Filosofie van de hak op de tak...1
Eerste aflevering - 1995
abortus,anarchisme,besnijdenis,de survival of the
fittest,euthanasie,evolutieproces,filosofie,gemeenschapsgevoel,genetische manipulatie,geven en nemen,joden,jodendom,saamhorigheid,veiligheid,zelfbewustzijn.
Naar
bladwijzers:
survival of the fittest [ spoorwegen ; privatiseren ; zichzelf zijn ] ; Samenwerking-
nrs. 163 t/m 166 ; Gelijkwaardigheid
Beschaving( lees de nummers 120 en 121 ) Kuddedieren universele
waarheden De Verlichting-1, De
Verlichting-2, De Verlichting-3, De Verlichting-4, De
Verlichting-5 Verkiezingen
; Krijgsgevangene
Concurrentie-1 ; Concurrentie-2
; persoonlijkheid-1 ; persoonlijkheid-2
; persoonlijkheid-3 ; persoonlijkheid-4
; Ziel ; polariseren-3 ; Darwin
; Verhullend taalgebruik ; Brein ; Overgang-1 ; Verdraagzaamheid-1
; onverdraagzaam-2 ; Opvoeding-1
; Opvoeding-2 ; Liberale Democratie-1
; Liberale Democratie-2
; Liberale Democratie-3 ; Rechten van de Mens ; Doodvonnissen
; Beleving-1 ; Beleving-2
; Horigheid ; Is de
mensheid indertijd godsdienstig begonnen ; De mens als stuurloos wrak ; Beloning
; Communicatie
; Overtuiging-1 ; Overtuiging-2 ; Overtuiging-3 ; antroposofische fantasieën
; Waanvoorstelling-1
; Waanvoorstelling-2
Naar
artikelen met trefwoord “Polariseren”:
Polariseren-1-zie bladwijzers uit Nihilisme
en Anarchisme als basis van het Atheisme,
Polariseren-2-zie bladwijzers uit
De Universiteit voor Humanistieken het Atheisme,
Polariseren-4-zie
bladwijzers uit Filosofie van de Hak op de Tak nr.2,
Polariseren-5-zie
bladwijzers uit Filosofische Invallen 1t/m26,
Polariseren-6-zie bladwijzers uit
Varia 1t/m10,
Terug naar: De
Startpagina
Al sinds onheuglijke tijden
proberen de filosofen hun gedachten in te passen in het strakke kader van een
wetenschappelijk systeem. Om de een of andere reden vinden zij dat dit de status
van hun creaties verhoogt. Zij willen zich koesteren in het zonnetje van de
wetenschappen. Immers, die ontlenen een hoge mate van betrouwbaarheid aan de
systematische aanpak van de vraagstukken waarvoor de werkelijkheid hen stelt.
Uiteraard heb ik aanvankelijk ook gemeend systematisch tewerk te moeten gaan.
Dat echter is mij niet gelukt! Later heb ik begrepen dat het filosofische
denken zijn creativiteit, zijn schoonheid en zijn levendigheid juist aan zijn
eigen wispelturigheid te danken heeft en dat daarentegen het inpassen in een
systeem dat denken forceert en het zijn specifieke karakter ontneemt. De
oplettende filosofische onderzoeker zal vroeg of laat ontdekken dat het denken
een flitsend karakter heeft. Het vliegt “van de hak op de tak”, al naar gelang
de associaties die het in zichzelf oproept. Die associaties op zichzelf volgen
wel logisch uit elkaar, maar zijn in geen geval systematisch. Toen ik dat
eenmaal begrepen had heb ik me nooit meer druk gemaakt om welke vorm van
systematiek ook. Maar ik begreep tegelijkertijd dat helder denken er vanzelf
toe leidt dat al die min of meer op zichzelf staande fragmenten tenslotte één
groot samenhangend geheel zouden vormen. Gezien in dat licht blijkt de
FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK onverwacht meer samenhang te vertonen dan de
moderne systematische filosofie...
De filosofie is er voor iedereen. Daarom staat het een ieder vrij om uit
dit boek passages over te nemen. Maar het is een zaak van intellectueel fatsoen
om daarbij wel een bronvermelding te geven..
Uitgave: J. Vis
[ spoorwegen ; privatiseren ; zichzelf zijn ;]
Sinds de moderne mens halverwege de 20ste eeuw definitief zijn intrede in de
wereld heeft gedaan is er iets veranderd in de houding van de mensen ten
opzichte van de samenleving. Ongemerkt heeft namelijk de mening postgevat dat
de samenleving er is om eraan te verdienen, om je persoonlijk te verrijken. De
samenleving is individueel winstobject geworden.
Voordien was het de medemens waaraan op de een of andere manier verdiend
moest worden. De een probeerde de ander zoveel mogelijk uit te kleden om er
zelf beter van te worden. Daarvoor nog was er overigens nog een periode die
gekenmerkt werd door het uitplunderen van de aarde. Uitbuiten van de aarde en
van de medemens gebeurt natuurlijk nog steeds, en logischerwijze in voortdurend
verhevigde mate. Maar er is iets bijgekomen: het plunderen van de
samenleving. Was het voordien zo dat de samenleving gezien werd als een de
afzonderlijke mensen overkoepelend geheel waarin het welzijn van een ieder zo
goed mogelijk bevorderd moest worden, thans moet er aan dat geheel verdiend
worden. De particuliere mens probeert uit het geheel munt te slaan. Gelukt dat
om de een of andere reden niet, dan worden er ook geen diensten aan de
samenleving geleverd. Het loont dan de moeite niet. Voorbeelden te over:
de spoorwegen, ooit
beschouwd als een openbare
zaak die de kwaliteit van de samenleving zou bevorderen, moeten nu
winstgevend zijn. Het gaat niet langer om diensten aan de burgers, maar om
winsten voor ondernemers en hun aandeelhouders. Vroeger mochten die spoorwegen
best wat kosten. Daarvoor had het rijk een schatkist. Nu is dat niet meer zo...
[ spoorwegen ; privatiseren ; zichzelf zijn ;]
2.
Het is met de kunst en de filosofie op een jammerlijke wijze bergafwaarts
gegaan. Op het eerste gezicht zou je dat niet zeggen want de filosofische
faculteiten op de universiteiten kunnen zich nog steeds in een groot aantal
studenten verheugen. Het vak filosofie is zijn stoffige imago kwijtgeraakt en
de filosoof geniet zelfs enig aanzien. Het komt zelfs zo nu en dan voor dat
zijn advies gevraagd wordt in kwesties van maatschappelijke en ethische aard.
En bij bepaalde jongeren biedt de studie en het beoefenen van de filosofie een
instrument om de hen omringende wereld begrijpelijk en handelbaar te maken.
Gezien in dat licht mag het bevreemding wekken als ik toch volhoud dat de
huidige filosofie een regelrechte ramp is. Wat is het geval? De taak van de
filosofie is gelegen in het beantwoorden van de vraag. Hoe zit het nu eigenlijk
met de werkelijkheid? Object van de overdenkingen van de filosoof is dus de
werkelijkheid zelf. Hij probeert er achter te komen hoe zij is. In zoverre
klopt het dat er een grote behoefte aan filosofie is, want de moderne wereld is
inderdaad uitermate diffuus en verwarrend. Maar in de moderne filosofie stelt
men die vraag slechts ogenschijnlijk. Men meent naar de werkelijkheid te vragen
maar in feite doet men dat allang niet meer, want door de door onze cultuur
bepaalde analytische wijze van denken kan de filosoof slechts naar een
wetenschappelijke werkelijkheid vragen. Zijn voorstelling van de werkelijkheid
is van een realiteit geworden tot een wetenschappelijke theorie. Daardoor kan
hij er niet omheen datje nooit met zekerheid kunt zeggen hoe het nu echt zit
met de werkelijkheid: wetenschappelijke kennis is immers per definitie onjuist
omdat zij onvermijdelijk voorlopig is. Noodgedwongen gaat de filosoof zich dan
maar verdiepen in de uitspraken die zijn collega's van vroeger en nu gedaan
hebben. Je kunt daarom met recht zeggen dat de middeleeuwse “Scholastiek” weer
in volle glorie terug is.
3.
Zelfs als je - niet eens op zulke slechte gronden - veronderstelt dat je
nooit het fijne van de werkelijkheid zult kunnen weten, omdat de beschrijving,
die je van de werkelijkheid geeft, altijd en per definitie verfijnder kan, is
het toch je filosofische opgave uit te zoeken hoe het nu eigenlijk met de
werkelijkheid zit. Inderdaad zitje dan voortdurend met het probleem van een
“vlietende horizon”, een horizon die steeds naar grotere verten opschuift, maar
dat kan nu eenmaal niet anders. Net als in de kunst is er een eeuwig geldend
“steeds verder” zodat je je leven lang kunt verwachten dat je gedachten van
morgen werkelijk bevredigend zullen zijn, om vervolgens in het beste geval
alleen maar bevredigender te blijken!
Er is inderdaad een tijd geweest dat de algemene mening was dat je de samenleving
moest dienen. Zelfs nu nog reppen sommige naďeve politici van "Het hoge
ambt waartoe wij geroepen zijn". Natuurlijk is dat tegenwoordig een
leugen: geroepen worden politici stellig niet en de hoogte van het ambt wordt
heel zakelijk uitgedrukt in termen van geldelijke vergoedingen en voorrechten.
De samenleving is er alleen nog maar om aan te verdienen. En als zodanig is zij
een prachtig object, want er is absoluut geen concurrentie. Je kunt, zij het in overleg met
je collega's, zelf bepalen hoeveel voordeel je er uit wilt trekken. Dat is nog
eens goede handel..! De mening dat de samenleving gediend zou moeten worden
komt voort uit het collectivistische denken. Voor dat denken is het logisch dat
de individuele mens opgaat in het geheel en dat is een dienende functie: het is
een “er zijn terwille van iets anders”. Begrijpelijk
is dat, met het doorbreken van het individualisme, de kijk op de samenleving
verandert en wel voorlopig op zodanige wijze dat de samenleving als zodanig
object van uitbuiting wordt.
5.
Een aantal moderne academische filosofen heeft de euvele moed gehad niet
academisch gekwalificeerde filosofen “dilettanten”, “buitenstaanders” en - dat
is het toppunt! - “parafilosofen” te noemen. Die naam verwijst naar de term
parapsychologie, welke naam suggereert dat er naast de betrouwbare officiële
psychologie ook nog een onbetrouwbare, niet erkende, bestaat. De zaak is
duidelijk: volgens deze filosofen is er naast de academische vak filosofie qua
filosoferen niets mogelijk! Niet alleen is dit een uitermate hoogmoedig
standpunt, maar het is ook nog in strijd met nagenoeg de gehele filosofische
traditie, een traditie die er uiteraard niet zomaar is, want hij komt voort uit
het wezen van de filosofie dat uitsluitend tot zijn recht kan komen in een
volstrekte afzondering van elke denkbare vorm van kennis. Juist door de kennis
buiten het denken te houden wordt het dit denken mogelijk autonoom en dus
zelfdragend te functioneren.
6.
De vraag “hoe zit het met de werkelijkheid” kan alleen maar denkend
opgelost worden. Hoewel wetenschappelijk onderzoek ook een zaak van denken is,
althans uit denken voortspruit, is dit toch niet bruikbaar voor het
filosoferen. Sterker nog, het moet zelfs volstrekt buiten beschouwing gelaten
worden! Dat gaat zelfs zover dat de uit dat onderzoek voortgekomen kennis voor
de filosoof misleidend is... hem op het verkeerde been zet. Dat zit hem in het
feit dat de wetenschappelijk verworven kennis onvermijdelijk voorlopig van aard
is. Zelfs als je je filosofie op de allerlaatste informatie zou baseren
(hetgeen praktisch onmogelijk is..) heb je
“je huis op zand gebouwd”. Morgen of overmorgen zullen de feiten zeker
anders blijken te zijn!
7.
De moderne maatschappij
wordt almaar meer topzwaar. Er wordt beweerd dat dit gevolg is van het steeds
ingewikkelder worden van de maatschappelijke verhoudingen. Die ingewikkeldheid
zou uitgebreide voorzieningen vragen om greep op de zaak te houden. Van dat
verhaal klopt niets. Dat is te zeggen: de verhoudingen worden wel steeds ingewikkelder
en verfijnder, maar de kennis daaromtrent neemt in gelijke mate toe, zodat er
toch voldoende mogelijkheden zijn om in te grijpen. Dat dit evenwel niet of
steeds minder gebeurt vindt zijn oorzaak niet in die ingewikkeldheid, maar in
het feit dat de maatschappij topzwaar aan het worden is. Dat is het geval
doordat iedereen er stevig aan wil verdienen en doordat ten gevolge daarvan de
voorzieningen steeds duurder worden. De politieke prioriteiten komen meer en
meer bij de mogelijkheden voor winst-maken te liggen en steeds minder bij de
vraag of het welzijn van de burgers gediend is.
8. Concurrentie-1 ; Concurrentie-2
Doordat de mens als particulier definitief begonnen is zich als individu
waar te maken ontstaat er voorlopig een wereld vol van egoďstische en
egocentrische mensen. Het enige criterium dat van kracht is, is het begrip IK.
Dit leidt ertoe dat de maatschappelijke verhoudingen niet langer bepaald worden
door collectivistisch denken met als gevolg daarvan min of meer bewuste
gevoelens van solidariteit en daaruit voortkomende, in wezen socialistische,
idealen en doelstellingen, maar door pragmatische, op concurrentie
gebaseerde, factoren. Zodra het individualisme zich werkelijk door gaat zetten
komt er een op winnen gerichte mentaliteit onder de mensen en dat is
aanvankelijk een keiharde zaak, maar na verloop van tijd levert die puur
egoďstische zaak een netwerk van op zichzelf redelijke en reële onderlinge
betrekkingen op. Dat is het geval juist omdat iedereen wil winnen en zich
tenslotte ook winnaar voelt. Het zijn precies die zelfbewuste, niet langer
ondergeschikte en schuchtere “onderdanen” die op zakelijke wijze tot onderlinge
regelingen komen. Regelingen die op voet van gelijkheid overeengekomen zijn, en
niet meer van bovenaf opgelegd en van onderaf deemoedig aanvaard. Die nieuwe
betrekkingen tussen de mensen zijn kil als de dood, maar in die betrekkingen spelen
irrationele factoren als gefrustreerde gevoelens, psychische aandoeningen,
instincten en verlangens geen rol meer, zodat langzaam maar zeker allerlei op
niets berustende gevoelsmatige en psychische dwaasheden verdwijnen. Vrijwel
alle in het maatschappelijk verkeer optredende wrijvingen, botsingen, agressies
en geweldaardigheden berusten op een besef van ondergeschiktheid, van
minderwaardigheid en onderworpen-zijn. Het bewustzijn alles te boven gekomen te
zijn maakt van de individu een waarlijk grootmoedig mens die geen gevaar meer
is voor zijn medemensen.
9.
De spraakmakende
intellectuele goegemeente van vandaag zit nog volop in de collectivistische
wereld van voorheen. Als er problemen opgelost moeten worden is men
onvermijdelijk bezig die van vroeger op te lossen, precies zoals generaals
steevast bezig zijn de vorige oorlog te winnen. De oplossingen die men meent te
vinden zijn natuurlijk ondeugdelijk. Zij hebben geen betrekking op de
realiteit, maar op een bedachte werkelijkheid, die absoluut onbestaanbaar is en
die er dus ook niet is...
Tegelijkertijd doet de individualistisch getinte toekomst zich gelden zodat
die fictieve collectivistische wereld meer en meer voorwerp van winst maken
wordt. Dat betekent dat de burgers almaar meer verworvenheden moeten afstaan en
langzaam maar zeker terugvallen tot de status van “vernederden en vertrapten”.
Dit komt dus niet voort uit de ontwikkeling tot individu, met daarbij behorend
de behoefte winnaar te zijn, maar het komt voort uit het meedogenloos
vasthouden aan collectivistische voorstellingen van de managers, politici en
bestuurders. Vanaf het moment dat zij hierin geen heil meer zien en ermee
ophouden mensen in garelen te dwingen zal er logischerwijs een streven ontstaan
om het individuele welzijn van de mensen mogelijk te maken en te bevorderen.
10.
Op het moment dat de mens op de planeet verschijnt hebben de processen in
de kosmos hun laatste mogelijkheid gerealiseerd. Dat betekent dat de
werkelijkheid tot weten omtrent zichzelf is gekomen. De mens weet dus van
zichzelf af en tegelijkertijd weet hij van de gehele werkelijkheid, zonder dat
er ook maar iets uitgezonderd is. Dat weten mag overigens niet verward worden
met kennen. Het onderscheid tussen deze twee begrippen is dat weten betrekking
heeft op de “hoedanigheid” van de werkelijkheid - hoe is zij? - en kennen op de
“structuur” ervan - wat is zij? Het weten is de mens onmiddellijk gegeven, maar
het kennen is een zaak van ontwikkeling. Het kennen en dus de kennis “ontstaat”
in de loop der tijden als het resultaat van ervaring en onderzoek. Maar dat
proces staat niet los van het onmiddellijk gegeven weten. Dit laatste is er
namelijk de oorzaak van dat de mensen kennis gaan vergaren en dat volstrekt
niet achterwege kunnen laten. Waar de mens is, is de honger naar kennis. Dat is
dus een gevolg van het feit dat het begrip weten voor de mens van kracht is.
11.
De mens is het enige verschijnsel in de gehele kosmos dat absoluut “vrij”
is. Dat wil zeggen dat het nergens aan gebonden is, nergens op steunt en
nergens in uitloopt. Er is niets “onder” de mens en er is niets “boven” hem. Je
zou kunnen zeggen dat hij het enige “vrij-zwevende” verschijnsel is! De
verklaring voor deze merkwaardige situatie is gelegen in het feit dat het
verschijnsel “mens” het laatste is waartoe het wordingsproces komt. Daardoor
hoort de mens er niet meer bij, voor hem heeft dat wordingsproces afgedaan!
Omdat er evenwel niets meer op volgt is er voor de mens ook geen toekomst, een
doel of een zin waarin alles uitloopt ontbreekt ten enenmale! Deze absolute
vrijheid heeft als noodzakelijke consequenties dat het onmogelijk is de mens
ergens in onder te brengen, noch hem te dwingen naar een bepaald doel toe te
gaan, en dat hij volstrekt onafhankelijk is. Het inlijven in zogenaamde “staten”,
het manipuleren om tot het realiseren van een bepaalde “heilstaat” te komen en
het afhankelijk maken van de mensen van welke al of niet sociale regeling dan
ook, is zonder meer Onmenselijk en dus uit den boze. Elke filosofie waarin de
mensen in systemen ingepast worden, in het licht van een bepaald verheven doel
gezien worden en als van het een of ander afhankelijk gesteld worden, is zonder
meer te verwerpen als zijnde geheel en al ondeugdelijk! Zo is ook van Poppers
beroemde The open society and its
ennemies te zeggen dat je er filosofisch noch
maatschappelijk iets aan hebt al moet toegegeven worden dat het desondanks een
interessant werkje blijft, dat in 1945, na de bittere ervaringen met volstrekt
“gesloten” autoritaire staten, terecht de aandacht getrokken heeft.
persoonlijkheid-1 ; persoonlijkheid-2
; persoonlijkheid-3
; persoonlijkheid-4
Op grond van het nergens bij behoren van de mens is elke collectivistische
gedachtegang over de mens en zijn toekomst te verwerpen. Clans, groeperingen,
partijen en staten zijn verbanden die tijdens de onvermijdelijke onvolwassenheid
van de mensheid wel enigszins functioneel zijn, maar die onherroepelijk ten
onder zullen gaan. Hetgeen dan ook steeds gebeurt. Denk je na over een
toekomstige volwassen mensheid, dan zal je als eerste elke vorm van een
collectiviteit buiten beschouwing moeten laten. Je kunt een mensheid nimmer
zien als een collectief, maar, in verband met bepaalde gemeenschappelijke
belangen en activiteiten kun je wel van een “verzameling” spreken. Het begrip
verzameling houdt onder andere in dat de elementen, waaruit die verzameling
bestaat, allemaal verschillend zijn, maar met een bepaald oogmerk op grond van
bepaalde gemeenschappelijke kenmerken bijeengebracht zijn. Zo is ook de
mensheid onder omstandigheden te benaderen. Een dergelijke benadering sluit de
individualiteit van de afzonderlijke mensen niet uit, maar laat die daarentegen
ten volle gelden: zonder erkenning van die individualiteit is het onmogelijk
bepaalde overeenkomsten als criterium voor iets gemeenschappelijks te nemen.
