.
Om aan deze onhoudbare toestand het hoofd te bieden gaan de
mensen hun denken steeds meer onderwerpen aan zelf bedachte theoretische
normen. Tenslotte wordt dan alleen nog maar een gedachtengang juist gevonden
als hij aan intellectuele kriteria voldoet. Hij moet gegrond zijn op nauwkeurig
omschreven en algemeen aanvaarde formules. Dat lijkt een overwinning van de
rede te zijn, iets waarnaar de denkers van de Verlichting, begin 19e eeuw, in hun onschuld
verlangend uitzagen. Slechts een enkeling, waaronder de anarchist Michael
Bakoenin (1814-1876), begreep dat de mensheid een nog grotere ramp te
wachten stond dan toen zij nog onder het juk van de godsdiensten zuchtte.
Maar vanzelfsprekend gaat de culturele ontwikkeling onstuitbaar voort, zij
trekt zich niets aan van heldere zieners en onheilsprofeten. Dus is thans de
wereldomvattende krankzinnigheid een feit geworden. Kenmerkend daarvoor is dat de mens zijn eigen wezen en
denken niet meer herkent. (vervreemding)
Het is de tragiek van de moderne mensheid dat zij noodzakelijkerwijs in het
teken van krankzinnigheid staat. Dat wil zeggen: er is geen ontkomen aan, de
mensen hebben geen keus. Zij moeten er doorheen, zoals elk kind door de
puberteit heen moet. Men behoeft bepaald geen helderziende te zijn om te kunnen
opmerken dat die schizofrene periode thans aangebroken is. Dat blijkt vooral
uit het feit dat steeds meer activiteiten mislukken. Inderdaad lijkt het alsof
het tegendeel het geval is, omdat de wetenschap en de technologie zo bijzonder
succesvol zijn, maar dat beeld is geheel en al vertekend door de eenzijdige
interesse ervoor. Zij zijn absoluut maatgevend geworden en als zodanig vormen
zij de nieuwe godsdienst, met alle kwalijke gevolgen van dien.
Waarom het evenwel gaat is natuurlijk het uiteindelijke resultaat van een
dominante wetenschap en technologie. En dat blijkt in alle opzichten rampzalig:
de planeet en de hem omgevende ruimte zijn hopeloos vervuild, de voor het leven
zo onmisbare bossen zijn bijna allemaal gekapt, de bodemschatten worden mateloos
gewonnen, planten, dieren en straks ook mensen worden naar believen genetisch
gemodificeerd, kortom, de zogenaamde economie heeft zich ontpopt als een
gewetenloze plundermethode. En de mensen, zij vluchten steeds meer in ficties
die hen, zelfs zonder dat zij het nog bemerken, almaar verder van 'de mens'
afleiden.
Binnen het kader van het gangbare denken is dit tij niet te keren. De redding
moet als het ware van buitenaf komen, en dat zal op den duur, als de mensheid
zichzelf intussen nog niet om zeep geholpen heeft, ook zeker het geval zijn.
Het is het bewustzijn met het aan haar meekomende zelfbewuste beeld dat
tenslotte alle stukken en brokken op hun plaats teruglegt. Daardoor krijgt het
leven in de toekomst voor een mens een geheel nieuwe zin...
De Verlichting, zie: Nrs. 3 , 14 , 18 , 31, 37 , 42 , 55 , 73 ,
Islam-1 ; Islam-2 ; Islam-3 ; Islam-4 ; Islam-5 ; Islam-6 ; Islam-7 ; Islam-8 ; Islam-9 ; Islam-10 ; Islam-11
Bladwijzers:
Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ;
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
door Jan Vis
AFLEVERING NR. 56
______________________________________________________
Formeel gesproken behoren voor de wetenschap alle
dingen waardevrij te zijn. In het licht van het wetenschappelijk onderzoek
hebben zij geen waarde. Hoewel men zich daar doorgaans niet of nauwelijks van
bewust is, komt deze opvatting aardig overeen met het in de filosofie bekende
feit dat de gehele werkelijkheid in de grond van de zaak in alle opzichten
zonder enige waarde is. Vanuit die waardevrije opstelling zegt de wetenschapper
geen voorkeuren en belangen te hebben, hetgeen zelfs zo ver gaat dat hij zich
van elk waardeoordeel probeert te onthouden. Dat zou niet alleen voor het
onderzoek gelden, maar vooral ook voor de uitkomsten ervan. Wat waar en juist
is, is waar en juist, ongeacht de wensen, belangen en verlangens van de
wetenschapper.
Helaas is dat allemaal theorie. In feite zijn de wetenschappen en haar
beoefenaren vol van allerlei waardeoordelen. In actieve zin doordat er keuzes
gemaakt worden wat betreft de te onderzoeken objecten. Daarbij wordt lang niet
alles de moeite van onderzoek waard gevonden, doorgaans omdat men er geen eer
of winst mee kan behalen. Of er rust een zwaar politiek, godsdienstig of moreel
taboe op. Maar het meeste komt zelfs niet eens aan een afweging toe omdat het
vanwege de geldende cultuur buiten het gezichtsveld van managers en
wetenschappers valt.
Anderzijds wordt het onderzoek van andere objecten zo belangrijk gevonden dat
alles ervoor moet wijken, zozeer zelfs dat de ervoor ter beschikking staande
geldstromen buiten elke redelijke proportie vallen. Uiteraard is dat vooral het
geval als men verwacht grote winsten te kunnen maken of macht te kunnen
uitoefenen. Voorbeelden daarvan zijn vooral binnen het militair-industriële
complex te vinden. Zo is men in de Verenigde Staten wederom volstrekt zinloos,
zelfs misdadig, bezig een afweergordel van raketten te bouwen omdat een aantal
willekeurig gekozen 'schurkenstaten' wel eens zouden kunnen aanvallen. Een
typisch voorbeeld van primitief denken zoals dat destijds in de Middeleeuwen
gebruikelijk was. Alleen vreesde men toen aanvallen van de duivel, wat
uiteraard al even schizofreen was.
In passieve zin worden daarentegen de voorhanden objecten zonder meer en
klakkeloos als gelijkwaardig gesteld. Er wordt nu wel degelijk waarde aan
gehecht, maar er worden geen onderlinge verschillen erkend. Alles is even
waardevol en de moeite waard volgens die opvatting. Sommige denkers noemen dat
'Post-Modernisme'. De dwaasheden die daaruit voortkomen zijn in feite
onvoorstelbaar, want nu kan letterlijk ŕlles goedgepraat worden. Men doet daarbij
ten onrechte een beroep op het recht van bestaan van alle verschijningsvormen
van de werkelijkheid. Dat echter betreft een volstrekt irrelevante
argumentatie, omdat het niet de vraag is of alles wat ontstaan is al of niet
recht van bestaan heeft, maar daarentegen of alles wat er is qua betekenis
gerechtvaardigd kan worden. Zo is het een niet te ontkennen feit dat er vrouwen
zijn die vanwege hun godsdienst hoofddoekjes dragen. Zij hebben daartoe natuurlijk het volste
recht. Maar de betekenis daarvan kan onder omstandigheden volstrekt fout zijn,
bijvoorbeeld als blijkt dat men dergelijke suggestieve kledij ook in de
rechtszaal wil dragen, hetgeen ongeoorloofd is omdat het in strijd is met de
aldaar vereiste neutraliteit.
De waarde van de dingen is relatief, afhankelijk als hij is van de geldende
cultuurnormen en het al of niet schaars voorhanden zijn ervan. Die
cultuurnormen kunnen betrekking hebben op de status van een bepaalde elite
zoals dat bijvoorbeeld met diamanten het geval is, uiteraard omdat zij schaars
voorhanden zijn en bijzonder exclusief. Maar ook kan bruikbaarheid voor een of
ander productieproces een rol spelen. Hoe dan ook, mensen kennen aan bepaalde
dingen waarde toe. Zij 'hechten' er waarde aan en
het is maar net hoe het valt. Als reactie op die betrekkelijk willekeurige
waardering kan men inderdaad besluiten de discussie daarover te staken en
vervolgens te stellen dat de dingen allemaal gelijkwaardig zijn. Maar de
laatste stap is wat dit betreft nog veel te moeilijk voor de huidige mensheid.
In feite is immers alles zňnder waarde. Daarin schuilt de eigenlijke
gelijkwaardigheid.
Geheel anders is het gesteld met het begrip 'betekenis'. Dat begrip is namelijk
net zo gevarieerd als er mensen zijn. De piano bijvoorbeeld heeft voor een
muzikaal mens grote betekenis omdat het bezit van zo'n instrument het verschil
uitmaakt tussen leven en levend-zijn. Maar voor de door beursspeculatie rijk
geworden snob betekent een piano status - als die tenminste van een beroemd
merk is. En voor de meeste mensen is het een zinloos meubelstuk dat alleen maar
in de weg staat.
De zin van de dingen is niet afhankelijk van die dingen zelf, zoals dat bij het
begrip 'waarde' het geval is, maar van het zelfbeeld van het individu. In het
geheel van iemands leven hebben de dingen een bepaalde betekenis en die
betekenis is van essentieel belang voor de kwaliteit van dat leven. Dat heeft
dus niets met de waarde van die dingen te maken.
Helaas worden door de vooralsnog ňnvolwassen mensen beide begrippen
gedachteloos met elkaar verward. Dat is bijvoorbeeld duidelijk te zien bij de
kunsthandel. Kunstwerken zijn manifestaties van betekenissen, zij geven een
'tekening' van de werkelijkheid, gecomprimeerd in een bepaald thema. Dat thema
is op haar wijze afspiegeling van het geheel van de werkelijkheid. Omdat het
tenvolle een zaak van betekenissen is kan er geen waarde aan gehecht worden.
Dat verklaart waarom het enige criterium is 'wat de gek er voor geeft'. Dat was
in het verleden anders toen het scheppen van een kunstwerk nog als een ambacht
werd gezien: men betaalde voor de eraan bestede arbeid en eventueel de
gebruikte materialen. Thans echter zit er in de meeste kunstwerken nauwelijks
arbeid, maar er wordt veel voor betaald.
Op den duur zullen de mensen weer oog krijgen voor de betekenis van de dingen.
Behalve dat dit voor hen het leven leefbaar maakt, heft het ook de
verwaarlozing van de dingen en de wereld op. Dat wat voorheen als waardeloos
werd beschouwd krijgt nu betekenis. Daarmee wordt het verzorgen ervan tot iets
vanzelfsprekends. En het tot op heden gangbare oneigenlijke gebruik van
zogenaamd waardevolle dingen, zoals het kappen van de regenwouden, houdt ook
op. Kortom: werkelijke waardevrijheid en herkenning van betekenissen maken het
levend-zijn van de mensen tot werkelijk leven...
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
door Jan Vis
Volwassen worden-1, Volwassen worden-2 Concurrentie-1 ; Concurrentie / Marktwerking-2
; Concurrentie-3
AFLEVERING NR. 57
______________________________________________________
Op het ogenblik wint over de gehele wereld de gedachte
veld dat overheden zoveel mogelijk taken zouden moeten afstoten ten behoeve van
het bedrijfsleven. Door zo te handelen zouden die taken binnen de sfeer van de
markt komen, hetgeen zowel de kwaliteit als de prijs gunstig zou beďnvloeden.
Het gaat daarbij vooral om traditionele sociale taken die in het belang van de
gehele maatschappij uitgevoerd moeten worden. Enigszins afhankelijk van de inrichting van bepaalde
staten vallen daaronder instellingen als de spoorwegen, de posterijen,
het onderwijs, de gezondheidszorg en natuurlijk ook een aantal
sociale voorzieningen.
Hoewel er ter linkerzijde van het politieke spectrum heel wat kritiek op die
zogenaamde privatiseringen geleverd wordt, kan er toch van een gunstige
ontwikkeling worden gesproken, althans... als men zich met een grote mate van
filosofische wijsheid bovenop de Olympus nestelt en van daaruit als een Griekse
god het menselijk getob overziet. Het is namelijk een onloochenbaar feit dat op
den duur alle maatschappelijke voorzieningen in handen van de burgers moeten
komen. De overheid is in feite een onhoudbaar instituut dat zich alleen maar in
stand kan houden dank zij een, in de vooralsnog ňnvolwassen mens ingekankerd, waardebesef.
Voor die kinderlijke mens is een deel van de werkelijkheid waardevol, een ander
deel waardeloos, met daartussen een heel scala van variëteiten. God is
uiteraard het toppunt van waarde. Boven hem is met geen mogelijkheid uit te
denken. Volgens kenners, zoals ouderlingen en evangelisten, staat hij een
dergelijke ketterij ook niet toe omdat hij dan zijn hoogverheven zetel zou
moeten prijsgeven.
Vlak onder die zetel bevinden zich alle voorkomende soorten van overheden. Men
spreekt niet voor niets van een 'over'-heid, want zij gaat over alle burgers.
Zelfs is zij, volgens een aantal Christelijke fantasten, door God persoonlijk
ingesteld (Romeinen 13: 1-7). Haar bevoegdheden reiken zover dat zij, zonder
enig moreel bezwaar van diezelfde Christenen, 'het zwaard niet tevergeefs
draagt'. Zij mag dus ongestoord en volkomen legitiem geweld uitoefenen.
Als iemand voor zichzelf van mening is dat er hogere waarden bestaan is dat
uitsluitend haar of zijn zaak. Iedereen heeft recht op zijn eigen onzin. Maar
in het geval van een overheid betrekt dat meerwaarde-besef zich op de
maatschappelijke werkelijkheid en dus op alle mensen en dan wordt het de plicht
van de filosoof die hoogmoedige waan aan de kaak te stellen. Dat betekent in
laatste instantie dat hij er op zal wijzen dat er volstrekt geen hogere of
lagere waarden bestaan en dat een overheid zich derhalve op lucht beroept. Er
is geen filosofisch houdbare grond voor overheden.
Bezien in dat licht valt het toe te juichen dat de overheid allerlei taken uit
handen gespeeld worden. Het ligt in de logica dat zij tenslotte zelfs helemaal
zal verdwijnen, om plaats te maken voor door de burgers zelf georganiseerde en
bestuurde ondernemingen die uitsluitend het welzijn van bepaalde groepen in de
samenleving voor ogen hebben. De grondslag van deze 'horizontale' ondernemingen
is het feit dat de werkelijkheid niet uitloopt in welk collectief dan ook, maar
daarentegen in de mens als individu. Het eindpunt van de universele
wordingsprocessen is 'de' individu.
Het is een onvermijdelijke regel in de werkelijkheid dat haar ultieme
mogelijkheden voortdurend alle ontwikkelingen naar zich toe zuigen, doorgaans
zonder dat de in zo'n zuiging betrokken mensen er erg in hebben. Dat laatste is
overigens maar goed ook, want als de zaak voor een ieder duidelijk was zouden
machthebbers zonder dralen alles in het werk stellen om die, voor hen
logischerwijs ongunstige, ontwikkelingen tegen te houden. Nu echter maken zij
er geraffineerd gebruik van, uiteraard om er hun voordeel mee te doen.
Tegenwoordig leidt dat niet alleen tot de behoefte van de overheid tot privatiseren.
Het leidt vooral ook tot het opmerkelijke verschijnsel dat het haar steeds
minder gelukt iets behoorlijks tot stand te brengen, uiteraard geheel in
tegenspraak met haar arrogante pretentie zich het rechtvaardig regelen van de
maatschappelijke verhoudingen ten doel te stellen. De ene maatregel na de
andere blijkt op een fiasco uit te lopen. Daarbij doet zich enerzijds het feit
gelden dat de maatschappelijke werkelijkheid veel te beweeglijk is om door
schoolse academici begrepen en geleid te kunnen worden en anderzijds, daarmee
samenhangend, dat de burgers almaar onverschilliger worden voor al die
theoretische betweterij.
Vanaf de Olympus gezien is dat nu precies wat er moet gebeuren bij het volwassen worden van
de samenleving.
Maar het gaat lang niet zo voorspoedig als het op het eerste gezicht lijkt. Van
het op horizontale wijze in handen van de burgers overgaan van het bestuur is
bij het moderne privatiseren absoluut geen sprake. Weliswaar verdwijnen
langzamerhand de ogenschijnlijk democratisch gekozen politieke machthebbers uit
het gezichtsveld, maar onafwendbaar komen daarvoor economische machthebbers in
de plaats. Via mechanismen als concurrentie en marktwerking vestigen en handhaven zij een
schier onontkoombare maatschappelijke macht die in zeker opzicht doeltreffender
en indringender is dan tot nu toe door enige staatsmacht bereikt is. Zelfs de
dictatoriale fascistische en communistische machthebbers kregen dat niet voor
elkaar.
Met behulp van moderne technologieën zoals Internet brengen de economische
managers de samenleving nauwkeuriger in kaart dan ooit voor mogelijk werd
gehouden. In hoge mate is de oude droom van absolute goddelijke almacht een
griezelige realiteit geworden. En daarbij is het vooral beangstigend dat de
burgers in blind vertrouwen en zelfs met enthousiasme deelnemen aan het proces
van machtsvorming.
Welbeschouwd is het ook niet logisch te veronderstellen dat de huidige
privatiseringen inderdaad het welzijn van de
burgers zouden beogen. Het gaat immers nog steeds om naar almacht strevende
collectieven en het zijn slechts de methoden om de mensen er aan te onderwerpen
die aan de moderne wetenschappelijke inzichten worden aangepast. Zoals met
alles het geval is, ligt ook dat in de logica. Ook de macht
moet eerst een abstract wetenschappelijk karakter krijgen alvorens hij tot
niets kan vervluchtigen. Dat houdt echter wel in dat er in de mens wat betreft
zijn universele identiteit nog heel wat tot bewustzijn moet komen...
Volwassen worden-1, Volwassen worden-2 Concurrentie-1 ; Concurrentie-2
; Concurrentie-3
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
door Jan Vis
AFLEVERING NR. 58
Naar bladwijzers: Het ontwaken van de individualist-zie nrs. 10, 11, 58, 59, 62, 65, 67
______________________________________________________
Met het sterker worden van de individualistische
cultuur verandert geleidelijk het karakter van de zogenaamde collectieven.
Eigenlijk verdienen zij de naam 'collectief' niet meer, en wel omdat het
functioneren ervan zich ontwikkelt van een neergaande in een opwaartse
werkzaamheid. Daarom zou er steeds meer van een 'team' gesproken moeten worden,
waarbij het typerende van dit begrip is dat de er aan deelnemende individuen
van zichzelf uit het algemeen belang dienen, althans een belang dat boven het
directe eigenbelang uitgaat. In een 'team' zet een ieder zich geheel vrijwillig
naar beste vermogens in, elkeen overeenkomstig de eigen aanleg, ontwikkeling en
ervaring. En een ieder beoordeelt voor zichzelf welke inbreng zij of hij onder
bepaalde omstandigheden nodig acht.
Het opmerkelijke van traditionele collectieven, in het meest uitgesproken geval
zich manifesterend als staten, is dat de leiding ervan zich bij voorbaat en op
grond van allerlei persoonlijke ambities als de maat stelt. Dat doet zij als regel nadat op de
een of andere manier macht verworven is om de anderen te kunnen dwingen zich
naar hun ideeën en wensen, doorgaans niet meer dan eigenwijze stokpaardjes, te
voegen. Dus het collectief komt tot stand door het zich opdringen en breed
maken van op macht beluste zelfbenoemde bestuurders. Voorlopig is er dan door
hen nog niets tot stand gebracht, behalve dit ene feit dat enkelen zich als de
maat voor velen opgeworpen hebben, en dat met behulp van niets anders dan sluwe
voorspiegelingen.
Als het evenwel gaat over het begrip 'team', of een andere term die hetzelfde
uitdrukt, ligt de basis bij de velen die met elkaar moeten zien te overleven.
Die velen zijn voortdurend voor problemen en opgaven gesteld en het is nu juist
deze omstandigheid die als vanzelfsprekend de besten naar voren haalt. Zij
krijgen dus niet bij voorbaat de leiding over vooralsnog onduidelijke
projecten, maar achteraf, als het probleem zich helder en concreet voordoet en
als bovendien gebleken is dat zij in staat mogen worden geacht er raad mee te
weten.
Bij voorbaat en in den blinde aangestelde leiding is in feite een 'regering'.
Die berust wezenlijk op niets anders dan macht. Of zo'n regering er iets van
terecht brengt moet logischerwijs voorlopig nog blijken. Maar niet alleen dat:
doordat zij zich van de macht meester heeft gemaakt kan zij eventuele
resultaten gemakkelijk als succesvol voorstellen. Niemand was het immers
toegestaan er alternatieven tegenover te stellen. Een zinvol 'beter weten' was
dus bij voorbaat al uitgesloten. In feite is op die manier het resultaat altijd
goed. Dat is dan ook precies wat regeringen steevast over zichzelf beweren: zij
doen het altijd goed..! Gemakkelijk is vast te stellen dat dit tot nu toe in de
wereld regel en praktijk is geweest.
Zo langzamerhand begint er iets te kenteren. Uiteraard hangt dit ten nauwste
samen met het ontwaken van de mens als individu, het ontwaken dus van de
'individualist'. Zoals gezegd handelt deze uitsluitend van zichzelf uit en komt
op die manier incidenteel tot het vormen van een 'team'. Een dergelijk verband
kan op niets anders berusten dan op samenwerking, maar vooraleer dit enigszins
zinvol functioneert moet er wel het een en ander duidelijk zijn geworden, iets
wat niet op school is te leren, maar wat daarentegen onmerkbaar tot het
zelfbewustzijn van de mensen doordringt. Dat geschiedt op grond van het
zogenaamde ontwikkelingsproces zoals dat gestaag in de werkelijkheid als mens
plaatsvindt. Het gaat namelijk om het helder worden van het onontkoombare feit
dat ieder mens onder het begrip 'individualist' valt, en wel onvoorwaardelijk.
