De Vrije Gedachte No. 239 oktober 1993
agnost,atheisme,atheist,filosofie,god bestaat
niet,godsbesef,humanisten,metafysica,psyche,religiositeit,waarheid.
Terug naar:
de Sartpagina
Bladwijzer(s): De
Verlichting
Naar
artikelen: Waarom
is de Islam als godsdienst tegen de Westerse Wereld..?
Volgens R. van Monsjou
(DVG 237 juli-aug) wekt de uitspraak “God bestaat niet” de lachlust op omdat
zoiets te simpel is, evenals overigens de uitspraak “God bestaat”. Tot overmaat
van ramp komt daar nog bij dat je bezig bent iets te ontkennen wat niet bestaat
- zoiets zou onmogelijk zijn...
Het moet toegegeven worden dat uitspraken
als “god bestaat” en “god bestaat niet” bijzonder simpel zijn. De een zegt welles
en de ander zegt nietes en dat is een conversatie waarvan men vindt dat
die thuishoort in de kleutertijd. Maar dat simpele, is dat een reden om
dergelijke uitspraken achterwege te laten? Nee, natuurlijk. Ze kunnen immers
juist zijn! De uitspraak “het regent” is nu ook niet bepaald ingewikkeld of
genuanceerd, maar, mits op het juiste moment uitgesproken is het toch een ware
en zinvolle bewering. Het argument dat een uitspraak als “god bestaat niet” de
lachlust opwekt vanwege zijn simpelheid vind ik dan ook ondeugdelijk, het slaat
nergens op.
Het is waar dat de werkelijkheid onvoorstelbaar
fijnzinnig genuanceerd is en dat bijgevolg uitspraken daarover doorgaans niet
in enkele woorden gedaan kunnen worden. Over het algemeen is te zeggen dat de
beschrijving van de werkelijkheid een nooit eindigend verhaal is, juist omdat
elke incidentele uiteenzetting een momentopname is die steeds nog meer verfijnd
kan worden. Het is nu juist de kunst van het filosoferen dat je een zaak die je
in grote lijnen begrepen hebt al denkende steeds meer kunt nuanceren en
verfijnen. Maar nu is het eigenaardige dat de bij die verfijning te voorschijn
komende nuances op zichzelf simpele beweringen zijn. Zoiets als: “De essentie
van de werkelijkheid is niet te benoemen”, of: “Elke poging die zaak te bepalen
is vruchteloos”. De weg waarlangs je tot een dergelijke bewering komt is
geenszins simpel, hij is uiterst genuanceerd, maar, nogmaals, de uiteindelijke
uitspraak of bewering is eenvoudig.
Zo zijn ook uitspraken als “god bestaat”
en “god bestaat niet” op zichzelf eenvoudige beweringen, die evenwel het
resultaat zijn van een bepaald intellectueel proces. Het doet er nu even niet
toe of je vindt dat, in het geval van eerstgenoemde uitspraak, dit proces
onzinnig is of niet. Niet terzake doet of je vindt
dat het stand houdt voor het logische denken of niet. Vrijdenkers bijvoorbeeld
vinden dat een intellectueel proces dat de bewering “god bestaat” als resultaat
oplevert nu niet bepaald zinnig is. Sterker nog, zij zijn zelfs van oordeel dat
het eigenlijk helemaal geen intellectueel proces is maar meer een kwestie van
onredelijke indoctrinatie. Maar feitelijk is er toch ook dan sprake van een
intellectueel proces, al voldoet het niet aan een aantal criteria die door het
moderne denken gesteld worden. Het is immers geen biologisch of fysisch proces!
Omdat dit het geval is kun je rustig simpele uitspraken doen en loop je
helemaal niet het risico op grond van die simpelheid uitgelachen te worden, of het
moest zijn door mensen die zich liever verschuilen achter zogenaamde
ingewikkeldheid, achter een voorgewend “genuanceerd denken”, om daarmee de
huiver voor duidelijke uitspraken of zelfs waarheden te verbergen.
Zo'n verhaal als dat van Capra bijvoorbeeld, dat overigens oorspronkelijk bedoeld
was om te laten zien dat men in bepaalde niet-westerse culturen een sterk besef
had (en hier en daar nog wel heeft) van een innige samenhang tussen alle dingen
in de kosmos, zo'n verhaal is prachtig te misbruiken om je, doorgaans
gevoelsmatige, verzet tegen het radicale begrip atheïsme te verdoezelen. In
feite gebruikt men het dan om het standpunt van de atheist
onderuit te halen of op zijn minst enigszins verdacht te maken. Steeds word je
geconfronteerd met dezelfde tactiek: als je beweert dat god niet bestaat komt
men je gretig uitleggen dat de zaak zo eenvoudig niet ligt, dat je wel
wat erg dogmatisch bent en kennelijk per se gelijk wilt hebben. AI die reacties
verwijzen naar mijn ervaring onveranderlijk naar hetzelfde: men is bang voor
die eenvoudige, onverbloemde en radicale uitspraak GOD BESTAAT NIET...!