Van een collectief is het bovenstaande niet te zeggen. De individuele
eigenaardigheden van de mensen worden bij voorbaat al buiten beschouwing
gelaten en er wordt slechts een bepaald model of uniform als de maat gesteld.
Een ieder heeft zich daarnaar te voegen met volledige verwaarlozing van de
eigen persoonlijkheid.
Dus : het begrip collectief is, denkende over de volwassen mens, een
ondeugdelijk begrip. Het is een begrip dat in bepaalde perioden van de
onvolwassen mensheid geldig is en dat volledig aan die onvolwassenheid gebonden
is.
persoonlijkheid-1 ; persoonlijkheid-2
; persoonlijkheid-3
; persoonlijkheid-4
Voor elke mens geldt dat zij of hij de werkelijkheid als van zichzelf weten
vertegenwoordigt. Omdat dit het geval is wil elke mens op de een of andere
manier en op het een of andere niveau weten hoe het met zijn werkelijkheid zit.
Elk mens wil dat zijn voorstelling van de werkelijkheid overeenkomt met dat wat
er werkelijk is. Niemand houdt het uit in een waan te leven, althans niet vanaf
het moment dat zij of hij zo'n waan is gaan doorzien. Een waan behoort in feite
niet bij de mens - allicht niet, want voor de mens geldt weten. In de meest
ruime zin van het woord is te zeggen dat elk mens “houvast” nodig heeft. Dat
wil zeggen: de zekerheid dat zijn voorstelling klopt. Die behoefte aan houvast
is dus niet iets kinderachtigs, zoals zo vaak beweerd wordt, maar iets essentieels.
Wat anders is het evenwel wanneer je constateert dat de meeste mensen tot nu
toe met de meest idiote dingen als houvast genoegen nemen. Allerlei obscure
zaken als godsdiensten, paranormale ervaringen, theosofische en antroposofische fantasieën,
maar ook ideologische hersenspinsels, zoals socialisme, communisme en Maoďsme
worden zonder al teveel kritiek als juiste voorstelling van de werkelijkheid
aanvaard en dus ook als houvast gebruikt. Althans voor een poosje, want veel
langer dan één generatie houdt geen enkele ideologie het uit. Wat dat betreft
zijn de godsdiensten heel wat efficiënter...
14.
Als in een discussie over het individualistische karakter van de mens de
filosofische argumenten te onweerlegbaar worden probeert men heel vaak weg te
glippen door zo ferm mogelijk naar voren te brengen dat "individualiteit
heel wat anders is dan individualisme" en dat het zaak is "er op te
letten dat die twee niet door elkaar gehaald worden". Men kan dan bij het
aanvaarden van deze bewering zijn instemming betuigen met het gelden van het
begrip individualiteit en vervolgens het begrip individualisme met kracht
verwerpen. Dat levert dan weer op dat het op eigen belang gerichte gedrag van
de mensen op dezelfde “socialistische” gronden afgekeurd kan worden als
voorheen. Dat wil dus zeggen: op collectivistische gronden waarin volgens het
gebruikelijke denken voldoende argumenten besloten liggen om toch weer zijn
hoop te vestigen op socialisme, communisme, Maoďsme en dergelijke valse
voorspiegelingen. In feite zijn de bedoelde begrippen in de grond van de zaak
helemaal niet verschillend, dat wil zeggen: individualiteit slaat op de
identiteit die iemand inmiddels verworven heeft en individualisme slaat op de
ontwikkeling die de mensen doormaken om tot een eigen unieke identiteit te
komen. Deze ontwikkeling kan er niet afgedacht
worden. Individualiteit is niet denkbaar zonder het erbij behorende
individualisme. Dat men geneigd is dit laatste te verwerpen is wel
begrijpelijk, maar niet juist. Begrijpelijk omdat de aan individualisme
meekomende gedragingen nu niet bepaald aangenaam zijn en zeker niet “sociaal”
of “solidair” genoemd kunnen worden. Niet juist is het verwerpen van
individualisme omdat het ten eerste een noodzakelijke fase in de ontwikkeling
van de mensen is en ten tweede omdat het zoals gezegd onlosmakelijk verbonden
is met het begrip individualiteit.
15.
Over het van alles onafhankelijk zijn van de mens heersen de meest merkwaardige
opvattingen. Wel kun je vaststellen dat de mensen doorgaans wel aanvoelen dat
de mens onafhankelijk zou moeten zijn. Dat blijkt namelijk uit ieders al of
niet verborgen aversie tegen de macht van anderen, het bij vrijwel iedereen
voorkomende streven zakelijk en maatschappelijk onafhankelijk te worden en de
behoefte aan zekerheid. Op de een of andere manier wil iedereen “eigen baas”
zijn. Ook kun je denken aan die godsdienstige fanaten die proberen zich los te
maken van het stoffelijke, van de aardse materie, in de hoop samen te gaan
vallen met het geestelijke, dat volgens hun niets nodig heeft om te bestaan
zodat men op die manier zelfs de ware onafhankelijkheid deelachtig kan worden.
Kortom: er is een eeuwige behoefte aan onafhankelijkheid bij de mensen van alle
culturen waar te nemen. Opvallend is echter dat men dit tracht te bereiken door
te proberen van de behoeften bevrijd te worden. Men wil alles afschaffen! En
dat is nu precies verkeerd, ten eerste uiteraard omdat het onbegonnen werk is vanwege
het feit dat ieder levend wezen, en dus ook de mens, behoeften heeft. Maar ten
tweede omdat onafhankelijkheid niet bereikt kan worden door de behoeften af te
schaffen, maar juist door ze te bevredigen, in die zin dat datgene dat de
mensen nodig hebben zonder enig probleem en zonder moeite en onvoorwaardelijk
ter beschikking staat. Wanneer het benodigde er is, is er geen afhankelijkheid
meer. Overigens moet hierbij opgemerkt worden dat het begrip het benodigde een
aanmerkelijk grotere inhoud heeft dan alleen maar stoffelijke behoeften. Er
zijn namelijk ook juridische, medische, communicatieve en beschuttende
behoeften. Dit alles is samen te vatten onder het begrip veiligheid.
16.
Er wordt beweerd dat de mens een “kuddedier” is en ook zegt men dat hij
eigenlijk alleen maar als een onderdeel van een “massa” gezien kan worden. Het
begrip massa is vooral aan het eind van de 19e eeuw en in de eerste decennia
van de 20ste in zwang gekomen. Men ging de mensheid als een massa beschouwen,
een massa die als een soort van “storm” of “vloed” de cultuur overspoelde en
wegvaagde. Men sprak ook over “de veel te velen”. Hoewel toegegeven moet worden
dat mensen zich vaak als een kudde en als een massa gedragen, en dus als waren
zij tot een soort van eenheid samen gesmeed, is dat toch beslist geen bewijs
dat de mensen in een kudde of in een massa opgaan. In feite zijn zij
uitsluitend en alleen eenlingen waarvan te zeggen is dat hun incidentele
“kuddegedrag” niet verwijst naar iets wezenlijk menselijks, maar naar een,
meestal door iets uitwendigs veroorzaakte verstoring van de identiteit oftewel
“het ik”. Zo'n verstoring kan gevolg zijn van bepaalde bij een cultuur
behorende conditioneringen, zodat hij eigenlijk niet als verstoring ervaren
wordt maar als iets normaals. Je kunt dat bijvoorbeeld waarnemen bij
militaristisch ingestelde maatschappijen, zoals tot voor kort de Duitse: men
gedroeg zich zelfs letterlijk als een “kudde” en vond dat volkomen normaal.
Sterker nog, men vond dat het zo hoorde! Maar het komt ook voor dat er
tijdelijk een soort van “volkshysterie” heerst. Dan ligt de oorzaak op
psychologisch terrein en heeft doorgaans veel met min of meer onbewuste
levensangsten te maken.
17. persoonlijkheid-1 ; persoonlijkheid-2
; persoonlijkheid-3
; persoonlijkheid-4
Over de mens als eenling is ook nog dit te zeggen: al het gedoe van de mensen
berust op de een of andere overweging en op een daaruit voortkomend besluit.
Behalve enkele puur biologische functies is er niets dat buiten de procedure
van “overwegen en besluiten” omgaat.
Deze menselijke eigenaardigheid berust op het feit dat voor de mens
zelfbewustzijn geldt. Dit zelfbewustzijn komt op zijn beurt voort uit het
“vrij-zwevend” zijn van het verschijnsel mens, dat immers als laatste
mogelijkheid voor de dag komt. Voor de absolute eenling die dat “vrijzwevende” verschijnsel is geldt dus genoemd begrip
zelfbewustzijn en dat leidt ertoe dat je moet constateren dat “overwegen en
besluiten” onmiddellijk en onverbrekelijk aan de mens als individu gebonden is.
Alles wat wij mensen doen komt dus voort uit onze eigen individuele overwegingen
en besluiten. En omdat dit strikt aan onze persoon gebonden is, is het
volstrekt uitgesloten dat iemand deze procedure van ons overneemt. Maar dat is
niet alles. Ook het transformeren van de eigen persoonlijkheid in iets
collectiefs is onmogelijk.
persoonlijkheid-1 ; persoonlijkheid-2
; persoonlijkheid-3
; persoonlijkheid-4
Als het gaat over de dieren- en plantenwereld is er geen sprake van
“overwegen en besluiten”. Binnen die levende wezens speelt zich een
programmatisch vastgelegde procedure af die voor elk levend wezen vanuit de
evolutie tot stand gekomen is. Aan zo'n programma, dat zich manifesteert als
een complex van instincten en automatismen, valt niet te ontkomen. Er is
slechts de mogelijkheid van een langzame, door de omstandigheden gedwongen,
aanpassing, maar nooit van een verandering of verbetering in de zin van een
eventueel ontwikkelen naar een hoger niveau. Is het programma van een bepaalde
diersoort er op ingesteld in een kudde te leven, dan gaan die dieren vanzelf en
onvermijdelijk in een kudde leven. Er is geen sprake van dat een dier aan een
andere leefwijze de voorkeur geeft. Dieren en planten hebben geen keuze! Maar
soms, vooral bij de hogere diersoorten, laten de ingeboren programma's zo een
ruimte voor variaties open, dat het lijkt alsof er wel een keuze zou zijn met
het erbij behorende overwegen en besluiten. Dit echter is volkomen
voorwaardelijk: binnen genoemde ruimte wordt er niet gekozen maar geprobeerd,
net zolang tot er iets gelukt. Juist omdat mensen zelf alles overwegen en zelf
alles besluiten, en dus aan geen enkel programma getrouwd zijn, kunnen zij ook
geen kuddedieren, massamensen of iets dergelijks zijn.
19.
Onder de moderne wetenschappen neemt de natuurkunde een aparte plaats in,
althans als je de zaak filosofisch beschouwt en daaronder dan ook nog verstaat
dat het in de filosofie gaat om de vraag hoe het zit met de werkelijkheid. Je
kunt dan met recht stellen dat de natuurkunde de materiële illustratie is bij
het verhaal van de filosoof over de hoedanigheid van de werkelijkheid. Het
spreekt vanzelf dat de natuurkunde op zichzelf nog veel meer is dan dat, zoals
bijvoorbeeld ondergrond voor de technologie, maar nu gaat het om de relatie
tussen de filosofie en de natuurkunde. Op de natuurkunde is het begrip
illustratie van toepassing omdat zij op de wijze van “kennis” laat zien wat de
filosofie bijwijze van “weten” te verhalen heeft.
Echter, zoals elke illustratie, heeft ook deze in dit verband een beperking: de
illustratie is noodzakelijk gebonden aan het “bepaalde”. Er kan slechts een
afbeelding gegeven worden van iets dat “te bepalen” is, iets dus dat vorm,
afmeting, plaats of beweging en tijdelijkheid aan zich heeft. Het is dus een
zaak van de materie. Je zou kunnen zeggen dat de filosofie het verhaal van het
algemene vertelt (immaterieel) en de natuurkunde het verhaal van het bepaalde
(materieel). In deze context fungeert het laatste als illustratie van het
eerste. Nimmer mag in een filosofisch verhaal dat laatste, dat bepaalde dus,
als bewijs of onderbouwing opgevoerd worden. De materie heeft ten aanzien van
de werkelijkheid als immateriële zaak geen enkele bewijskracht - wat overigens
onverlet laat dat de materie als illustratie bij de filosofie wel degelijk
overeenkomstig de bekende en betrouwbare feiten moet zijn. Lukraak gefantaseer
is altijd uit den boze...
20.
Een waarlijk universeel filosofisch verklaringsprincipe opent niet de
mogelijkheid de werkelijkheid op enigerlei wijze te berekenen en op grond
daarvan voorspellingen te doen of in processen in te grijpen, maar het opent de
mogelijkheid over de werkelijkheid een samenhangende gedachtegang te ontwikkelen.
Zo'n gedachtegang speelt zich altijd af binnen de sfeer van een bepaald thema
zonder zichzelf ooit vast te leggen, dat wil zeggen: zichzelf van eigen
intrinsieke (=inwendige) beweeglijkheid te beroven. Op grond van het
thematische en beweeglijke karakter van de filosofische gedachtegang kan daar
nimmer een concrete berekening uit voortkomen. En een eventuele voorspelling
kan niet anders dan het karakter van een “idee” hebben. Van een streven om de
werkelijkheid te overheersen kan derhalve bij de rechtgeaarde filosoof geen
sprake zijn. Beleidsadviezen en dergelijke zijn dan ook verwerpelijk en de
filosoof onwaardig!
21.
Het uitgangspunt voor elke betrouwbare gedachtegang over een thema binnen
het geheel van de werkelijkheid ligt noodzakelijk onder het niveau van om het
even welk “basaal materieel deeltje”. Op die onderliggende niveaus - er zijn er
namelijk meerdere - geldt het begrip samenstelling niet meer, maar wel is er
van “energetische systemen” te spreken. In die systemen is een aantal “beweeglijkheden”
aaneengegroeid. Op het diepste niveau ligt de door mij zo genoemde
“beweeglijkheid”. Je hebt het dan over “iets” waarover absoluut niets te zeggen
valt in de zin van een nadere bepaling. Het is een volstrekte onbepaaldheid en
nu is het bij het filosoferen de kunst te begrijpen dat er toch wat over die
onbepaaldheid gezegd kan worden en wat dat dan is... Daarmee heeft de filosofie
de hand gelegd op een absoluut en universeel verklaringsprincipe. Hopelijk is
het onnodig hierbij op te merken dat dit uitsluitend een “denkbare” zaak is die
op geen enkele wijze proefondervindelijk benaderd kan worden.
Wordt de natuurkundige illustratie een steeds meer gedetailleerde zaak, het
filosofische verhaal over hoe de werkelijkheid is wordt almaar meer
genuanceerd. Er is een essentieel verschil tussen beide begrippen.
Gedetailleerdheid is wat anders dan genuanceerdheid. Het eerste is een kwestie
van kwantiteit, maar het tweede van kwaliteit. Dat is gevolg van het feit dat
details, onderdelen, naast elkaar staan en strikt van elkaar gescheiden zijn.
Zij staan, dankzij de analyse, alle op zichzelf. Als zodanig vormen zij een
totaliteit die gaandeweg groter wordt naarmate het onderzoek diepere lagen van
de werkelijkheid bloot legt. Maar nuances zijn overgangen binnen het geheel van een zaak en zij
hangen samen met het begrip hoedanigheid. Zo is bijvoorbeeld van een schilderij
te zeggen dat er allerlei details zijn: afgebeelde voorwerpen, personen of
verschillende lijnen, kleuren, penseel- of messtreken, enzovoort. Maar er is
ook op te wijzen hoe het een in het ander overgaat zonder dat het een van het
ander gescheiden is, precies zoals in het geheel van ons lichaam de
verschillende cellen en organen in elkaar overgaan en allemaal met elkaar
samenhangen. Je hebt het dan over de kwaliteit en dat is een begrip dat ook
voor de filosofie essentieel is.
23.
Binnen het kader van de natuurkunde is het detailleren hetzelfde als het
analyseren. Die menselijke activiteit blijft beperkt tot het materiële en dat
heeft als belangrijkste consequentie dat er een eindpunt aan deze zaak zit,
namelijk daar waar de verschijnselen niet verder geanalyseerd kunnen worden.
Men stuit dan op een “basaal materieel deeltje” met daarnaast materieel
aantoonbare energetische fenomenen die op gewijzigde “toestanden” van genoemd
deeltje berusten. Een diepere analyse is niet mogelijk - let wel: ik heb het
uitdrukkelijk over analyse. Dit begrip is alleen maar van toepassing op datgene
dat uit elkaar te halen is. Haal je dat dan uit elkaar, dan kom je tenslotte
uit op zulke niet verder splitsbare, bijna ongrijpbare, deeltjes. Het is niet
denkbaar dat je zo'n deeltje op zichzelf te pakken zult kunnen krijgen.
Noodzakelijk zal het altijd in een combinatie met iets anders optreden, in
laatste instantie in combinatie met het instrument waarmee de natuurkundig
onderzoeker aan het werk is. Het is immers altijd die combinatie van deeltje en
instrument die voor de onderzoeker een “waarneming” oplevert. Eveneens is het
onvermijdelijk dat de waarnemingen zullen leiden tot de ontdekking dat er een
paar verschillende basale materiële deeltjes bestaan. Er zijn namelijk meerdere
“basale combinaties” mogelijk. En nu is het zo dat een en ander ertoe leidt dat
er in de (natuurkundige) wetenschap geen “Universeel verklaringsprincipe”
gevonden kan worden. Volgens de moderne natuurkundigen en vooral ook de
hedendaagse filosofen is het onzin om te proberen de werkelijkheid uit één
enkelvoudig principe te verklaren of van daaruit te beschrijven. Een dergelijk
pogen zou typerend zijn voor de filosofische “buitenstaanders” die
goedbedoelend mee zouden willen praten met de gekwalificeerde vak filosofen.
Het verwerpen echter van de idee van een “Universeel verklaringsprincipe” zegt
voornamelijk iets over die vak filosofen zelve, namelijk dat zij in feite
helemaal niet filosofisch bezig zijn, maar eigenlijk een soort van primitieve
theoretische natuurkunde beoefenen: natuurkunde met een filosofisch sfeertje...
24.
Als je veronderstelt dat er een paar verschillende basale materiële
deeltjes bestaan kun je er niet onderuit te moeten toegeven dat die deeltjes
alsnog samengesteld zijn. Verschillen berusten immers op de aanwezigheid van
iets bij het een en de afwezigheid daarvan bij het ander. Dat is alleen bij
samenstellingen mogelijk. De natuurkundige kan met zijn onderzoek niet verder
komen dan het aantonen van enkele verschillende basale materiële deeltjes. Ik
denk op grond van een bepaalde redenering dat het er drie zullen zijn, maar in
dit verband doet dat er eigenlijk niets toe. In ieder geval is het uitgesloten
dat er bij het natuurkundig onderzoek één universeel basaal deeltje gevonden
zal worden. Wil men in de natuurkunde tot een universeel principe komen van
waaruit de gehele verschijnselenwereld te verklaren is, dan zal dit een in
zichzelf samengesteld principe blijken te zijn. Het zal op zijn minst uit de
drie door mij genoemde deeltjes bestaan. Zo'n samengesteld principe kan
uiteraard best fungeren als de grondslag voor een zogenaamde “Alomvattende
theorie”, waarnaar tegenwoordig naarstig gezocht wordt. Zo hanteren de moderne
natuurkundigen begrippen als simplexiteit en
compliciteit waaruit ook blijkt dat er gezocht wordt naar een “eenvoudig” begin
van de werkelijkheid.