Pas als voor de mens dat inzicht van fundamentele gelijkheid een realiteit is
geworden kan er van echte samenwerking gesproken worden, hetgeen vervolgens ook
het ware leiderschap mogelijk maakt.
Op het ogenblik nemen steeds meer burgerlijke ondernemingen taken van de staat
over. Die 'privatisering'
wordt nogal eens voorgesteld als een gunstig verval van de macht, maar die
voorstelling van zaken is volstrekt eenzijdig. Inderdaad vervalt de
staatsmacht, de macht van overheden, maar ervoor in de plaats komt een andere
macht, namelijk die van de civiele ondernemingen. Dat is een macht die
welbeschouwd nog indringender en alomvattender is dan die van voorheen de
overheid. In het kort is te stellen dat de reden hiervan is dat die
ondernemingen de burgers praktisch nodig hebben. Inderdaad had de staat ze ook
nodig, maar dat was een abstracte zaak die vrijwel uitsluitend met de
legalisering van de staatsmacht en het vullen van de staatskas te maken had. De
ondernemingen evenwel zijn concreet van de burgers afhankelijk, vanwege de
noodzaak aan hen producten en diensten te slijten. Daartoe analyseren zij dus
de leefgewoonten van de burgers en spelen er op een zodanige wijze op in dat
die tegen wil en dank 'consumenten' worden. Waren de traditionele overheden
wezenlijk onverschillig voor het individuele leven van hun onderdanen, de
nieuwe machtsinstituten moeten het daarvan juist hebben. Het mag dan ook geen
verbazing wekken dat er steeds meer aanslagen op de privacy van de mensen
gepleegd worden.
De vreugde van een aantal anarchistische en libertaire denkers over de steeds
toenemende privatisering moet dus op zijn minst getemperd worden. In feite is
er nog lang niet te spreken van werkelijk verval van macht. Aan de orde is
slechts een verschuiving van macht en het is nog maar de vraag of dat nu iets
is om redelijkerwijs naar uit te kijken, hoewel niet te ontkennen valt dat het
inderdaad een symptoom van vooruitgang is. Maar niet elk symptoom van
vooruitgang, hoewel onvermijdelijk, maakt het leven voor de mensen aangenamer,
vooral niet omdat zoiets steevast gepaard gaat met vertwijfeling, onzekerheid
en verwarring, om nog maar te zwijgen van tijdelijk in ernstige mate toenemende
corruptie en criminaliteit. Ware ontmanteling van de macht en privatisering van
de ondernemingen kan alleen maar plaatsvinden in een sfeer van
individualistische gelijkheid in een volstrekt horizontaal georganiseerde
maatschappij.
Naar bladwijzers: Het ontwaken van de individualist-zie nrs. 10, 11, 58, 59, 62, 65, 67
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
door Jan Vis
AFLEVERING NR. 59
Naar bladwijzers: Individualiteit-01 ; Individualiteit-02 ; Individualiteit-03 ; Individualiteit-04 ; Individualiteit-05 ; Individualiteit-06 ; Individualiteit-07 ; Individualiteit-08 ; Het ontwaken van de individualist-zie nrs. 10, 11, 58, 59, 62,
65, 67
______________________________________________________
Zo ongeveer bij het begin van onze jaartelling
breekt in de mensheid het besef door dat elk mens een eigen unieke
individualiteit bezit. Natuurlijk was dat voordien ook wel bekend, maar de
praktische uitdrukking daarvan was steeds bevangen binnen het kader van iemands
samenhang met een of ander geheel, zij het de geboortestreek, de stam, de clan,
de familie of iets dergelijks. Ieder individu was dus bepaald door zijn of haar
verhouding met iets of iemand anders en zijn recht van bestaan hing volledig van
die verhouding af. Bij verstoring daarvan werd iemand automatisch een paria,
een waardeloze outcast. Onder die omstandigheden was er dus geen sprake van een
eigen absolute en onaantastbare identiteit. Dat betekent het dan ook als
geconstateerd wordt dat het begrip 'individualisme' nog niet tot het
zelfbewustzijn van de mensen doorgedrongen was. Men dacht nog niet in termen
van enigerlei vorm van individualisme maar slechts in termen van het begrip
'inhoud'. Inhoud van het geheel namelijk.
Toch is er een uitzondering. Hoewel het begrip 'individualisme' als zodanig nog
niet bekend was, waren er toch mensen op wie dit begrip 'avant la lettre' van
toepassing is. Dat waren namelijk de pharao's, de koningen en keizers, de
absolute alleenheersers dus die voor zichzelf, als vertegenwoordigers van het
'geheel', volledige individualiteit en dus ook absolute vrijheid opeisten. De
combinatie van deze twee kwaliteiten leidt onafwendbaar bij ongeveer een ieder
tot de conclusie dat de betreffende heerser een goddelijke status had.
Bij de Romeinen is het al volstrekt duidelijk dat men de mensen is gaan
onderscheiden op grond van voor een ieder specifieke eigenschappen en
kenmerken. Dat betekent dat de ontwikkeling tot individualisme een aanvang
heeft genomen. In de beeldende kunst bijvoorbeeld ontstaat de portretkunst
waarin de nadruk is komen te liggen op het complex van iemands bijzonderheden,
zoals gelaatstrekken, maar ook gemoedstoestanden en aparte situaties waarin
iemand eventueel verkeert. Dat alles in de plaats van de onpersoonlijke,
algemeen geldende relaties tot het geheel. Het portret krijgt nu een bepaalde
naam, terwijl het voordien een weefsel van begrippen uitdrukte.
Die individualistische ontwikkeling in de mensheid vertoont een aantal
eigenaardigheden, waardoor het mogelijk wordt enkele cultuurfasen te
onderscheiden. Maar aan alles ten grondslag ligt het feit dat de basis van het
individualisme gelegen is in het begrip 'uitsluiting'. Zonder dat namelijk door
de ene mens al de anderen uitgesloten worden en als niet bestaand worden
gewaardeerd kan er van geen begin van een individualistische ontwikkeling
sprake zijn. Die basis, die in feite als het begrip 'absoluut egoďsme'
getypeerd kan worden, is niet alleen de basisvoorwaarde, maar bovenal ook de
onvermijdelijke grondtoon van het gehele verdere proces. In de historische
praktijk betekent dit dat ongeveer vanaf het optreden van de Romeinen de mensen
onder de culturele rubriek 'absoluut egoďsme' vallen. Alles draait nu om de
mens als 'ik' en voor een goed begrip is het dan ook zaak letterlijk ŕlle
menselijke uitingen, handelingen en strevingen in dat licht te bezien. Dus niet
alleen datgene dat vanuit de incidenteel heersende moraal negatief gevonden
wordt, maar ook al het positieve: het zichzelf wegcijferende, het mens- en
vredelievende, het schone en ware, enzovoort. Alles is onderworpen aan een naar
binnen gerichte beweging met een onmiskenbare egocentrische strekking.
Daar is om te beginnen het begrip 'particulier'. Het zich realiseren hiervan
draait vooral om het practische en wezenlijk banale in bezit nemen van alle
voorhanden verschijnselen. Daarmee laat de particuliere mens het eerste moment
gelden van de omstandigheid dat het gehele universum zijn 'virtuele eigendom'
is. Dat kan het geval zijn doordat de mens als materialisatie van de ultieme
mogelijkheid van het wordingsproces alle voorgaande resultaten daarvan tot
inhoud heeft.
Dat eerste moment is 'banaal' omdat het nog nauwelijks enige intellectuele
betekenis heeft. Het gaat gewoon over veroveren en dus in feite stelen. Eerst
wordt er bijvoorbeeld land gestolen. Dat is de feodale periode, waarin diegene
die het meest succesvol is zich de status van 'adel' toekende. De adel is
namelijk volstrekt banaal begonnen met het stelen van landstreken en eigendommen
van andere, weerloze, mensen en eigenlijk is zij daar nog steeds mee bezig, zij
het formeel op abstracte wijze...
Het tweede moment is iets meer intellectueel, het is de fase van het ondernemen
en het zich toe-eigenen van de produktiemiddelen. Het intellectuele is hierin
gelegen dat er iets tot stand gebracht moet worden, namelijk het omzetten van
de bestaande natuur tot bruikbare dingen. Tot op zekere hoogte heeft de
mensheid nu voordeel bij het gedoe van de particulier, in tegenstelling tot dat
van de feodale particulier waarvan niemand behalve die schurk zelf iets wijzer
werd.
Dan is er ook nog een derde moment en daarbij gaat het over de manager. Hij is
vrijwel uitsluitend intellectueel bezig en het resultaat daarvan is
ogenschijnlijke orde die telkens weer blijkt wanorde te zijn, juist doordat het
een theoretische zaak is waarbij onvermijdelijk velerlei externe factoren
buiten beschouwing gelaten zijn. Dank zij de intellectuele dispositie van de
particulier als manager ontgaat hem het treurige feit dat de door hem geschapen
orde absolute chaos betekent, een chaos die almaar toeneemt naarmate hij
intensiever probeert de zaak te ordenen.
De mens als particulier is eenzijdig op zichzelf als eigenaar van het universum
gericht. Hij wil alles hebben en hij wijkt daarbij noch voor de levenden noch
voor de doden. Geen enkele wandaad weerhoudt hem van zijn innerlijke drang tot
het zich op allerlei concrete en abstracte manieren toe-eigenen van alles en
iedereen. Maar gaandeweg wordt zijn gedoe toch voordeliger voor de mensheid. Er
ontstaat namelijk een leefbaarder wereld, onbedoeld weliswaar, omdat het in
feite om absoluut egoďsme gaat. Altijd en onvermijdelijk blijft de sfeer
daarvan domineren en als een donkere wolk boven het menselijke landschap hangen
en altijd zijn het de 'gewone' mensen die voor de rekening op moeten draaien,
waarbij overigens niet over het hoofd mag worden gezien dat ook zij in het
teken van dat absolute egoďsme staan.
Naar bladwijzers: Individualiteit-01 ; Individualiteit-02 ; Individualiteit-03 ; Individualiteit-04 ; Individualiteit-05 ; Individualiteit-06 ; Individualiteit-07 ; Individualiteit-08 ; Het ontwaken van de individualist-zie nrs. 10, 11, 58, 59, 62,
65, 67
FILOSOFIE
VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
Zie
bladwijzers: Waanvoorstellingen- zie afl. 17 ; 23 ; 36 ; 37 ; 46 ; 52 ; 60 ; 63 ; 64 ;
Islam-1 ; Islam-2 ; Islam-3 ; Islam-4 ; Islam-5 ; Islam-6 ; Islam-7 ; Islam-8 ; Islam-9 ; Islam-10 ; Islam-11
door Jan Vis
AFLEVERING NR. 60
Naar bladwijzers: Individualiteit-01 ; Individualiteit-02 ; Individualiteit-03 ; Individualiteit-04 ; Individualiteit-05 ; Individualiteit-06 ; Individualiteit-07 ; Individualiteit-08 ; Rechten van de mens-1 ; Rechten van de mens-2 ; Rechten van de mens-3 ; Doodvonnissen-1 ; Doodvonnissen-2 ;
______________________________________________________
Uit de wereld van de Islam is vaak te vernemen dat 'het
Westen' de rest van de wereld zou onderdrukken. Dat zou dan zowel in politiek
als in economisch opzicht het geval zijn. De Verenigde Staten staan daarbij
symbool voor de Westerse cultuur. En voor de Islamitische wereld worden
met graagte die arme Palestijnen naar voren gebracht. Nu is het wat deze
laatsten betreft zonder enige twijfel een feit dat zij onderdrukt worden, met
name door de Israëliërs die hen nauwelijks wat ruimte om te leven gunnen. Daarbij
wordt evenwel door bijna iedereen ten onrechte aangenomen dat Israël tot de
Westerse cultuur zou behoren en dat daarmee automatisch bewezen zou zijn dat
die cultuur een manifestatie van onderdrukking, discriminatie en terreur zou zijn.
Om tenminste twee redenen zijn die beschuldigingen wat Israël betreft niet
juist gefundeerd. Ten eerste moet opgemerkt worden dat Israël wel volop de
vruchten plukt van de Westerse wereld en dus in politieke en economische zin
tot 'Het Westen' gerekend kan worden, maar dat het in feite in het geheel geen
volwaardige representant van de Westerse 'cultuur' is. Dat moge hieruit blijken
dat in Israël de godsdienst een uitermate dominante rol speelt, vooral die van
de wiebelende pijpengekrulde orthodoxen. Het is redelijkerwijs staande te
houden dat Israël, als het er op aankomt, onmiskenbaar een theocratie is. Maar
het niet-westerse karakter van Israël blijkt ook uit het feit dat er in de
regering en de Knesset veel militairen in actieve dienst zitten, hetgeen in
democratische zin altijd een veeg teken is, zelfs onder oorlogsomstandigheden
of terreurdreiging.
Alle gevaren en onrust in Israël maken de rol van de militairen niet goed.
Militairen behoren niet in regeringen te zitten en zelfs geen politietaken te
vervullen. Zij behoren daarbuiten te blijven en gehoorzaam orders af te
wachten.
Mag het een feit zijn dat de, overigens terechte, verwijten richting Israël op
verkeerde argumenten berusten, het is bovenal een feit dat de beschuldigingen
aan het adres van de Westerse cultuur volstrekte onzin zijn. Het ligt namelijk
absoluut niet in het karakter van die cultuur om te discrimineren en te
onderdrukken. Hoewel dat gemakkelijk te begrijpen is wordt dit gegeven steeds
door bijna iedereen over het hoofd gezien, verblind als men is door een groot
aantal kwalijke gedragingen van westerlingen.
Het gaat in de Westerse cultuur om de geboorte en de ontwikkeling van de mens
als individu, in het kort gezegd: het 'individualisme'.
Hoewel aan de basis daarvan de notie 'ik ben jij niet' ligt, is de aanwezigheid
van de ŕnder toch vereist en dus tenvolle erkend. Dit maakt in feite
onderdrukking en discriminatie
ten enen male onmogelijk. Het is dan ook niet toevallig dat dergelijke
misdragingen juist in de Westerse cultuur veroordeeld en afgewezen worden,
zoals het ook niet toevallig is dat precies daar de democratie als
onbetwistbare maatschappelijke norm erkend wordt. En dan zijn daar ook nog de ' Rechten van de mens '
en vele andere bevestigingen van 's mensen onvoorwaardelijk erkende
individualiteit. Nogmaals, de westerse cultuur houdt de volmondige erkenning
van alle individuen in.
Zij discrimineert niet en zij onderdrukt niet.
Het is evenwel niet te loochenen dat er vanuit de Westerse wereld heel wat
onrecht en misdadigheid gepleegd wordt. Er is een hele lijst op te sommen van
economische en politieke wandaden, bedreven door Westerse individuen, bedrijven
en regeringen. En inderdaad is de ellende in deze wereld in belangrijke mate
terug te voeren tot plundergedrag van Westerlingen, doorgaans in
ondernemingsverband gepleegd. De verschillende al of niet verborgen belangen
zijn onveranderlijk voldoende legitimering van onmenselijke schurkenstreken.
Maar dat alles, hoe schandelijk ook, is ten enen male niet inherent aan de
moderne Westerse cultuur als zodanig, en dus ook niet aan Amerika. Hoezeer er
ook mee gesold wordt, de vrijheid heeft in de Westerse democratieën, inclusief
de Verenigde Staten, wel degelijk haar concrete uitdrukking gevonden.
De Westerse wandaden zijn uitsluitend manifestatie van vooralsnog ňnvolwassen
individualisme zoals dat nog bij veel te veel westerlingen voorkomt. Daardoor
staat het particuliere belang prominent op de voorgrond. En de onmiskenbaar
slechte rol van vooral de Amerikanen in de wereld is hierop gebaseerd.
In veel andere samenlevingen zijn de discriminatie, onderdrukking en terreur helaas wel een
kwestie van cultuur, omdat zij namelijk gebaseerd zijn op eeuwenoude
godsdienstige voorstellingen. Hoewel het tegenwoordig bon ton is dit te
ontkennen of lafhartig te nuanceren is de basis van die misstanden wel degelijk
de monotheďstisch godsdienst. Er is daarin immers geen god denkbaar die concurrenten
naast zich duldt! De oude god van Joden, Christenen en Islamieten,
Jahweh, De Heer of Allah, duldt niets en niemand 'voor zijn aangezicht' en hij
is 'naijverig' ten aanzien van alles en iedereen. Mensen die iets anders
geloven en ongelovigen behoren er dan ook niet te zijn. Uitroeien en het nemen
van wraak tot in het zoveelste geslacht behoren als vanzelfsprekend tot de
aanbevolen behandelingen. Logisch dat er binnen de theologie van dergelijke
absolutistische godsdiensten een concrete mogelijkheid ligt om de zaak in
praktijk te brengen doormiddel van niets ontziende terreur. Derhalve is het wel degelijk
verantwoord de voedingsbodem van de huidige agressie te zoeken in de Islamitische
godsdienst.
Dankzij domheid en armoede zijn, anders dan in het moderne Westen, in de
niet-westerse Islamitische wereld de godsdienstige waanvoorstellingen
actueel gebleven. Erger nog, zij zijn in veel gevallen vanuit antiwesterse
politieke overwegingen tot hysterie opgefokt. Dat is het zogenaamde
fundamentalisme, zoals dat door verblinde onverlaten, uiteraard allemaal
mannen, gepropageerd en beleden wordt. Daardoor zijn helaas op het ogenblik de
meeste Islamitische samenlevingen tot beangstigende oorden van discriminatie,
onderdrukking en terreur
verworden. En het zijn voorwaar niet alleen maar de vrouwen die daarvan het
slachtoffer zijn. Vele redelijke denkers en kunstenaars hebben dat inmiddels
ook aan den lijve ondervonden.
Het is zelfs niet ongewoon om over de gehele wereld ongegeneerd doodvonnissen te
voltrekken, zoals dat bijna ook bij Salman Rushdie gelukt is. Een paar fanaten
die zich 'geestelijk leiders' noemen vinden dat zij het volste recht hebben op
eigen gezag zo'n vonnis te vellen en dan hun volgelingen ook nog aan te
moedigen het uit te voeren.
Als er dus gesproken moet worden van onderdrukking, discriminatie en terreur is er wat betreft
dergelijke culturen maar één advies: steek de hand in eigen boezem en ga nu
eens op intelligente wijze aan de slag om eindelijk ook de eigen wereld
leefbaar te maken...
Naar bladwijzers: Individualiteit-01 ; Individualiteit-02 ; Individualiteit-03 ; Individualiteit-04 ; Individualiteit-05 ; Individualiteit-06 ; Individualiteit-07 ; Individualiteit-08 ; Rechten van de mens-1 ; Rechten van de mens-2 ; Rechten van de mens-3 ;
Doodvonnissen-1 ; Doodvonnissen-2
;
Zie
bladwijzers: Waanvoorstellingen- zie afl. 17 ; 23 ; 36 ; 37 ; 46 ; 52 ; 60 ; 63 ; 64 ;
Islam-1 ; Islam-2 ; Islam-3 ; Islam-4 ; Islam-5 ; Islam-6 ; Islam-7 ; Islam-8 ; Islam-9 ; Islam-10 ; Islam-11
FILOSOFIE
VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
Islam-1
; Islam-2 ; Islam-3 ; Islam-4 ; Islam-5 ; Islam-6
; Islam-7 ; Islam-8 ; Islam-9 ; Islam-10 ; Islam-11
door Jan Vis
AFLEVERING NR. 61
Zie ook nr. 63(Discriminatie/ANGST) ; Zie ook nr. 66(Racistische grondtoon nrs. 66t/m 68) ;
______________________________________________________
Het zijn vooral de hedendaagse politici die
weigeren te erkennen dat de ene cultuur de andere kan overtreffen in
universele kwaliteiten. Die weigering komt vooral voort uit de traumatische
angst om leden van andere culturen te discrimineren. Het op zichzelf juiste inzicht
dat discriminatie
verwerpelijk is heeft zich, zoals zo vaak het geval is, tegen zichzelf gekeerd
en is nu in een taboe omgezet. Mede door de bittere ervaringen van de Tweede
Wereldoorlog is de afschuw van discriminatie zo alles overheersend geworden dat
gedachtengangen die mogelijkerwijs tot pijnlijke conclusies kunnen leiden al
bij voorbaat en zelfs op een agressieve manier afgewezen worden. De zaak valt
gevoelsmatig buiten elke mogelijke beoordeling: zij is zonder meer taboe.
Doorgaans leidt dat tot lafhartig intellectueel gescharrel en dus tot
ergerlijke domheid en onbetrouwbaarheid. Merkwaardigerwijs wordt dat in dit
post-moderne tijdsgewricht 'politiek
correct' gevonden...
Behalve het taboe is er ook nog een ontstellend gebrek aan historisch inzicht wat betreft de
ontwikkeling van culturen. Stellig heeft ook dat met genoemd taboe te maken:
men wil er gewoon niets van weten. Maar de aard van het moderne analytisch
wetenschappelijke denken speelt er ook een cruciale rol in. Dat denken heeft
altijd moeite met kwalitatieve noties omdat het afhankelijk is van
kwantiteiten. Analyse van de voorhanden verschijnselen levert immers geen
alomvattend overzicht op, doch slechts een zo goed mogelijk gerubriceerde
verzameling, bestaande uit allemaal op zichzelf staande feiten. Universeel
geldende kwaliteiten van mensen of zaken kunnen dan onmogelijk herkend en
erkend worden. Hoe zinvol modern wetenschappelijke kennis ook is, het blijft
gaan over een versnipperde werkelijkheid.