Het is onmiskenbaar een feit dat er nog
steeds een onbewuste, diep in de psyche
weggemoffelde, gelovigheid in de westerse mens zit, een gelovigheid die een
onwillekeurige sympathie voor godderigheid en mystiek
en antipathie voor ongelovigheid oproept. Daarom vind ik dat het zo
langzamerhand te gek wordt: waarom mag je niet gewoon, zonder omhaal van
woorden en gedachten, stellen dat god niet bestaat? En, waarom wordt er veel
minder geëmotioneerd gereageerd als de een of andere brave, doch onwetende,
borst beweert dat god wel bestaat?
Wat betreft dat ontkennen van iets dat
niet bestaat moet ik tot mijn spijt opmerken dat dat een leuke truc is die
echter ook uit angst voor ongelovigheid voortspruit. Het is net of er iets
steekhoudends mee gezegd wordt, maar niets is minder waar. De bedoelde
ontkenning slaat namelijk niet op de al-of-niet feitelijkheid van god, maar op
de bevestigende uitspraak van diegene die beweert dat god bestaat. Het is die
uitspraak die door de atheist tegengesproken wordt.
Er is geen enkele logische grond om staande te houden dat een dergelijke
tegenspraak niet zou kunnen. Zoals gezegd, te beweren dat je niet iets kunt
ontkennen dat niet bestaat is een truc om te verbergen dat men in wezen bang is
voor het atheïsme. Die angst manifesteert zich op tal van manieren. Zo
verklaren heel wat humanisten van zichzelf dat zij agnost zijn; zij verschuilen
zich achter een kleurloos, schijnbaar wetenschappelijk verantwoord, “weetniet”.
Anderen, naar ik vrees helaas in toenemend aantal, nemen in arren moede hun
toevlucht tot religiositeit om het diep in hun psyche
fluisterende stemmetje van het geloof tot zwijgen te brengen. Er zijn tal van
variaties. Het op Capra geïnspireerde gedoe met “het
geheel” behoort daar ook toe...
Waarover ik ook nog iets wil zeggen is dat
vreemde verhaal over een “gen” dat op de een of andere manier de basis
en de oorzaak van het godsbesef zou zijn. Het staat natuurlijk een ieder vrij
om zoiets te bedenken, maar beweren dat dat verhaal "binnen de exacte
wetenschappen (...) gemakkelijk te verifiëren" zou zijn, gaat mij toch
veel te ver ! De wetenschappelijke onderzoekers geraken juist steeds
meer in het Onzekere over de afkomst van de mens en over het proces van de
erfelijkheid. Op zichzelf is dat niet verwonderlijk omdat die onzekerheid het
gevolg is van nieuwe perspectieven die zich, onder andere met het DNA
onderzoek, geopend hebben. Door een aantal nieuwe ontdekkingen op alle
mogelijke gebieden van juist de exacte wetenschappen, ontdekkingen die nu eens
niet tot de rubriek “meer van hetzelfde” gerekend kunnen worden, heeft men zich
aan het begin van een nieuwe, nog totaal onbekende, weg geplaatst en het ziet
er dik naar uit dat een groot gedeelte van de veronderstellingen uit het
verleden onhoudbaar zal blijken te zijn. De hierboven geciteerde opmerking van Van Monsjou heeft dan ook geen
enkele wetenschappelijke waarde. Het gaat op zijn best over een aardige
speculatie van een leek.