25.
Sommigen beweren dat de individualistische mens - door mij de individu
genoemd - er geen behoefte aan zal hebben zijn relatie met de andere individuen
te regelen. Dat zou dan zo zijn omdat “de individu” uitsluitend op zichzelf
gericht zou zijn en lak zou hebben aan zijn medemensen. Daartegenover wordt dan
gesteld dat de socialist - en bedoeld wordt de politieke socialist, de sociaal
democraat of de communist - wel grote waarde hecht aan zijn omgang met de
anderen en dat dit voor hem zo is omdat hij de gemeenschap, het geheel, de
samenleving boven zichzelf als enkeling zou stellen. Men vindt ook dat het
geheel, de gemeenschap of de samenleving een vanuit dat geheel opgezette innerlijke
organisatie van node heeft om te kunnen bestaan en zich te kunnen handhaven.
Dat allemaal is je reinste onzin!
Een geheel, of dat nu een samenleving is of een biologisch lichaam, is
absoluut ondenkbaar zonder de daaraan ten grondslag liggende zelforganisatie.
Dat heeft als consequentie dat de mensen terwille van
het geheel dat de samenleving is geen onderlinge betrekkingen behoeven te
regelen. Let wel, ik zeg terwille van het geheel! De
zelf organiserende mens heeft wat dit betreft geen enkele boodschap aan het
hogere geheel van de samenleving. Niet dat hij haar “dus” van geen belang acht,
maar hij weet dat de samenleving er automatisch is als de onderlinge
betrekkingen tussen de individuen in orde zijn. Juist door het bevorderen en
verzorgen van die relaties omwille van die relaties zelf laat de verzameling
mensen, de mensheid, zich vanzelf als een geheel gelden. Niemand loopt zich
derhalve voor de “samenleving” of de “staat” of zijn “vaderland” en dergelijken
uit te sloven en zich daarmee, zoals tot nu toe bijna altijd het geval is, een
aureool van onbaatzuchtigheid en opofferingsgezindheid aan te meten. Ook is er
niemand die, uiteraard ook weer vanuit buitengewoon nobele motieven, vaststelt
en verordonneert hoe de onderlinge betrekkingen tussen de individuen in het
licht van het geheel moeten zijn. Dat is onder andere helaas een fout bij
Hegel, want die vond nu juist dat er wel uitgedacht en vastgesteld moest worden
hoe die betrekkingen zouden moeten zijn. De vertegenwoordiger van dit morele
stelsel zou dan de autocratische vorst moeten zijn. En onze vriend Kant wist
aan te bevelen:
"Dwing ze (!) om in te gaan". Op een dergelijke manier gedacht is
het nauwelijks een probleem een toekomstige “goede” wereld, een variant op Het
Koninkrijk Gods, te ontwerpen: je werkt alles wat je onaangenaam voorkomt weg
door het van hogerhand te verbieden, al of niet op vriendelijke of gewelddadige
wijze. Inderdaad, “dwing ze... “. Maar zo werkt het niet bij in principe vrije
mensen.
26.
De individu is uitermate gebrand op een goede verstandhouding met zijn
medemensen. Ten eerste beseft en weet hij (dat betekent bij mij altijd en
onvoorwaardelijk ook “zij”, jv) dat hij recht moet
laten wedervaren aan het feit dat de ander zonder meer ook bestaansrecht heeft,
en ten tweede weet en beseft hij dat de wederkerigheid van individualistische
relaties er borg voor staat dat hij zelf onvoorwaardelijk geaccepteerd wordt.
Overigens : dit laatste betekent niet dat men elkaar “lief” gaat lopen vinden
omdat op de een of andere manier het christelijke "Hebt elkander
lief" tot gelding zou moeten komen. Juist het incidenteel elkaar uit de
weg gaan omdat men niet zo erg goed met elkaar op kan schieten is een
manifestatie van zonder meer elkaars aanwezigheid erkennen ! In een alsnog
onvolwassen wereld gaat men elkaar niet uit de weg: mensen die niet met elkaar
overweg kunnen laten elkaar zelden met rust; zij zoeken elkaar voortdurend op
en proberen steeds elkaar een hak te zetten.
Het onvoorwaardelijk
erkennen van de aanwezigheid van de ander is in feite het voor de individu
gelden van het begrip socialisme. De volwassen mens - en dat is dus de uitgewikkelde individu - is de waarlijke socialist! En
alleen al in dat “onvoorwaardelijk erkennen” ligt besloten dat er met zorg
omgegaan wordt met elkaars onderlinge relaties. Vanuit politiek socialisme is
zoiets volstrekt onmogelijk, hetgeen dan ook steeds weer gebleken is, onder
andere tijdens de 1e wereldoorlog toen de socialistische “broeders” elkaar
zonder schroom en enthousiast op de slagvelden te lijf gingen.
28.
Socialisme dat zich bemoeit met de relaties tussen de mensen en dat dit
doet omdat men van mening is dat “het geheel” gediend moet worden, is volstrekt
géén socialisme maar staatsterrorisme. Onvermijdelijk is dat terrorisme vanwege
een bepaalde élite, die, hoewel er doorgaans iets anders gezegd wordt,
uitsluitend op eigen macht uit is. Er is geen enkel argument te vinden op grond
waarvan een dergelijke tirannieke bemoeizucht gerechtvaardigd kan worden. De
filosofen wisten het allang, maar gelukkig heeft intussen ook de praktijk
uitgewezen dat zoiets na enige tijd spaak moet lopen. Maar gebleken is ook dat
de naweeën langdurig en verschrikkelijk zijn. In de Oostbloklanden en in de
Sovjet-Unie was het hele maatschappelijke leven doordrenkt van enerzijds de
perversiteit van de overheidscontrole en anderzijds van de perversiteit van de
spionage van de mensen onderling. Men hield elkaar “verticaal” en “horizontaal”
voortdurend in de gaten, belasterde elkaar en zag er niet tegenop zijn medemens
aan afschuwelijk wrede instanties uit te leveren...De mening dat de bevordering
en verzorging van de onderlinge relaties in “het socialisme” het beste gediend
zouden zijn is een foute mening. In een dergelijk socialisme gaat het er alleen
maar om dat de macht van de staat gevestigd, versterkt en gehandhaafd wordt.
Zoals gezegd, is dat de macht van een bepaalde bovenlaag, die bijna als regel
westers geschoold is. Noch de verticale relaties, noch de horizontale, worden
gediend en in feite komt er van samenleven niets terecht. Van socialisme
natuurlijk al helemaal niet!
Verdraagzaamheid-1
; onverdraagzaam-2
;
Regelmatig probeert men u ervan te overtuigen dat mensen als Lenin en Mao tse Toeng het beste met de
samenleving voorhadden. Het is niet onmogelijk dat dit qua idealisme het geval
is, hoewel hun voortdurende hunkering naar macht en het daarbij behorende
stiekeme gedoe zich niet goed laten rijmen met de goedmoedigheid, de verdraagzaamheid en de
oprechtheid die aan mensen met werkelijk goede bedoelingen eigen is. Afgezien
hiervan echter is te stellen dat de strekking van die “goede bedoelingen”
steevast neerkomt op een van bovenaf opleggen van morele en maatschappelijke
codes. En daarmee is aan de verhoudingen binnen een werkelijke samenleving
geweld aangedaan. Dat dit onvermijdelijk het geval is dringt nooit tot die
“goede bedoelers” door. Allicht, want goede
bedoelingen moeten in stand gehouden worden en dus moet datgene dat eraan in de
weg staat buitengesloten worden. Op grond daarvan is het toch beter om geen
vertrouwen in die “grote leiders” te stellen.
Verdraagzaamheid-1
; onverdraagzaam-2
;
30
Wetenschappers beweren dat hun proefnemingen tot objectief begrip van de werkelijkheid leiden. Die
objectiviteit wordt ontleend aan het feit dat anderen dezelfde proeven na
kunnen doen zodat te zeggen is dat de wetenschappelijke feiten ongeacht de
onderzoeker waar blijven. Deze bewering nu is volstrekt Onwaar! Ten eerste zijn
geen twee overeenkomstige proeven precies aan elkaar gelijk. Zij danken hun
fundamentele ongelijkheid aan het voortdurend anders zijn van de omstandigheden,
die weliswaar zo goed mogelijk geëlimineerd worden, maar nooit helemaal ongedaan kunnen worden
gemaakt. Ten tweede, uiteraard daarmee samenhangend, is het altijd “de mens”
die aan de werkelijkheid doormiddel van proeven vragen stelt. Maar de ene mens
is de andere niet en bijgevolg is er altijd enig verschil tussen de gestelde
vragen. Iedere onderzoeker ontwerpt een variatie op een gebruikelijke procedure
van onderzoek. Hij doet dat, als het goed is, zo getrouw mogelijk, maar hij
ontkomt er niet aan dat hij allerlei zaken, bijvoorbeeld zijn meetapparatuur,
bij moet stellen en ijken. Bovendien zijn er ook geen twee instrumenten aan
elkaar gelijk.
Er is nog een belangrijke
factor die een rol speelt bij het wetenschappelijk onderzoek, namelijk de culturele
factor. In elke cultuur heeft men een bepaalde voorstelling van de
werkelijkheid en die wordt bepaald door de thema's die in zo'n cultuur aan de
orde moeten komen. Staat bijvoorbeeld in een cultuur een bepaalde godsdienst
centraal met de daarbij behorende mythe over de schepping van het heelal, dan
is het uitgesloten dat er officieel en gedegen onderzoek naar het ontstaan van
de aarde gedaan kan worden. Is in een cultuur het mannelijke denken dominant,
zoals dat bijvoorbeeld in de Islam en in het Roomse christendom het geval is,
dan is elk gefilosofeer over en onderzoek naar de eigenlijke betekenis van de
vrouw al bij voorbaat onmogelijk. Zo is het in onze cultuur bijna niet te doen
om onderzoek van de grond te krijgen over zaken die zich niet onmiddellijk
berekenen laten. Niet “kwantificeerbare” zaken worden bij voorbaat al als
“speculaties” afgedaan. Door het van tevoren bepalen wat er wel en wat er niet
voor wetenschappelijk onderzoek in aanmerking mag komen, door van tevoren vast
te stellen wat “onzin” is en wat niet, blijven veel geheimen van de
werkelijkheid voor de moderne mens verborgen. Tragisch en ook wel komisch is
het dat juist die moderne mens van zichzelf vindt dat hij bijzonder openstaat
voor de werkelijkheid en haar geheimen. In feite echter geldt dat alleen maar
voor die gebieden die waardig worden geacht onderzocht te worden. De
wetenschappers zouden er goed aan doen wat meer aandacht aan deze feiten te
schenken en er zinvolle conclusies uit te trekken.
31.
Hoezeer sommige oud-socialisten ook verbolgen zijn over het feit dat het in
de huidige maatschappij aan solidariteit ontbreekt en dat de sociale
voorzieningen de een na de ander afgebroken worden, en hoezeer die
oud-socialisten ook gelijk hebben wat de feiten aangaat, toch is het zo dat
nergens ter wereld het besef dat het individu onvoorwaardelijk recht heeft op
veiligheid zo diep in het zelfbewustzijn van de mensen is doorgedrongen als in
de westerse wereld. Al wemelt het van de al of niet bewuste aantastingen van dat
recht en al gebeuren er bij herhaling allerlei gruwelijke misdaden, het zijn en
blijven altijd incidenten die door vrijwel iedereen hartgrondig afgekeurd
worden. Daarom wordt er ook zoveel over gesproken! In de rest van de wereld
zijn de mensen zelfs nog niet eens aan zo'n afkeuring toe. Daarentegen trekken
diegenen die in de westerse traditie staan al geruime tijd niet meer in twijfel
dat elk mens recht heeft op veiligheid. Dat wil zeggen dat hij onderdak heeft,
apparatuur, kleding en voedsel, juridische en medische bescherming tegen
zichzelf en anderen en dat er reisverbindingen en communicatie met de rest van
de wereld zijn. Bovendien moet er vrije toegang zijn tot alle mogelijke
informatie. Deze basisvoorzieningen maken het de mensen mogelijk zich in alle
opzichten te ontplooien.
Uiteraard wordt er met deze zaak regelmatig en op
allerlei manieren de hand gelicht, maar men weet en geeft toe dat dit eigenlijk
niet te pas komt.
32.
De mensen van de westerse cultuur zijn bepaald geen lieverdjes,
integendeel! Juist door hun culturele ontwikkeling tot individu, die immers met
de mens als particulier begint, is het al egoďsme en egocentriciteit wat de
klok slaat. Je kunt er dus van op aan dat er zo veel en zo efficiënt mogelijk
geplunderd wordt terwijl allerlei al of niet verhulde vormen van imperialisme
en kolonialisme veelvuldig voorkomen. Het gaat dus niet aan de westerse cultuur
en haar volgelingen te idealiseren, want nimmer is het moorden, stelen en
tiranniseren zo effectief toegepast. Maar ondanks dit alles is het een
onloochenbaar feit dat de westerse cultuur tegelijkertijd een opvatting over de
individuele mens heeft ontwikkeld die verre die van andere oude en nieuwe
culturen overtreft. Ook dat is een gevolg van genoemde culturele ontwikkeling
tot individu. Men gaat namelijk steeds meer inzien dat men naast zichzelf als
“ik” noodzakelijk “de ander” aantreft en dat uiteindelijk niemand uit de voeten
kan als niet beiden, zowel “ik” als “de ander” tenvolle
en onvoorwaardelijk tot hun recht kunnen komen.
33. persoonlijkheid-1 ; persoonlijkheid-2
; persoonlijkheid-3
; persoonlijkheid-4
In tegenstelling tot wat gewoonlijk gedacht wordt loopt de ontwikkeling tot
individu niet uit in absoluut egoďsme, maar in een individueel ontwikkelde persoonlijkheid
(“de individu”) die ongehinderd samenvalt met de ultieme, voor de kosmos
geldende, verhoudingen. Daarin komt alles tezamen in een in zichzelf volledig
samenhangend geheel dat zich in en voor de individuele mens realiseert. Juist
omdat in en voor die individuele mens, “jij” en “ik”, die alomvattende zaak
zelfbewust is geworden kan er een onvoorwaardelijk bestaansrecht voor elke mens
gaan gelden. Probeer je een humane wereld te ontwerpen op grond van de een of
andere collectivistische formule zoals bijna alle ideologisch ingestelde mensen
willen, dan kom je nooit op een onvoorwaardelijk bestaansrecht uit. Steeds zal
blijken dat men aan van tevoren en van buitenaf bepaalde normen en criteria
moet beantwoorden, normen die bij het collectief behoren en daar bepalend voor
zijn, maar die onmogelijk de individuele persoonlijkheid tot zijn recht
kunnen laten komen.
persoonlijkheid-1 ; persoonlijkheid-2
; persoonlijkheid-3
; persoonlijkheid-4
De veelgehoorde bewering dat de mensheid indertijd godsdienstig begonnen
zou zijn is volstrekt onjuist. De zogenaamd primitieve mensen uit de dagen van
de grijze oudheid waren nog niet in staat iets oppermachtigs buiten en boven de
reële werkelijkheid te plaatsen. Dat is te begrijpen als je bedenken kunt dat
zij geen scheiding aanbrachten binnen het geheel van de werkelijkheid. Voor hen
was die werkelijkheid nog een “moederlijke” zaak: alle verschijnselen, levend
of niet levend, kwamen voort uit de alles omvattende baarmoeder van een “Grote
Moeder”, de “Magna Mater”. Als de mensen uit die dagen tot de ontdekking kwamen
dat er machten waren die de hunne verre te boven gingen - en dat was natuurlijk
voortdurend het geval - dan zagen ze die machten niet als iets uitwendigs, dat
van buitenaf op de wereld inwerkte, maar als iets binnen de wereld van de
“Grote Moeder”. Zo'n macht kon de mensen daardoor niet tot dienstbaarheid
dwingen. Hij behoorde er immers tenvolle bij, hij
maakte deel uit van het leven van de mensen, die er op de een of andere manier
zelf in uitliepen. Het zogenaamd goddelijke gold als een soort van einddoel van
een weg die ieder mens tijdens zijn leven ter loutering aflegde. Als zodanig
stond het goddelijke niet buiten en boven de mens, maar was deel van zijn
leven. Dit sluit godsdienstigheid volstrekt uit. Maar het is wel de verklaring
voor het feit dat men bepaalde verhoudingen in en van de kosmos beschreef met
behulp van gefantaseerde goddelijke mensen en hun gedragingen. Vooral de
Griekse Mythologie is daarvan een goed voorbeeld.
35.
Als je veronderstelt dat de mensen om te beginnen godsdienstig waren heb je
niet begrepen dat godsdienst analyse vooronderstelt, enerzijds, en anderzijds
het zelfbewuste besef dat het zaak is de eigen voorstelling van de
werkelijkheid te toetsen op juistheid. Dat is overigens wat anders dan toetsen
op waarheid. Je kunt ook zeggen dat godsdienst niet denkbaar en mogelijk is
zonder de behoefte aan kennis. Het is nu precies het onvermijdelijke zoeken van
de mens naar een juiste voorstelling van de werkelijkheid dat hem zijn
toevlucht doet nemen tot een occulte verklaring van de vele mysterieuze
fenomenen die zich in de kosmos voordoen. Zo'n occulte verklaring heeft de
pretentie op juiste kennis te berusten en dus onweerlegbaar te zijn. Je moet er
geloof aan hechten, of je wilt of niet. Wie zich afkeert van onmiskenbaar
juiste kennis is achterlijk en zelfs een gevaar voor de samenleving en de
moraal. Waar veel te weinig aandacht aan wordt geschonken door de denkers is
het feit dat men in elke godsdienst verwoed probeert de mensen ervan te
overtuigen dat het godsdienstige verhaal een juist verhaal is, ja zelfs dat het
wetenschappelijk bewézen is. En op grond daarvan ben je wel verplicht er
“geloof “ aan te hechten. Je moet wel aannemen dat een en ander juist is. Bij
het verwerven van kennis behoort het begrip juistheid en aan het gelden van dat
begrip wordt voldaan door de verschijnselen op analytische wijze te
onderzoeken. De analyse, de kennis en de criteria voor juistheid, dat alles
behoort bij elkaar en deze cluster van begrippen geldt tenvolle
voor de godsdienst. Dat staat natuurlijk los van het feit dat de binnen een
godsdienst als juist voorgestelde kennis volslagen onjuist is. Rest echter
alleen nog de vraag waarom men in de wetenschap steeds verder gaat met
onderzoek en het op juistheid toetsen van de kennis, terwijl men in de
godsdienst noodzakelijk vasthoudt aan eenmaal geformuleerde waandenkbeelden,
waarvan men tot vervelens toe blijft beweren dat het juiste kennis is.
Bladwijzer: Brein ; De Verlichting-1, De Verlichting-2, De Verlichting-3, De Verlichting-4, De Verlichting-5 ; Overtuiging-1 ; Overtuiging-2
; Overtuiging-3
;
Vooral sinds de Verlichting
aan het eind van de 18e eeuw zijn de mensen zich in het denken gaan oefenen.
Men was tot de overtuiging
gekomen dat het denken op de een of andere manier de wereld en de mensheid zou
redden, voornamelijk door de via het denken geschapen mogelijkheid betrouwbare
voorspellingen over het verloop van onder andere maatschappelijke processen te
doen. Die voorspellingen zouden het op hun beurt dan weer mogelijk maken
effectief in te grijpen in de gang van zaken. Wat men heel goed in de gaten had
was dat het denken onnavolgbaar en grillig is als er geen regels voor gelden en
dat het voor de denkende mens zaak is zich op een bepaald onderwerp te
concentreren. Doet hij dat niet, dan leidt het denken nergens toe. Er werd dan
ook een systeem van onderwijs bedacht waarin de leerlingen zich konden oefenen
in het concentreren en het naleven van de regels voor het denken.