Door die versnippering kunnen moderne denkers niet inzien dat er zich in de
mensheid een bepaald proces afspeelt. Het bestaan daarvan wordt bijgevolg
ontkend. Maar als men voor een moment afstand zou nemen van het gebruikelijke
analyseren is te zien dat de mensheid onmiskenbaar vanaf haar geboorte op de
planeet een geestelijke ontwikkeling doormaakt, waarbij het zelfbewustzijn zich
langzaam maar zeker verheldert.(verhelderingsproces-zie bladwijzers)
Daardoor wordt de werkelijkheid met alles waaruit zij bestaat steeds meer
zichtbaar en dus ook, dank zij de toenemende mogelijkheid tot onderzoek,
begrijpelijker. Wat voor de mensen uit de Oudheid nog niet te ontwarren was is
gaandeweg voor onderzoek ontvankelijk geworden, zodat het zijn geheimen prijs
kan geven. Het gehele complex van concrete resultaten hiervan valt onder het
begrip 'beschaving' oftewel 'civilisatie'.
Dat evenwel is op zichzelf geheel iets anders dan het begrip 'cultuur' en het
dient hiervan dan ook uitdrukkelijk onderscheiden te worden.
Bij de huidige discussies over de vraag of de Westerse cultuur 'superieur' is
aan alle andere culturen, inzonderheid de Islamitische, worden voortdurend de begrippen
'cultuur' en 'civilisatie' door elkaar gehaald. Vaak kan men zich niet aan de
indruk onttrekken dat dit met opzet gedaan wordt. Vooral diegenen die al bij
voorbaat het idee van het bestaan van een superieure cultuur verwerpen,
verschuiven de discussie handig van het begrip 'cultuur' naar het begrip
'civilisatie', uiteraard in de poging daarmee aannemelijk te maken dat er geen
verschillen in kwaliteit zouden bestaan. Maar zij doen dat vooral ook om te verdoezelen
dat zij niet inhoudelijk wensen na te denken over het thema van het al of niet
superieur zijn van culturen. Daar komt dus het taboe voor den dag.
Het begrip 'civilisatie' betreft de concrete manifestatie van het praktische
gedoe van de afzonderlijke mensen. Dat gedoe vertoont talloze plaatselijke en
tijdelijke eigenaardigheden, die kwalitatief eigenlijk niet zoveel van elkaar
verschillen. Overal zijn de mensen op zoveel mogelijk macht en bezit uit.
Overal verrichten de mensen grootse daden afgewisseld met gruwelijke wandaden.
Overal beminnen en haten de mensen elkaar. Overal hechten zij geloof aan
godsdienstige en ideologische waandenkbeelden en overal proberen zij hun eigen
wil door te zetten en zoveel mogelijk voordeel te behalen. Over de gehele
wereld treft men hetzelfde egoďstische geboefte aan. Wat dit betreft is het dus
juist als men de Westerse mens niet beter acht dan de Islamitische.
Nogmaals: het gaat nu over afzonderlijke mčnsen.
Toch, door al die min of meer overeenkomstige gedragingen stralen bepaalde
grondpatronen door, die statistisch niet te verklaren zijn uit het alledaagse
gedoe van de mensen. Waarom bijvoorbeeld is het, behalve in het Westen, nergens
gelukt een betrouwbare wetenschap en technologie van de grond te krijgen? Waarom
dankt wat dat betreft de hele wereld alle ontwikkeling aan het Westen? Zeker is
dat het niet ligt aan de intelligentie van de niet-westerse mensen. Het
ontbreekt hen bepaald ook niet aan ijver en nieuwsgierigheid om dingen aan de
weet te komen. De oorzaak moet dus dieper liggen dan alleen maar civilisatie.
Of: waarom is een zeer groot deel van de wereldbevolking bereid zich aan Allah
te onderwerpen terwijl deze god niets te bieden heeft dan dwingende
levensonvriendelijke voorschriften, armoede en tot overmaat van ramp een
hartgrondige haat
tegen alles wat Westers is..?
De ogenschijnlijk onverklaarbare ondergrond van het gedrag heeft op zichzelf
niets met het begrip 'civilisatie' te maken maar alles met het begrip
'cultuur'. Het gaat hierbij over het onmiddellijke gevolg van het verhelderingsproces
van de mensheid als geheel. Het is een proces dat als regel
nauwelijks door de er in betrokken mensen herkend wordt. Dat 'ondergrondse'
proces volgt in de loop der tijden een bepaalde weg die, eenmaal begrepen,
volkomen logisch blijkt te zijn. Aan het begin ligt een vooralsnog tamelijk
duister zelfbewustzijn dat evenwel gaandeweg helderder wordt. Die weg van
donker naar licht manifesteert zich als 'cultuurgeschiedenis', in opeenvolgende
momenten die in bepaalde volkeren tot leven komen. Het laatste moment van dat
proces moet logischerwijs helder zijn, hetgeen feitelijk betekent dat het
totale universum doorzichtig is geworden en dus tot kennis omgezet kan worden.
Dat eindmoment is voor de dag gekomen als Westerse cultuur.
Omdat de Westerse cultuur het laatste moment van de verheldering is overtreft
het alle andere momenten. Die worden in feite allemaal gekenmerkt door het
onvermogen van de mensen zichzelf in universele zin te begrijpen, waardoor het
onder andere maar niet wil gelukken de wereld op humane wijze in te richten.
Het begrip 'civilisatie' heeft betrekking op de vraag wat er op een gegeven
moment in concreto van de cultuur terecht komt. Als het gaat over dat begrip
moet nogmaals nadrukkelijk gesteld worden dat de ene mens, waar ook ter wereld,
in geen enkel opzicht voor de andere mens onder doet. De bestaande onderlinge
verschillen berusten op omstandigheden, op individuele ontwikkeling, op een
persoonlijke aanleg, en zo meer. Precies zoals dat altijd en overal het geval
is. Wat deze notie betreft is het dus onterecht om het begrip 'superioriteit'
te gebruiken.
Maar als het gaat over het begrip 'cultuur' als zodanig is er wel degelijk
steeds een superieur moment. Het volgende gaat logischerwijs het vorige te
boven. Zo was de Romeinse cultuur indertijd een moment dat volgde op de cultuur
van de Grieken. Daardoor waren zij ten opzichte van hen qua cultuur superieur.
De Germanen overtroffen als volgend moment op die manier de Romeinen. Als
'civilisatie' bleek dat gaandeweg uit hun overwinningen en tenslotte uit de ondergang
van Griekenland en Rome.
Thans overtreft de moderne Westerse cultuur die van het oude Europa en alles
wat daar aan vooraf ging. Omdat het het laatste ontwikkelingsmoment is legt die
moderne Westerse cultuur zich over de
ganse planeet uit, aanvankelijk nog niet als 'civilisatie', maar als 'cultuur'.
Dat is dan ook overal waar te nemen en ook is waar te nemen dat overal ter
wereld de mensen naar de directe en indirecte voortbrengselen van die cultuur
verlangend uit zitten te kijken, reden waarom zij allemaal proberen om Westerse
artikelen te bemachtigen en zelfs om naar het Westen te emigreren om een zo
goed en zo veilig mogelijk bestaan op te bouwen.
Islam-1 ; Islam-2 ; Islam-3 ; Islam-4 ; Islam-5 ; Islam-6 ; Islam-7 ; Islam-8 ; Islam-9 ; Islam-10 ; Islam-11
Zie ook nr. 63(Discriminatie/ANGST)
; Zie ook nr. 66(Racistische grondtoon nrs. 66t/m
68) ; Zie ook
nr. 61(Discriminatie)
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
Naar bladwijzers: Islam-1 ; Islam-2 ; Islam-3
; Islam-4 ; Islam-5 ; Islam-6 ; Islam-7 ; Islam-8
; Islam-9 ; Islam-10 ; Islam-11 ; Het ontwaken van de individualist-zie
nrs. 10, 11, 58, 59, 62,
65, 67 ; Aanpassingsproces-1 ; Aanpassingsproces-2
; Aanpassingsproces-3 ; Aanpassingsproces-4 ; ; [ Derde Wereldoorlog: 62 ; 63 ; 64 ; 65 ; ] ;
door Jan Vis
AFLEVERING NR. 62
______________________________________________________
Vanaf zijn geboorte op de planeet maakt de mens
een ontwikkeling door. In tegenstelling tot wat veel geleerden nog steeds
geloven is het biologische proces van de evolutie met de komst van de mens
afgesloten. Het aanpassingsproces
evenwel, waarbij het leven zich zo goed mogelijk instelt op de omstandigheden,
gaat natuurlijk gewoon door. Maar daarnaast geldt er voor de mens nog een ander
proces en dat betreft de verheldering van zijn zelfbewustzijn. De mens
ontwikkelt zich 'naar zichzelf toe'. Uiteraard kent ook dat een groot aantal
verschillende momenten.
De Westerse cultuur is de uitwerking van het laatste moment van het
verhelderingsproces van het zelfbewustzijn. Dit laatste moment betreft het uit
elkaar halen van de materiële werkelijkheid met de bedoeling het leren kennen
van de bouwstenen en de opbouw van het universum. Dat speelt zich af in de
Westerse cultuur, die staat dan ook in het teken van de analyse. In feite is
dit de laatste mogelijkheid, want verder dan zo kan het proces van de
verheldering niet gaan. Het is immers niet mogelijk dieper in de werkelijkheid
door te dringen dan tot de elementaire bouwstenen van het heelal.
Op zichzelf beschouwd is dat uit elkaar halen geen gemakkelijke zaak.
Vergeleken bij voorgaande cultuurmomenten is het niet alleen de meest
tijdrovende, maar vooral ook de meest intellectuele opgave. Er zijn bovendien
veel technische vaardigheden bij nodig. Al met al: het is de nimmer aflatende
zoektocht van de wetenschap.
Het is een buitengewoon ingrijpende zaak, die uiteindelijk leidt tot
verandering van de gehele planeet. Verandering in die zin dat zij aangepast
wordt aan het leven van het als laatste door haar opgeleverde verschijnsel: de
mens. De planeet wordt door de mens tot 'aarde' gemaakt, dat wil zeggen dat zij
omgezet wordt tot inhoud van de mens.
Dat begrip 'aanpassen' is overigens van een geheel andere orde dan gewoonlijk
gemeend wordt. De gangbare mening is thans nog steeds dat de planeet
onderworpen zou moeten worden. Zij zou dus haar eigen karakter moeten verliezen
en gaan beantwoorden aan de ideeën van de mens. Dit evenwel kan alleen maar tot
rampen leiden, iets wat tegenwoordig al meer en meer zichtbaar wordt. Op alle
mogelijke gebieden hebben de mensen zich in de ellende gestort, in de poging de
planeet te onderwerpen aan hun wetenschappelijke theorieën.
Waarom het werkelijk gaat bij veranderen in de zin van het begrip 'aanpassen'
is het in goede banen leiden, het verzorgen. Dat betekent onder andere dat het
eigene van de planeet met haar planten en dieren zo goed mogelijk beschermd en
gestimuleerd wordt, in plaats van fundamenteel veranderd. Hoewel het door de
meeste wetenschappers heftig ontkend wordt is elke technische verandering, elke
manipulatie, een verslechtering omdat er ingegrepen wordt in een stap voor stap
en met vallen en opstaan gegroeid levend systeem. De gesuggereerde
verbeteringen zijn dan ook uitsluitend van pragmatisch economische aard,
voordelig voor een aantal ondernemers en politici. Bovendien zijn het ingrepen
die in kwalitatieve zin tenvolle afhankelijk zijn van modieuze stokpaardjes van
op winst beluste economen.
Zoals met alles het geval is kent ook dat laatste moment van de verheldering
enkele min of meer van elkaar onderscheiden fasen. In dit geval is er een
periode van aanloop, een periode van zoeken naar de juiste criteria en
tenslotte een periode van praktische uitwerking. In de historische praktijk
vertoont die drieslag zich in het Romeins-Christelijke tijdperk en daarna in
het oude West-Europa om tenslotte in de 20ste eeuw in de Moderne Wereld uit te
lopen.
Op het ogenblik is die derde periode onmiskenbaar gaande, maar onvermijdelijk
is hij nog geheel doortrokken van de twee voorgaande. Het christendom speelt
nog steeds een belangrijke rol, hoewel het al duidelijk geen aanmoedigend
karakter meer heeft. De kerken hebben een conservatieve en dus afremmende
werking gekregen, een teken dus van ontbinding en ondergang. De tweede periode,
die van het zoeken naar de juiste criteria, is als zodanig ook nagenoeg
voltooid, terwijl de Moderne Wereld nog maar net begonnen is.
Wat die Moderne Wereld betreft moet er nog heel veel gebeuren: de dwaasheden
van niet alleen het christendom, maar vooral ook van de Islam en wat Oosterse
religies moeten straks gedegenereerd zijn tot onschuldige eigenaardigheden van
verwarde enkelingen en de genoemde criteria voor kennis moeten vanzelfsprekend
als objectief betrouwbaar over de gehele wereld erkend zijn. Voorlopig is hiervan
nog maar weinig gerealiseerd en wat betreft de Moderne Wereld leeft er eerder
nog een diepgewortelde haat
ertegen dan dat er met enthousiasme naar gestreefd wordt, hetgeen niet wegneemt
dat het proces van het uitwerken al onstuitbaar ingezet is.
In wezen gaat het niet om de vraag of genoemd eindpunt al volledig uitgewerkt
is, maar om de vraag of het zich definitief ingezet heeft. Na zo een
definitieve 'inzet' volgt het 'doorzetten' vanzelf, zonder dat iemand het tegen
kan houden of frustreren. Gezien in dat licht is te beamen wat sommige denkers
beweren, namelijk dat 'het einde van de geschiedenis' is aangebroken. Helaas is
die uitspraak wat slordig, want niet de geschiedenis als sequentie van
dagelijkse gebeurtenissen houdt op, maar uitsluitend het proces van de
culturele verheldering.
De mens als cultuur, dat is de mens die zich gelden laat als 'op andere wijze
de materie', die mens is in principe helder geworden. Feitelijk is daarmee de
werkelijke geschiedenis van 'de mens' begonnen. Intussen is al op te merken dat
overal ter wereld de mensen proberen hun leven en hun samenleving vorm te
geven, een streven dat logischerwijs geruime tijd vooral tot bloedbaden moet
leiden. Er is verzet tegen gewelddadige machthebbers, tegen imperialistische
onderdrukking en uitbuiting en zelfs op een individuele manier tegen elkaars
levensbeschouwingen.
Die strijd zal stellig lange tijd voortduren, juist omdat het een zaak van
ontwakend individualisme is. Welbeschouwd kan daarom met recht van de 'derde
wereldoorlog' gesproken worden, een oorlog die zich van alle voorgaande
onderscheidt door zijn niets ontziende willekeur en zijn absolute
onvoorspelbaarheid. Vooral opvallend is daarbij dat de bevolking inzet en
doelwit van agressie is geworden. In die situatie kent men geen 'onschuldige'
slachtoffers meer. Iedereen wordt bij voorbaat al als een schuldige gezien die
zonder bezwaar afgeslacht kan worden.
Die uitermate kwalijke mentaliteit komt al duidelijk naar voren juist bij die
groeperingen die zich van zichzelf bewust beginnen te worden.
Naar bladwijzers: Islam-1 ; Islam-2 ; Islam-3 ; Islam-4 ; Islam-5 ; Islam-6 ; Islam-7 ; Islam-8 ; Islam-9 ; Islam-10 ; Islam-11 ; Het ontwaken van de individualist-zie nrs. 10,
11, 58,
59, 62, 65, 67
; Aanpassingsproces-1 ; Aanpassingsproces-2
; Aanpassingsproces-3 ; Aanpassingsproces-4 ;
FILOSOFIE
VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
Zie
bladwijzers: Waanvoorstellingen- zie afl. 17
; 23
; 36
; 37
; 46 ; 52 ; 60
; 63 ; 64
; verantwoordelijkheid-1 ; verantwoordelijkheid-2
;
Islam-1 ; Islam-2 ; Islam-3 ; Islam-4 ; Islam-5 ; Islam-6 ; Islam-7 ; Islam-8 ; Islam-9 ; Islam-10 ; Islam-11
door Jan Vis
Bladwijzer: verantwoordelijkheid
AFLEVERING NR. 63 Zie
ook nr. 63(Discriminatie/ANGST)
; Zie ook nr. 66(Racistische grondtoon nrs. 66t/m
68) ; Zie ook
nr. 61(Discriminatie)
______________________________________________________
Hoewel de politici en hun commentatoren er over
het algemeen niets van willen weten is het wel degelijk een feit dat er op het
ogenblik een Derde Wereldoorlog gaande is. Ditmaal betreft het niet meer, zoals
voorheen gebruikelijk, alleen maar de westers ingestelde staten. Het valt
daarbij op dat er geen statelijke legers meer tegenover elkaar staan, maar
groepjes individuen die zeggen door hoogverheven idealen gedreven te worden. En
het is ook bijzonder opmerkelijk dat de huidige vechtpartijen nu inderdaad over
de gehele wereld voorkomen, zij het op zijn hevigst in de niet-westerse wereld.
Er is bijna geen land dat er niet mee te maken heeft.
Ogenschijnlijk zijn al die uitingen van geweld niet onder één noemer te
brengen. In Zuid-Amerika bijvoorbeeld lijkt het om heel iets anders te gaan dan
in Indonesië of in Maleisië en in de Arabische wereld schijnen weer andere
frustraties een rol te spelen. De ene keer lijkt het geweld een vorm van
nationalisme, de andere keer strijdt men om de handel in drugs, maar meestal
draait het om godsdiensten en andere ideologieën. Het gevolg van al die danig
verwarrende verschillen in motivatie is dat de gewelddadigheden door bijna alle
zogenaamde deskundigen worden afgedaan als incidenten, betreurenswaardig
weliswaar, maar niettemin incidenten. Gebeurtenissen dus die plaatselijk en
tijdelijk bepaald zijn en die derhalve geen onderlinge samenhang van enige
speciale betekenis vertonen. Het feit bijvoorbeeld dat er bijna overal Moslims
bij het geweld betrokken zijn wordt nauwelijks relevant gevonden en ook wordt
de rol van de drugs vrijwel uitsluitend als een op zichzelf staande illegaal
economische kwestie gezien.
Oppervlakkig beschouwd, zoals gebruikelijk bij moderne goed opgeleide
deskundigen, zijn daarvoor gemakkelijk oorzaken aan te geven. Wat de Moslims
betreft zou het stellig vooral komen door de angst van de moderne
intelligentsia om van discriminatie
beschuldigd te worden. Hun waardering voor de Islam en geflirt met de Moslims is daardoor zo
langzamerhand een morbide vertoning geworden. Misschien is dat overigens toch
wel enigszins begrijpelijk omdat de fundamentele agressiviteit van de Islamitische leer
onbewust angst inboezemt. Het gaat immers over een uitgesproken anti-moderne
culturele gesteldheid waarvan de vertegenwoordigers bepaald geen geweld
schuwen, vooral als zij het toepassen op mensen die zelfs nauwelijks deugen als
brandstof voor de hel. En de drugs spelen, cultureel gezien, ook een veel
wezenlijker rol dan alleen maar die van enerzijds lucratieve handelswaar en
anderzijds een min of meer modieus genotmiddel. Het is niet zomaar dat het
gebruik van drugs zo een wereldomspannend fenomeen is geworden. Veel mensen
hebben behoefte aan de vergetelheid die de roes hen bieden kan.
Er is een frappante overeenkomst tussen het gebruik van verdovende middelen en
het zich overgeven aan een godsdienst als de Islam. In beide gevallen gaat het er namelijk
om zichzelf als individu uit te schakelen, althans terug te dringen. Men zoekt
letterlijk 'bewusteloosheid'. Dat streven is een reactie op het moderne
cultuurmoment, zoals dat, doorgaans ongeweten en zelfs ongewild, voor de gehele
mensheid geldt. Het is zogezegd de 'antithese' van het individualisme, het
wakker worden en het tot ontwikkeling komen van de bestaande mens als een
volstrekt uniek geval, een eenmalige identiteit die los staat van alle andere
levende en niet- levende verschijnselen in de kosmos. Dat is de mens als
inderdaad het laatste verschijnsel dat als zodanig los is gekomen van alle op
materiële verhoudingen gestoelde onontkoombare programma's. En in het bijzonder
gaat het bij dat individualisme om het zich persoonlijk bevrijden van al die
collectieve systemen waaraan de mensen zich, onvolwassen zijnde, in de loop der
tijden onderworpen hebben.
Aan dat proces van bevrijding komen overigens enkele
bijzonder onaangename verschijnselen mee: als eerste is daar de agressieve
criminaliteit, vanwege het verlies van een humaan besef van verantwoordelijkheid,
omdat men niet langer ergens bij behoort. En als tweede een diepgewortelde
angst voor kosmische eenzaamheid,
van verloren zijn in eeuwigheid en ruimte. Daarmee samenhangend treedt dan als
reactie op dat men ňf een bepaald collectief wil herstellen of vestigen, zoals
dat in de Islam
het geval is, ňf het individu-zijn wil vernevelen, zoals dat met behulp van
drugs geschiedt. Deze tegenstelling nu, tussen individualisme en collectivisme
is wat zich op dramatische wijze overal op de wereld manifesteert. Dat is
onmiskenbaar de Derde Wereldoorlog. Die heeft dus een veel diepere en
omvangrijker basis dan alleen maar de eraan meekomende daden van agressie en terreur zouden doen
vermoeden. Het is bovendien zo dat die oorlog hoofdzakelijk doormiddel van
incidentele terreur
uitgevochten zal worden, juist omdat de eraan ten grondslag liggende
frustraties van individualistische aard zijn. Die terreur kan zich tegen alles en iedereen richten,
zoals intussen overduidelijk gebleken is. En, opmerkelijk is daarbij ook dat de
daders zichzelf niet sparen. Zij offeren zich gemakkelijk op terwille van het
collectief, uiteraard met een beroep op godsdienstige waanvoorstellingen, zoals een wellustige
beloning in het hiernamaals.