Wat dat betreft veroorloof ik mij een opmerking
vanuit de filosofie: indachtig het feit dat men nooit volledig op de hoogte kan
zijn van de wetenschappelijke ontwikkelingen moet men proberen zijn
gedachtegangen over de werkelijkheid zo te laten verlopen dat er geen
afhankelijkheid is van wetenschappelijke kennis. Voorzover
men daarin slaagt is er de zekerheid dat “een bepaalde waarheid” na verloop van
tijd ook nog waar is. Helaas is tegenwoordig bijna iedereen (ondoordacht) van
mening dat zoiets niet mogelijk is. Dat komt doordat wij in onze cultuur
vrijwel uitsluitend op kennisoverdracht en kennisaccumulatie gefixeerd zijn. Toch
is het wel degelijk mogelijk. Nagenoeg alle wat oudere filosofieën zijn daarop
ingesteld. Dat zij voortdurend uitliepen in allerlei vormen van metafysica, met
daaraan meekomend een heel scala van dwaze fantasieën doet niets af aan het
feit dat men begreep en aanvoelde dat het mogelijk moest zijn louter denkend te
beschrijven hoe het zit met de werkelijkheid. Er is echter niets dat ineens
gelukt, alles begint met niet te lukken. De vergissing die doorgaans gemaakt
wordt is deze dat men de vraag naar “het hoe” verwart met de vraag naar
“het “wat”. De vraag “wat is de werkelijkheid” is er een voor de onderzoekende
wetenschap, maar de vraag “hoe is de werkelijkheid”, is voorbehouden aan de
filosofie - als het tenminste goed met haar gesteld is...Het bedoelde verhaal
over een “gen” is dus filosofisch onverantwoord omdat er
wetenschappelijke kennis aan voorondersteld is die bovendien nog eens uiterst
onwaarschijnlijk is, zodat er ook wetenschappelijk niet veel van overblijft. Op
zichzelf is dat helemaal niet erg, maar zeker binnen de vrijdenkersbeweging mag
zoiets niet onweersproken blijven.
Er doen tegenwoordig
heel wat verhalen de ronde waarvan een groot deel merkwaardigerwijs voortspruit
uit antiwetenschappelijke gevoelens. Men vindt dat de wetenschap haar belofte
uit de 18e eeuw niet heeft waargemaakt, en inderdaad, dat is ongetwijfeld in
hoge mate het geval. Maar daarbij moet men zich toch wel realiseren dat
bedoelde hoopgevende belofte (redelijkheid, verheffing van de mens en
gezondmaking van de maatschappij) door de 18e eeuwers
zelf gedacht is. Het was een toekomstfantasie van de toenmalige intellectuelen.
Zij hebben in het enthousiasme van “de Verlichting” een heleboel fraais aan de
wetenschap toebedacht dat er in feite helemaal niet van verwacht kan worden. De
wetenschap zelf is gewoon haar gang gegaan, precies zoals het haar betaamt,
alleen wordt intussen steeds duidelijker dat de verwachtingen van de 18e en 19e
eeuw volstrekt onterecht waren. In bepaalde opzichten lagen zij op terreinen
buiten de wetenschap, zoals de verwachting dat de wetenschap zou leiden tot betere
mensen, of de verwachting dat de wetenschap de gelovigheid zou doen verdwijnen
of de onderlinge naijver van de mensen. In andere
opzichten stoelden die verwachtingen op opvattingen die in de loop der tijd
door de wetenschap zelf onderuit zijn gehaald, bijvoorbeeld de opvatting dat
het wetenschappelijk onderzoek zou leiden tot een volkomen berekenbare, voorspelbare
en dus bestuurbare werkelijkheid. Gebleken is immers dat de werkelijkheid in
haar essentie juist het tegendeel van berekenbaar, voorspelbaar en bestuurbaar
is!
Wat ik hiermee zeggen wil is dit: onvrede
met de wetenschap komt eigenlijk voort uit ergernis over het feit dat bijna al
die verwachtingen loze fantasieën en illusies gebleken zijn. Het gaat daarom
niet aan de wetenschap er de schuld van te geven: als er van schuld gesproken
moet worden ligt die bij de westerse cultuurmens in zijn algemeenheid die de
dwaze verwachting koestert in de toekomst de werkelijkheid te kunnen
overheersen. Uiteraard leeft die verwachting ook bij de wetenschappers, ondanks
het feit dat zij zo langzamerhand wel toe willen geven dat er uiteindelijk
niets te beheersen valt en dat het in alle opzichten beter zou zijn in het
vervolg daarvan uit te gaan.
Dat alles neemt echter niet weg dat de
uitspraak GOD BESTAAT NIET nog steeds staat als een huis, temidden
van het weifelachtige, halfslachtige, quasi-wetenschappelijke
en angsthazerige gewauwel van diegenen die vinden dat
“de zaak zo eenvoudig niet ligt”...
Bovenstaande
tekst is geschreven: door Jan Vis, creatief filosoof.
Terug naar:
de Startpagina
Pagina's
zijn door mij uit het tijdschrift van De Vrije Gedachte No. 239 oktober 1993
overgenomen.
Aangezien
de filosofie er niet is voor enkele bevoorrechten maar juist voor alle mensen,
is het citeren uit mijn werk zonder meer
toegestaan. Wel echter zou ik het op prijs stellen dat het citeren vergezeld
gaat van een duidelijke bronvermelding! (Jan Vis)
|
|
|
|