Tegenwoordig kun je vaststellen dat dat systeem vruchten afgeworpen heeft:
de wetenschap en de technologie hebben een enorme vlucht genomen en de voorraad
aan betrouwbare kennis is inmiddels onvoorstelbaar...Toch is er iets
merkwaardigs! Je kunt je namelijk afvragen waarom er aan het denken gesleuteld
moet worden. Het denken, in de zin van actief scheiden van het een en het
ander, is een werking van de werkelijkheid als zelfbewustzijn. Dat
zelfbewustzijn is het sluitstuk van het wordingsproces in de kosmos en je zou
het een “volmaakte” zaak kunnen noemen, juist omdat het met dat proces niet
verder kan. De wording is klaar en er gaat letterlijk niets bovenuit! Toch is
de moderne westerse mens tot de ontdekking gekomen dat zijn denken in toom
gehouden moet worden, in die zin dat het volgens bepaalde regels moet
functioneren en dat er voor de betrouwbaarheid ervan een aantal criteria geldt
die streng gehandhaafd moeten worden. Deze eigenaardigheid van het denken,
namelijk dat het noodzakelijk is er paal en perk aan te stellen, heeft
betrekking op het feit dat het denken als scheidende activiteit zich richt op
de werkelijkheid als voorstelling zoals die op voor hem kenmerkende wijze in de
mens aanwezig is. Die voorstelling is namelijk, hoewel als abstract
verschijnsel in het menselijk brein aanwezig, op zichzelf concreet en bepaald. Het is steeds
“deze” voorstelling die “van mij” is. Er is geen ruimte voor “een andere”
voorstelling en bijgevolg ook niet voor een voorstelling van “een ander”. Dus:
hij is zoals hij (op een zeker moment) is en zo is hij..! Gaat het derhalve
over het denken - ik bedoel dit in de alledaagse betekenis - dan hebben we te
doen met een vastleggend proces en in zoverre is van het denken te zeggen dat
het “tegennatuurlijk” is, in feite “cultureel”. Omdat het denken vast moet
leggen moet het gereglementeerd worden of, anders gezegd: omdat het denken bij
de mens een zelfbewuste zaak is geworden moet het voldoen aan de criteria die
voor de werkelijkheid als zelfbewustzijn, dus in feite de voorstelling, gelden.
Van nature legt het denken niet vast. Het onderscheidt het een van het ander
binnen de werkelijkheid als bewustzijn. Omdat binnen die werkelijkheid alles
met alles samenhangt “springt” dat onderscheiden, dat denken, dan ook “van de
hak op de tak”. Het is grillig, onvoorspelbaar en van zich uit niet vast te houden.
Bladwijzer: Brein ; De Verlichting-1, De Verlichting-2, De Verlichting-3, De Verlichting-4, De Verlichting-5 ; Overtuiging-1 ; Overtuiging-2
; Overtuiging-3
;
37.
Voor diegenen die voor hun levensbeschouwing afhankelijk zijn van een door
de wetenschap geboden houvast zijn de ideeën van Paul Feyerabend
een gruwel. Je kunt er rustig van uitgaan dat er heel wat van dergelijke
intellectuelen zijn, mensen die menen dat een wetenschappelijke opleiding een
gedegen garantie biedt voor juiste voorstellingen en standpunten. Het behoeft
niet te verwonderen dat vrijwel de gehele intellectuele goegemeente diep
geschokt was toen zij geconfronteerd werd met Feyerabends
“Against Method”. Slechte lezers als intellectuelen
nu eenmaal onvermijdelijk zijn, kwamen zij onmiddellijk tot de conclusie dat Feyerabend probeerde wetenschappelijke methodes af te
schaffen en aan te tonen dat je maar wat aan kunt rotzooien en dat dit altijd
goed was. Anarchistische wetenschapsbeoefening dus, zonder regels, zonder
criteria en vooral: zonder verantwoording af te leggen voor het zogenaamde
“forum der wetenschap”, zo beweerde men verontwaardigd. Een typisch staaltje
van intellectuele geborneerdheid. . !
Feyerabend
heeft namelijk nooit beweerd datje zonder een methode onderzoek kunt plegen of
theorieën opstellen. Van “rotzooien” of “ins Blaue hinein” fantaseren was bij hem geen sprake. Alleen al zijn
publicaties bewijzen dat er streng, gewetensvol en getrouw geredeneerd moet
worden. Maar wat hij wel hartstochtelijk heeft afgewezen is het arrogante
standpunt dat er maar één strikt aan regels gebonden wetenschappelijke methode
zou zijn. Hij heeft terecht steeds volgehouden dat elke methode goed is en wat
daarbij uiteraard door bedoelde intellectuelen over het hoofd wordt gezien is
dit dat hij het wel nadrukkelijk over een methode heeft. Hij was er dus niet op
uit de mensen ervan te overtuigen dat methodes maar beter afgeschaft konden worden,
maar hij probeerde duidelijk te maken dat methodes niet bij voorbaat en onder
dwang vastgelegd en voorgeschreven kunnen worden.
38.
Het is natuurlijk een feit dat vastgelegde en voorgeschreven methodes al
bij voorbaat nieuwe wegen afsluiten. Omgekeerd blijkt steeds weer dat diegenen
die zich op nieuwe en onbekende wegen hebben begeven zonder mankeren de
bestaande methodes aan de laars gelapt hebben, daartoe, zoals te begrijpen is,
gedwongen door het nieuwe en onverwachte dat zich aan hen voordeed. Dat is een
algemeen bekend feit dat zich heel gemakkelijk controleren laat, maar toch
willen bedoelde intellectuelen er niets van weten. Iedere keer worden zij kwaad
als zij op de een of andere manier met het afwijkende te maken krijgen. Dat
verschijnsel is gemakkelijk te verklaren: de intellectueel is de
wetenschappelijk ontwikkelde mens voor wie de wetenschap functioneert als een
godsdienst met alle dogma's van dien en uiteraard met zijn rustgevend houvast.
Noch de dogma's, noch het houvast kunnen door zo'n intellectueel straffeloos
losgelaten worden. Ik bedoel dat hij dat nooit vanuit zichzelf, op eigen
initiatief dus, zal doen. Hij doet het uiteraard wel als de officieel
gevestigde wetenschap daar aanleiding toe geeft. Nieuwe, door haar aanvaarde en
verkondigde standpunten en zienswijzen worden natuurlijk wel en zonder dralen
overgenomen. Dat laatste is voor de intellectueel van levensbelang : hij moet
immers steeds up-to-date zijn! Daar is hij nu juist een intellectueel voor...
Maar vanaf het moment dat hij zich nieuwe kennis verworven heeft geldt die
kennis weer als dogma en houvast.
39.
We noemen sommige mensen geniaal. Dat is natuurlijk onzin, want zo'n
kwalificatie wekt de suggestie dat er een apart soort mensen zou bestaan dat op
de een of andere manier met een extra intelligente dimensie begiftigd zou zijn.
In feite is er met die mensen iets anders aan de hand, en wel deze
eigenaardigheid dat zij niet in staat en bereid zijn hun denken bij voorbaat te
reglementeren en zodoende in het keurslijf van een bepaalde methode te wringen.
Hun denken is in eerste instantie natuurlijk en grillig gebleven.
Dat leidt ertoe dat zij voortdurend openstaan voor invallen en fantasieën.
Zij reageren daarop niet door ze onverwijld uit het hoofd te zetten, maar door
ze nader te beschouwen en er uitvoerig en onbevreesd over na te denken. Daarbij
is ook dat “secundaire” nadenken in principe onbelemmerd, het mag alle kanten
opgaan. En nu komt het merkwaardige: juist doordat het denken vrij is zich
willekeurig te bewegen krijgt het na enige tijd vanzelf vorm en voegt het zich
naar verhoudingen die voor de werkelijkheid zelve gelden, zonder door onze
denker van tevoren en op grond van gebruikelijke kennis en theorieën
vastgesteld te zijn. Criteria, normen en causaliteiten
gaan vanzelf hun rol spelen en leiden er tenslotte toe dat de ontstane
“mengelmoes” van ideeën toegankelijk wordt voor een zo getrouw en consequent
mogelijke beoordeling. Vaak zal blijken dat de zaak niet houdbaar is, vanzelf
in het denken zijn onmogelijkheid openbaart of bij toetsing aan de praktijk
aanvankelijk verborgen fouten aan het licht brengt. Maar, het is bepaald niet
uitgesloten dat er iets te voorschijn komt dat op enigerlei wijze een stapje
vooruit is. Diegenen echter die als brave ambtenaren gehoorzaam op de
voorgeschreven paden blijven door hun denken bij voorbaat al te reglementeren
zullen nooit op eigen kracht een stapje verder komen, maar daarentegen altijd
aangewezen zijn op door anderen boven water gehaalde nieuwe kennis. Deze
ambtenaren zijn de intellectuelen, zij zijn de ambtenaren van het genie..!
De Verlichting-1,
De Verlichting-2,
De Verlichting-3,
De Verlichting-4,
De Verlichting-5
Sinds de Verlichting
moet de moderne mens niets hebben van het grillige en fantasierijke vrije
denken. Zelfs zogeheten “vrijdenkers” hebben doorgaans de grootste moeite
waardering voor dat creatieve vrije denken op te brengen. Het is voor hen ook
niet zo aantrekkelijk: je loopt voortdurend het risico je houvast te verliezen.
En dat houvast is voor de meesten heel belangrijk, omdat de wetenschappelijke
voorstelling van de werkelijkheid die van de godsdienst heeft vervangen! De
wetenschap functioneert dan ook op precies dezelfde wijze als voordien de
godsdienst: een op zichzelf “heilig” stelsel dat nimmer in twijfel mag w orden
getrokken.
De Verlichting-1, De Verlichting-2, De Verlichting-3, De Verlichting-4, De Verlichting-5
41.
Het is opvallend dat de doorsnee intellectueel niet kan lezen. Terwijl hij
bij het lezen van een tekst de woorden in zich opneemt is hij al bezig ze aan
zijn voorstelling te toetsen. Valt die toetsing verkeerd, dan is verder mee- en
doordenken uitgesloten. Valt die toetsing echter goed, dan zijn de gevolgen nog
treuriger: er wordt onmiddellijk en onvermijdelijk een eigen “exegese” aan
gegeven, dat wil zeggen, een volkomen in het eigen straatje passende uitleg. In
beide gevallen is er van het lezen en ter overdenking in zich opnemen van eens
andermans gedachten niets terecht
gekomen! De verklaring van dit toch eigenlijk onverwachte fenomeen is
gelegen in het feit dat de intellectueel slechts bestaat bij de gratie van een
onverbiddelijk vastgehouden voorstelling van de werkelijkheid. Een voorstelling
die voor hem volstrekt maatgevend is omdat hij op de wetenschap berust. Zo kun
je de gemiddelde intellectueel als voorbeeld nemen van een mens die het
slachtoffer is geworden van de dogmatiserende werking van de wetenschap. Ten
gevolge van dit dogma leest hij alleen maar wat hij wil lezen en het is dan ook
dit gelezene dat hij eventueel aan- of bijvalt. Zijn
kritiek richt zich zelden op datgene dat er werkelijk staat.
42.
Het kennistheoretische criterium dat alle wetenschappelijke kennis
gecontroleerd moet kunnen worden en op grond daarvan bevestigd of bestreden is
wel juist, maar het is dat alleen maar voor een bepaalde wetenschappelijke
kring. Voor diegenen die niet met het betreffende specialisme vertrouwd zijn en
uiteraard voor al diegenen die een mindere of helemaal geen academische
opleiding gevolgd hebben is controle volstrekt onmogelijk. Er blijft voor hen
niets anders over dan te vertrouwen in de integriteit van de wetenschappers. Op
grond van dat vertrouwen kunnen zij hoogstens aannemen dat de door
wetenschappers gedane beweringen juist zijn. Omdat het wetenschappelijk
onderzoek steeds voortgaat ligt het volledig in de rede dat het gros van de
mensen hun vertrouwen aan de wetenschap en haar beoefenaren schenken. Juist het
zichzelf corrigerende vermogen van de wetenschap staat garant voor een zo groot
mogelijke betrouwbaarheid. Stel je daar tegenover de beweringen die men vanuit
de godsdienst doet, dan valt niet te ontkennen dat je ook hierbij aangewezen
bent op het stellen van vertrouwen en op het aannemen dat iets juist is. Ook
hierin heb je geen keuze. Maar de voor de godsdienst essentiële eis van het
onaantastbaar zijn van de absolute waarheid, die eeuwig en onveranderlijk is,
leidt ertoe dat je volstrekt géén vertrouwen in theologische uitspraken kunt
stellen. En omdat een dergelijk vertrouwen misplaatst is is
het zonder meer dom om aan te nemen dat godsdiensten met juiste uitspraken
kunnen komen. Omdat het echter in beide gevallen in principe om de begrippen
vertrouwen en aannemen gaat kun je in de praktijk van het dagelijkse leven
steeds geconfronteerd worden met het als een dogma functioneren van beide. In
het geval van de godsdienst zou ik dan de slachtoffers “geestelijken” willen
noemen en in het geval van de wetenschap noem ik ze “intellectuelen”.
43.
De werkelijkheid die niet als voorstelling maar als beeld in ons aanwezig
is laat zich voortdurend ervaren als datgene watje aan de voorstelling
ondergaat, wat je eraan beleeft, wat je eraan ontroert en zo meer. Maar ook wat
je eraan opvalt. Al deze dingen laten zich via de voorstelling gelden. Zo hangt
bijvoorbeeld niemand het een of andere plaatje op aan zijn kamerwand als het
alleen maar om de voorstelling van dat plaatje zou gaan. Aan de voorstelling op
zich is niets te beleven! Men hangt zo'n plaatje op voorzover
er juist wel iets aan te beleven valt. Het is nu juist dat “beleven” dat
onmiskenbaar verwijst naar de werkelijkheid als beeld. Het is te begrijpen dat
de mensen van tegenwoordig bijna volslagen onkunstzinnig zijn geworden. Zij
moeten namelijk niets hebben van die ongrijpbare, ondefinieerbare en niet vast
te leggen werkelijkheid als beeld. Zij kunnen daarmee niet uit de voeten, weten
er in het geheel geen raad mee. Ook van de filosofie komt niets terecht. Zij
immers houdt zich ook met dat “beeld” bezig. Zij probeert een logische
beschrijving te geven van die “werkelijkheid achter de dingen”, die er
overigens helemaal niet “achter” ligt, maar die het wezen van de dingen is.
Kant zocht naar “das Ding an sich”,
het ding op zichzelf, en hij kwam tot de conclusie dat je dat niet zou kunnen
achterhalen. Het enige wat je volgens hem zou kunnen doen was het denken zo
zuiver mogelijk te systematiseren opdat onze ervaring van dat “ding” zo
betrouwbaar mogelijk zijn zou. Het denken van Kant is de grondslag voor de
huidige filosofie geworden en eigenlijk zelfs van het gehele zogenaamd exacte
denken.
44.
De filosofie behoort tot de kunsten en volstrekt niet tot de wetenschappen.
Het denken over de filosofie kan een wetenschap zijn, zoals in feite zo
ongeveer alles object van wetenschap kan zijn. Maar de filosofie zelf is een
kunst. Dat komt doordat zij zich bezig houdt met de werkelijkheid als beeld,
waarvan zij een logische beschrijving en een zo genuanceerd mogelijke
uiteenzetting geeft.
Alle kunsten houden zich, ieder op eigen specifieke wijze, bezig met de
werkelijkheid als beeld. Het universele van de kunsten (inclusief de
filosofie!) is die gerichtheid op het beeld. Dat is immers een werkelijkheid
die in een ieder aanwezig is en die bovendien voor een ieder dezelfde is. De
voorstelling echter is bij een ieder anders zodat die nooit een universeel
karakter kan hebben. Over het karakter van de voorstelling kunnen de mensen het
bij gelegenheid hoogstens “eens” zijn, zelfs kunnen zij na overleg met elkaar
tot overeenstemming komen, zoals dat bijvoorbeeld bij wetenschappers het geval
is.
Nog steeds gaat de wereld gebukt onder een groot aantal conflicten die de
mensen met de wapenen uitvechten. Over veel van die conflicten hoor je
nauwelijks iets omdat het voor de pers en de internationale organisaties niet
interessant is. Maar, er zijn toch altijd wel organisaties en individuele
deskundigen die inlichtingen kunnen verstrekken. Vraagje daarnaar dan blijkt
dat de bedoelde conflicten bijna steeds met het begrip oorlog benoemd worden,
maar daar in feite nauwelijks mee te maken hebben. Natuurlijk, er sneuvelen
mensen door toedoen van gewapende mannen en soms wordt er ook zwaar oorlogstuig
gebruikt zoals kanonnen en tanks, een enkele maal zelfs technisch geavanceerde
vliegtuigen. Ook kun je constateren dat er bevelsstructuren zijn waarbij men
gebruik maakt van de bekende benamingen zoals die sinds onheuglijke tijden aan
de verschillende rangen gegeven worden. Zo zijn daar korporaals, sergeanten,
luitenants enzovoort. Deze en nog wat andere zaken echter brengen ons
gemakkelijk op een dwaalspoor als het erom gaat een oordeel te vormen over de
hedendaagse gevechten van de mensen. Het begrip oorlog heeft in de loop der
tijden een bepaalde inhoud gekregen, voornamelijk naar aanleiding van de vele
in de westerse wereld gevoerde oorlogen. Het is zelfs zover gekomen dat er
bepaalde regels zijn opgesteld waaraan de oorlogvoerenden zich hebben te houden
en na de tweede wereldoorlog is men er zelfs toe overgegaan bepaalde militairen
en politici te berechten en schuldig te verklaren aan misdaden tegen de
mensheid en de menselijkheid. Alsof bepaalde vormen van “burgerlijk recht” ook
geldig zouden zijn onder de abnormale omstandigheden van een oorlog waarin als
regel juist het normale, algemeen aanvaarde “burgerlijke recht” goeddeels
buiten werking gesteld wordt. Niet alleen echter dat er bepaalde regels zijn
opgesteld, er is ook een definitie van oorlog op tafel gekomen, en die komt in
grote trekken hierop neer dat er sprake moet zijn van “legers” met een
bevelsstructuur en dat er uitsluitend door die legers gevochten wordt. De
burgers moeten letterlijk “buiten schot” gehouden worden evenals trouwens
geneeskundige diensten en kampen voor krijgsgevangenen. Zo zijn er nog meer criteria op
te noemen die echter alle betrekking hebben op grote organisaties die volgens
van tevoren opgestelde regels tewerk gaan en die optreden op gezag van
statelijke overheden en hun hoogste vertegenwoordigers. Dit begrip oorlog is
echter volstrekt niet van toepassing op de strijd die wij tegenwoordig in zo
ongeveer alle windstreken aantreffen. Deze strijd kent geen reglementen en
andere criteria en hij wordt bijna steeds door betrekkelijk kleine groepen,
slechts van een persoonlijke bewapening voorziene, mannen gevoerd. En de
activiteiten van deze mannen worden niet door staatsinstituties bevolen en
gerechtvaardigd, maar door “warlords” die op eigen gezag tekeer gaan.
Desnoods hebben die
“warlords” wel een groter doel voor ogen, zoals een eigen staat voor een
bepaalde etnische groep, maar hun optreden is geheel op eigen gezag. Verder
valt op dat grotere doelen, indien aanwezig, nauw samenhangen met de behoefte
aan een eigen identiteit die uiteraard onmiddellijk inhoudt dat er altijd “anderen” zijn die uitgeroeid moeten worden
of tenminste verdreven. De eigen identiteit sluit die van anderen volledig uit,
precies zoals de mens als “ik” in principe slechts gedefinieerd kan worden door
“niet-ik” buiten te sluiten en te ontkennen. De mensen kunnen qua ontwikkeling
niet om deze zaak heen. Het conflict tussen “ik” en “niet-ik” is niet te vermijden, maar het is
tegelijkertijd een feit dat de tegenwoordig steeds optredende gewelddadigheid
wel degelijk vermeden kan worden. Dat is te zeggen: als dat grote moorden
eenmaal begonnen is ontkomt men er zelden aan, maar het behoeft er niet
noodzakelijk aan mee te komen. Doorgaans zijn het misdadige geestdrijvers die
zich als leiders opwerpen en de mensen tot bloeddorstig fanatisme opzwepen. Een
fanatisme dat bijna steeds met godsdienstige waanvoorstellingen gepaard gaat. Dat alles maakt
het onverantwoord om zonder nadere toelichting over een oorlog te spreken.