Wat bij de discussie over de Islam bijna altijd over het hoofd wordt gezien is het
historische feit dat deze godsdienst gesticht is toen de mensheid al, uiteraard
onbewust, aan haar individualisering begonnen was, namelijk zo'n zes eeuwen na
het begin van de moderne jaartelling. Dat verklaart ten minste een tweetal
eigenaardigheden van de Islam,
namelijk dat zij typisch geen intuďtief maar daarentegen een bedŕcht systeem is
met veel aandacht voor wat beschouwd wordt als een codex van persoonlijke
rechten en vooral plichten. En verder dat er voor de godsdienstige praktijk
geen van God gegeven hiërarchie is ingesteld. Er is geen verticale structuur en
er zijn geen kerkvorsten zoals in het christendom. Ook kan nog opgemerkt worden
dat de bijvoorbeeld wel degelijk in de Christelijke Bijbel voorkomende
intuďtieve wijsheid en schoonheid ten enen male in de eigenlijke Koran
ontbreken. Het is wezenlijk een zeer onaangenaam pragmatisch geschrift. Dat
alles is kenmerkend voor een denken van na de oudheid, een denken dus dat als
reactie al in het teken staat van de begonnen moderne tijd waarin pragmatisme,
zakelijke voorschriften, management en koudbloedige redeneringen maatgevend
zijn...
Zie
bladwijzers: Waanvoorstellingen- zie afl. 17
; 23
; 36
; 37
; 46 ; 52 ; 60
; 63
; 64 ; verantwoordelijkheid-1 ; verantwoordelijkheid-2
Islam-1
; Islam-2 ; Islam-3 ; Islam-4 ; Islam-5 ; Islam-6
; Islam-7 ; Islam-8 ; Islam-9 ; Islam-10 ; Islam-11 ; Zie
ook nr. 63(Discriminatie/ANGST)
; Zie ook nr. 66(Racistische grondtoon nrs. 66t/m
68) ; Zie ook
nr. 61(Discriminatie)
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
Islam-1 ; Islam-2 ; Islam-3 ; Islam-4 ; Islam-5 ; Islam-6 ; Islam-7 ; Islam-8 ; Islam-9 ; Islam-10 ; Islam-11
Zie
bladwijzers: Waanvoorstellingen- zie afl. 17
; 23
; 36
; 37
; 46 ; 52 ; 60
; 63
; 64 ; Rationeel-1 ; Rationeel-2 ; Rationeel-3 ; Rationeel-4 ; Jesaja(1); Jesaja(2) ;
door Jan Vis
AFLEVERING NR. 64
______________________________________________________
In tegenstelling tot de Islam hebben het Jodendom en het Christendom een geheel
eigen intuďtieve basis.
Dat wil zeggen dat bepaalde eenvoudige, maar op zichzelf juiste inzichten in de
werkelijkheid er in uitgedrukt zijn. Die inzichten zijn niet op een concrete manier
verwoord, want dat was in de oude tijden nog niet echt mogelijk. De mensheid
was nog lang niet toe aan de analyse van de verschijnselen. Daardoor konden er
nog geen eenduidige formules opgesteld worden, zoals dat in moderne tijden wel
het geval is.
Men maakte destijds gebruik van metaforen. Dat zijn zinnebeeldige
verwoordingen. Op overdrachtelijke wijze werden mededelingen over de
werkelijkheid gedaan. God bijvoorbeeld was aanvankelijk niet een min of meer
abstract voorgestelde menselijke figuur met bepaalde, tot in het oneindige
uitvergrote eigenschappen. De notie 'God' was daarentegen de metafoor voor het
bevruchtende mannelijke principe van de werkelijkheid. De 'Oermoeder' was
degene die de dingen voortbracht en 'God' was, onder allerlei namen en beelden,
degene die dat voortbrengen in gang zette.
Deze metaforen nu getuigen van juiste inzichten in de werkelijkheid, inzichten die niet op een
rationeel analytische wijze
verworven zijn, maar op een onmiddellijke wijze aangevoeld, gezien en
ondergaan. Het zijn ingevingen die destijds gemakkelijk als authentieke
goddelijke openbaringen beschouwd konden worden. Het spreekt vanzelf dat er
voor een heleboel mensen groot gezag van uitging, hetgeen voor gewiekste
bedriegers aanleiding was om zich op te werpen als vertegenwoordigers van die
goddelijke machten. Daar beginnen de godsdiensten, waaronder ook de Joodse en
de latere Christelijke. Godsdiensten berusten dus op misbruik van ware
intuďtieve inzichten.
Van het Christendom wordt beweerd dat het een voortzetting is van de oude
Joodse godsdienst, omdat het verhaal gaat dat de zaak in het toenmalige Israël
begonnen is. Maar dat verhaal is volstrekt corrupt. Het is door de Aartsvaders
van het Christendom van de Joden en later de Romeinen gestolen, met de
bedoeling hun christelijke God een legitieme basis te geven. Daarom heeft het
Christendom het Joodse zogenaamd 'Oude Testament' in zijn heilig boek, 'De
Bijbel', opgenomen. Maar in feite stammen de voorstellingen van de Christelijke
godsdienst uit de Griekse cultuur, die op haar beurt veel daarvan had te danken
aan veel oudere culturen. Die kwamen allemaal vanuit het Verre Oosten in
Griekenland tezamen. Die Griekse ideeën, tezamen met de oeroude uit het Oosten,
vormen het verhaal van het zogenaamde 'Nieuwe Testament'.
Genoemde intuďtieve basis van beide godsdiensten laat zich nog steeds kennen.
Prachtige diepzinnige verhalen en voorstellingen geven daarvan duidelijk blijk.
Zo zijn daar in het Oude
Testament de buitengewoon heldere hoofdstukken van Jesaja, de Psalmen van
David en de schitterende liefdeslyriek van het Hooglied. En in het Nieuwe Testament
staat onder andere nog altijd de qua diepzinnigheid onovertroffen Bergrede. Tussen allerlei
mededelingen in staan ook nog talloze losse opmerkingen van grote wijsheid en
dat alles stamt uit lang vervlogen primitieve tijden waarin de kijk van de
mensen op het wezen van de werkelijkheid nog niet zozeer verduisterd was als
thans het geval is. Gelukkig hebben de, overigens buitengewoon onbetrouwbare,
vertalers en bewerkers van de oude geschriften veel oude metaforen over het
hoofd gezien, zodat ze tegenwoordig zelfs nog grotendeels te achterhalen zijn.
Maar het vereist toch een grote filosofische feeling om althans aan te voelen
welk een ongewoon diepzinnige wereld zich in die oude verhalen en geschriften
openbaart. Dat alles is in de loop der tijden van een godsdienstig jasje
voorzien, met als gevolg dat het ook thans nog riskant is er als atheďst met
lovende woorden over te spreken. Men wordt al ras van verholen gelovigheid
verdacht, maar daarmee heeft het nu juist absoluut niets te maken. Intuďtieve
waarheden worden nu eenmaal altijd in beslag genomen door zwendelaars die er
misbruik van willen maken. En dat gaat in een ňnvolwassen mensheid gemakkelijk
doormiddel van godsdienstige indoctrinatie.
Zoals gezegd hebben het Jodendom en het Christendom een heldere intuďtieve
basis, die, zoals gebruikelijk bij cultuurvoorstellingen, teruggaat tot diep in
de grijze oudheid. Naderhand zijn op die basis allerlei godsdienstige stelsels
gebouwd. Door zogenaamde priesters, godgeleerden en andere machtzoekers zijn de
mensen de meest fantastische waanvoorstellingen
ingeprent. Uiteraard maakten zij daarbij gebruik van de fundamentele behoefte
van de mens om te willen weten hoe het zit met zichzelf en de werkelijkheid. In
feite speculeerden zij dus op de intellectuele aanleg van de mens, wat
overigens lijnrecht staat tegenover de gangbare mening dat de godsdiensten op
het gevoelsleven gericht zouden zijn. Inderdaad maken zij daarvan wel een
geraffineerd gebruik, maar het gaat om het overtuigen, het valselijk aanreiken
van een schijnwaarheid.
Maar gelukkig kan niemand verhinderen dat er altijd iets van die oeroude
wijsheden door de onzin heen straalt. Ongetwijfeld is dat de verklaring voor
het feit dat er uit die beide godsdiensten nog steeds zoveel troost geput
wordt. En ook is het oorzaak van het merkwaardige psychische verschijnsel dat
de religieuze gevoelsuitingen van de mensen steevast liefdesbetuigingen zijn.
Er is een schat aan kerkelijke liederen die pure liefdespoëzie bevatten. Dit
alles zou niet mogelijk zijn als er geen sterke intuďtieve basis in de Joodse
en de Christelijke godsdiensten aanwezig was.
Dat alles is niet het geval met de Islam. De stichter van die godsdienst, Mohammed, leefde in het begin van de 7e eeuw van de moderne
jaartelling. In die tijd was de cultuur van de analyse al definitief
doorgebroken, met als gevolg dat de mens als individueel en intellectueel wezen
een realiteit was geworden, zij het een aanvankelijke. Het reageren op
intuďtieve inzichten was in principe verleden tijd geworden om plaats te maken
voor beredeneerde overtuigingen. De werkelijkheid moest voortaan als een rationeel
begrijpelijke zaak voorgesteld worden.
Het ligt in de logica dat op dit vooralsnog vage analytische besef gereageerd
zou worden. Dat geschiedde als eerste in de vorm van de Islam, maar
later, tot op heden, kwamen er veel meer godsdienstige reacties. Het aantal
godsdiensten en sekten is zo langzamerhand niet meer te tellen. Maar allemaal
zijn zij rationele bedenksels, geraffineerde constructies die uitsluitend de onderwerping van de mens
als individu bedoelen. Die immers is de eerste manifestatie van de analyse van
de werkelijkheid. Vooral bij de Islam is dat evident, zozeer zelfs dat
die godsdienst in zijn extreem fundamentele vormen aan een derde wereldoorlog
begonnen is: de oorlog tegen de mens als individu.
Het heeft geen zin onderscheid te maken tussen de een of andere vredelievende Islam
en een fundamentele. Hoe die godsdienst zich ook uit, steeds gaat het om de
volledige onderwerping
van de mens als individu en diens onvoorwaardelijke overgave aan God, aan
Allah. Dat heeft niets te maken met welke vorm van inzicht dan ook en bijgevolg
ook niets met warmte, schoonheid en liefde. Het heeft daarentegen alles te
maken met voorschriften en verplichtingen die met kille argumentaties
aannemelijk gemaakt worden. Het is in feite één grote oorlogsverklaring aan de mens. Natuurlijk
wil geen enkel modern denkend mens dit onder ogen zien en erkennen. Zijn
zogenaamde redelijkheid belet hem een oordeel te hebben over wat, volstrekt ten
onrechte, als een andere cultuur
beschouwd wordt. Dat toont weer eens overduidelijk aan hoe primitief het denken
van de hedendaagse intellectueel is.
Islam-1 ; Islam-2 ; Islam-3 ; Islam-4 ; Islam-5 ; Islam-6 ; Islam-7 ; Islam-8 ; Islam-9 ; Islam-10 ; Islam-11
Zie
bladwijzers: Waanvoorstellingen- zie afl. 17 ; 23
; 36
; 37
; 46 ; 52 ; 60
; 63
; 64
; Rationeel-1 ; Rationeel-2 ; Rationeel-3 ; Rationeel-4 ; Jesaja(1) ; Jesaja(2)
FILOSOFIE
VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
Naar bladwijzers: Individualiteit-01 ; Individualiteit-02 ; Individualiteit-03 ; Individualiteit-04 ; Individualiteit-05 ; Individualiteit-06 ; Individualiteit-07 ; Individualiteit-08 ;
Islam-1 ; Islam-2 ; Islam-3 ; Islam-4 ; Islam-5 ; Islam-6 ; Islam-7 ; Islam-8 ; Islam-9 ; Islam-10 ; Islam-11 ; Het ontwaken van de individualist-zie nrs. 10, 11, 58, 59, 62, 65, 67
door Jan Vis
AFLEVERING NR. 65
______________________________________________________
Alle nŕ
de Oudheid gestichte godsdiensten bevatten in feite een dodelijke oorlogsverklaring aan de
mens. Zij zijn een min of meer hysterische reactie op de na de Oudheid
definitief doorgebroken cultuur van de mens als individu. Die cultuur is de
laatste fase van de menselijke ontwikkeling naar volwassenheid. Het gaat in die
laatste fase om de mens als een intellectueel wezen, voor wie het noodzakelijk
is zichzelf en de werkelijkheid op rationele wijze te leren kennen. Hoewel die
moderne godsdiensten deze cultuurontwikkeling veroordelen en zelfs
hartstochtelijk bestrijden, zijn zij er onvermijdelijk zelf toch ook tenvolle
in betrokken.
Het opmerkelijke van die godsdiensten is namelijk het op zichzelf merkwaardige
feit dat zij een theologie hebben. Dus een quasi wetenschappelijk verhaal dat
met op zichzelf redelijke en logische argumenten bedoelt aannemelijk te maken
dat er een god is waaraan de mens zich geheel en al heeft te onderwerpen. Het
bestaan van zo'n theologie duidt dus op intellectualiteit en tegelijkertijd
inhoudelijk op een afwijzen en bestrijden ervan. Die zaak is dus dubbel van
karakter, hetgeen in de loop van de godsdienstgeschiedenis meer dan voldoende
gebleken is.
Het ware mens-zijn komt in die godsdiensten neer op een zichzelf afschaffen.
Het zichzelf-zijn van de mens, zijn individualiteit, wordt als strijdig met de
bedoeling en de wil van God beschouwd. Zichzelf-zijn is rebellie, arrogantie en
hoogmoed. Immers, de enige die zichzelf kan en mag zijn is God zelf en niemand
anders. Daarom duldt God niets en niemand naast zich. Hij is de absoluut enige.
Het kan niet anders dan dat men op grond van een dergelijke theologie tot de
slotsom komt dat de moderne individualistische mens bestreden en vernietigd
moet worden. Onvermijdelijk geldt hij als de baarlijke duivel, de
verpersoonlijking van het kwaad, de ongelovige hond die de brutaliteit heeft de
allerhoogste aan te blaffen. Deze godsdienstige opvatting met de daarbij
behorende vijandigheid is kenmerkend voor alles wat tegenwoordig aangeduid
wordt met de term 'fundamentalisme'. Alle godsdienstige verzinsels, sekten en
evangelisaties, binnen de moderne cultuur zijn gebaseerd op hetzelfde
mensvijandige fundamentalisme. Dat geldt ook, en niet in de laatste plaats,
voor die bedenksels die zich lijken te onderscheiden door verdraagzame
menslievendheid. Hoe sympathiek de daarbij behorende liefelijke en ruimtelijke
voorstellingen ook zijn, in de grond van de zaak gaat het toch om het
vernietigen van de authentieke mens, de mens die onvoorwaardelijk zichzelf is.
Qua fundamentalistische dwaasheid spant de Islam in alle opzichten de kroon. De oorlog
tegen de mens wordt in de Islam niet verbloemd door allerlei liefelijke
verhalen, maar bikkelhard als eis aan de gelovigen gesteld. Elke aantasting van
de authentieke moderne mens wordt als gode welgevallig martelaarschap
gewaardeerd. En, buitengewoon veelzeggend is het feit dat nergens ter wereld de
Islam tot het inrichten van een goed functionerende maatschappij heeft
geďnspireerd. Het is overal bittere armoede, juridische willekeur en vooral
niets ontziende corruptie. Onmiskenbaar wijst dat op ontkenning van de mens als
individu. Daarbij behoort ook de discriminatie van andersdenkenden en
etnisch afwijkende groeperingen.
Het is bepaald niet toevallig dat het steeds Moslims zijn die een kwalijke rol spelen bij
conflicten tussen bevolkingsgroepen, een feit dat door de weekhartige moderne
intellectuelen angstvallig onder tafel gewerkt wordt. Zij roepen dan
verontwaardigd dat het 'maar' incidenten zijn. Dat evenwel is niet alleen
kortzichtig, maar zelfs leugenachtig. Het is algemeen bekend dat men binnen het
kader van de Islam de eenheid van godsdienst en staat als
maatschappelijk en politiek ideaal ziet. De ware staat is de staat van God. Een
ieder die dat waagt te betwijfelen is bij voorbaat al een ongelovige die voor
nu en eeuwigheid verdoemd is. In feite betekent dit dat onvermijdelijk een
groot deel van de mensheid, als zijnde van minderwaardige kwaliteit, buiten de
maatschappelijke samenhang geplaatst is.
Het heeft geen zin en het is zelfs misleidend er op te wijzen dat er 'gelukkig'
ook andere geluiden uit de Moslimwereld
vernomen kunnen worden. Dit is immers niets bijzonders. Altijd en overal laten
mensen andere geluiden horen, juist omdat zij zich niet in collectieve morele
keurslijven laten inpassen. De onafhankelijke aard van de mens als individu
laat zich nimmer verstikken, zelfs niet als Allah, Jahweh, Jezus of De Heer
daartoe opdracht hebben gegeven teneinde de mens van zijn essentiële vrijheid
te beroven. In de Christelijke Bijbel is nog steeds het 'Paradijsverhaal' te
vinden. Daarin wordt helder beschreven hoe God de mens van zijn vrijheid heeft
beroofd en dat deze dit, ondanks allerlei sancties, niet accepteert.
De wezenlijke tegenstelling tussen enerzijds het authentieke christendom en
godsdiensten als de Islam
is niet zozeer de godsdienstige praktijk als wel de richting waarin hun
godsdienstige denken zich beweegt. Een godsdienst als het christendom heeft,
dank zij zijn basis in het van oorsprong Griekse cultuurgoed, de verheffing en
vervolmaking van de mens op het oog. Ondanks het domme intellectuele gescharrel
van priesters en dominees, die er nog steeds niets van begrijpen, gaat het toch
om de 'ware' mens. Dat blijkt onder andere uit de nadruk die op het begrip
'liefde' gelegd wordt. En, voor de filosofische leek wat minder waarneembaar,
blijkt het ook uit het kosmische heimwee dat voor de Russisch en Grieks
Orthodoxe kerken kenmerkend is. Dat zijn, kortom, min of meer kinderlijke
uitdrukkingen van werkelijke menselijke grootheid. Niets van dit alles in de Islam en bij de
bedenksels van latere Christelijke sekten. Daarbij zijn de bewegingen van het
denken precies andersom, want de mens moet onderworpen en vernederd worden. Hij
moet zijn eigenwijze identiteit afleggen en zich voegen bij het leger van
godsdienstige zombies. Het woord 'godsdienst' zegt het trouwens al: de ware
mens is een dienstbare, een slaaf eigenlijk.
Het is een onmiskenbaar historisch feit dat het christendom nu ook niet bepaald
een verheven rol heeft gespeeld. Het oorspronkelijke gedachtengoed, dat in alle
opzichten blijk geeft van een buitengewoon heldere kijk op de werkelijkheid, is
destijds vrijwel onmiddellijk door de toenmalige in de Romeinse cultuur
gewortelde intellectuelen in beslag genomen en omgezet in een afschuwelijk
onmenselijke theologie. In feite was dat niets dan een als goddelijk
voorgesteld machtsstelsel, een voortzetting van het Romeinse machtsstreven van
voorheen.
Het kon niet uitblijven dat vanuit die ogenschijnlijk verheven bedenksels ook
de Christelijke mens een onderworpene en vernederde moest worden. De gevolgen
daarvan zijn tot op de dag van vandaag in godsdienstige kringen waarneembaar.
Uiteraard vertoont dat zich in velerlei variaties. Maar op de keper beschouwd
verschilt dit macht
zoekende christendom nauwelijks van zijn concurrent de Islam, ook niet wat
bloeddorstigheid betreft.
Dat alles neemt evenwel niet weg dat het christendom, gegrond als het is in de
antieke humaan individualistische cultuur, toch de emancipatie tot waarachtig
mens-zijn van de bestaande, vooralsnog onvolwassen, mens niet afremt, zoals dat
bij de Islam
en de andere sekten wel het geval is. Deze betrekkelijke 'menslievendheid'
heeft er in niet geringe mate toe bijgedragen dat er zich in de Westerse wereld
een grootse sociale en maatschappelijke ontwikkeling kon doorzetten.
Naar bladwijzers: Individualiteit-01 ; Individualiteit-02 ; Individualiteit-03 ; Individualiteit-04 ; Individualiteit-05 ; Individualiteit-06 ; Individualiteit-07 ; Individualiteit-08 ; Het ontwaken van de individualist-zie nrs. 10, 11, 58, 59, 62, 65, 67
Islam-1 ; Islam-2 ; Islam-3 ; Islam-4 ; Islam-5 ; Islam-6 ; Islam-7 ; Islam-8 ; Islam-9 ; Islam-10 ; Islam-11 ; ; [ Derde Wereldoorlog:
62 ; 63 ; 64 ; 65 ; ] ;
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
door Jan Vis
AFLEVERING NR. 66
Naar bladwijzers: collectivistische
denken - zie nos. 10,
11, 66, 67
; Sociaal
Democratie ; Liberale Democratie-1 ; Liberale Democratie-2 ; Parlementaire
Democratie ; Zie
ook nr. 63(Discriminatie/ANGST)
; Zie ook nr. 66(Racistische grondtoon nrs. 66t/m
68) ; Zie ook
nr. 61(Discriminatie)
______________________________________________________
Op het ogenblik begint duidelijk te worden dat
het echte individualisme zo langzamerhand ook in de
politiek door gaat dringen. In een aantal Europese landen, waaronder ook
Nederland, zijn ontwikkelingen gaande die onmiskenbaar wijzen op het naderende
doorbreken van geheel nieuwe opvattingen en verhoudingen. Uiteraard verschillen
de ermee gepaard gaande concrete verschijnselen van land tot land. Het is zelfs
zo dat door de eenzijdige aandacht van de meeste denkers voor de grote
onderlinge verschillen niet altijd even duidelijk wordt dat het wezenlijk om
individualisme gaat. Die verschillen zijn bovendien zo bepalend voor het
gangbare denken omdat het er aan ten grondslag liggende individualisme nog in
zo'n primitief stadium verkeert. Het is inderdaad nog erg kinderachtig en zelfs
ergerlijk egoďstisch. Daardoor kan het zich nog nauwelijks op authentieke en
heldere wijze manifesteren.