46
In feite hebben we bij de hedendaagse gewelddadige conflicten te maken met
losgebroken moordlust die zich ongebreideld uitleeft. Doordat die moordlust
zich bij die conflicten overal voordoet hebben de al of niet toevallig erbij
betrokken mensen geen enkele keuze: zij zijn gedwongen zo goed mogelijk lijf,
goederen en verwanten te redden, bijna steeds door hun aanvallers met hetzelfde
geweld tegemoet te treden. Gemoedelijkheid, vredelievendheid en al helemaal
geen redelijkheid baten, niets biedt enige kans behalve evengroot
of groter geweld. Omdat zij geen keus hebben is dat die mensen niet kwalijk te
nemen.
Anderzijds, zelfs al zouden zij min of meer gelaten hun eigen dood
aanvaarden, bijvoorbeeld vanuit pacifistische overwegingen, dan nog kunnen zij
geen vrede hebben met de gruwelijke dood van hun verwanten. Er is geen ontkomen
aan, behalve, als men geluk heeft, een haastige vlucht...
Het westerse pacifisme is een uitgesproken luxe aangelegenheid. Er gebeurt
in de westerse wereld nauwelijks iets dat pacifisme tot een farce maakt, zeker
niet op het gebied van oorlog. En als er wel van een oorlog gesproken kan
worden is er altijd nog de mogelijkheid van een al of niet door de overheid
toegestane en geregelde weigering om mee te doen. Zelfs de zogenaamde
totaalweigeraars lopen nauwelijks enig ernstig risico en, naar het schijnt, was
dat zelfs zo in de Duitse Wehrmacht ten tijde van het
nazisme. Voorzover mij bekend zijn er althans geen doodvonnissen op grond
van weigeringen uitgevoerd. Onder die omstandigheden is pacifisme, hoewel een
luxe, alleszins prijzenswaardig, voor velen een voorbeeld en een serieuze
waarschuwing in de richting van de overheid, maar niet méér dan dat. Het is
immers een standpunt dat eigenlijk en oorspronkelijk een reactie is op de,
zelfs - hoe absurd! - min of meer gereglementeerde, traditionele oorlog zoals
die overigens voor het westen stellig tot het verleden behoort. Ten aanzien
echter van de, op basis van primitief particulier individualisme, losgebroken
moordlust en de daarmee samengaande psychische ontreddering heeft het
gebruikelijke pacifisme geen enkele reële betekenis, sterker nog: het is zelfs
uitgesproken naďef te noemen. Je bent natuurlijk moreel en zelfs filosofisch
verplicht om het pacifisme als idee te handhaven - je kunt niet voor moorden en
verkrachten zijn! - maar dat betekent niets als je tegenover een dolgedraaide
moordenaarsbende komt te staan. Je zult dan toch vroeg of laat, ondanks je
pacifisme, van je afmoeten gaan slaan. Als
rechtvaardiging is er één onweerlegbaar en doorslaggevend argument: het door
anderen begonnen geweld dat een aantasting is van leven en goed van op zichzelf
vredelievende medemensen moet gestopt worden. Tenslotte is het nog altijd zo
dat die vredelievende mensen de werkelijkheid niet verbreken terwijl de gewelddadigen en de moordenaars dat wel doen. Deze laatsten
zijn inderdaad “niet goed bij het hoofd” en dat kan van die vredelievende
mensen, althans wat dit betreft, niet gezegd worden. Hun tegengeweld, dat
uiteraard een laatste optie is, is gerechtvaardigd door het feit dat het een
poging is de misdaad, het verbreken te stoppen.
48.
Voorzover
er in de moderne wereld het eerlijke streven is de militairen in te zetten om
de misdaad te stoppen kun je van een onmiskenbare “stap voorwaarts” spreken.
Was het militaire bedrijf er vroeger op gericht doormiddel van noodzakelijk
dodelijk geweld politieke doelen te bereiken en was met het oog daarop het
feitelijke militaire handwerk dat van de moordenaar, thans begint het er naar
uit te zien dat het beletten van de misdaad de doelstelling wordt. Filosofisch
en ethisch gezien zit hier een houdbare kaart in: misdaad is de daad van het
verbreken van de samenhang en dat is welbeschouwd het ergste waartoe een mens
komen kan. Het is het ergste omdat het een essentie van de “volmaakte”, want
menselijke, werkelijkheid ontkent, namelijk de voor het zelfbewustzijn van de
mens geldig geworden samenhang, en tegelijkertijd omdat het de mens qua aanleg
gegeven is de werkelijkheid niet te verbreken. Het feit dat er hier van een
wezenlijke keuze gesproken moet worden en het dus altijd mogelijk is de misdaad
achterwege te laten maakt het verbreken van de samenhang tot de ultieme
misdaad.
49
Je moet denken in termen van het beletten van de misdaad want anders ontstaat
er een verkeerde voorstelling van zaken. Het beletten houdt namelijk in dat er
al wel van misdaad gesproken kan worden. Deze staat op het punt van gepleegd te
worden en er is kennelijk al een ernstig conflict gegroeid. Het feit echter dat
dit het geval is duidt erop dat wij nog steeds met een Onvolwassen mensheid van
doen hebben, een mensheid waarin de onderlinge botsingen nog uit kunnen groeien
tot werkelijk levensgevaarlijke conflicten waarbij er reeds naar de wapenen
gegrepen wordt. In een onvolwassen wereld kom je, als je geluk hebt, niet
verder dan het nog juist op tijd beletten van de misdaad. Het is daarentegen de
volwassen mensen gegeven conflicten te voorkomen. Dat wil niet zeggen dat er
dan geen botsingen meer zijn, maar het wil zeggen dat de mensen mentaal zover
gevorderd zijn dat zij hun “oplossend vermogen” effectief hebben leren
gebruiken. Over dat “oplossend vermogen” is nog heel wat te zeggen, maar in
ieder geval speelt de aanwezigheid en het vrij ter beschikking staan van
informatie, benevens een effectieve communicatie een cruciale rol. Merk op dat
ik begrippen als redelijkheid, tolerantie en zomeer
in dit verband niet hanteer!
50.
Het begrip redelijkheid, met daaraan gekoppeld de bereidheid om tolerant te
zijn, is welbeschouwd een relatief begrip. Dat wil zeggen dat het een begrip is
dat onder bepaalde voorwaarden bestaat kan, maar dat geen universele geldigheid
bezit. Dat moetje aldus verstaan dat het niet de zaak dient waaraan het
toegeschreven wordt, in dit geval het individu, maar een zaak die betrekking
heeft op de aanwezigheid van iets of iemand anders en de relatie daarvan tot
bedoelde individu. Het is een uitvinding van de “verlichte” mens die aan
zichzelf en anderen de eis stelt zich niet tenvolle
en geheel naar eigen aard te laten gelden en zodoende een deel van zichzelf in
de relatie met de ander buiten beschouwing te laten. Redelijkheid is dus niet
denkbaar zonder een soort van hogere instantie, een boven de persoon uitgaande
norm die het belang van de relatie dient, maar niet het individu. Dat geldt ook
als die relatie niet een andere persoon betreft, maar iets anders, de waarheid
of de ideologie bijvoorbeeld. Denk je hier op door, dan kom je tot de
onafwendbare conclusie dat de rede, tolerantie, redelijkheid en wat er verder
nog als de maat gesteld wordt op de onvrijheid van de onvolwassen mens
berusten. Voor de volwassen mens moeten noodzakelijk andere begrippen gelden.
Natuurlijk kan ook die volwassen mens niet om het feit heen dat “de ander” er ook is. Sterker nog: juist die
volwassen mens laat “de ander” geheel en al tot zijn recht komen. Maar onder
die omstandigheden wordt zijn relatie tot die ander niet gekenmerkt door een
wederzijds “geven en nemen”. Doordat men wederzijds de kwaliteit van elkaars leven
optimaliseert is er in elke relatie een in elkaar overgaan van beider levens.
Dit houdt niet in dat een ieder iets van zichzelf uitschakelt, noch dat de een
zich in de ander “verliest”, zoals dat in bepaalde idealistische filosofieën zo
fraai heet, maar het houdt in dat binnen de context van zo'n relatie beider
persoonlijkheden tijdelijk in elkaars licht komen te staan. Dat is wat je “de
ontmoeting” zou kunnen noemen en de wederzijdse invloed, die van zo'n
ontmoeting uitgaat, verrijkt het leven van ieder der betrokkenen en dit staat
in schril contrast met “geven en nemen” waarbij beiden wezenlijk aan elkaar
tekort komen. Met allerlei criteria, normen en tactische procedures, zoals die
tezamen de gebruikelijke inhoud van het begrip levenskunst vormen heeft dit
alles absoluut niets te maken. Rede, redelijkheid, tolerantie, omgangsvormen en
zulke zaken zijn nu onzin geworden, van buitenafgeregelde
beweeglijkheid van het leven die in wezen niet anders dan frusterend
kan zijn.
51.
Het “optimaliseren” van elkaars leven betekent alleen
maar dat de een nalaat het wezen en het zich manifesteren van de ander hoe dan
ook te belemmeren. Je kunt niet het wezen en het zich manifesteren, het
er-zijn, van de ander verbeteren of veranderen. Toch lijkt het alsof je dat wel
kunt: in een wereld waarin niemand de ander met rust laat en niemand zichzelf
met rust laat blijft een ieder ellendig ver onder zijn niveau. Gelukt het je nu
die wederzijdse bemoeizucht, dat elkaar voortdurend belemmeren en hinderen, op
te heffen, dan is het resultaat een mens die, vergeleken bij voordien,
“veranderd” en “verbeterd” is. In feite echter is hij zichzelf geworden. Dat
berust dus niet op het aan iemand toevoegen van kwaliteiten, maar op het
opheffen van belemmeringen. Een relatie kan zodanig van aard zijn dat dit
opheffen functioneert en in dat geval spreek je van het “optimaliseren van elkaars leven”. Daarvoor
behoef je dus niets te doen, maar moet je iets laten..!
52.
Als het goed is - maar tegenwoordig komt dat zelden voor - geeft de
filosofie er blijk van dat het gaat om de beschrijving van de werkelijkheid als
beeld. Zo'n beschrijving heeft een verhalend karakter, hetgeen wil zeggen dat
alles voortdurend in elkaar overgaat, in overeenstemming met het genuanceerde
(niet gedetailleerde) karakter van het beeld. Met metafysica heeft dit niets te
maken. Het is namelijk met die metafysica zo dat het gaat om een denken dat
boven het fysische uitgaat. Dus boven de stoffelijke dingen. Volgens de,
inmiddels al weer niet meer zo erg moderne “positivisten” is een dergelijk
denken zinloos omdat door het ontbreken van elke mogelijkheid van controle alle
beweringen speculaties moeten blijven. Zelfs gaan die positivisten zover dat
zij ongeacht welke metafysische uitspraak voor onwaar, onjuist en bedrieglijk
houden. Zij zien er dan ook niet tegenop de gehele vroegere filosofie, en
uiteraard speciaal die van Hegel (!), bij het afval te gooien en hun eigen,
volgens hen nauwkeurig controleerbare gedachten tot ultieme waarheid te
verheffen. Nu moet toegegeven worden dat er in de filosofie heel wat bij elkaar
gefantaseerd is, meestal door het te pas en te onpas opvoeren van een “Deus ex
Machina”, een “duveltje uit een doosje”. Dat wil zeggen: een grootheid die niet
vanuit een voorgaande consistente gedachtegang afgeleid kan worden. Iets dus
wat letterlijk “uit de lucht gegrepen is”. De positivisten hebben er goed aan
gedaan menige onzinnige uitspraak van metafysici bloot te leggen en aan de kaak
te stellen. Maar, in hun ijver de filosofie, “op te schonen” hebben zij bij
herhaling de een of andere voortreffelijke, desnoods niet zo erg goed
onderbouwde, uitspraak belachelijk gemaakt, zozeer zelfs dat nauwelijks nog een
filosoof hem dorst herhalen, laat staan onderschrijven en verdedigen. Er zijn
namelijk nogal wat filosofische uitspraken die eigenlijk uitstekend gegrond
zijn, maar waarvan de argumentatie nu eenmaal niet voldoet aan de tegenwoordig
geaccepteerde criteria. Het moderne, op de analyse gestoelde, denken keurt zo'
n gedachtegang en de daarbij gebruikte argumenten niet goed.
53.
De bij het analytische denken gehanteerde criteria zijn
kwantificeerbaarheid, herhaalbaarheid en voorspelbaarheid. Dat betekent
achtereenvolgens dat een bepaalde bewering in getallen, of althans in eenheden
van waarde, uitgedrukt moet kunnen worden, welke getallen of waarden als
factoren in een formule invoerbaar zijn; voorts
betekent het dat een ieder die de beschikking heeft over de betreffende
gegevens het onderzoek of de proef of het proces kan herhalen teneinde de juistheid
te toetsen en tenslotte moet de zaak de mogelijkheid inhouden om betrouwbare
voorspellingen te doen. Deze, en nog enkele andere criteria zijn volkomen
terecht als het over de moderne wetenschap gaat. Het object van die wetenschap
is de werkelijkheid als voorstelling zoals die in het zelfbewustzijn voorhanden
is. Binnen het kader van die voorstelling zijn alle verhoudingen, ook als ze op
bewegingen berusten, vastgelegd. Zij beantwoorden aan formules. Dat is het
geval omdat zij op relaties tussen materiële samenstellingen berusten. Omdat in
die relaties het beweeglijk-zijn van de “primaire materie” wordt opgeheven (ook
als er toch nog beweging overblijft) zijn zij - hoewel met moeite -
berekenbaar.
54.
In de metafysica worden uitspraken gedaan over een werkelijkheid die het
stoffelijke te boven gaat, althans: men beweert dat dit het geval is en dat
zo'n werkelijkheid inderdaad zou bestaan. Dat evenwel is niet het geval. Er
bestaat geen “hogere onstoffelijkheid”. Doordat men bij het denken over een
dergelijke, zogenaamd boven de materie uitgaande, werkelijkheid geworteld
blijft in het voor de materie geldende analytische denken doet men uitspraken
die een sfeer van wetenschappelijkheid aan zich hebben, maar die in feite
volkomen irreëel zijn. De theologie en een goed deel van de ouderwetse
filosofie zijn er voorbeelden van. Echter: veel filosofische uitspraken worden,
vooral sinds het optreden van de positivisten, “metafysisch” genoemd zonder dat
dit terecht is. Hierdoor evenwel wordt veel waardevols overboord gezet, hetgeen
nog eens een extra dimensie geeft aan de armoede van de moderne filosofie. Het
gaat in de filosofie over de werkelijkheid als beeld en dat is een niet-
kwantificeerbare, niet- herhaalbare en niet- voorspellende werkelijkheid. Deze
wordt gekenmerkt door zogezegd “de oer-beweeglijkheid van de werkelijkheid”
Uitspraken hierover zijn bij herhaling gedaan in de loop der tijden, maar zoals
gezegd zijn zij meestal onder de rubriek van de metafysica gerangschikt, met
als gevolg dat men er thans niets van moet hebben...
Je kunt echt filosofische uitspraken niet toetsen volgens de voor het
wetenschappelijke denken geldende criteria. Degene die van zulke uitspraken
kennis neemt toetst ze door ze als uitgangspunt van een gedachtegang te nemen
en vervolgens te zien of je nergens vastloopt en of de samenhang met alle
andere thema's ongestoord gehandhaafd blijft. Het weefsel dat de werkelijkheid
als beeld is mag tijdens genoemde gedachtegang nimmer doorbroken worden. Dat is
de toetsing die voor het filosofische denken geldt.
55.
Denken volgens de zogenaamde “dialectische methode”,
zoals bijvoorbeeld Marx en zijn socialistische epigonen dachten te beoefenen,
is volslagen Onmogelijk! Misschien gelukt het een behoorlijke these te
formuleren, maar het mislukt onvermijdelijk daar een antithese tegenover te
stellen. De verklaring hiervoor is zo eenvoudig dat hij gewoonlijk over het
hoofd gezien wordt: tegenover een bepaalde these is al het overig denkbare op
te voeren als antithese. Deze kan zonder voorbehoud van alles zijn en dat is
het geval omdat voor de antithese geldt dat hij de ontkenning van de these is.
Niet-de-these is natuurlijk alles behalve de these! Je kunt dus ten tonele
voeren watje maar invalt en belieft en dat is dan ook precies hetgeen Marx en
zijn kornuiten, benevens allerlei domme navolgers van Hegel gedaan hebben. Zij
begrepen niet dat Hegel destijds met zijn “Dialectiek” geen methode voor het
denken aanbeval, maar slechts een beschrijving gaf van de werkzaamheid van het
denken. Het denken flitst heen en weer, is wezenlijk onvoorspelbaar en leent
zich nimmer voor reproductie.
56.
Een heleboel mensen klinkt het nog steeds als muziek in
de oren als de kapitalist tegenover de proletariër gesteld wordt en het wordt
zelfs hemelse muziek als deze tegenstelling ook nog inhoudt dat de kapitalist
tot de “slechteriken” gerekend wordt en de vernederde en vertrapte proletariër
tot de “goeden”. O, wat voelen al die tobbers, die al zo lang geleden de boot
gemist hebben, wat voelen die zich daarbij groeien! En als ze de kans krijgen
boven zichzelf uit te stijgen, wat zie je dan? Zie je dan die nobele
proletariër die zich duidelijk en onmiskenbaar als een “goede” laat gelden?
Neen, je ziet een klein achterbaks, burgerlijk en benepen tirannetje met een
verschrikkelijk besef van minderwaardigheid. Een hebberige egoďst die nu
plotseling voor zichzelf, en alleen maar voor zichzelf, alles opeist wat
volgens zijn benepen besef eens aan de kapitalist toebehoorde. Volgens hem
heeft een kapitalist gouden kranen in zijn badkamer, drie of liever nog vier
peperdure automobielen, een tot in details doorgevoerde voorkeursbehandeling,
enzovoort. Daarenboven kan de kapitalist vrijelijk over leven en dood van
anderen beschikken, liegen en bedriegen dat het een aard heeft en de wet naar hartelust verkrachten. Aldus ziet de proletariër in het
diepst van zijn hart zijn aartsvijand, de kapitalist.
Zo ziet hij dus zijn eigen antithese, althans dat wat
volgens zijn mislukte Hegeliaanse denken zijn tegenstelling zou moeten zijn.
Maar duidelijk is dat hij slechts zijn eigen frustraties als de maat gesteld
heeft. Het is niet voor niets dat inmiddels gebleken is dat alle vroegere
marxistische machthebbers aan dat patroon voldoen! Zij vormen geen jammerlijke
uitzonderingen die hun eigen idealen verraden hebben, maar zij laten ten voeten
uit zien hoe hun denken over zichzelf en de mensheid wezenlijk is: benepen,
armoedig, achterdochtig, jaloers en tiranniek. Precies het denken van een
karakterloze afgunstige onderkruiper...Zijn dit harde woorden? Inderdaad, dat
zijn het, maar het wordt ook hoog tijd dat het gros van de denkers eens in gaat
zien dat de figuur van de gemiddelde proletariër niets anders is dan de mens
als slaaf. Komt deze mens gaandeweg “hogerop”, dan is hij nog altijd typisch
een hogerop geklommen slaaf, met alle waanvoorstellingen over de meester die de slaaf
noodzakelijkerwijs eigen zijn.
57.
Op het moment dat de proletariër inziet dat hij beslist
geen slaaf is, maar precies dezelfde mens als zijn tegenstander gewaande
kapitalist, gaat hij beginnen aan zichzelf als individualist. Zelfs zijn
aanvankelijk onvermijdelijke particuliere zelfverwerkelijking heeft ondanks
alles hoegenaamd niets van het armoedige en benepene van de vroegere
“verliezer”, die volgens mij door Nietzsche getypeerd is als de Untermensch.
58.
Het zegt veel over het moderne, schoolse, denken dat de
Übermensch van Nietzsche geduid wordt als een “hogere” mens die op de een of
andere manier van een beter ras zou zijn. Wat het zegt is dat de moderne mens
meer nog dan ooit in termen van hoger en lager denkt. Dat verklaart waarom de
Übermensch van Nietzsche geassocieerd wordt met een lid van het Herrenvolk. Als
je echter goed leest wat onze vriend in Also sprach Zarathustra geschreven heeft, bemerk je dat hij het
over de zelfstandige vrije mens had, de volwassene die niets boven zich heeft,
maar ook niets onder zich. Hij had het over de individualist in de goede zin
van het woord, vandaar dat deze sprak van "Mijn leeuwin wijsheid".
Deze volwassen mens vertoont niets van het slaafse, armoedige en benepene van
de verliezer, de “Untermensch”. Met al of niet
inferieure rassen en volkeren, en dus met Nazisme, heeft dit alles niets te
maken, maar de hedendaagse intellectueel, die immers niet lezen kan, heeft dat
ervan gemaakt.
59.
Het Russische volk verkeert op het ogenblik in de diepste
ellende. Niet alleen dat er een nagenoeg volledig gebrek aan infrastructuur is,
met als gevolg een schrijnende armoede en verwaarlozing, maar ook dat er overal
groepen misdadigers hun slag gaan slaan. De misdaad tiert welig en, zoals
steeds, gaat dat ten koste van de bevolking. Nu kun je je afvragen hoe het zit
met dat Rusland. Gewoonlijk wordt zo'n vraag in historische zin begrepen:
"hoe is het met Rusland zover gekomen7" Als antwoord op die vraag
krijg je dan een opsomming van de opeenvolgende gebeurtenissen die in een zo
goed mogelijk onderling verband gepresenteerd worden. Het is het verhaal van de
historici en dat kan een informatief verhaal zijn, vooral voor diegenen die
slecht of helemaal niet op de hoogte zijn van de toestand in, in dit geval,
Rusland. Maar, in feite is elk historisch verhaal, hoezeer bij gelegenheid ook
informatief, een kaal, oppervlakkig en armoedig verhaal. Je weet er niet echt
iets aan omdat het je niet duidelijk wordt waarom er nu net gebeurt wat er
gebeurt. Er mag dan van een causaal verband gesproken kunnen worden, maar het
bedrieglijke daarvan is altijd dat de betreffende gebeurtenissen ook anders
hadden kunnen zijn en ons toch achteraf de indruk geven ten opzichte van elkaar
in “causaal verband” te staan. In bijna alle gevallen zijn de historische “causaliteiten” interpretaties achteraf. Het is dan net of
het zo had moeten zijn en niet anders gekund had, maar in feite is dat
gezichtsbedrog. Bijna steeds had het wel anders gekund en vaak was er zelfs te
spreken van een mogelijkheid tot het maken van een keuze.
60.
Ook als het over Rusland gaat draait de zaak niet zozeer
om de vraag hoe is het gekomen ? alswel om de vraag wat
is er nu wezenlijk aan de hand? Het antwoord op deze laatste vraag maakt de
interpretatie achteraf van het historische causale verband wel degelijk
uitermate plausibel, een interpretatie die zonder die achtergrond van begrip
noodzakelijk een speculatie blijven moest. Een juist begrip van de zaak is
bovendien buitengewoon nuttig om de vervelende gewoonte van westers geschoolde
denkers, om je voortdurend met tegenvoorbeelden dwars te zitten, te
neutraliseren. Als je namelijk het ene voorbeeld geeft, komen zij met een
tegenvoorbeeld, waarbij het hen volstrekt ontgaat dat de achtergrond van het
ten voorbeeld gestelde in het ene geval essentieel verschilt van die van het
andere geval. Zeg je bijvoorbeeld dat de Russische mens op een bijzondere
manier met de aarde en de grond verbonden is, dan noemt men prompt en
enthousiast een aantal gevallen waaruit zou moeten blijken dat het met de
westerse mens net zo gesteld is. Dat de westerse mens cultureel hemelsbreed
verschilt van de Russische, die onder andere juist daardoor een ander besef
omtrent de aarde heeft, wordt niet ingezien. Men gaat af op het uiterlijke en
interpreteert er vrijelijk op los. Wat betreft Rusland gaat het er dus nu niet
om hoe het zo gekomen is en ook niet wat er op het ogenblik qua gebeurtenissen
gaande is, maar wat er cultureel en menselijk aan de hand is.
61.
Op het ogenblik worden alle processen in de Russische
mensheid gedreven door de zich openbarende en realiserende individualiteit van
de Russische mens. Deze mens heeft altijd al op intuďtieve wijze blijk gegeven
van een geheel eigen en unieke aanleg. Die aanleg is te benoemen met het begrip
universele volwassenheid en een tweetal opvallende kenmerken daarvan zijn de
psychische warmte en het diepe besef van gemeenschappelijkheid. Deze kenmerken
hangen samen met het feit dat de volwassen mens voorbij de analyse is geraakt
en in het teken van het geheel is komen te staan. Dat wil niet zeggen dat de
analyse afgeschaft zou zijn en helemaal niet meer beoefend zou worden, hetgeen
een einde zou maken aan elke wetenschappelijke ontwikkeling, maar het wil
zeggen dat de analyse niet langer de zaak is waar alles om draait en waarvan
alles verwacht wordt. De analyse is aspect van het leven geworden en niet
langer de maat van alle dingen.
62.
Bij het zich waarmaken van de individualiteit van de
Russische, of wellicht Slavische, mens komt voor de dag dat zijn specifieke
culturele geaardheid is dat hij de aanleg heeft tot volwassenheid te komen.
Anders gezegd: zijn aanleg is het volwassen-worden. Dat is wat anders dan
wanneer je zegt dat de Russische mens "in aanleg volwassen is". In
dit geval zeg je namelijk iets overbodigs, want elk mens, van welke cultuur dan
ook, heeft de aanleg om volwassen te worden of te zijn. Het volwassen-zijn gaat
aan niemand voorbij. Maar waarom het bij de Russische mens gaat is dat hij het
laatste station van de culturele menselijke ontwikkeling is. Daarin gaat de
“totaliteit” over in het “geheel”, oftewel - in termen van mijn gedachtegang
over “De Grote Vierslag” - is daarin de eenheid van socialisme (jij en ik zijn
onvoorwaardelijk aanwezig) en communisme (wij zijn met zijn allen) een feit
geworden. Je kunt dus ook zeggen dat het realiseren van genoemde eenheid het
thema van de Russische cultuur is. De volwassen mens evenwel realiseert die
eenheid niet, maar is die eenheid, om daaraan vervolgens een reële inhoud te
geven.
63.
Aan de laatste culturele fase komen de volgende, in
hoofdzaak psychische, eigenaardigheden mee:
1 er is een diepgewortelde,
intuďtieve, haat tegen waarden, waardigheden, gewichtigheid, en tegen élites,
overheden en dergelijken.
2 er is een
intuďtieve voorliefde voor ongehoorzaamheid, gepaard gaande met individuele
zelfstandigheid en een afkeer van machten en machthebbers. Bovendien is er te
spreken van een wezenlijke ongeschiktheid voor deelname aan collectieven (wat
schijnbaar door het in 1917 tot stand komen van de Sovjet-Unie weersproken
wordt!).
3 er is een warm
medeleven met de medemensen en een grote ruimhartigheid wat betreft het morele
doen en laten van die medemens. Groot mededogen is er met de ongelukkigen die
moreel mislukt zijn, zoals misdadigers.
4 er is een sterk
ontwikkeld gemeenschapsgevoel dat bij nadere beschouwing niet blijkt terug te
grijpen op het een of andere “clan-bewustzijn” uit lang vervlogen tijden, maar
dat daarentegen juist gekenmerkt wordt door een kosmisch verlangen naar een
toekomstige eenheid en liefdevolle samenleving. Als je over deze vier punten
nadenkt kom je tot de ontdekking dat er een essentieel verschil is met de
westerse mens. Voor deze ligt de waarheid in het uiteenleggen van de
verschijnselen, maar voor de Russische mens ligt zij in de alles omspannende
samenhang van de werkelijkheid. Natuurlijk zijn er nog meer opmerkelijke
verschillen te noemen, maar dat zou thans te ver voeren.
Nu de Sovjet-Unie ingestort is is
de Russische mens door een tweetal rampen heen gekomen. Als eerste was daar de
ramp van het westerse individualistische denken voorzover
dat zich op vooralsnog ouderwetse manier liet gelden. Dat wil zeggen dat de
individu zich nog eenzijdig als particulier besefte. In Rusland was het de intelligentia die met die mentaliteit behept was. De lieden
die daartoe behoorden hadden uitsluitend de eigen existentie op het oog, de
werkelijkheid was identiek aan hun eigen particuliere bestaan. De aanwezigheid
van andere mensen en dingen kon natuurlijk niet goed ontkend worden, vandaar
dat het kwam tot horigheid van al dat minderwaardige.
Het Russische feodalisme hield zo lang stand juist doordat de intelligentia halsstarrig particulier ingesteld was, en
daarbij moet uiteraard gevoegd de intuďtieve onverschilligheid van het Russische
volk voor macht en machthebbers. Die onverschilligheid leidde ertoe dat er
betrekkelijk weinig verzet tegen de landeigenaars was. Die Russische boer vond
dat diep in zijn hart maar een stelletje idioten! Van dat idiotisme werd het
Russische volk bevrijd door de revolutie, overigens zonder dat het er in de
praktijk veel mee opschoot...De tweede ramp was wezenlijk ook westers van
oorsprong. Dat was namelijk het collectivisme waartoe de Russische mens
gedwongen werd door Lenin en zijn kornuiten. De naam Russische revolutie is in
dit verband in zoverre misleidend dat er niets Russisch aan dat sowjet-gedoe was en ook dat je nauwelijks van een
“revolutie” kunt spreken omdat het slechts een kleine groep min of meer
getrainde terroristen was die de macht greep. Je kunt veel beter van een
“staatsgreep” spreken en door die staatsgreep kwam het Russische volk onder het
juk van de collectivisten. Dat waren machtzoekers die
een totalitaire staat voorstonden, een staat dus die vanuit een machtscentrum
tot in de kleinste details geregeld zou zijn en waarin slechts naar de
ideologie gemodelleerde onderdanen toegestaan zouden zijn. Een ieder die
probeert staande te houden dat Lenin en kornuiten het beste met het Russische
volk voorhadden en dat het hen werkelijk om het welzijn van de gewone vrouw en
man te doen was heeft de geschriften van Lenin van voor 1917 niet of niet goed
gelezen! Het ging uitsluitend om totalitaire macht, uitgeoefend door zwaar
getrainde kaders. Van een vanuit het volk en voor het volk opererende “sovjet” is nimmer sprake geweest...In
principe behoort nu dus tot bet verleden een tweetal van bovenaf opgelegde
westerse maatschappelijke systemen , name1ijk het particuliere individualisme
en het collectivisme, uiteraard twee ideologieën die wezensvreemd zijn aan het
Russische volk. Nu moet er, geheel van de grond af, een nieuwe maatschappij
opgebouwd worden. Voorlopig is daarbij de moeilijkheid dat het authentieke
Russische individualisme nog nauwelijks wakker geworden is. Zonder dat
Russische individualisme echter kan er geen basale infrastructuur ontstaan,
althans geen infrastructuur die op sociale rechtvaardigheid gericht is die zich
van daaruit ontdoet van de terroristische macht van misdaadorganisaties,
gewezen communisten, soldaten en andere moordenaars. Een op technologie, recht,
vrij en dus in zichzelf verantwoord ondernemerschap en democratie gestoelde
maatschappij kan alleen maar van onderaf door zelfbewuste mensen gesticht
worden. Hoewel het op het ogenblik voor de Russische mensen een verschrikkelijke
toestand is kun je er desondanks toch verheugd over zijn dat de zaak zo diep in
elkaar gestort is. Als men nu ook nog het hoofd weet te bieden aan de westerse
managers is de kans groot dat de zaak betrekkelijk vlug gezond kan worden.
65.
In de moderne wetenschap houdt men zich bezig met het
analyseren van de werkelijkheid als voorstelling. Daarbij kan het niet
uitblijven dat de objecten van onderzoek steeds kleiner worden. Daarnaast
echter wordt het aantal onderzoekers, dat zich met zo'n klein deelgebied bezig
houdt ook steeds kleiner, zozeer zelfs dat tenslotte niemand meer van zijn
collega's weet waarmee zij nu werkelijk bezig zijn. Denk je de zaak tot het
einde toe door, dan moet de conclusie zijn dat wetenschappelijke kennis zich
niet langer op wetenschappelijke wijze controleren laat. Het zogenaamde, bij
adepten van een objectieve wetenschap zo geprezen, “Forum der Wetenschap” is
dan in duigen gevallen. Het “Forum” kan niet weten waarover het gaat als iemand
de door hem of haar verworven kennis presenteert. Van het herhalen van
experimenten en proeven kan ook geen sprake meer zijn. Wat blijft er dan over?
Er blijft over dat de wetenschappers betrouwbaar moeten zijn. Dat houdt in dat
zij zich niet (bewust) laten beďnvloeden door wie of wat dan ook, dat zij niet
met de resultaten van hun wetenschappelijke activiteiten knoeien en het houdt
ook in dat zij er getrouwelijk zorg voor dragen dat de door hen verworven
kennis vrij ter beschikking van de gehele mensheid staat.
66.
De mogelijkheid om op zichzelf staande wetenschappelijke
kennis te controleren (verifiëren) wordt almaar meer onmogelijk. Het enige wat
overblijft is het al of niet bruikbaar zijn in de praktijk van de technologie,
de toegepaste wetenschappen dus. Wat betreft de bij voorbaat te stellen morele
vraag naar het al of niet verantwoord zijn van een toepassing zal men wederom
aangewezen zijn op de betrouwbaarheid van de erbij betrokken wetenschapper. Het
zou een misdaad zijn als zij of hij vanuit het een of andere belang de zaak verkeerd
voorstelde, informatie achterhield of zijn kennis aan de hoogste bieder te koop
aanbood. Hoe weinig de moderne mensen er mee ingenomen zullen zijn, er zit toch
niets anders op dan in de toekomst steeds meer af te gaan op betrouwbaarheid in
plaats van controleerbaarheid. Trouwens, tegenwoordig wordt gaandeweg duidelijk
dat het met het controleren van wetenschappelijke kennis allang zo'n vaart niet
meer loopt. Het wordt almaar meer de hand mee gelicht, juist omdat het zo
langzamerhand ondoenlijk wordt. Voorlopig verdoezelt men dat nog met de smoes
dat controle teveel geld kost - en dat is tot op zekere hoogte zelfs nog waar
ook! - maar binnenkort zal men toch toe moeten geven dat controle een
wetenschappelijke onmogelijkheid is geworden.
Uit het steeds meer onmogelijk worden van verificatie van
wetenschappelijk verworven kennis blijkt onder meer dat de voorheen door mij
bij herhaling verkondigde stelling dat het accepteren van aangeboden kennis een
kwestie van vertrouwen is, een juiste stelling is. En sterker nog: niet alleen
dat leken geen keuze hebben en in goed vertrouwen allerlei beweringen voor
juist moeten aannemen, maar dat het blijkt dat dit ook steeds meer voor de
vaklui gaat gelden. Dus kun je wederom zeggen dat het ferme gepraat over
“verifieerbaarheid”, “controle” en over de voor iedereen geldende overtuigingskracht van de
zogenaamde logica niets anders dan loze beweringen zijn geweest. Holle praat
van diegenen die, intellectueel zijnde, het van de wetenschap moeten hebben om
zichzelf een houvast te verschaffen. Juist door van de wetenschap afhankelijke
lieden zijn in de loop der tijd heel wat arrogante uitspraken gedaan en al die
uitspraken hebben het karakter van godsdienstige stellingen waarvan de
juistheid niet straffeloos in twijfel getrokken mag worden.
Overtuiging-1 ; Overtuiging-2
; Overtuiging-3
;
Liberale
Democratie-1 ; Liberale
Democratie-2 ; Liberale Democratie-3 ;
Een belangrijk kenmerk van een liberale
democratie is dat de burgers tolerant zijn, evenals de overheid
trouwens. Hoewel ieder zinnig mens dit zonder meer zal onderschrijven zit er
toch iets in dat niet in de haak is. Het begrip tolerantie weerspreekt namelijk
zichzelf, althans als je het van toepassing acht op een maatschappij die binnen
het kader van een alsnog onvolwassen mensheid de moeite van het bestreven waard zou zijn, een liberale
democratie dus. Zo'n maatschappij is, hoezeer inderdaad acceptabel,
toch nog steeds een min of meer redelijk verband van Onvolwassen mensen en dat
houdt voor het begrip tolerantie in dat het niet meer betekenen kan dan een
flexibel hanteren van de criteria die voor het begrip grens gelden. Men zal dan
niet zo gauw vinden dat iemand “te ver” gaat, “grenzen uit het oog verliest”,
en men zal heel wat accepteren alvorens iets af te wijzen en te veroordelen.
Wat evenwel niet opgeheven wordt is nu juist die grens. Er blijft gelden dat
men “ergens” niet verder kan en mag gaan. Dat betekent welbeschouwd dat er nog
steeds een besef is van wat moreel wel en niet goedgekeurd kan worden. Het
laten gelden van dit besef is dan echter gemakkelijk, flexibel, geworden. En nu
is het de vraag of je dit toe kunt juichen. Tolerant-zijn en gemoedelijkheid
keren zich namelijk in een alsnog onvolwassen mensheid onherroepelijk tegen
zichzelf. Onvolwassen mensen kunnen van de medemens geen gemoedelijkheid
verdragen. Zij gaan dadelijk misbruik maken van de aan die gemoedelijkheid en
tolerantie meekomende betrekkelijke vrijheid. Dat komt doordat zij er nog
steeds op uit zijn de wereld in bezit te nemen. Een niet scherp gestelde grens
wordt onafwendbaar beschouwd als een goede gelegenheid eigen territorium uit te
breiden. Meestal neemt men daartoe geen besluit: het gebeurt vanzelf omdat het
in de cultuurvoorstellingen ligt. Daardoor is het gewoonlijk zo vanzelfsprekend
dat het niet eens opvalt. Onvolwassen mensen kennen per definitie nooit hun
plaats en weten geen maat te houden, terwijl zij tegelijkertijd aan plaats en
maat gebonden zijn om samen met de medemensen te kunnen bestaan. Waar het op
neerkomt is dat tolerantie in een onvolwassen mensheid leidt tot het
voortdurend aantasten van het bestaan en de integriteit van diegene die zich
tolerant en gemoedelijk opstelt. Vrijheid wordt onafwendbaar bandeloosheid.
Spreek je dan toch van een “liberale democratie”
dan zul je rekening moeten houden met het feit dat de vrijheid wel inhoudt dat
men het bestaan van de ander erkent, bevestigt en verdedigt, maar dat de
vrijheid niet inhoudt dat men het gedrag van de mensen zonder meer vertrouwen
en accepteren kan.
Liberale
Democratie-1 ; Liberale Democratie-2 ; Liberale
Democratie-3 ;
69.
Het gedrag van de mensen houdt op een probleem te zijn
als de mens volwassen geworden is. Dat komt doordat dan niet alleen herkend en
erkend wordt dat de ander een Onvoorwaardelijk recht op bestaan heeft, zodat je
kunt zeggen dat “ieder individu er volledig is”, maar dat daarenboven in de
mensen het feit zelfbewust is geworden dat hun bestaan altijd tegelijkertijd en
noodzakelijk het bestaan van allen betekent. Dus, naast het “als ik er ben, ben jij er vanzelfsprekend
ook” is daar eveneens en tegelijkertijd het “wij zijn met zijn allen”.
Socialisme en communisme zijn dan een eenheid geworden.