Aan de ene kant vertoont dat kinderachtige individualisme uitermate rechtse en
zelfs fascistische tendensen(fascisme)
en aan de andere kant uitgesproken liberale. En steeds is er een
nationalistische en racistische
grondtoon(racisme, racistische taal)
te bespeuren, terwijl de opvattingen over de maatschappelijk zwakkeren nu niet
bepaald sociaal genoemd kunnen worden, althans niet in de traditionele
betekenis van het woord. Anderzijds is er een onmiskenbare waardering voor de
ondernemer, zoals bijvoorbeeld in Italië gebleken is. In het algemeen waardeert
men nijvere mensen voorzover die door arbeid een onafhankelijk bestaan veilig
trachten te stellen.
Men gaat uit onbegrip zelfs zover dat men de oplossing voor sociale problemen
zoekt in allerlei collectieve verplichtingen voor individuele burgers, zoals in
Nederland waar een lans gebroken wordt voor sociale dienstplicht.
Blijkbaar is ook voor die nieuwkomers nog steeds niet duidelijk geworden dat
een dergelijke dienstplicht verre van 'sociaal' is, juist omdat het niet
werkelijk gaat om verantwoord en ruimhartig samenleven met de medemens, maar om
een verplichting aan precies die overheid die in wezen bestreden of althans
veranderd moet worden. (Welk karakter moet onze Overheid
hebben?)
Hoe dan ook, de wens om de zaak te veranderen uit zich in alle gevallen als een
diepe afkeer van de traditionele politieke instituten. In essentie gaat het
daarbij natuurlijk om het collectieve karakter ervan. Dat betreft in het
bijzonder de zogenaamd socialistische partijen, waarvan het collectivisme
tegenwoordig zelfs uitgesproken corporatistische trekken vertoont.
Daar tegenover geven de nieuwkomers min of meer ongemerkt blijk van een
ontwakend nieuw cultureel zelfbewustzijn. Dat zelfbewustzijn staat in het teken
van een volgend cultuurmoment dat begonnen is zich uit te wikkelen en door te
zetten. Omdat het gericht is op de individualistische mens is het
noodzakelijkerwijs ook nauw verbonden met het dagelijks maatschappelijk leven
van de mens als individu. Voor die mens heeft inmiddels het collectief, met
zijn buiten en boven het individu gestelde doelen, normen en waarden, zijn
wezenlijke betekenis verloren. In het verlengde daarvan is het steeds de
praktijk van het eigen leven die als de maat voor de gemeenschappelijke dingen
genomen wordt. Die praktijk komt in de plaats van allerlei vervreemdende
wetenschappelijke theorieën en modellen, die zo langzamerhand het reageren op
en het denken over allerlei maatschappelijke vraagstukken zijn gaan beheersen.
De 'verwetenschappelijking' van het maatschappelijk leven is vooral te danken
aan het inmiddels achterhaalde, in wezen socialistische, idee dat de
maatschappij en de samenleving geheel en al maakbaar zouden zijn. Die 'social
engineering' is vooral een socialistisch stokpaardje, omdat het socialisme het
voor het veroveren van de macht moet hebben van het tot in de slaapkamer
regelen van het menselijke leven. 'Van de wieg tot het graf' is een typisch
socialistische utopie, die overigens niet alleen socialistische politici besmet
heeft, maar gedurende lange tijd vrijwel het gehele politieke veld. Uiteraard
vonden de meeste politici het niet gepast zichzelf formeel tot de socialisten
te rekenen, maar hun gedachtegoed viel er ontegenzeggelijk in belangrijke mate
mee samen. Dat geldt zelfs voor de zogenaamde 'liberalen'.
Intussen staat er een ingrijpende kentering voor de deur. Zoals gebruikelijk
bij het doorbreken van nieuwe cultuurmomenten zijn de gezeten bestuurders in
alle staten. Zij willen het nieuwe verschijnsel beoordelen naar de hun
vertrouwde normen, om telkens weer te moeten ervaren dat hun reacties een slag
in de lucht blijken te zijn. Daarbij doet het er nauwelijks iets toe dat zij
uit hun bestuurlijke verleden veel ervaring kunnen putten en daardoor bij
gelegenheid ongetwijfeld het gelijk aan hun kant hebben. Toch storten zij zich
met een verbijsterende hardnekkigheid telkens weer in het luchtledige.
Wat als enige mogelijkheid voor die vertegenwoordigers van de gevestigde
politieke partijen over blijft is te proberen de nieuwkomers verdacht te maken
door hen 'buitenstaanders', 'charlatans', 'blaaskaken', 'kapitalisten' en zelfs
onverbloemd 'fascisten' te noemen. De term 'paljas' is ook al gevallen. In
ieder geval wordt er zonder uitzondering hysterisch gereageerd. Alle politiek
gebruikelijke fatsoensnormen van debat en argumentatie worden schaamteloos
overboord gezet en er wordt uitgesproken autistisch gereageerd. Alles wat die
buitenstaanders zeggen voor te staan wordt verdraaid en vervolgens misbruikt
als een schijnbaar steekhoudend tegenargument. Al die schaamteloze unfaire
reacties en stoten onder de gordel halen evenwel niets uit, voornamelijk omdat
zij komen uit de hoek van lieden van wie al lang de onbetrouwbaarheid en
blaaskakerij duidelijk is geworden, althans aan die mensen die aan de
intellectuele besmetting van het collectivisme zijn ontsnapt en die zogezegd
'gewoon' zijn gebleven.
De traditionele politici en machthebbers doen het voorkomen alsof het optreden
van die buitenstaanders niet meer is dan een vervelend incident, dat
gemakkelijk bestreden kan worden. Niets is echter minder waar: het is het collectivistische denken dat
op instorten staat en dat plaats zal moeten gaan maken voor individualisme. Tot
op heden is de Westerse wereld namelijk opgedeeld geweest in collectieven. Alle
mensen worden geacht op de een of andere manier tot een bepaald collectief te
behoren. Zo berust de hedendaagse democratie op de collectieven die door de
verschillende politieke partijen gevormd worden. Alleen die collectieven zijn
gerechtigd deel te nemen aan het bestuur van het 'supercollectief',
dus aan het bestuur van de staat. Tot nu toe kan niemand louter op
persoonlijke titel tot het bestuur toegelaten worden, tenzij zij of hij zich
aangesloten heeft bij een politieke partij, of door zo een collectief voor een
bepaalde functie naar voren geschoven wordt. Het gehele politieke denken is
geschoeid op een collectivistische leest en de meest halsstarrige exponenten
daarvan zijn de zogenaamd socialistische partijen.
De nieuwe buitenstaanders laten min of meer ongeweten gelden dat het collectief
zijn tijd gehad heeft en dat de mens als individu zich aankondigt. Echter,
omdat dit nog pril en kinderlijk is doet het nauwelijks iets meer dan de
zelfgenoegzame partijpolitici de stuipen op het lijf jagen om vervolgens in
machteloosheid weg te zinken. Maar omdat de zaak geworteld is in een
noodzakelijke ontwikkeling van de cultuur naar een volgend moment zet hij zich
onstuitbaar door. Op den duur zal hij leiden tot een nieuwe vorm van
democratie, namelijk een die beantwoordt aan het individualistische karakter
van de mens. Dan geldt een ieder uitsluitend voor zichzelf en op zichzelf en
erkent vanuit dit zichzelfzijn onvoorwaardelijk het zichzelf zijn van de
anderen, om vervolgens met die anderen tot samenwerking te komen. Dat opent
eindelijk de mogelijkheid om nu eens werkelijk menswaardig te gaan leven.
Naar bladwijzers:
collectivistische denken - zie nos. 10, 11, 66,
67 ; Sociaal
Democratie ; Liberale Democratie-1 ; Liberale Democratie-2 ; Parlementaire
Democratie ; Zie
ook nr. 63(Discriminatie/ANGST)
; Zie ook nr. 66(Racistische grondtoon)
; Zie ook nr. 61(Discriminatie)
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
The beautiful Art of Philosophy
door Jan Vis
AFLEVERING NR. 67
Naar bladwijzers: Individualiteit-01 ; Individualiteit-02 ; Individualiteit-03 ; Individualiteit-04 ; Individualiteit-05 ; Individualiteit-06 ; Individualiteit-07 ; Individualiteit-08 ; Het ontwaken van de individualist-zie nrs. 10, 11, 58, 59, 62,
65, 67 Unieke identiteit-1
; Unieke identiteit-2
; collectivistische denken - zie nos. 10, 11, 66,
67
______________________________________________________
Na zovele eeuwen van culturele ontwikkeling
blijkt zelfs de westers-moderne mens nog steeds niet in staat zich als individu
te laten gelden. Waar een enkeling er mee komt ontstaat er bij de anderen naast
een panische reactie ook een onvoorstelbaar diepe, vaak nauwelijks bewuste,
agressie tegen die individualist. Vooral de gevestigde politici blameren zich
op afschuwelijke wijze door enerzijds de nieuwe, maar onvermijdelijke,
ontwikkelingen niet te herkennen en anderzijds door, zonder last te hebben van ook
maar de geringste redelijkheid, de boodschapper van de nieuwe cultuurfase te
verketteren en zelfs te demoniseren. En de gemiddelde journalist, altijd al een
lakei van de gevestigde orde, praat het gangbare politieke onbenul met graagte
na en probeert tegelijkertijd almaar die boodschapper in het nauw te drijven
door zijn ideeën te verdraaien.
In de gehele westers-moderne wereld is hetzelfde verschijnsel waar te nemen. De
enigen die, doorgaans vagelijk, aanvoelen waar het allemaal om draait zijn de
zogenaamd 'gewone' mensen die tijdens de heersende afstervende cultuurfase in
de klem zijn geraakt.
Inderdaad is zo langzamerhand wel iets van dat individu-zijn tot de mensen
doorgedrongen, maar dat vertoont zich vrijwel uitsluitend nog als een soort van
hobbyisme, iets dat thuishoort in de privé-sfeer en dat angstvallig buiten het
maatschappelijk leven gehouden moet worden. En aan de borreltafel geneert men
zich niet om zelfs prat te gaan op de eigen individualiteit, die daarbij
voorgesteld wordt als zeer bijzonder en volstrekt autonoom.
In feite is die borreltafel individualiteit slachtoffer van een tragische
illusie, zelfs een ziekelijke waan die uitdrukking is van een geheel en al
verkommerd zelfbewustzijn. Men denkt dat men iemand is, maar men is niemand.
Zonder enige gęne vindt men zichzelf een toonbeeld van originaliteit en
onafhankelijkheid, zonder in de gaten te hebben dat men zich meer dan ooit
collectivistisch gedraagt. Zo begeeft men zich bijvoorbeeld met zijn
honderdduizenden tegelijk naar dezelfde vakantie bestemmingen, om zich daar
zowel figuurlijk als letterlijk uit te laten kleden. Men heeft zich daartoe
allemaal gestoken in dezelfde uitmonsteringen, uiteraard gekocht in dezelfde
winkels. En dat alles is op uitgekookte wijze georganiseerd door een paar
trendy reisbureaus en natuurlijk geschiedt het op door het collectief
toegestane tijdstippen, 'vakanties' genaamd.
Het zich tegenwoordig enigszins manifesterende besef van individualiteit heeft
dus in feite nauwelijks iets om het lijf. Toch is het heel belangrijk dat men
dčnkt zichzelf te zijn, dat men zichzelf beseft als een toonbeeld van een
volstrekt unieke
identiteit, want dat besef, hoe vaag ook, heeft een heel diepe
oorsprong. Het komt voort uit datgene dat de mens wezenlijk is. Het
verschijnsel 'mens' is namelijk de uiterste mogelijkheid van het kosmische
wordingsproces. Zoals met alle uitersten het geval is, is het op grond daarvan
een dubbelfiguur die hierdoor gekenmerkt wordt dat het zijn eigen ontkenning in
zich draagt. Enerzijds, qua materieel systeem, is het verschijnsel 'mens' het
volmaakte slotakkoord van genoemd wordingsproces om anderzijds en
tegelijkertijd de ontkenning van datzelfde volmaakte slotakkoord te zijn.
Ontkenning in die zin dat het gčlden ervan veranderd is.
De mens is als dubbelfiguur de ontkenning van zichzelf en logischerwijs leidt
dat er toe dat de bestaande mens gekarakteriseerd wordt door het begrip
'vrijzwevendheid'. Dat wil zeggen dat hij of zij nergens aan gebonden is. De
levende mens behoort nergens bij en bestaat als zodanig geheel en al op
zichzelf en voor zichzelf. In tegenstelling tot wat de godsdiensten suggereren
leeft de mens niet ter wille van de glorie van de een of andere godheid, maar
uitsluitend terwille van zichzelf. 'De mens is zichzelf genoeg', zeiden enkele
oude filosofen. Alle mogelijke soorten van normen, waarden en
verantwoordelijkheden vinden dan ook hun betekenis uitsluitend in de mens zelf.
Het gelden van het begrip 'vrijzwevendheid' heeft verschillende consequenties
wat betreft de gangbare opvattingen over het mens-zijn in het algemeen en de
maatschappelijke verhoudingen in het bijzonder. Zo is het nog steeds een bijna
onaantastbare overtuiging dat de mens op de een of andere manier een kuddedier
zou zijn, althans een fundamenteel sociaal wezen. Men gelooft dus dat het
wezenlijk menselijk is om tot een kudde of groep te behoren en dat, als het
goed is, de mens daarmee samenhangend een onbaatzuchtig sociaal gedrag
vertoont, of althans de behoefte daaraan. Beide kwaliteiten, groepsbewustzijn
en sociale gesteldheid, zouden volgens de gebruikelijke voorstellingen bij de
mens ingeboren zijn en dus een essentieel deel van zijn wezen uitmaken. Welnu,
deze ideeën blijken volstrekt onhoudbaar in het licht van genoemd begrip
'vrijzwevendheid'. In essentie is de mens een uitgesproken Einzelgänger, voor
wie geen enkele behoefte tot binding met iets of iemand anders bestaat, zoals
dat bij de aan hem voorafgaande verschijnselen wel het geval was.
Het is bovendien een van de hardnekkigste dwaasheden om de gedragingen van
mensen te vergelijken met en te spiegelen aan datgene dat planten en dieren
vertonen. Wat dit betreft moet vastgesteld worden dat ook het denken van de
geleerden absoluut onhoudbaar is. Zij stuiten in hun betogen dan ook regelmatig
op inconsequenties, die zij dan, zoals geleerden zo vaak doen, uit arren moede
met een slimme zijsprong proberen te omzeilen. Maar, behalve in zuiver
biologische zin, is de mens in geen enkel opzicht met planten of dieren te
vergelijken. In het planten- en dierenrijk is alles met alles verbonden. Zelfs
het solitair opererende roofdier vertoont op de een of andere manier een soort
van sociaal gedrag omdat het niet kan overleven zonder bepaalde contacten met
soortgenoten. Eigenlijk is de gehele voedselketen onverbreekbaar groepssysteem, waarbuiten
overleven en voortplanten onmogelijk is. Nu is het hierop dat de denkers zich
almaar verkijken en daardoor tot de conclusie komen dat ook de mens wel een
groepsverschijnsel zal moeten zijn. Eigenlijk is dit het zoveelste bewijs dat
de mensheid en onverbrekelijk daarmee verbonden haar denken, nog steeds in een
onvolwassen stadium verkeert. Indien dat niet meer het geval zou zijn en de
volwassenheid haar intrede zou hebben gedaan, zou men weten dat de mens niet in
een groep onder te brengen is.
Welbeschouwd geeft de geschiedenis van de mensheid op aarde er duidelijk blijk
van dat een ingeboren groepsbewustzijn helemaal niet bestaat. Alleen al het
verschijnsel dat enkelingen almaar de neiging hebben zich aan bestaande collectieven
te onttrekken en dat de culturele vooruitgang zelfs tenvolle te danken is aan
individuen die zich vrijgevochten hebben van opgelegde traditionele bindingen,
dat alles is afdoende bewijs voor het feit dat de mens niet in een groep
opgesloten behoort te zijn. Trouwens, wat zou het begrip 'vrijheid' voor
betekenis kunnen hebben als dat groepsbewustzijn inderdaad bestond en de maat
was.
Juist tegenwoordig, nu de analytische cultuur zich onstuitbaar aan het
doorzetten is, blijkt hoe funest het collectivistische denken is. In de ten
onrechte verafgode traditionele, op het partijstelsel gebaseerde, democratie
blijkt velerlei beleid steeds meer vast te lopen, niet doordat het talent om de
zaken goed te regelen bij de mensen ontbreekt, maar daarentegen juist doordat
de aanwezige talenten verstikt worden. Enerzijds zijn het de politici die in
hun regelneverij de touwtjes steeds meer in handen nemen en anderzijds zijn het
hun klerken, de ambtenaren, die het collectivistische denken in concrete
dwangbuizen vertalen. En boven die twee uit torent de academisch opgeleide
manager die uit boeken en rapporten zijn wijsheden betreffende de maatschappij
en de samenleving put. De moderne manager is dan ook de absolute heerser van
het collectivisme. Hij is de koning van de groep.
Dus, in tegenstelling tot wat gewoonlijk geloofd wordt, is het juist de op de
mensen uitgeoefende dwang om zich aan de collectieve normen te houden, dus om
zogenaamd sociaal te zijn, die de moderne wereld meer en meer doet verloederen.
Vooral het door de bemoeizucht van de managers degenereren van het
intellectuele potentieel van de mensheid versterkt die verloedering in ernstige
mate. De voortdurend gehoorde klacht van die managers, politici en ambtenaren
dat het de mensen steeds meer aan normbesef zou ontbreken, zegt meer over die
arrogante klagers dan over de mensen. Het toont zonneklaar aan dat deze
collectivisten niets begrijpen van de vooruitgang van de cultuur, de
vooruitgang namelijk naar de mens als vrijzwevende, volstrekt zelfstandige,
individu.
De individu dus die zich niet vanuit dwang van bovenaf en bij voorbaat
ingeprent groepsbesef met de anderen verbonden weet, maar die vanuit eigen
vrijheid de onvoorwaardelijke vrijheid van de anderen herkent en erkent en zich
van daar uit, waar nodig en mogelijk, met die anderen verenigt, teneinde in
redelijk horizontaal georganiseerd teamwork de wereld leefbaar te maken.
Dat voor de mens de verhoudingen logischerwijs zo liggen begint thans heel in
de verte en op een uiterst primitieve wijze tot steeds meer mensen door te
dringen, uiteraard voorlopig veelal vergezeld van chaotische en aan
bandeloosheid grenzende gevolgen...
Naar bladwijzers: Individualiteit-01 ; Individualiteit-02 ; Individualiteit-03 ; Individualiteit-04 ; Individualiteit-05 ; Individualiteit-06 ; Individualiteit-07 ; Individualiteit-08 ; Unieke identiteit-1 ; Unieke identiteit-2
; collectivistische denken - zie nos. 10, 11, 66,
67 ; Concurrentie-1 ; Concurrentie-2
; Concurrentie-3
Onafhankelijkheid: Zie nrs. 14
; 21 ; 25 ; 35 ; 45 ; 67 ; Het
ontwaken van de individualist-zie
nrs. 10, 11, 58, 59, 62,
65, 67
THE BEAUTIFUL ART OF PHILOSOPHY
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
door JAN VIS
filosoof
Concurrentie-1 ; Concurrentie-2
; Concurrentie-3
Aflevering nr. 68, dd. 17 juni 2002.
Het is onvermijdelijk dat de individualistische ontwikkeling
van de mens, zoals die zich om te beginnen in de West-Europese cultuur
voordoet, lange tijd een onaangenaam asociaal karakter vertoont. Het houdt
immers de teloorgang van de traditionele collectieven in. Daarom is het van een
aantal filosofen niet te boud gesproken als zij stellen dat iedereen per
definitie en blijvend 'de doodsvijand van iedereen' is en dat slechts een
streng rechtssysteem het bloedbad enigszins binnen de perken kan houden.
Hun gedachte is overigens dat zulk een rechtssysteem van alle tijden zal zijn,
en zich dus ook tijdens de toekomstige volwassenheid van de mensheid moet laten
gelden. Het ontbreken van zulk een systeem van sancties zal volgens die denkers
onmiddellijk tot de gruwelijkste misdragingen leiden, dus ook bij de volwassen
mens. Het moet toegegeven worden dat er in de geschiedenis verschrikkelijk veel
voorbeelden ter staving van die opvatting te geven zijn. Tot en met de dag van
vandaag wordt er overal ter wereld met graagte verkracht, gebrand en gemoord.
Zo gezien lijkt het er op dat bedoelde filosofen het gelijk aan hun kant
hebben: de mens zal altijd in toom gehouden moeten worden.
Het is de vraag of de gedachte, dat de mens blijvend in toom gehouden moet
worden, juist is. Welnu, die gedachte is onjuist. Er op doordenkend is de
conclusie niet te vermijden dat er altijd hogere instanties zouden moeten zijn
namens welke bij voorbaat daartoe gerechtigde personen op de een of andere
manier geweld tegen hun medemensen mogen gebruiken. Inderdaad gaat het hierbij
om geweld, want bijvoorbeeld ook het simpele verbieden van een bepaald gedrag
is een aantasting van iemands persoon en dus geweld. En nu is de moeilijkheid
dat elke vorm van geweld, dus ook die tussen gewone mensen, een hogere
instantie vooronderstelt. Bij een gewelddadig conflict tussen twee gewone
mensen is er noodzakelijkerwijs altijd een die zich gerechtigd waant de ander
aan te tasten. Dat kan niet anders dan op een besef van meerwaarde berusten:
hij of zij acht zichzelf hoger en belangrijker dan de ander en ontleent daaraan
als vanzelfsprekend bepaalde rechten.
Dus, zowel als het gaat over gewone mensen als over officiële instanties is er
sprake van iets dat hoger geplaatst is. Het hoger-lager denken zou dus
logischerwijs ook in een volwassen mensheid aan de orde zijn. Maar dat is in
strijd met datgene dat wezenlijk voor de mens geldt. Hij is absoluut
'vrijzwevend' en dus ten enen male niet onderworpen aan iets dat hoger is.
Typerend voor de 'ware' mens is zijn horizontale positie ten opzichte van zijn
medemensen. Daarin past geen hoger-lager denken.
Vanaf een zeker moment in de geschiedenis gaat het feit dat de mens een
'vrijzwevend' verschijnsel is zich doen gevoelen. Uiteraard weet dan nog
niemand waarover het gaat, maar, zoals gebruikelijk met culturele
ontwikkelingsprocessen, zet de zaak zich onstuitbaar door zonder bij het gros
van de mensen tot zelfbewustzijn te komen. Een enkele heldere kop die de aanleg
heeft om zich heen te kijken en zich daarbij voortdurend te verbazen en die
niet belast is met allerlei theoretische wanen van de dag, zo'n heldere kop kan
inzien dat de genoemde 'vrijzwevendheid' zich definitief aan het doorzetten is.
Zo een 'ziener' kan vervolgens bepaalde voorspellingen doen, die eigenlijk
helemaal geen voorspellingen zijn omdat zij voortkomen uit inzicht in de
werkelijkheid zelve.
Maar, zoals gezegd, dit alles gaat volledig aan de overgrote meerderheid van de
mensen voorbij. Toch doet die ongeweten zaak zich gelden en dat is als regel op
een negatieve manier. Dat kan niet anders omdat dat doorgebroken nieuwe moment
in zichzelf de ontkenning van het voorgaande, het tot dan bestaande, inhoudt.
Het als cultureel moment voor de dag komen van de vrijzwevende kwaliteit van de
mens kan gedateerd worden zo omstreeks het begin van de moderne jaartelling.
Dat wil zeggen dat de daarbij behorende omslag aan het einde van de Oudheid en
het begin van het analytische West-Europa plaatsvond. Uiteraard hangt dit
tenvolle samen met het zich laten gelden van de analyse van de werkelijkheid.
Die analyse levert namelijk ook het tot zelfbewustzijn komen van de
afzonderlijke mens op, namelijk het wakker worden van het met name genoemde
individu. Hoewel dit in de cultuur ontwikkeling een belangrijke stap voorwaarts
is zou het een kwalijke beoordelingsfout zijn te menen dat het zonder meer ook
een verbetering in de praktijk van het dagelijkse leven zou betekenen. In
tegendeel: er ging voortaan tussen de mensen onderling een voordien nog
onbekende spanning optreden, een spanning die er in feite altijd al was maar
die nu merkbaar en onloochenbaar was geworden. Die spanning is geworteld in de
keiharde filosofische wet dat het een het ander niet is, dat de ene mens de
andere mens niet is en zelfs dat het bestaan van de een in principe het
gelijktijdige bestaan van de ander uitsluit. Anders gezegd: waar de een is kan
de ander niet zijn.
Het tot zelfbewustzijn geraken van de mens als individu kan niet anders dan
gepaard gaan met het onvoorwaardelijke uit- en buitensluiten van de ander. Als
de mens er toe gaat komen zichzelf als een volstrekt unieke 'ik' te laten
gelden, houdt dat onmiddellijk in dat hij als zodanig al het andere niet is.
Alles is voor hem nu 'niet-ik'. Inderdaad is dit een eenvoudige waarheid waaraan
op zichzelf niet zo erg veel te bedenken valt. Maar als cultuurhistorisch
moment is het buitengewoon ingrijpend.
Eigenlijk is het een revolutie.
Het in samenhang met de analyse voor de dag komen van de mens als unieke
individu, van de mens als absolute 'alleenheid', is de eerste van de twee grote
revoluties van het zelfbewustzijn. De tweede grote revolutie van het
zelfbewustzijn ligt op het ogenblik nog ver in het verschiet, namelijk de
overgang van de onvolwassen mens naar volwassenheid. Dat echter doet er thans
niet toe.
Met het individualistische buitensluiten van de ander treden er tussen de
afzonderlijke mensen geheel nieuwe relaties op. Langzaam maar zeker komt de
maat bij iets anders dan de stam en de familie te liggen. Het wordt nu van
belang wat de een voor de ander kan betekenen voorzover het gaat om het
overleven op de planeet. Er wringt zich dus zakelijkheid tussen de
saamhorigheid van de mensen zodat de vanzelfsprekende 'eenheid' verloren gaat
en de 'relatie' er voor in de plaats komt. Het begrip 'relatie' verwijst naar
verhoudingen van nuttigheid tussen de ene mens en de andere. Het onbaatzuchtige
van bijvoorbeeld de liefde en het huiselijke van de bloedverwantschap verliezen
hun wezenlijke betekenis en het wordt nu de vraag wat de waarde van de een voor
de ander is. In de praktijk is dit een geheel nieuwe vraag voor de mensen, want
zij gaan nu afwegingen maken en ten gevolge daarvan de ene mens boven de andere
verkiezen. Omdat het over wederzijds nut gaat kan er ook concurrentie gaan
optreden, hetgeen op zijn beurt betekent dat zich een energieke economische,
technische en maatschappelijke vooruitgang in gaat zetten. Daarmee neemt het
nijvere Europa een aanvang.
Psychologisch gezien betekent het doorzetten van het individualisme dus een
zich op zichzelf gaan stellen van de afzonderlijke mensen. Het totale universum
wordt een zaak van 'niet-ik' en dat leidt tot onaangename en zelfs agressieve
verhoudingen tussen de mensen. Nu op het ogenblik de min of meer samenbindende
collectieven tot holle theoretische ficties aan het verworden zijn, blijkt dan
ook in eerste instantie dat de mensen onverschillig worden voor elkaar en zelfs
gaandeweg vergeten wat gemeenschapszin nu
eigenlijk inhoudt. Het is een holle frase geworden die hoogstens nog door
blinde regenteske politici gebezigd wordt.
Deze en dergelijke ontwikkelingen worden vanuit het traditionele perspectief
negatief beoordeeld. Dat is niet helemaal ten onrechte want zo aangenaam is het
uiteenvallen van de gemeenschap nu niet bepaald. Maar door de traumatische
nadruk op de kwalijke kanten van de zaak heeft men doorgaans geen oog voor het
nieuwe dat zich schoorvoetend, maar onmiskenbaar voor wie kan kijken, voordoet.
In het kort komt dat hier op neer dat de kwaliteit en de inhoud van de onderlinge
betrekkingen niet langer door het maatgevende collectief bepaald gaan worden,
maar door de belanghebbende individuen zelf. Aanvankelijk leidt dat
onvermijdelijk in de ergste gevallen tot allerlei vormen van plunder en
onverantwoorde zelfverrijking, maar geleidelijk aan gaat de vereiste
redelijkheid van die betrekkingen de maat worden, zodat er een geheel nieuwe
saamhorigheid ontstaat. Ditmaal een saamhorigheid die probleemloos leiden zal
tot een optimale kwaliteit van de samenleving en de maatschappij, en wel
doordat een ieder naar beste weten en kunnen bezig is, niet omdat een machtige
elite dat eist, maar omdat het in humane zin voordelig is voor alle
betrokkenen.
Concurrentie-1 ; Concurrentie-2
; Concurrentie-3 ;
Zie ook nr. 66(Racistische grondtoon nrs. 66t/m
68) ;
_______________________________________________________
THE BEAUTIFUL ART OF PHILOSOPHY
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
door JAN VIS,
filosoof
Aflevering nr. 69, dd. 2
september 2002.
Bladwijzer(s): Aanpassingsproces-1 ; Aanpassingsproces-2 ; Aanpassingsproces-3 ; Aanpassingsproces-4 ;
Schepping(s)verhaal-zie afl. 03, 37,
43, 44, 69
;
Het blijkt over het algemeen moeilijk te zijn om
vat te krijgen op het begrip 'vrijzwevendheid', voorzover dat van toepassing is
op het verschijnsel 'mens'. Temeer is het moeilijk doordat het juist voor het
denken van de moderne cultuurmens ten onrechte essentieel is het verschijnsel
'mens' te beschouwen als iets dat in alle mogelijke opzichten geworteld is in
en gebonden is aan de materie. Volgens dat denken is de mens niets meer dan een
samenklontering van materie, zoals dat met elk verschijnsel het geval is.
Uiteraard ziet men wel in dat het in zoverre een bijzondere samenklontering
betreft dat het een levend verschijnsel is. Dat echter geldt niet alleen voor
de mens en is dus bij nadere beschouwing eigenlijk niets bijzonders. De gehele
natuur is een levend verschijnsel.
Op zichzelf is het, zelfs voor het wetenschappelijke denken, uitermate moeilijk
het levend-zijn van verschijnselen te begrijpen. Men heeft natuurlijk wel in de
gaten dat dit levend-zijn in de grond van de zaak een kwestie is van beweeglijkheid.
Dat is immers zonder meer te zien. De gehele natuur is voortdurend in beweging,
wat uiteraard vooral voor de dierenwereld kenmerkend is. Bij het dier heeft het
in beweging zijn volstrekt de overhand gekregen. Dus dat beweeglijkheid de
essentie van het levend-zijn is wordt over het algemeen wel begrepen, ook door
de wetenschappelijke leken.
De wetenschappers kunnen tegenwoordig bovendien terugvallen op het feit dat de
natuurkunde inmiddels onweerlegbaar heeft aangetoond dat de materie op zichzelf
ook door en door beweeglijk is. Beweeglijkheid is, zoals zo langzamerhand door
een aantal natuurkundigen wordt ingezien, de essentie van de materie en volgens
de creatieve filosofie is het zelfs het enige wat er werkelijk is. Van die
beweeglijkheid wordt technisch op allerlei manieren gebruik gemaakt,
bijvoorbeeld bij het opwekken van atoomenergie. En Albert Einstein (1879-1955)
heeft de materie zelfs in termen van beweging uitgedrukt.
Ondanks het feit dat men wat het leven betreft het denken in termen van
beweeglijkheid doorgaans wel aanvaarden wil, blijft het een bijna
onoverkomelijke opgave het verschijnsel 'mens' ook nog eens daarvan los te
denken. Dat betekent in feite dat het denken nog steeds niet los kan komen van
de natuur, in feite dus de dierenwereld. Vooral sinds Charles Darwin (1809-1882) in 1859 zijn 'On
the Origin of Species' het licht deed zien is het in de wetenschappelijke
wereld gebruikelijk geworden de mens als een dier te beschouwen, zij het dan
een enigszins bijzonder dier. Dat is intussen zo ver doorgeschoten dat men alle
mogelijke en onmogelijke menselijke eigenaardigheden uitsluitend nog vanuit de
dierlijke natuur poogt te verklaren. Dat gaat gepaard met allerhande proeven
met dieren, vooral op het terrein van de gedragswetenschappen. Als bijvoorbeeld
ratten agressief worden als zij te dicht op elkaar zitten wordt dat als
vanzelfsprekend beschouwd als een aanwijzing voor de herkomst van menselijke
agressiviteit. Bijvoorbeeld worden misdadigheid, seksuele frustraties, hebzucht
en gewelddadigheid, maar ook saamhorigheid, liefde en haat zonder meer getoetst
aan het gedrag van dieren. De uitkomsten daarvan worden als verklaring voor
menselijk gedrag aangevoerd. Inmiddels is er een gigantische verzameling
theorieën bijeengebracht die zonder uitzondering als wetenschappelijk
verantwoord worden voorgesteld, maar die als regel de plank volkomen mis slaan.
De essentie van het verschijnsel 'mens' is namelijk dat het helemaal geen dier
is maar, hoe vreemd dit ook klinken moge, een 'volstrekt niets'.
Die essentie van de mens als een 'volstrekt niets' speelt overigens ook een
uitermate belangrijke rol in het politieke denken. Dat wil zeggen: het speelt
een negatieve rol. Het politieke denken, dat in feite een uitgesproken
machtsdenken is, baseert zich juist op het tegengestelde, namelijk het geloof
dat de mens wčl iets is, namelijk een sociaal dier dat wezenlijk lid van een
groep is. Een dier dus dat op een collectief aangewezen is en dat zonder zo een
verbondenheid gedoemd is ten onder te gaan. Dat geloof, dat uiteraard ook voor godsdiensten
essentieel is, dient als doorgaans onbewuste rechtvaardiging van de behoefte de
medemens in te kapselen en te onderwerpen. En omdat die laatste ook gelooft dat
hij wezenlijk sociaal is, levert hij zonder mokken zijn vrijheid en
zelfstandigheid in. Hij laat zich gedwee inlijven en betoont zich uitermate
tevreden over het feit dat hij nu 'ergens bij behoort'.
Intussen is het inderdaad een onloochenbaar feit dat de mens uit de materiële
wordingsprocessen is voortgekomen, zoals dat trouwens met alles het geval is.
Dat kan nu eenmaal niet anders. Hij is dan ook wel degelijk een verschijnsel,
een zogenaamd ding. Maar daarmee houdt elke verwantschap op. Als het gaat over
de essentie, over datgene wat de mens werkelijk is en datgene dat typerend is
voor zijn leven, blijkt er iets totaal anders met hem aan de hand te zijn.
Doordat hij zich precies op het absolute eindpunt van de materiële wording van
het zonnestelsel bevindt geldt voor het verschijnsel, dat hij qua afkomst is,
dat het zich laat gelden alsof het helemaal geen ding is. Zelfs laat het zich
gelden alsof het het volstrekte tegendeel van een ding is. Als verschijnsel
'mens' zegt de werkelijkheid een onvoorwaardelijk 'nee' tegen zichzelf. Juist
doordat de werkelijkheid gevormd is uit absoluut onafhankelijke beweeglijkheden
kan zij als apotheose in haar eigen tegendeel omslaan. Alle kosmische wetten
zijn dan op ontkende wijze geldig. Precies dat moment manifesteert zich als de
mens in zijn merkwaardige kwaliteit van 'intellectueel wezen'. Als 'intellect'
is hij volkomen vrij. Een en ander betekent dat hij nergens op steunt en
nergens aan gebonden is: hij is in alle opzichten 'vrijzwevend'.
Het begrip 'vrijzwevendheid' kan niet begrepen worden als en voorzover men niet
in de gaten heeft of niet wil erkennen dat de mens inderdaad de ultieme
verschijningsvorm van de dingen is. Helaas is dat ook bij de meeste denkers nog
steeds het geval. Het thema van de mens als ultiem verschijnsel is zelfs een
ernstig taboe. Men wil er absoluut niets van horen, enerzijds omdat men de zaak
associeert met ongewenste godsdienstige en mythologische voorstellingen, waarin
de mens als het hoogste wezen, de kroon der schepping, wordt beschreven en
anderzijds omdat de meeste wetenschappers zich niet voor kunnen stellen dat de
evolutie van het leven op een eindig proces berust. In hoofdzaak verkijken zij
zich op de interne en externe beweeglijkheid van de dingen. Zij leiden daar
namelijk uit af dat een einde onmogelijk is, zodat het altijd maar door zal
gaan. Op zichzelf is dat juist gedacht, maar niet voorzover het gaat over
materiële systemen, dus verschijnselen. Slechts de oerstof die gevormd wordt
door de 'beweeglijkheden' is eeuwig beweeglijk. De daar uit voortkomende
systemen zijn daarentegen vergankelijk: tijdelijk en plaatselijk. Eens zijn zij
allemaal aan de beurt om op te houden te bestaan.
Tijdens de evolutie van het leven verenigen levende oercellen zich tot
weefsels, ten gevolge waarvan zij zich met elkaar als één ondeelbaar organisme
kunnen gaan gedragen. Dat zich verenigen levert in de loop van het proces, in
feite het bekende evolutieproces, steeds inniger samenhangende weefsels op,
waarin zich, juist door die samenhang, bepaalde functies gaan ontwikkelen. Zo
ontstaan geleidelijk aan de vele basale levensvormen, die zich
noodzakelijkerwijs op alle mogelijke manieren aan de omstandigheden op de
planeet aanpassen. Dat is het 'aanpassingsproces' dat, dit terzijde, onder geen beding
gelijkgesteld mag worden met de evolutie.
Genoemde oercellen zijn, hoewel levend, dus intern beweeglijk en extern in
beweging, wel degelijk materieel van aard. Zij hebben dan ook een afmeting, een
gewicht en een plaatselijke en tijdelijke aanwezigheid. En juist dat betekent
logischerwijs dat het zich met elkaar verenigen niet tot in het oneindige door
kan gaan. Dat is te zeggen: kosmisch gezien gaat het wel altijd en overal door,
maar plaatselijk en tijdelijk niet. Er komt een moment dat het niet verder kan,
omdat het maximum aan innigheid is bereikt. Op dat allerlaatste moment is het
proces van de evolutie aan de mens toegekomen.
Hoewel men er doorgaans niet aan wil dat de mens het ultieme verschijnsel is en
precies daardoor die merkwaardige dubbelfiguur te zien geeft, en er al helemaal
niets van wil horen dat de mens als 'vrijzwevend' verschijnsel volstrekt
ongebonden, zelfstandig en vrij is, is er toch voortdurend aan zijn gedrag te
zien dat hij in alle opzichten zijn eigen gang gaat en daarbij zonder schroom
alle ketenen verbreekt. Zou dat niet zo zijn, hij zou geen enkele ontwikkeling
doormaken. Er zou niets gebeuren, hij zou geen geschiedenis maken, precies
zoals dat met de planten en dieren het geval is. Die zijn wel hun gehele leven
bezig, maar dat speelt zich binnen onveranderlijke specifieke programma's af
zonder ook maar de geringste mogelijkheid er buiten te treden. De bezigheden
van planten en dieren betreffen uitsluitend de handhaving van hun eigen
bestaan. Het enige wat zij enigszins kunnen is zich, als het meezit, aan de
omstandigheden aanpassen. Dat aanpassingsproces wordt bijna steeds verward met het proces van
de evolutie. Zelfs wetenschappers maken zich hieraan schuldig. Toch ligt het
onderscheid tussen beide processen duidelijk voor de hand: de evolutie leverde
gedurende haar werking op aarde een reeks van wezenlijk verschillende
levensvormen op. Typerend voor haar is het nieuwe. Maar de aanpassing gaat uit van
reeds bestaande vormen en wijzigt die waar nodig in de poging om zichzelf in
stand te kunnen houden. De mens evenwel verandert voortdurend zichzelf en de
wereld en dus in zekere zin ook zijn omstandigheden. Hij bouwt zijn eigen
wereld en slaat daarbij steeds nieuwe en onbekende wegen in. En dat kan hij
doen omdat hij 'vrijzwevend' is. Hij kan alle kanten op en zodoende gedraagt
hij zich als een 'rebel tussen hemel en aarde...'
Bladwijzer(s): Aanpassingsproces-1 ; Aanpassingsproces-2 ; Aanpassingsproces-3 ; Aanpassingsproces-4 ;
Schepping(s)verhaal-zie afl. 03, 37, 43, 44, 69 ;
_______________________________________________________
THE BEAUTIFUL ART OF PHILOSOPHY
FILOSOFIE VAN DE HAK OP
DE TAK
door JAN
Islam-1 ; Islam-2 ; Islam-3 ; Islam-4 ; Islam-5 ; Islam-6 ; Islam-7 ; Islam-8 ; Islam-9 ; Islam-10 ; Islam-11
Aflevering nr. 70, dd. 7 oktober 2002.
Al sinds de grijze oudheid hebben denkers zich
afgevraagd waar het kwaad in de wereld toch vandaan komt en wat een mens te
doen heeft als hij het goede wil. Vanzelfsprekend zijn op die vragen allerlei
verschillende antwoorden gegeven, maar bij nadere beschouwing bevredigen die
toch niet. Dat is vooral het geval omdat die antwoorden bijna altijd gebaseerd
zijn op meer of minder waarschijnlijke aannames die op zichzelf niet deugdelijk
onderbouwd zijn. Zij kunnen dat ook niet zijn, want zij berusten als regel op
wensen, gevoelens en fantasieën van dromers die vinden dat de wereld en het
leven eigenlijk anders hadden moeten zijn.
Stellig zijn verreweg de meeste antwoorden van godsdienstige aard. In alle
culturen zijn het de goden die de mensen een bepaalde moraal afdwingen. Daarbij
achten zij zichzelf als vanzelfsprekend gerechtigd voor de mensen het verschil
tussen goed en kwaad te bepalen. Ondanks het feit dat die goden tenvolle in
dienst staan van bepaalde economische en politieke machten, zijn zij toch voor
de meeste mensen heilig. Daardoor worden de waarden en normen van die goden
zonder meer als universeel maatgevend beschouwd. Daarbij is het opmerkelijk dat
de praktische toepasbaarheid ervan geheel los staat van de concrete
werkelijkheid en haar eventuele mogelijkheden. De waarden en normen berusten in
feite op gefantaseerde voorstellingen van goden die als de maat gesteld zijn,
maar die volstrekt niets met de realiteit te maken hebben.