Onder die volwassen omstandigheden is het gedrag van de mens niet langer
“grensoverschrijdend” omdat het bestaan van de ander beleefd wordt als “op
andere wijze het eigen bestaan”, hetgeen onder andere inhoudt dat er geen grenzen
meer zijn die overschreden kunnen worden. Het bestaan van de een is dan bij de
ander veilig en dat geldt dan wederzijds. Onder die volwassen omstandigheden
vervalt ook het begrip tolerantie, want als er van geen grenzen meer gesproken
kan worden, kan er ook niet langer van tolerantie sprake zijn. De begrippen
grens en tolerantie behoren immers bij elkaar!
Liberale
Democratie-1 ; Liberale Democratie-2 ; Liberale
Democratie-3 ;
De onvolwassen mens moet voortdurend op zijn grenzen
gewezen worden. Hij is er almaar op uit, gewild of ongewild, zijn eigen grenzen
en vooral die van de ander te overschrijden. Tolerantie ten aanzien van de
aanwezigheid van de ander is in een liberale democratie
gaandeweg te verwezenlijken en is zelfs een reële opgave die de moderne mens
zichzelf stelt, maar vrijheid wat betreft gedrag laat nog lange tijd op zich
wachten, omdat dit werkelijke, zelfbewuste volwassenheid vooronderstelt. Uit
een en ander kun je concluderen dat de moderne toegeeflijkheid ten aanzien van
het gedrag van allerlei lieden niet overeenstemt met de verhoudingen in en van
de werkelijkheid. Uiteraard is het het recht, met
daar achter zeer nadrukkelijk de wijsgerige ethiek, die qua gedrag de grenzen
moeten blijven stellen, handhaven en verdedigen. Dus in het kort: de moderne,
maar vooralsnog onvolwassen, mensheid kan moreel en praktisch niet zonder de
politieagent en de rechter. En de individuele mensen kunnen niet zonder een
voortdurend scherp stellen van hun privacy. Hier en daar zal zelfs geweld
gebruikt moeten worden om aantastingen van die privacy, waaronder het
bestaansrecht en de integriteit van de persoon, een halt toe te roepen.
Liberale
Democratie-1 ; Liberale
Democratie-2 ; Liberale
Democratie-3 ;
Als het gaat over een “Open Society”, zoals die door
Popper aanbevolen werd, moet je vermijden dat je denken daarover in een flauwe
karakterloosheid uitloopt, waarin alles goed en normaal gevonden wordt, louter
op grond van het feit dat het tot de zogenaamd culturele eigenaardigheden van
anderen behoort. Het zogenaamd goedmoedig “bedekken met de mantel der liefde”
is in principe rampzalig, al klinkt het geweldig humaan. Het kan bijvoorbeeld
gaan over het mismaken van jonge meisjes om bepaalde morbide gevoelens van
agressieve, fanatieke mannen te bevredigen, besnijdenis dus. En dan kun je
tegenwoordig opmerken dat men, uit overwegingen van karakterloze “tolerantie”,
een dergelijke misdaad goedpraat met het argument dat die besnijdenis tot de
“cultuur” van sommige volkeren behoren zou. Filosofisch kun je dan alleen maar
reageren door te stellen dat zo'n verhaal wel aardig kan klinken, maar dat het
toch een misdaad is om de integriteit van het menselijk lichaam van iemand
anders aan te tasten, cultuur of geen cultuur, begrip of geen begrip. Trouwens,
wat is “cultuur” anders dan een conglomeraat van waandenkbeelden, frustraties
en tirannie? Zelfs de “edele” uitingen van een cultuur zijn nooit zonder een
achtergrond van waanideeën en andere malligheden. Juist in een “Open Society”
zal men heel streng zijn universele waarheden moeten bewaken. Dat
zijn waarheden die onder alle omstandigheden, ongeacht welk plaatselijk en
tijdelijk bepaald verhaal dan ook, houdbaar zijn gebleken.
Terwille van de helderheid van een “open” samenleving moet elk compromis
veroordeeld en vermeden worden. ↓
72.
Een op het beginsel van het compromis gestoelde
maatschappij kan niet anders dan ver beneden de maat blijven. Nimmer worden de
uiterste mogelijkheden benut want altijd zijn er wel idioten die vanuit
allerlei waandenkbeelden vinden dat het z6 niet moet. Uiteraard mogen zij dat
vinden, maar het deugt niet als zij ze ook nog eens door kunnen zetten en
daarmee de hele maatschappij hinderen .Niet het beginsel van het compromis moet
als criterium fungeren, maar het beginsel van het overleg. Dat berust op een
onbaatzuchtig met elkaar uitzoeken wat de beste oplossing van een probleem zou
zijn. De zaak is dan gebaseerd op het beste wat een ieder naar voren kan
brengen en niet op het behalen van zoveel mogelijk voordeel voor de eigen
particuliere kliek. Op de een of andere manier gaat dat laatste altijd ten
koste van andere groeperingen die op hun beurt ook hun eigen voordeel najagen.
Als iedere groep zoveel mogelijk het eigen voordeel als de maat neemt komt
tenslotte iedereen tekort. En iedereen blijft uitzien naar een gelegenheid om
alsnog een deel van de buit binnen te halen. Op zo'n basis kan er nooit een
rechtvaardige maatschappij zijn en deze stelling is ook van kracht in het geval
van een “open” samenleving zoals Popper die zich voorstelt. Het voor zichzelf
voordeel najagen en tegelijkertijd het aan anderen betwisten van voordeel,
kortom het particuliere gedoe, is er dan niet minder om geworden. Sterker nog:
het is nu tot een algemeen aanvaarde praktijk verheven, een praktijk die
weliswaar openlijk bedreven wordt, maar die daarom nog niet minder verwerpelijk
blijft.
Beleving-1 ;
Beleving-2 ; Waanvoorstelling-1 ; Waanvoorstelling-2
De zin van onderwijs is hierin gelegen dat het het zelfbewustzijn van de individuen bevordert. Hoezeer het
ook een feit is dat het moderne, op eenzijdig analytische, reductionistische
westerse tradities gestoelde, onderwijs de voor de mens geldende werkelijkheid
als bewustzijn, en dus ook de psychische belevingswereld,
vervormt en verdrukt, toch is het onderwijs de enige weg waarlangs de mens tot
bevrijding van waanvoorstellingen
komt. Het onderwijs richt zich immers op de voor de mens geldende werkelijkheid
als voorstelling en dat is ook het geval met de wetenschappen waaraan het
onderwijs zijn materiaal moet ontlenen. Dus: in feite leert het onderwijs de
scholieren al datgene dat de wetenschappen boven water gehaald hebben. Dat zijn
allemaal zaken die zo goed mogelijk onderzocht zijn en die blijvend openstaan
voor een nader onderzoek, hetgeen op termijn een solide garantie is voor
betrouwbaarheid. Langs deze weg worden foute voorstellingen langzamerhand
opgelost. Dat maakt van de scholieren geen betere of intelligentere mensen,
maar wel meer realisten, en dat leidt er langzaam maar zeker op indirecte wijze
toe dat het inzicht in de werkelijkheid, zoals dat ontstaat aan de hand van het
zich aan de voorstelling afspiegelen van de werkelijkheid als beeld, zich
steeds meer verdiept. Dit zich verdiepen van het inzicht is een essentieel
aspect van de weg naar volwassenheid.
Beleving-1
; Beleving-2 ; Waanvoorstelling-1
; Waanvoorstelling-2
74.
Het onderwijs legt in de mensen de materiële basis voor
volwassenheid, evenwel zonder aan de ontwikkeling tot volwassenheid op zichzelf
iets bij te dragen: de werkelijkheid als bewustzijn is nu eenmaal niet
ontvankelijk voor leerprocessen.
Zonder een zo betrouwbaar en gedegen mogelijke materiële
basis kan er geen effectieve groei naar volwassenheid zijn. Aan die groei valt
echter op zichzelf niets te bevorderen. Dat komt doordat volwassenheid een
kwestie van inzicht is en dat berust op het zich afspiegelen van de
werkelijkheid als beeld. Die werkelijkheid, die op haar beurt meekomt aan het
bewustzijn, laat zich op geen enkele manier beďnvloeden, veranderen, stimuleren
en zo meer. Het is een volstrekt onaantastbare zaak. Wat dus wel voor
verbetering, of liever “verheldering”, vatbaar is, is de voorstelling waaraan
dat afspiegelen zich voltrekt. Hoe reëler die voorstelling, hoe zuiverder het
inzicht dat door die afspiegeling verkregen kan worden. Langs deze weg,
namelijk het via het onderwijs en de communicatie informeren van de mensen,
wordt de materiële basis voor volwassenheid gelegd. Het gaat daarbij per se
niet om de hoeveelheid informatie die men opdoet en dus ook niet om de
hoeveelheid kennis die iemand ter beschikking heeft, maar het gaat
uitdrukkelijk om de kwaliteit en dus de betrouwbaarheid van kennis en
informatie. Hoe veel of hoe weinig men weet is niet van belang, wel echter de
vraag of dat wat men weet reëel is. Met nadruk moet dan ook gesteld worden dat
het niet gaat om het onderwijs in kwantitatieve zin (er bij de leerlingen
zoveel mogelijk kennis inpompen) zoals dat in de moderne westerse cultuur
gebruikelijk is geworden, maar dat het gaat om de kwaliteit van het onderwijs
en dat is afhankelijk van het realiteitsgehalte.
75.
In oude religieuze culturen zoals bijvoorbeeld het
Boeddhisme, het Jodendom en de Islam probeert men de volwassenheid van de mens
te bevorderen door “het lezen en reciteren van de schriften”. Dat is voor de
leerlingen een hele studie die erg veel van hen vergt. Het levert tenslotte een
heel verfijnde intellectuele ontwikkeling op. Deze wordt beschouwd als
noodzakelijk voor wijsheid. Helaas moet je vaststellen dat het allemaal onzin
en dus vergeefse moeite is: zo'n geleerd iemand is misschien binnen het kader
van zijn godsdienst een wijze geworden, maar qua werkelijke volwassenheid is er
niets aan de hand. Dat kan ook niet want die volwassenheid kan zich niet
realiseren aan de hand van allerlei onjuiste, bovendien onaantastbare,
geloofsvoorstellingen, al zijn die nog zo verfijnd en geraffineerd uitgedacht
en al steekt er nog zo'n oude cultuur achter. Sterker nog: het niet
realistische karakter van dergelijke voorstellingen vormt zelfs een ernstig
beletsel voor helder inzicht en dus voor volwassenheid en dat is het geval
juist doordat de werkelijkheid als beeld zich alleen maar effectief aan
zakelijk juiste voorstellingen kan afspiegelen.
76.
Met het verwerven van op wetenschappelijk verantwoorde
wijze verkregen kennis ontsluit de mens de weg naar volwassenheid. Met nadruk
moet ik zeggen: die kennis leidt op zichzelf niet tot volwassenheid, maar tot
het ontsluiten van een weg. Tot nu toe betekent dat dat het individualisme zich
in de mensen gaat laten gelden. Zij gaan zich ontwikkelen als de “unieke ik”
die zij in wezen zijn. Dat moet gebeuren alvorens er van een werkelijke
volwassenheid gesproken kan worden. Je kunt met enig leedvermaak vaststellen
dat de totalitaire staten, zoals de Sovjet-Unie, China, Noord-Korea, Cuba,
enzovoort, hun eigen graf graven door de bevolking onderwijs te geven. Men
behoeft er in dat onderwijs niet eens speciaal op te wijzen dat bepaalde
ideeën, zoals godsdienstige of kapitalistische, niet deugen en men behoeft ook
geen propaganda te maken voor andere, bijvoorbeeld marxistische, “waarheden”:
alleen maar het aanbieden van betrouwbare, zakelijk juiste kennis omtrent de
alledaagse verschijnselen om ons heen, wetenschappelijke en technologische
kennis, kortom, realistische en vooral niet ideologisch gekleurde informatie
volstaat om de barričre op de weg naar volwassenheid, die om te beginnen de weg
naar individualisme is, te doorbreken .Het instellen en bevorderen van gewoon
alledaags onderwijs ondergraaft de macht van elke totalitaire overheid doordat
het collectivisme hiervan geen stand kan houden tegenover het individualisme
van de wakker wordende mens. Zoals al eerder gezegd is de volwassen mens te
typeren als de “volledig tot zichzelf gekomen individualist” voor wie de
medemens vanzelfsprekend onvoorwaardelijk erkend is.
77.
Ieder afzonderlijk mens is een uniek verschijnsel. Er
zijn geen twee mensen gelijk, zelfs niet identieke tweelingen, waarvan men
beweert dat die qua erfelijkheid precies eender zijn. Dat feit van dat
uniek-zijn is op zichzelf al voldoende ondersteuning voor de stelling dat de
mens in de individu uitloopt. Je kunt immers het uniek-zijn niet opheffen,
zoals men tot zijn schrik in totalitaire maatschappijen heeft moeten ervaren!
Het uniek-zijn van ieder mens betekent echter niet dat mensen niet een heleboel
gemeenschappelijks hebben. Culturen bijvoorbeeld zijn op allerlei
gemeenschappelijke eigenaardigheden van de erin betrokken mensen gebaseerd. En
aan het einde van de rit is het voor de volwassen geworden mensen een
duidelijke zaak dat de maatschappij draait om gemeenschappelijkheid. Dat
betekent dat de maatschappij tenslotte zelfs een “gemeenschap” zal zijn.
78.
In tegenstelling tot wat de meeste slordig denkende
mensen menen sluit individu-zijn het gemeenschappelijke helemaal niet uit,
neen, het maakt het juist als enige mogelijk! Juist de mens die zichzelf kent,
die tot zelfkennis gekomen is, herkent in de door hem volledig erkende medemens
het gemeenschappelijke. Ook onvolwassen mensen herkennen, zij het op slordige
wijze, het gemeenschappelijke, maar zij gaan dat onmiddellijk omzetten tot een
dwingende norm voor de gemeenschap: het tot een stelsel van eisen omzetten van
iets vanzelfsprekends. Het wordt daarmee iets hogers waaraan men op straffe van
sancties heeft te beantwoorden. Als het zover is gekomen, en zover komt het in
een onvolwassen mensheid steeds, heb je te maken gekregen met het begrip ideëel
collectief. Zo'n collectief kan in de praktijk “agressief” van aard zijn en dan
wordt er door een groep leiders terreur uitgeoefend om de mensen onder de duim
te krijgen en te houden, maar zo’n collectief kan ook de mildere vorm van een
maatschappelijk ideaal aannemen waarbij de andersdenkende medemens slechts met
enigerlei vorm van sociale uitstoting en politiek machtsverlies te maken
krijgt. In een westerse democratie bijvoorbeeld tref je die milde vorm van
collectieven aan. Maar collectieven zijn het onmiskenbaar ook en de van bovenaf
opgelegde normen zijn er niet minder om! Men moet, als het maar even kan, zelfs
in uniforme bewoordingen, onder alle omstandigheden het officiële partij- of
verenigingsstandpunt verkondigen en vaak is men zelfs gehouden aan bepaalde
gedragsregels. Maar belangrijker nog is dat alles draait om de belangen van het
collectief...
79. ( zie ook de nummers 77 en78
)
Een collectivistisch denkend mens kan onder geen
voorwaarde begrijpen wat gemeenschappelijkheid nu werkelijk betekent. Hij zal
er altijd iets “uniforms” aan bedenken, een voor het gehele collectief geldend
stelsel van normen en waarden. Bijgevolg heeft zijn gemeenschapsgevoel - dat
vanuit zijn intuďtie en zijn gevoelsleven ondanks alle verdrukking altijd
enigszins werkzaam is - een voorwaardelijk karakter: niet iedereen behoort bij
zijn groep of clan en niet iedereen heeft dezelfde rechten. Gelijkwaardigheid geldt
alleen voor diegenen die beantwoorden aan de collectieve normen en waarden. Aan
het begrip gemeenschappelijkheid moet derhalve toegevoegd worden
gemeenschappelijkheid van iets. Er wordt van tevoren verlangd dat men juist aan
dat “iets” voldoet, zoals daar zijn politieke standpunten, maatschappelijke
doelstellingen, aan de levenshouding ten grondslag liggende godsdienstige
dogma's en zo nog een heleboel zaken meer, zelfs tot en met gezamenlijke
hobby's. De basis en de normen voor gemeenschappelijkheid worden van tevoren
bepaald en een ieder die daaraan bij voorbaat niet voldoet mag niet tot het
collectief toetreden.
80.
Denkt men vanuit een collectivistische optiek na over
gemeenschappelijkheid, dan gaat het over een bij voorbaat gestelde uniforme
norm of waarde. De op die wijze bedoelde gemeenschappelijkheid heeft dan
stilzwijgend een uitsluitend oftewel exclusief karakter gekregen. Ook al
ontkent men dit ten stelligste waarin zeker de moderne mens buitengewoon
gehaaid is! - dan komt dit exclusieve karakter toch vroeg of laat aan de
oppervlakte. Het kan niet verborgen blijven, juist omdat het van deze opvatting
van gemeenschappelijkheid de essentie is.
81.
Gemeenschappelijkheid binnen de context van een volwassen
wereld heeft geen eisend, maar een constaterend karakte:
men bemerkt en stelt vast dat de mensen allerlei overeenkomstige
eigenaardigheden vertonen, dat zij in een groot aantal zaken overeenstemmen en
een nogal uitgebreide werkelijkheid gemeen hebben. Uiteraard zijn dat
gemeenschappelijkheden in de voorstelling die de mensen van de werkelijkheid
hebben. Dus: de onvermijdelijk unieke voorstellingen van de individuen vertonen
allerlei gemeenschappelijks. Het gaat nu natuurlijk niet over biologische
overeenkomsten, want die zijn volstrekt niet typerend voor de mensen. Het gaat
over datgene dat qua voorstelling gemeenschappelijk is. De ultieme vorm van
gemeenschappelijkheid is de communistische, zoals die als laatste grootheid van
“De Grote Vierslag” te voorschijn komt. De inhoud van die vierslag is de begrippensequens
nihilisme, anarchisme, socialisme en communisme. Daarin heeft “communisme” als
inhoud dat de mensen beseffen, weten en laten gelden dat zij “met zijn allen”
zijn. Als dit helder in het zelfbewustzijn is komen te liggen is de uiterste
betekenis van het gemeenschappelijke voor den dag gekomen. Dit echter heeft dan
geen betrekking meer op een aantal concrete zaken die zich in een
gemeenschappelijke interesse kunnen verheugen, zoals dat in een onvolwassen
wereld bijvoorbeeld met voetballen het geval is. Daarentegen hebben wij dan te
doen met een onvoorwaardelijke gemeenschappelijkheid die alleen maar geworteld
is in de erkenning dat ieder mens er zomaar is zonder dat daarvoor een reden
opgegeven kan worden.
82.
De bedoelde “ultieme gemeenschappelijkheid” is gebaseerd
op de verscheidenheid van de individuen. Dat is alleen maar mogelijk als die
verscheidenheid tot zijn recht mag komen. Pas als dat het geval is kan het
overeenkomstige en gemeenschappelijke op zinvolle wijze gelden. Zinvolle
gemeenschappelijkheid ontstaat in de praktijk van alledag daar waar een aantal
personen voor een bepaalde taak of doelstelling staat. Onder de veelheid van
unieke persoonlijke eigenaardigheden blijken er te zijn die voor het bereiken
van een bepaald doel of het volvoeren van een taak zinvol zijn. Van een of
andere bij voorbaat als eis gestelde gemeenschappelijkheid is volstrekt geen
sprake. En uiteindelijk is in het kort te zeggen dat de “ultieme
gemeenschappelijkheid” gestoeld is op de volwassen mens als individu
(= de individu), terwijl de tot nu toe gebruikelijke
gemeenschappelijkheid slechts van een bepaalde collectiviteit uitgaat,
onvolwassen is en niet meer dan een beknotte individu tot inhoud heeft.