Zo vraagt bijvoorbeeld het christendom van de mensen dat zij zichzelf
opwaarderen tot heiligen, die in zichzelf alle specifiek menselijke kwaliteiten
doden met de bedoeling tenslotte getrouwe klonen van God te worden. Datgene
echter waar die Christelijke God voor staat heeft niets met de echte
werkelijkheid van doen, alleen al vanwege het feit dat die God, filosofisch
gezien, zinnebeeld is van de werkelijkheid als absolute abstractie. Zinnebeeld
dus van de beweeglijke oergrond van de kosmos. Die oergrond echter heeft geen
enkele inhoud en kent dus ook geen waarden en normen, noch enig gezag om iets
dergelijks op de een of andere manier aan de mensen op te leggen. Wat
overblijft is noodzakelijkerwijs een onzinnig verhaal van godsdienstige dwepers
die hun opvattingen aan hun medemensen op willen dringen. Uiteraard uit machtsbegeerte.
Voor die andere grote wereldgodsdienst, de Islam, geldt op zijn eigen wijze precies
hetzelfde.
Vergeleken bij de andere godsdiensten is het christendom qua theologie het
meest geraffineerd en zelfs het meest wetenschappelijk. Dat spreekt eigenlijk
vanzelf, want het is een typisch Modern-Westerse godsdienst. Dat heeft niets te
maken met de vele ouderwetse dwaasheden die er in voorkomen. Of eigenlijk: die
dwaasheden spelen juist een indringende psychologische rol. Die zal
ongetwijfeld uitermate effectief blijven zolang de mensen nog onvolwassen zijn.
Maar ook dat christendom kan het kwaad in de wereld niet verklaren. Zelfs van
de paradox van Gods almacht tegenover de macht van het kwade maken de
Christelijke theologen zich af door een duivel ten tonele te voeren. Die figuur
heet dan wel ondergeschikt te zijn aan God, maar intussen doet hij toch wat hij
zelf wil en volgens sommigen is het zelfs zo dat God niets tegen hem kan
uitrichten. Intussen wordt wel van de mčnsen verwacht dat zij krachtig weerstand
aan des duivels verleidingen bieden. Wat God in zijn almacht niet voor elkaar
krijgt zal de mensen dus wčl moeten gelukken. Inderdaad een vreemde
gedachtegang. Al met al gaat het dus over een verhaal dat kant noch wal raakt.
Er kan hoogstens enige cultuurhistorische betekenis aan gehecht worden, maar
ook dat is helaas iets waartoe de hedendaagse filosofen nauwelijks capabel
zijn. Zij houden zich liever bezig met wetenschappelijke en taalkundige
muggenzifterijen.
Uiteraard zijn er ook in deze moderne tijd denkers die intellectueel het
hazenpad kiezen door te beweren dat het kwaad eigenlijk niet bestaat. Het zou
slechts een betrekkelijke zaak zijn. Volgens hen is het afhankelijk van de
toevallige aard van een cultuur. Die zou bepalend zijn voor de definitie van
het kwade, hetgeen dan onmiddellijk inhoudt dat men elders geheel andere
criteria voor het kwade aanlegt. Men kan bijgevolg 'hier' onverschillig zijn
voor het kwade dat men 'daar' met alle geweld wil bestrijden. Dus mag men
bijvoorbeeld 'hier' moorden terwijl dat 'daar' verboden is. Zo'n lafhartige
post-moderne opvatting kan misschien in sociologisch opzicht interessant zijn
en bruikbaar wetenschappelijk materiaal voor de genoemde muggenzifters
opleveren, maar met universele humaniteit heeft het natuurlijk niets van doen.
Waar het om gaat is criteria te vinden die 'morgen en overmorgen' ook nog waar
zijn. Dat geldt niet alleen voor het onafhankelijke filosofische denken, maar
ook en vooral voor de maatschappelijke praktijk bij het formuleren en
sanctioneren van absolute rechtsprincipes. Zolang en voorzover de mensheid nog
niet ingezien heeft wat het kwade nu werkelijk is kunnen er duizend en een
definities verzonnen worden, die evenwel in feite geen van alle boven het
niveau van incidentele belangen, wensen, verlangens en psychische frustraties
uitkomen. En dŕt de mensen tot op heden dat inzicht nog niet verworven hebben
hangt samen met het feit dat zij alsnog onvolwassen zijn en dus zichzelf als
het vrijzwevende verschijnsel nog niet gevonden kunnen hebben. Wanneer dat
eenmaal wel het geval zal zijn wordt vanzelf duidelijk dat het kwade een
logische consequentie van die vrijzwevendheid is.
Was de mens dat vrijzwevende verschijnsel niet, dan zou hij niet tot iets
kwaads in staat zijn, precies zoals dat met de dieren het geval is. In
tegenstelling tot wat vooral door godsdienstige moralisten en ethici beweerd
wordt, komt het kwade niet voort uit iets dierlijks waarmee de mens vanwege
zijn aardse afkomst behept zou zijn, maar daarentegen uit zijn wezenlijk
niet-materiële aard. Het feit dat de mens tot iets kwaads in staat is komt uit
zijn vrijzwevendheid voort. Met andere woorden, het is een logisch gevolg van
het feit dat hij een intellectueel wezen is. Het is zijn zogenaamde geest die
hem tot het kwade aanzet. En het is diezelfde geest die hem ervan af kan
houden.
Meer dan zich onthouden van het kwade kan een mens niet doen. Dat betekent dat
het gebruikelijke advies om het goede te bestreven nergens op slaat, behalve
eventueel op de poging van bedriegers om hun medemensen aan de fictie van het
hogere te onderwerpen. Het zogenaamd 'goede', als de ontkenning en tegenpool
van het kwade, bestaat helemaal niet. Wat men goed zou kunnen noemen is de
werkelijkheid zčlf, maar omdat die is zoals ze is en zich als zodanig niets aan
de mens gelegen laat liggen, is ze ook niet te bestreven. Het enige dat een
mens doen kan en zelfs doen moet, is er voor zorgen dat hij die werkelijkheid
niet verstoort. Dat betekent dat hij niet moet trachten het goede te doen, maar
moet trachten het kwade, het verstorende, achterwege te laten.
Doordat de mens als vrijzwevend verschijnsel nergens aan gebonden is kan hij
alles kapot maken. Dat is de essentie van het kwade. Zoals tegenwoordig steeds
duidelijker wordt bestaat er niets dat voor de mens veilig is. Er is geen
schanddaad die hem te ver gaat en er is behalve hijzelf niemand die hem van dat
kwade af kan houden. Wetten, regels en voorschriften kunnen alleen maar dan de
zaak enigszins in toom houden voor zover zij weerklank in het bewustzijn van de
mens vinden. Daar buiten gaat elk mens zijn vernietigende gang.
Het aloude 'Ken Uzelve' heeft nog altijd geen heldere inhoud gekregen. Pas
wanneer op den duur de mensheid volwassen zal zijn geworden kan dit advies van
de oude Grieken een realiteit zijn. Dan is ook het in wezen primitieve gedoe
met wetten, regels en voorschriften niet langer nodig. De mensen zullen dan
geheel vanuit zichzelf in staat zijn het kwade te herkennen en te vermijden.
Islam-1 ; Islam-2 ; Islam-3 ; Islam-4 ; Islam-5 ; Islam-6 ; Islam-7 ; Islam-8 ; Islam-9 ; Islam-10 ; Islam-11
_______________________________________________________
THE BEAUTIFUL ART OF PHILOSOPHY
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
door JAN VIS,
filosoof
Aflevering nr. 71, dd. 25 november 2002.
Naar bladwijzers: Eenzijdgheid-1
; Eenzijdgheid-2
; Eenzijdgheid-3 ;
Er zijn heel wat mensen, denkers ook, die ervan
overtuigd zijn dat de mens wezenlijk niet deugt. Zij leiden dit af uit de praktische
ervaring die leert dat gedurende de gehele geschiedenis van de mens op aarde
het bloed rijkelijk gevloeid heeft. Het moorden en branden is immer doorgegaan
zonder dat er ooit een moment van rust is geweest. Ergens op de wereld is er
altijd wel iemand die gemarteld, verkracht en afgemaakt wordt en ook als dit in
moderne maatschappijen enigszins aan banden gelegd is komt het nog steeds
regelmatig voor zonder dat iemand het tegen kan houden. Het is allemaal zo
typerend voor de mensheid dat je wel moet gaan geloven dat de mens niet deugt.
Het gaat niet alleen om de wandaden die de mensen onder elkaar plegen. Er is
ook het voortdurende aantasten en gewetenloos ten gronde richten van de natuur.
Tegen deze misdaden schijnt nog steeds geen kruid gewassen. Het is zelfs zo erg
dat het wel lijkt alsof de mensen er plezier in hebben alles naar de bliksem te
helpen. Zo zijn daar tegenwoordig bijvoorbeeld die onverlaten die het leuk
vinden internet op te blazen en de computers van de mensen met virussen te besmetten. Al
die misdragingen schijnen er inderdaad op te wijzen dat, althans op deze
planeet, de mensheid een mislukking zou zijn die op den duur niet anders kŕn
dan eindigen in moord en doodslag.
Er zijn zelfs denkers die er serieus van overtuigd zijn dat er hier en daar in
het heelal mislukte en ziekelijke mensheden geboren kunnen worden, precies
zoals dat met kinderen het geval is. Hun argumenten hiervoor komen er op neer
dat al het bestaande noodzakelijkerwijs een variatie op een schaal van fout tot
en met goed is. Zo zou onze mensheid een mislukte boreling kunnen zijn, volgens
die denkers. Zij zien dan ook geen enkele humane toekomst weggelegd voor deze
ongelukkige mensheid.
Tenslotte zijn er ook nog godsdienstige fantasten die van mening zijn dat een
bepaalde figuur, namelijk de duivel, voortdurend bezig is de zaak in het
honderd te laten lopen, louter en alleen om God te treiteren. Uiteraard is dat wel de meest
idiote verklaring voor het kwaad dat de mens aanricht, idioot alleen al vanwege
het feit dat de mens nu feitelijk onschuldig is en alleen maar door een
kwaadwillige buitenstaander tot wangedrag verleid zou kunnen worden. Binnen het kader van
godsdienstig denken is het trouwens alleen al in principe uitgesloten dat de
mensen zouden kunnen deugen. De enige die deugt is God zelf en bij hem
vergeleken is alles gebrekkig en minderwaardig.
Intussen is en blijft het eigenaardig dat men zich slechts zelden afvraagt hoe
het komt dat er bij de mensen, ondanks alle slechte ervaringen, een
onuitroeibaar vermoeden bestaat van iets anders, iets goeds. Een vermoeden dat
ertoe leidt dat zij zich ondanks alles bewust kunnen zijn van het kwaad dat zij
voortdurend aanrichten. Het hele verhaal over de menselijke wandaden zou zelfs
niet verteld kunnen worden zonder dat besef van iets dat van een andere en
betere orde is. Dat besef is er natuurlijk ook oorzaak van dat iedereen zich
alle moeite getroost zijn schofterigheden zoveel als mogelijk te verbergen. Het
is een vast patroon dat men zich wil voordoen als een fatsoenlijk mens van wie
geen kwaad te duchten valt. Zelfs de meest wrede dictators bedrijven hun
misdaden in het geniep. En dat doen zij niet vanwege het feit dat zij te maken
krijgen met de een of andere vorm van strafrecht. Uiteraard maakt dat doorgaans
niet zoveel indruk, zij kunnen de inhoud van dat strafrecht immers zelf
bepalen..! Neen, zij doen het omdat zij aanvoelen voor schut te gaan in het
licht van de geschiedenis en de humaniteit.
Genoemde verschijnselen zouden de denkers eigenlijk op het idee moeten brengen
dat de mensheid helemaal niet mislukt is, maar kennelijk de mogelijkheid heeft
kwaad te doen en ten gevolge daarvan voortdurend de ene blunder op de andere
stapelt. Zij zouden toch gemakkelijk moeten kunnen bedenken dat het allemaal
een kwestie van onvolwassenheid is. De clou is echter dat zij de mensheid en
zichzelf helemaal niet onvolwassen vinden. Het is namelijk opmerkelijk dat het
thema van de huidige menselijke onvolwassenheid zelden of nooit in
wetenschappelijke en filosofische verhandelingen aangeroerd wordt. Laat staan
dat dit als een plausibele verklaring voor de menselijke ellende aangevoerd
wordt. Men blijft maar draaien rond de fictie dat de mens niet deugt en dat hij
noodzakelijkerwijs door geestelijke en politieke overheden tot een behoorlijk
gedrag gedwongen moet worden.
Elke gedachte, hoezeer schijnbaar plausibel ook, met de strekking dat de mens
wezenlijk niet deugt, is zonder meer fout. Gezien in het licht van het
kosmische wordingsproces is het ten enenmale onmogelijk dat er zich aan het
eind een onhoudbare situatie ontwikkelt. Het simpele feit dat ergens in het
universum de materiële processen hun uiterste mogelijkheid hebben kunnen
realiseren, zoals dat in ons zonnestelsel het geval is, is volkomen in strijd
met de veronderstelling dat dit laatste moment een mislukking zou kunnen zijn.
Het kan niet anders dan dat het met dit laatste moment in orde is. Dat wil
evenwel niet zeggen dat dit uiterste moment voldoet aan de dwaze criteria die
er in de loop der tijden door allerlei filosofische, godsdienstige en
wetenschappelijke kopstukken aan gesteld zijn. Het feit dat het met het laatste
moment in orde is wil namelijk helemaal niet zeggen dat we te doen zouden
hebben met een toonbeeld van goedheid en braafheid, een heilige dus. Een
dergelijke eenzijdigheid, zoals die vrijwel altijd door
godsdienstige voorstellingen is ingegeven, kan eenvoudig niet gelden voor het
genoemde laatste moment, en wel omdat dat zich realiseert als het vrijzwevende
verschijnsel.
Anders gezegd: de mens, als zijnde dat vrijzwevende verschijnsel, kan niet
zonder het kwaad begrepen worden, juist omdŕt het vrijzwevend is. Dat betekent
immers dat het niet vastgelegd is aan onontkoombaar geldige programma's en
wetten zoals die voor alle overige verschijnselen van kracht zijn. Door die
fundamentele ongebondenheid kan de mens letterlijk alles vernietigen wat in de
loop der tijden via onvoorstelbaar verfijnde en ingewikkelde processen ontstaan
is. Hij kan elk bestaan ontkennen, juist omdat hij zelf de absolute ontkenning
van de totale materiële werkelijkheid is.
Het is dus onmogelijk en derhalve fout om te proberen het verschijnsel mens
zonder het kwade te denken. Juist als men dit kwade ten volle en op logische
wijze bij de mens incalculeert krijgt het zin hem als 'in orde' te
kwalificeren. Dan wordt vanzelf duidelijk waarom het onzin is over 'het goede'
te reppen als zou dat iets bijzonders zijn waarnaar gestreefd zou moeten
worden. Omdat het met de mens in orde is valt er niets te bestreven. Ook de
Christelijke en eigenlijk Antieke gedachte dat de mens een innerlijke omkering
zou moeten doormaken om 'het goede' deelachtig te kunnen worden is volstrekt
onjuist. De mens als universeel vrijzwevend verschijnsel is wezenlijk in orde
en er is geen dwingende norm die boven hem uit gaat.
Wil men desondanks toch iets te bestreven hebben, dan zou het alleen maar over
het 'zichzelf kennen' kunnen gaan. De vooralsnog onvolwassen mens kan zichzelf
niet als zodanig opheffen, maar hij kan er wel achter komen dŕt hij onvolwassen
is. Van daar uit kan hij leren de aard van het kwaad te herkennen om vervolgens
zo goed mogelijk de kwalijke gevolgen daarvan te vermijden.
Dit 'vermijden van het kwaad' komt er in de praktijk vaak op neer dat men niet
mee wenst te doen met het gangbare gescharrel in deze wereld. Als bijvoorbeeld,
zoals tegenwoordig het geval is, iedereen het normaal vindt om zoveel
mogelijk voordeel uit de samenleving te halen – ( aflevering 01-Filosofische
invallen), kan iemand voor zichzelf weigeren zich aan dat
geplunder te conformeren. Zo zijn er tal van zaken waaraan men zich kan
onttrekken. Maar meer dan dat is in feite niet mogelijk want de algemene
onvolwassenheid van de mensheid is als zodanig niet op te heffen, noch door
onderwijs, noch door voorschriften en de daarbij behorende sancties. Het is dan
ook onnozel om te menen dat men de mensen 'waarden en normen' bij kan brengen
teneinde het heersende geweld te keren.
Het 'niet meedoen' is in de praktijk niet bepaald een dankbare onderneming.
Door de zogenaamd beschaafde medemensen wordt het in sociaal opzicht zelfs
opgevat als een zich onttrekken aan collectieve verantwoordelijkheden. Dat is
bijvoorbeeld een bekend argument van militaire autoriteiten tegen dienstweigeren.
En ook als men weigert ter stembus te gaan, omdat men geen strebers boven zich
wenst, komen de machthebbers met dergelijke argumenten. Het heet dan dat men
anderen er voor op wil laten draaien. Hypocrieter kan het natuurlijk niet, want
het is voor een onvolwassen wereld juist kenmerkend dat men anderen voor zijn
karretje spant en zelf zoveel mogelijk buiten schot blijft...
Naar bladwijzers: Eenzijdgheid-1 ; Eenzijdgheid-2 ; Eenzijdgheid-3 ;
THE BEAUTIFUL ART OF PHILOSOPHY
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
door JAN VIS, filosoof
Aflevering nr. 72, dd. 13 januari 2003.
Als uiterste mogelijkheid van de
wordingsprocessen in het heelal is het verschijnsel 'mens', voorzover het gaat
over de essentie ervan, losgekomen van alle natuurwetten. Zij zijn nu op andere
wijze gaan gelden, hetgeen wil zeggen dat het de mens zelf is die bepaalt hoe
en wanneer zij voor hem van kracht zijn. Daarom is van de mens te zeggen dat
hij het 'vrijzwevende verschijnsel' is.
Het vrijzwevend zijn van het verschijnsel 'mens' is niet zomaar een bijkomend
kenmerk, zoals bijvoorbeeld de pels van de tijger voor dat dier kenmerkend is.
Bij de mens gaat het om iets dat in alle opzichten bepalend is. Het maakt zijn
werkelijke identiteit uit. En van die identiteit is te zeggen dat het gaat om
iets dat nergens aan gebonden is. De mens is niet naar beneden gebonden, dat
wil zeggen aan de materie en hij is ook niet naar boven gebonden, dus aan iets
geestelijks, goddelijks, moreels en dergelijke. Niets is voor hem onmogelijk;
hij kan zogezegd alle kanten uit en dat doet hij dan ook.
Nu is het opvallend dat de mensen gedurende hun wandel op de planeet lange
tijd, zelfs zeer lange tijd, een onmiskenbaar misdadig gedrag vertonen.
Misdadig niet alleen in juridische zin, maar vooral in letterlijke zin,
namelijk als een gedrag dat uit 'misse daden' bestaat en dat cultureel van
karakter is, hetgeen wil zeggen dat het op de cultuur van de mensheid gegrond
is. Dat is in zoverre bevreemdend dat de mens als allerlaatste verschijnsel
toch eigenlijk een manifestatie van de volmaakte kosmos is. De mens kan
logischerwijs niet niet-volmaakt zijn, want dat zou dan automatisch betekenen
dat de gehele kosmos, waarvan hij als mens de manifestatie is, een mislukking
is. Dat is, gezien in het licht van de oneindigheid en de eeuwigheid, iets
onmogelijks. De mens kan dus niet anders dan volmaakt zijn, maar desondanks is
hij voortdurend met misse daden bezig. Weliswaar kan hij dat doen omdat er voor
hem als vrijzwevend verschijnsel niets is dat hem er van weerhouden kan. Maar
intussen blijft het op het eerste gezicht merkwaardig dat hij zogezegd steeds
het verkeerde kiest, dat althans tot nu toe almaar met grote ijver doet.
De vraag is dus welk intellectueel mechanisme de oorzaak van het wangedrag is. Daaraan
moet eerlijkheidshalve onmiddellijk de vraag toegevoegd worden of in de
praktijk van het leven alle mensen genoemde culturele misdadigheid ook
inderdaad vertonen. En als het antwoord op die laatste vraag 'nee' is moet ook
daarvoor een filosofisch plausibele verklaring gezocht worden. Op voorhand kan
al wel gezegd worden dat het antwoord op die laatste vraag inderdaad 'nee' moet
zijn. De geschiedenis laat immers tot op de dag van vandaag zien dat er enorm
veel mensen zijn die zich onbaatzuchtig inspannen om de medemens bij te staan,
althans niet te benadelen in vrijheid, lijf en goed. Daarbij kan opgemerkt
worden dat die onbaatzuchtige mensen doorgaans aangetroffen worden bij wat men,
bepaald niet zonder diepere betekenis, de 'gewone mensen' zou kunnen noemen. In
ieder geval gaat het niet over al diegenen die zich op de een of andere manier
boven de anderen verheven hebben. Het gaat wat dit betreft dus niet over de
meer of minder machtigen dezer wereld (zie volgende aflevering).
Wat de mensen tot hun culturele misdadigheid aanzet is het zelfbewuste
verbreken van de verbanden in de werkelijkheid. Dat is een onvermijdelijke
werkzaamheid van het zelfbewustzijn. Dus is het een puur intellectueel proces.
Het zet onmiddellijk bij de geboorte van de mens op de planeet in. In dit
verband is het overigens interessant te weten dat de aanvang van dit
verbrekingsproces reeds aangeduid wordt in het zogenaamde paradijsverhaal van Adam en
Eva. Het thema van de 'kennis van goed en kwaad'
heeft hierop betrekking. Daarbij is vooral het begrip 'kennis' van cruciale
betekenis. Het hele thema van de menselijke culturele misdadigheid draait hier
om.
Het is een zaak van kennis.
De werkelijkheid als zelfbewustzijn is een wetenschappelijke aangelegenheid.
Het doet er niet toe dat die wetenschappelijkheid voor westerse begrippen lange
tijd, namelijk ongeveer tot aan de 18e eeuwse 'Verlichting', nauwelijks iets voorstelde. Die
negatieve beoordeling zegt meer over de arrogantie van het westerse denken dan
over de onderhavige wetenschap, die zelfs in menig opzicht veel knapper was dan
de huidige westerse. In feite behoort alle weten tot de wetenschap, van het
maken van een stenen bijl tot en met genetische manipulatie. En die wetenschap
berust op het verbreken van verbanden, op wat tegenwoordig 'analyse' is
geheten. Letterlijk alle gevolgen van die analyse zijn in culturele zin
misdadig omdat de werkelijkheid er voor stukgemaakt is.
Aanvankelijk is het niet zo erg opvallend, maar in de huidige moderne tijd komt
de culturele misdadigheid overduidelijk voor de dag. Het is zelfs zo dat er nog
nauwelijks onderscheid te maken is tussen het culturele aspect van de zaak en
in de praktijk de juridische kant ervan. Het maken van een atoombom
bijvoorbeeld is zonder meer een afschuwelijke culturele misdaad die echter
steeds vaker ook als een ernstige misdaad in juridische zin wordt beschouwd.
Aan het verbreken van de werkelijkheid valt nimmer te ontkomen. De mens is nu
eenmaal op kennis en dus wetenschap aangewezen om op de planeet te kunnen
overleven en leven. Daar is dus niets mis mee. Maar wel mis is het met de
waardering die de mensen hebben voor de inhouden van het zelfbewustzijn, en dus
voor de wetenschap. Die wordt namelijk als de absolute maat gesteld en dat is
steeds meer het geval sinds de juiste sleutel tot efficiënt onderzoek in de 19e
eeuw gevonden is. Er is zo langzamerhand niets meer waarover buiten de
wetenschap om een oordeel geveld kan worden dat betrouwbaar gevonden wordt.
Alles wordt aan analytisch onderzoek onderworpen en vervolgens in
overeenstemming met een bepaalde theorie gebracht. Eerst dan is de moderne mens
bereid zijn vertrouwen er aan te schenken.
Het steeds duidelijker wordende verschijnsel dat juist die wetenschappelijke
benadering tot rampzalige gevolgen leidt wordt onveranderlijk weggepraat met
een verwijzing naar, opnieuw, wetenschappelijke onderzoeken. Het is een
vicieuze cirkel geworden waaruit men zo zonder meer niet ontsnappen kan. De
verwarring en daarmee de culturele en juridische misdadigheid worden almaar
groter.
Uiteraard kan de mens zich redden op den duur. Maar daarvoor zal hij eerst
zichzelf als bewustzijn moeten terugvinden, wat pas na lange tijd mogelijk is,
als hij tenslotte volwassen geworden zal zijn. Dan kan hij zichzelf volledig
laten gelden en dat wil zeggen dat hij zowel als helder zčlfbewustzijn alsmede
als onbelemmerd bewustzijn met zichzelf vertrouwd is. Dat is in feite het
bekende klassieke adagium 'Ken Uzelve'.
De essentie van de werkelijkheid als bewustzijn is deze dat alles 'ineen' is,
wat betekent dat het een niet los is van het ander maar dat daarentegen het een
in het ander overgaat, precies zoals dat met de details binnen een mooi
kunstwerk het geval is en ook met de cellen binnen een levend organisme. Als
zodanig verschijnt voor de volwassen mens de werkelijkheid als één ongebroken
en samenhangend geheel.
Het logische gevolg van het tegelijkertijd tot hun recht komen van bewustzijn
en zelfbewustzijn is dat de in het zelfbewustzijn verzamelde brokstukken van de
werkelijkheid in het bewustzijn op hun juiste plaats komen te vallen. Vanaf dat
moment zal de mens over een kijk op en vertrouwdheid met een uitermate
gedetailleerde werkelijkheid beschikken. Dat wil zeggen een beeld van de
werkelijkheid dat bestaat uit een gigantische verzameling wetenschappelijk
verantwoorde kennis die tot in de kleinste nuances identiek is aan de concrete
werkelijkheid. Dat beeld zal de culturele misdadigheid opheffen doordat het
verbreken niet meer aan de orde is, maar tegelijkertijd ook het eeuwenoude
probleem van 'goed en kwaad' uit de wereld helpen.
THE BEAUTIFUL ART OF PHILOSOPHY
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK
Bladwijzer: Verlichting
De Verlichting, zie: Nrs. 3 , 14 , 18 , 31, 37 , 42 , 55 , 73 ,
door JAN VIS, filosoof
Aflevering nr. 73, dd. 24 februari 2003.
Het behoort tot de essentie van het menselijke karakter om de
werkelijkheid uiteen te leggen in haar samenstellende onderdelen, oftewel het
ene ding van het andere te scheiden. De mens kan dat doen doordat hij van al
het bestaande los is gekomen. Alle voorgaande levende verschijnselen zijn
daartoe niet in staat. Natuurlijk zien zij wel, althans als zij levend zijn,
een onderscheid tussen het een en het ander, anders zouden zij hun weg niet
weten te vinden in hun wereldje. Maar dat 'onderscheiden' leidt niet tot het
'scheiden' van die twee. Zij splitsen, verbreken, de werkelijkheid niet. Alleen
de mens is daartoe in staat en het is zelfs zo met hem gesteld dat hij dit
verbreken nodig heeft om te kunnen overleven temidden van een hem niet bepaald
welgezinde natuur.
Aanvankelijk, toen de mens nog dicht bij de natuur leefde en in feite
nauwelijks begonnen was met zijn ontwikkeling, liep het met het verbreken van
de werkelijkheid zo'n vaart nog niet. Hij paste zijn splitsende vermogen alleen
maar toe op die dingen die rechtstreeks met zijn dagelijkse overleven te maken
hadden. Het was zelfs zo dat hij het besef had dat hem alleen maar dat
noodzakelijke toegestaan was, terwijl hij bovendien van mening was dat hij
zelfs voor dat weinige vergiffenis moest vragen aan de natuur. Dat besef,
namelijk door het simpele feit van zijn bestaan leed te berokkenen aan de
werkelijkheid is hier en daar nog levend bij geďsoleerde natuurvolken. Maar in
de moderne wereld is het geheel en al verdwenen, zelfs bij diegenen die zeggen
begaan te zijn met het welzijn van de natuur.
In verschillende, voornamelijk Oosterse, religies en levensbeschouwingen komt
de gedachte voor dat alle bestaan 'lijden' betekent. Men vindt namelijk dat het
bestaan van het een dat van het ander verdringt en dat dit vooral voor het
menselijk bestaan geldt. Stellig is dit ook een verwijzing naar het verbrekende
karakter van het menselijk intellect.
Zo ongeveer tot aan de 18e eeuwse Verlichting was het intellectuele
verbreken van de werkelijkheid weliswaar in toenemende mate aan de orde, maar
niet zodanig dat het de essentie van een cultuurperiode uitmaakte. Thans is
dat, sinds de Verlichting,
wel het geval. De vanaf dat moment optredende moderne cultuur staat tenvolle in
het teken van het verbreken. Dat is wat gewoonlijk 'analyse' genoemd wordt. Het
is het moderne cultuurthema. Zoals altijd met cultuurthema's het geval is, is
alles daar op gericht. Letterlijk niets ontsnapt aan de drang om de
werkelijkheid tot in haar fijnste onderdelen te analyseren, dus te verbreken.
Dat gaat zover dat zelfs zaken die niet voor analyse toegankelijk zijn, zoals
het leven, de liefde en de schoonheid, ook objecten van analytisch onderzoek
worden, met onvermijdelijk verwarring en zelfs schizofrenie
als dramatisch resultaat.
De hoge vlucht die de wetenschappen sinds de Verlichting genomen hebben was zonder die
fixatie op de analyse niet mogelijk geweest. Te zeggen is dat die fixatie de
sleutel is waarmee de mens de fundamentele werkelijkheid kan binnentreden en
haar geheimen kan oplossen.
Deze ontwikkeling heeft overigens op zichzelf niets met de intelligentie van de
mens te maken. Vaak wordt beweerd dat op de een of andere manier de
intelligentie van de mensen geleidelijk aan toegenomen is en dat daardoor na
verloop van tijd de wetenschappen tot juiste inzichten konden komen. Niets is
echter minder waar. De menselijke intelligentie namelijk is een evolutionair
gegeven, dus een vermogen dat vanaf de aanvang is zoals het is. De eerste
mensen derhalve waren precies zo intelligent als de tegenwoordige. Er zit
daarin geen ontwikkeling: intelligentie is intelligentie. Maar de mensheid
heeft wel een hele tijd nodig om er een effectief gebruik van te leren maken.
Dat hangt samen met het zogenaamde verhelderingsproces-(naar nr.61) van de mensheid. Naarmate
dat proces zich doorzet kan de intelligentie effectiever worden, totdat vanaf
een gegeven moment, namelijk de Verlichting, de duisternis het onderzoek niet langer
belemmert.
Uiteraard zal er altijd veel resteren dat alsnog duister is voor de mensen. Dat
ligt volkomen in de logica. Waarom het evenwel gaat is dat thans zoiets in
principe helder kan worden gemaakt, zodra de interesse er naar uitgaat.
Met het doorbreken van de Verlichting
vangt onmiddellijk de Moderne cultuur aan, een cultuur die in alle opzichten
verschilt van datgene dat er eeuwenlang aan vooraf ging. De vanzelfsprekendheid
verdwijnt steeds meer uit het leven om plaats te maken voor beredenering, zelfs
berekening. Met recht is te stellen dat de Moderne mens een 'pragmaticus' is
die alles in de hand wil houden, en die er op uit is zijn leven en wereld
volgens bij voorbaat berekende criteria in te richten. De overgave aan en
afhankelijkheid van het noodlot, van de dingen zoals die 'nu eenmaal over ons
komen', worden verdrongen doormiddel van logische berekeningen, gegrond op
analytisch wetenschappelijk onderzoek.
Maar, juist door deze analytische grondslag wordt het geheel van de
werkelijkheid als bewustzijn, de essentie dus van het menselijk leven, buiten
spel gezet. Het gevolg is dat er een mens op gaat treden die in het teken van
'misdaad' staat, uiteraard ongeacht de vraag of hij in juridische zin een
misdadiger is. In feite doet hij maar wat. Hij zwalkt stuurloos door het leven
terwijl hij almaar over zichzelf en anderen irreële verhalen vertelt, waarbij
hij gebruik maakt van een schier onuitputtelijke hoeveelheid excuses. Altijd
weet die moderne mens wel een verklaring voor zijn gedrag te vinden. En als
regel is dat wezenloze, en vaak zelfs levensgevaarlijke, onzin.
De moderne politiek is daar een treurig voorbeeld van, zoals op het ogenblik te
constateren is aan de oorlogszuchtige taal van de president van de Verenigde
Staten en zijn onnozele kompanen. Het zou volstrekt verkeerd zijn te menen dat
bij dat gedoe gesproken zou moeten worden van betreurenswaardige incidenten,
afwijkingen dus van de normale redelijke gang van zaken. Het is daarentegen een
onverbloemde manifestatie van het karakter van de Moderne mens. Dat betekent
onder andere dat het niet alleen maar dergelijke kopstukken zijn die zich
misdragen, maar dat de sfeer van culturele misdadigheid door de ganse mensheid
heenloopt, van zogenaamd laag tot hoog. Op alle terreinen van de maatschappij
zindert het van negatieve spanningen...
De culturele misdadigheid van de moderne mens kent vanzelfsprekend een scala
van variaties. Het is onmiskenbaar zo dat de zogenaamde politieke en
economische bovenlaag de duidelijkste manifestatie is van die culturele
misdadigheid, zozeer zelfs dat bij herhaling blijkt dat het gedoe van die
bovenlaag ook ruimschoots onder de gangbare juridische criteria valt. Corruptie
is bij de bovenlaag over de ganse wereld aan de orde van de dag. Met de mensenrechten wordt voortdurend een loopje genomen en het
plunderen van de samenleving behoort zo langzamerhand tot de normale politieke
en economische procedures.
Hoewel de 'gewone mensen' wel degelijk ook gekenmerkt worden door culturele
misdadigheid, is in het algemeen hun praktische gedoe veel minder laakbaar. Dat
komt niet alleen doordat zij nu eenmaal de kans niet krijgen om zich uit te
leven. Veel belangrijker is het feit dat zij doorgaans aanzienlijk minder
gebukt gaan onder hun analytische zelfbewustzijn. Dat is in de eerste plaats
vanwege hun lagere opleidingsniveau, wat in de praktijk betekent dat zij zich
minder conformeren aan het geraffineerde gedoe van de geschoolde bovenlaag. De
analyse heeft hen derhalve minder in zijn greep, waardoor de psychische werking
van het bewustzijn wat meer op de voorgrond kan blijven. Dat wil zeggen dat hun
gevoelens een grotere rol spelen en meer als de maat genomen worden. Dat leidt
onvermijdelijk tot een sterker sociaal bewustzijn dat zich onder andere uit in
mededogen met de onderdrukten en vervolgden.
Het spreekt overigens vanzelf dat het 'sociaal bewustzijn' van de 'gewone
mensen' van een totaal andere orde is als het gelijknamige politieke begrip.
Dit politieke begrip heeft betrekking op de eis om zich aan het collectief te
conformeren. Dat houdt logischerwijs onderwerping in en daarmee onmiddellijk een van bovenaf opgelegd
gedrag dat niets anders is dan een zelfbewust-wetenschappelijk gedefinieerde
onderlinge relatie tussen de deelnemers aan het collectief. Natuurlijk is dat
geen werkelijk sociaal-zijn. Als het daarover gaat moet het de mens als vrije
individu zijn van wie het sociale op vrijwillige en onbaatzuchtige wijze
uitgaat. Bij deze individu, in feite de volwassen mens, is er geen sprake van
een conflict tussen het zelfbewustzijn en het bewustzijn zoals dat wel het
geval is bij de Moderne mens. Beide menselijke kwaliteiten doen zich op
gelijkwaardige wijze gelden, in die zin dat het bewustzijn aan de in het
zelfbewustzijn uiteengelegde wereld betekenis en eenheid geeft. Daarmee is de
culturele misdadigheid aan banden gelegd, hetgeen ook gevolgen heeft voor de
juridische aspecten ervan.
De Verlichting, zie: Nrs. 3 , 14 , 18 , 31, 37 , 42 , 55 , 73 ,
de
gestolde neerslag van een bepaalde fase van de ontwikkeling van het zelfbewustzijn. Er worden allerlei dingen
vastgelegd, als norm gesteld, die tijdens die fase duidelijk zijn geworden. De neerslag van zo’n fase stolt tot
cultuur.
Onder een ideologie versta ik:
een overheersend cultuurdenkbeeld dat gebaseerd is op de voorstelling hoe de
werkelijkheid zou moeten zijn.
Naar afleveringen: 01 ; 02 ; 03 ; 04 ; 05 ; 06 ; 07 ; 08 ; 09 ; 10 ; 11 ; 12 ; 13 ; 14 ; 15 ; 16 ; 17 ; 18 ; 19 ; 20 ; 21 ; 22
; 23 ; 24 ; 25 ; 26
; 27 ; 28 ; 29 ; 30
; 31 ; 32 ; 33 ; 34 ; 35
; 36 ; 37 ; 38 ; 39 ; 40
; 41 ; 42 ; 43 ; 44
; 45 ; 46 ; 47 ; 48
; 49 ; 50 ; 51 ; 52
; 53 ; 54 ; 55 ; 56
; 57 ; 58 ; 59 ; 60
; 61
; 62 ; 63 ; 64 ; 65 ; 66 ; 67 ; 68
; 69
; 70 ; 71 ; 72 ; 73
;
Bladwijzer(s): NAVO ; 16e eeuw ; Het Russische Volk nr. 12 ; [ Derde Wereldoorlog: 62 ; 63 ; 64 ; 65 ; ] ; Armoede ; Meditatie ; De beweeglijkheid als bouwsteen ; Zelfkastijding ; Antroposofische professor ; Boeddhisme ; Kennis van Goed en Kwaad Racistische grondtoon collectivistische denken, zie nos. 10, 11, 66, 67; Belangengroep ; Identiteit Nr. 60(Behoort Israël tot de Westerse Cultuur) kerncentrale-nr.05 kernenergie-lobby …voortdurende besluiteloosheid van het Westen als het gaat om gewapend optreden - zie nr. 10 ; Discrimineert en onderdrukt de Westerse Cultuur..? ; verantwoordelijkheid-1 ; VIRUSSEN - nr. 28/29 ; Rationeel-1 ; Rationeel-2 ; Rationeel-3 ; Rationeel-4 ; culturele discriminatie ; OERCEL ; De PSYCHE nr. 41 en De PSYCHE nr55 ; Leiderschap- nr.58 Leiding geven- nr.42 verantwoordelijkheid-2 ; Het ontwaken van de individualist-zie nrs. 10, 11, 58, 59, 62, 65, 67 ; vervreemding-1 vervreemding-2 De Verlichting, zie: Nrs. 3 , 14 , 18 , 31, 37 , 42 , 55 , 73 , Verkiezingen Burgeroorlog Volwassen worden-1, Volwassen worden-2 , Individualisme dringt door in de Politiek , Oorlog of Moordlust ; no.17 , Moderne oorlog is geen 'oorlog' ; Concurrentie-1 ; Concurrentie-2 ; Concurrentie-3 ; Islam-1 ; Islam-2 ; Islam-3 ; Islam-4 ; Islam-5 ; Islam-6 ; Islam-7 ; Islam-8 ; Islam-9 ; Islam-10 ; Islam-11 ; Pilatus ; Werkgelegenheid Vrije keuze-1 ; Vrije keuze-2 ; homoseksualiteit NAVO ; Darwin ; Verhullend taalgebruik-1 ; Verhullend taalgebruik-2 ; Aanpassingsproces-1 ; Aanpassingsproces-2 ; Aanpassingsproces-3 ; Aanpassingsproces-4 ; Lijdensweg ; Mildere vorm van een maatschappelijk ideaal…ideëel collectief… ; Yoga ; Overgang-1 ; Overgang-2 ; (On)verdraagzaam(heid)-1 ; (On)verdraagzaam(heid)-2 ; (On)verdraagzaam(heid)-3 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Opvoeding-3 ; Opvoeding-4 ; Opvoeding-5 ; Opvoeding-6 ; Opvoeding-7 ; Eenzijdgheid-1 ; Eenzijdgheid-2 ; Eenzijdgheid-3 ; Sluit individu-zijn het gemeenschappelijke uit..? ; Unieke identiteit-1 ; Unieke identiteit-2 ; Individualiteit-01 ; Individualiteit-02 ; Individualiteit-03 ; Individualiteit-04 ; Individualiteit-05 ; Individualiteit-06 ; Individualiteit-07 ; Individualiteit-08 ; Sociaal Democratie ; Liberale Democratie-1 ; Liberale Democratie-2 ; Parlementaire Democratie ; Houvast-1 ; Houvast-2 ; Houvast-3 ; Houvast-4; ; Gnostiek / Gnosis ; In Jezelf Verdiepen ; Schizofrenie ; Mensenrechten ; Rechten van de mens-1 ; Rechten van de mens-2 ; Rechten van de mens-3 ; Gemeenschapszin ; Oude Testament ; Doodvonnissen-1 ; Doodvonnissen-2 ; China ; Beleving-1 ; Beleving-2 ; Beleving-3 ; Horigheid ; Schepping(s)verhaal-zie afl. 03, 37, 43, 44, 69 ; Deskundigheid of bekwaamheid B2, ; Jesaja(1) ; Jesaja(2) KANT- zie nrs. A en B ; Waanvoorstellingen- zie afl. 17 ; 23 ; 36 ; 37 ; 47 ; 52 ; 60 ; 63 ; 64 ;
Naar
artikelen: Kunnen
moslims zich invoegen in de Moderne cultuur..? – aflevering no. 37, ; Abortus, de christelijke praktijken ; geen god, wat dan? ; hoe zit het nou
met god?;Religies! ; Godsdienst en Geloof ; God
bestaat niet ; De verdedigers van de Godsdienst ; Evolutie of Creatie [ Er is maar ÉÉN LEVEN ] ; het
zelfbeschikkingsrecht. ; Een
korte schets van de “Menselijke Seksualiteit” ; De
verloedering van de seksualiteit ; Briefwisseling -Incest ; Het
toenemend belang van het Atheďsme ; De
fundamentele intolerantie van de Godsdienst ; Bedreiging van het vrijdenken en het atheďsme
; Waarom
is de Islam als godsdienst tegen de Westerse Wereld..? zie no. 27. ;
Toch nog
een Theocratie- zie afl. 18 ; Ongewenst atheďsme- zie afl. 32 ; Een grens te ver (Israël) ; Verbieden
van de godsdienst..?-zie afl. 21 ; Discrimineert
/ onderdrukt de Westerse Cultuur..? zie aflevering 60 / 61 ; Waarom is de
Islam als godsdienst tegen de Westerse Wereld ..? zie no. 27 ; De Islam ; Het staat in
de Koran- zie aflevering 36 ; De heilige wet-De Sjari’a ; Burqa, volg bladwijzer
; Kunnen
moslims zich invoegen in de Moderne cultuur..? – aflevering no. 37 ;
Het
zelfbeschikkingsrecht ; Is
er dan toch nog een GOD..? Hoe zit dat..? ; Individualisering ; Individualisering-Tomeloze
verwarring-Collectieve krankzinnigheid zie nr. 12 ; Kan alles maar..!-zie
bladwijzers ; Tijl Uilenspiegel- een
beschouwing over vrijheid en liefde ; *Over
de ISLAM, de vrije MENINGSUITING en het BELEDIGEN – aug. 2010 ; Reciteren van heilige schriften- nr. 23 ; Vrijheid
van godsdienst ;
Terug naar: De
Startpagina
|
|
|
|