[ spoorwegen ; privatiseren ; zichzelf zijn ;]
Wat steekt er voor goeds in het kapitalisme? Is het niet
in alle opzichten een ramp voor de mensheid? Neen, het kapitalisme is
onvermijdelijk en als zodanig is het in orde, zelfs als het lange tijd een
groot aantal mensen veel ellende bezorgt. Wat er desondanks goed aan is, dat
wil zeggen de ontwikkeling van de werkelijkheid als mens niet hindert, is de
essentiële voorwaarde ervoor, namelijk deze dat het over de mens als individu
gaat. Individualisme, als streven om individu te worden, is de goede en
zinvolle grondslag van het kapitalisme. Met “goed” bedoel ik dat het in
overeenstemming is met de ware verhoudingen en ontwikkelingen in de
werkelijkheid, en dus ook met datgene dat karakteristiek voor de mens is. De
mens moet “individu” worden. Alleen dan komt hij tot zijn recht als de uiterste
grens van de werkelijkheid als “geworden”, als “ontstane” zaak. Hoewel er vaak
op gemopperd wordt is het de mens als ondernemer die rechtstreeks aan het
individualisme meekomt. Hij is de mens die de voorhanden (natuurlijke)
werkelijkheid omzet tot een zaak van mensen; hij maakt van de planeet een
“mensenwereld”. Deze ondernemer staat onvermijdelijk tijdens de individualistische
ontwikkeling in het teken van het “particuliere” en dat betekent dat hij al
zijn activiteiten onderneemt om er persoonlijk beter van te worden. Hij is de
“particuliere ondernemer” . Bij het zich realiseren van het individualisme gaat
het die “particuliere ondernemer” om zichzelf! Dat levert zo zonder meer een
volstrekt Onrechtvaardige wereld op, die er weliswaar gaandeweg beter uit gaat
zien, maar die ondanks onder andere allerlei positieve “socialistische”
invloeden toch nimmer werkelijk rechtvaardig wordt. Pas als dat proces van de
individualisering achter de rug is - en in de praktijk eigenlijk al eerder -
bemerkt die particuliere ondernemer dat het zichzelf zijn niet mogelijk is zonder de volle
en onvoorwaardelijke erkenning van de ander. Hoewel dus het individualisme
gepaard gaat met de particulier ingestelde ondernemer, de “kapitalist” in het
gewone spraakgebruik, en het daardoor niet bepaald “menslievend” genoemd kan
worden, ligt het toch in de wezenlijke natuur der dingen. Zo is dus te stellen
dat het goede van het kapitalisme ligt in het individuele en het voorlopig
verkeerde in het particuliere. Aan dat individuele komt het ondernemen mee en
aan het particuliere het kapitalisme.
Hoewel het particuliere dus niet goed voor een groot
aantal mensen is levert het toch gaandeweg de materiële grondslag voor een
leefbare wereld, juist omdat het toch een vorm van ondernemen is.
[ spoorwegen ; privatiseren ; zichzelf zijn ;]
( Doe uzelf een plezier en
bestudeer deze bundel in zijn geheel.)
Het is opmerkelijk dat in de moderne maatschappij alles
in het teken van de arbeid staat. Iedereen wordt qua maatschappelijke status
beoordeeld naar de aard en waardering van zijn arbeid. Vallen iemands
activiteiten buiten datgene dat als “arbeid” gedefinieerd wordt, dan valt de beoordeling
niet gunstig uit. Ogenschijnlijk geldt dat niet voor zieken, ouden van dagen,
huisvrouwen en kinderen, maar bij nadere beschouwing blijkt dat hun status wel
degelijk afhankelijk is van de arbeid: die ouden van dagen moeten
“gepensioneerden” zijn die WAO of een pensioen genieten wat op zichzelf ook
weer in betrekking staat tot de arbeid en de huisvrouwen danken hun waardering
aan het feit dat zij als onder- en achtergrond van des mans arbeidzame leven
fungeren. De kinderen tenslotte gelden als toekomstige arbeiders hetgeen onder
andere duidelijk blijkt uit de opvoeding en opleiding die zij krijgen. Zieken kunnen zich in
deze wereld alleen maar dan veilig en verzorgd weten als zij zich doormiddel
van hun arbeid verzekerd hebben. Onvoorwaardelijke hulp wordt als regel niet
geboden. De arbeid is de maat van het gehele maatschappelijke leven en alles
wat buiten de definitie van het begrip arbeid valt wordt hoogstens met
welwillendheid geduld. Werklozen bijvoorbeeld worden enigszins beleefd
behandeld voorzover zij buiten hun schuld zonder werk
geraakt zijn en dus nog steeds als potentiële arbeiders beschouwd kunnen
worden, maar tegelijkertijd wordt hen almaar voorgehouden dat zij wel zo
spoedig mogelijk en zonder morren aan het werk moeten...Lui die letterlijk niet
willen meewerken aan deze maatschappij worden, niet alleen vanuit de overheid,
maar ook door hun medeburgers, met de nek aangekeken. Zij worden asociaal
gevonden en uitbuiters omdat zij volgens de socialen en niet-uitbuiters
“anderen voor zich laten werken” en dat is iets wat uit den boze is - tenzij je
ondernemer bent, want dan wordt het weer als een bewijs van slimheid en zelfs
zakelijkheid beschouwd. Maar, zelfs als het waar zou zijn dat anderen voor die
asocialen werken - maar het is niet waar! - dan nog zegt dit meer over de
mentaliteit van die werkenden dan over die asocialen: je moet immers nooit voor
een ander werken, behalve natuurlijk voor een baas, als je er tenminste
behoorlijk voor betaald wordt...!
De Verlichting-1,
De Verlichting-2,
De Verlichting-3,
De Verlichting-4,
De Verlichting-5
In de grond van de zaak is het terecht dat de arbeid in
het maatschappelijke leven zo'n dominante rol speelt. Op zichzelf is de
maatschappij niets anders dan het zo verfijnd mogelijke netwerk van relaties
tussen de afzonderlijke mensen. Maar dat netwerk kan niet functioneren als daar
niet een verzorgde materiële basis is voor het bestaan van die afzonderlijke
mensen. Die basis moet veiliggesteld zijn en de grondslag daarvan is de arbeid.
In het veiligstellen spelen allerlei grootheden een rol, zoals daar zijn
medische voorzieningen, juridische waarborgen, mogelijkheden tot communicatie
en toegang tot kennis. Maar dat alles wordt een farce als de arbeid niet voor
het beschikbaar zijn van spullen zorgt. In de arbeid zet de mens de voorhanden
natuurlijke werkelijkheid om tot een
menselijke. Hij maakt iets dat zo zonder meer niet door
het wordingsproces opgeleverd wordt. Hij doet dat omdat de gehele kosmos zijn
inhoud is vanwege het feit dat het verschijnsel mens het laatste verschijnsel
is waartoe de processen in de werkelijkheid komen. Het eindresultaat van een
proces houdt alle voorgaande stadia in en zo houdt de mens als eindresultaat
van de kosmische processen de gehele kosmos in. Als eerste is daar natuurlijk
de aarde die van een abstracte inhoud tot een concrete omgezet wordt. Dat
geschiedt, in een veelheid aan varianten, door de menselijke activiteit van de
arbeid. Omdat dit het geval is, is het sinds de Verlichting tot zelfbewustzijn gekomen
begrip arbeid terecht herkend als van toepassing op de maatschappelijke
werkelijkheid. Maar meer dan een “herkennen” is het tot nu toe niet: telkens
weer blijkt dat men niet het flauwste benul heeft van de werkelijke
verhoudingen die hier aan de orde zijn. Het begrip arbeid is concreet geworden
en zijn alledaagse rol gaan spelen, maar door een diepgaand onbegrip, wat
overigens niemand kwalijk genomen kan worden, is er een bijna niet te herkennen
zaak ontstaan.
De Verlichting-1,
De Verlichting-2,
De Verlichting-3,
De Verlichting-4,
De Verlichting-5
Voor alles moet opgemerkt worden dat de arbeid tot
handelswaar is geworden. Er zijn er die werk in de aanbieding hebben, zij
hebben het monopolie op het bezit van dat werk en zij verstrekken dat van
bovenaf. Dat wil zeggen dat zij niet als gelijke partners onderhandelen met
diegenen die werk willen hebben, maar daarentegen als hoger geplaatsten die
eigenlijk alles voor het zeggen hebben, maar die onder omstandigheden eventueel
wel bereid zijn wat water in de wijn te doen. En die omstandigheden zijn dan
als regel bepaalde pressiemiddelen van de arbeiders, want zomaar vanuit
zichzelf geven de “werkgevers” geen behoorlijke tegenwaarde van de energie die
de arbeiders te koop aanbieden. De werkgevers bezitten werk, dat wil zeggen: de
werkgevers zijn de particuliere ondernemers die in het bezit zijn van een
aantal werkzaamheden die verricht moeten worden. Daarvoor hebben zij energie
nodig en die kopen zij van anderen die bepaalde bekwaamheden hebben. Van de
arbeiders, tegenwoordig “werknemers” of nog verhullender
“medewerkers” genoemd, wordt die energie gekocht, maar steeds vanuit een hogere
machtspositie van ondernemers die werkzaamheden aan te bieden hebben. De
arbeiders worden dus zoveel als mogelijk door de werkgevers bedrogen bij de
verkoop van zichzelf als energiebron. Maar die arbeiders zijn genoodzaakt zich
bij deze praktijken neer te leggen omdat zij anders niet zouden kunnen
overleven. Wat dus eigenlijk iets vanzelfsprekends is, namelijk dat de mens de
planeet omzet tot zichzelf, is verworden tot een louche handeltje van diegenen
die dat omzettingsproces in bezit hebben genomen. En degenen die achter het net
vissen hebben geen keus: zij moeten hun vanzelfsprekend aanwezig
arbeidsvermogen tegen woekerprijzen verkopen.
87.
Het gedwongen zijn om zijn eigen arbeidsvermogen te
verkopen leidt er onherroepelijk toe dat de arbeidende mens per definitie geen
vrede heeft met zijn bestaan. Diegenen die er echter wel vrede mee hebben zijn
steeds mensen die aan het gemarchandeer met arbeidskracht zijn ontkomen, door
de “hoogte” van hun positie of door het “eigen baas” zijn, hetgeen op zijn
beurt inhoudt dat zij aan de andere kant van de streep toch weer moeten
marchanderen, namelijk om zo goedkoop mogelijk arbeidskracht in te kopen of,
als het maar even kan, te stelen. En dan zijn er ook nog die spaarzame gevallen
van mensen die, hoewel niet zo erg tevreden met hun betrekkelijk armoedige
bestaan, toch nog enige bevrediging in hun werk vinden doordat zij toevallig op
“de goede plaats” zijn terecht gekomen. Hoe dan ook, het algemene beeld is
onvrede met het bestaan door een niet op maat liggen van de arbeid. Iets wat
vanzelfsprekend aan de mens meekomt kan geen object van handel zijn.
Het ligt in de logica dat er altijd meer en minder ondernemende
mensen zullen zijn. Dat wil zeggen dat er steeds “ondernemers” zullen zijn in
de letterlijke zin van werkgevers. Dat is op zichzelf in orde. Maar het
particuliere karakter van het ondernemen zal op den duur verdwijnen en plaats
maken voor een ondernemen waarin de werknemers, de arbeiders, op gelijke voet
staan met de leiders van de onderneming en niet meer in een slaafse positie hun
energie voor veel te lage prijs moeten verkopen. Hun energie wordt
vanzelfsprekend gebruikt om de voorhanden werkzaamheden te verrichten en
daartegenover staat geen verkoopsprijs, hypocriet “beloning” genaamd, maar een vrije
beschikking over de goederen dezer aarde.
89.
Als de verhoudingen zo liggen dat het vanzelfsprekende
karakter van het begrip arbeid tot zijn recht kan komen is het ook volstrekt
onmogelijk geworden bij voorbaat een dwingende definitie te formuleren van wat
wel en wat geen arbeid genoemd mag worden. Elke menselijke bezigheid is arbeid,
is op de een of andere manier een zich laten gelden van het feit dat de mens
het laatste verschijnsel is dat de gehele kosmos tot zichzelf omzet. Dat geldt
dus niet alleen voor diegene die zware en moeilijke handelingen staat te
verrichten, maar ook voor die uitzonderlijke dromer die almaar door het bos
dwaalt en daarbij af en toe dichterlijke uitspraken doet. En vooral moetje er
op letten dat het geldt voor zieken, huisvrouwen, kinderen, ouden van dagen en
“asocialen” die tot op de dag van vandaag geheel ten onrechte beschouwd worden
als staande buiten de realiteit van het leven, buiten de arbeid, en dus
eigenlijk ook buiten de bestaande maatschappij.
90.
Een belangrijk bezwaar tegen de moderne kunst is gelegen
in de eigenaardigheid dat die kunst niet meer voor zichzelf spreekt. Bij elk
modern kunstwerk moet een toelichting gegeven worden, anders is niet duidelijk
wat de kunstenaar heeft willen zeggen. Volgens een aantal kunstenaars is het
zelfs zo dat de “genieter” er zelf maar wat van moet maken, geheel naar eigen
goeddunken, iets wat een volkomen loos advies is omdat dit voor alles geldt
waarmee iemand geconfronteerd wordt. Iedereen maakt wat van dat wat zij of hij
op de een of andere manier ervaart. Daarvoor is bepaald geen “kunstwerk” nodig
en de zogenaamde kunstenaar is op grond van zo'n advies meteen al te rekenen
tot de oplichters, goedbedoelend wellicht, maar toch: oplichters. Overigens is
het ook bij die “vrijblijvende” kunstwerken noodzakelijk de “genieter” ervan op
de hoogte te stellen dat het genieten geheel afhankelijk is van diens eigen
interpretatie van het kunstwerk - hij mocht anders eens in de veronderstelling
komen te verkeren dat het “kunstwerk” voor zichzelf spreekt en vervolgens tot
de conclusie komen dat hij met een mislukt kunstwerk van doen heeft!
Bijna steeds echter wordt er een zo diepzinnig mogelijk
verhaal ter verklaring van het kunstwerk gegeven, als een recept bij een
geneesmiddel. Vaak gaat het daarbij om een verhaal over de bedoeling van het
kunstwerk, maar ook komt het veelvuldig voor dat de kunstenaar uitlegt wat hij
aan het doen is geweest en hoe moeilijk dat wel was... Verhandelingen over de
technische moeilijkheden bij het vervaardigen van kunstwerken ontbreken bijna
nooit. Doorgaans is dat ook wel nodig om de onkunde van de kunstenaar voor
kunde door te laten gaan en de “genieter” ervan te overtuigen dat de hem
aangeboden rommel tot de weloverwogen kunstzinnige uitingen gerekend moet
worden!
91.
Opmerkelijk is dat “ouderwetse” kunstwerken op geen
enkele wijze om uitleg vragen. Weliswaar is er vaak van allerlei aan uit te
leggen, maar dat betreft dan louter de werkelijkheid als voorstelling die aan
de zaak ten grondslag ligt. De uitleg daarvan is echter niet noodzakelijk en
bovendien niet iets dat specifiek is voor een kunstwerk, want nagenoeg alles
wat inhoud van het zelfbewustzijn wordt (zelfbewuste ervaring) vraagt om
uitleg. Alles vraagt om een verklaring, maar dat zou bij het kunstwerk nu juist
niet het geval behoren te zijn! Vaak werkt de uitleg van de basale voorstelling
zelfs remmend op het genieten van het kunstwerk. Het uitleggen en verklaren kan
het genieten verstoren omdat het verwijst naar iets dat volstrekt niet
essentieel is. Het feit echter dat de basale voorstelling niet essentieel is
wil per se niet zeggen dat hij dus verwrongen, vertekend of zelfs gemist kan
worden. Veel moderne kunstenaars die “de klok hebben horen luiden” denken
echter dat dit wel het geval is en dat is voor hen dan een vrijbrief om, vaak
met grote ernst en ijver, hun behoefte aan artistieke “Spielerei” uit te leven.
92.
De wereld van
de kunstenaars is een wereld van “Spielerei” geworden. Dat wil zeggen dat je
met een doen alsof te maken hebt gekregen. Men doet alsof men kunstenaar is en
vervolgens doet men het voorkomen dat de geproduceerde bedenksels de mooiste en
diepzinnigste kunstwerken zijn. Het bedrieglijke daarbij is dat men er zelf
doorgaans nog heilig in gelooft ook! Men heeft alle ingrediënten ter
beschikking die bij het kunstenaarschap behoren. Men weet, dank zij allerlei
psychologische kennis en andere wetenschappelijke informatie, precies wat zich
in de kunstenaar af behoort te spelen. Met behulp van die kennis meet men
zichzelf een bepaald gedrag aan en dat gaat zo
vanzelfsprekend dat het, vooral ook op de zogenaamde kunstenaar
zelf, de indruk maakt echt te zijn. Het is echter allemaal een doen alsof. Zo
zie je bijvoorbeeld musici met een bewonderenswaardige ijver en groot
vakmanschap hun tijd verdoen met de grootst mogelijke artistieke drek die
nauwelijks te vertolken is, juist doordat het drek is! Het kenmerk van drek is
onder andere dat het de viezigheid is die van iets dat vergaan is overblijft.
Het is het restant van iets goeds en nuttigs. Zo is de artistieke drek dat wat
van de kunst overblijft als de ontbinding zich doorgezet heeft...
93.
Bij het nadenken over de arbeid stuit je steeds op het
opvallende feit dat economen en managers, maar ook politici en
vakbondsbestuurders, er niet bij stil staan dat het fout en uit de tijd is om
het bij berekeningen te hebben over arbeiders, arbeidsuren en dergelijke, in de
plaats van energie. Als de arbeider, of welke werknemer ook, zich verhuurt aan
een werkgever , dan verkoopt hij of zij in feite zijn of haar energie. Het is
niet zonder grond dat men het soms over de “arbeidskracht” van de werknemer
heeft. Inderdaad gaat het om kracht, oftewel energie. In een onderneming, en
dat is vooral duidelijk zichtbaar in een fabriek, heeft men energie nodig voor
de productieprocessen. Die moeten in gang gehouden worden en dat vergt niet
alleen energie die wij traditioneel “energie” noemen, bijvoorbeeld
elektriciteit of stoom, maar ook in niet geringe mate intellectuele en
lichamelijke energie - die gewoonlijk evenwel niet zo genoemd wordt. Wordt een
arbeider ontslagen omdat hij door een machine vervangen wordt, dan wil men
graag vergeten dat deze ruil voor de ondernemer winst oplevert. Hij gebruikt nu
minder energie voor dezelfde werkzaamheden. Maar die arbeider zit zonder
inkomsten...Het zou veel eerlijker zijn als de ondernemer het verschil tussen
de oorspronkelijk door de arbeider gebruikte energie en die van de machine aan
de arbeider vergoedde. Die arbeider heeft er principieel recht op omdat alle
productieprocessen in de grond van de zaak en wezenlijk menselijke processen
zijn. Het is de menselijke energie waarop het omzettingsproces van de aarde
drijft. Alle productie is dan ook aanvankelijk een zaak van de menselijke
“geest” en de menselijke “hand”. Energie die niet aan mensen vergoed wordt is
welbeschouwd gestolen energie. Maar, het kan in een onvolwassen wereld niet
anders! De particuliere individu, die de exponent is van het aanvankelijke
individualiseringsproces, weet nog niets beters te doen dan zijn eigen
onafhankelijkheid en vrijheid te roven.
94
De westerse mens, voorzover die
alsnog een particuliere individu is, gaat door de wereld als een roofmoordenaar
en een lustmoordenaar. Het eerstgenoemde begrip heeft betrekking op het in
bezit nemen van al datgene dat als de inhoud van de mens beschouwd moet worden,
op een bepaalde manier de ganse werkelijkheid. Dit in bezit nemen gaat gepaard
met het ontkennen van de aanwezigheid en de rechten van de medemens: dat is dus
“moord”. Het tweede begrip, de lustmoordenaar, slaat op het feit dat die
particuliere individu de ontkenning is van het vrouwelijke als zijnde “het
geheel” waarbinnen al het bestaande in een ongebroken en onbreekbare samenhang
opgenomen is. Dit “geheel” moet volgens primair besef van de particuliere
individu vernietigd worden omdat het diens eigenheid en diens ontplooiing in de
weg zou staan. Ter verwerkelijking van de particuliere individu, om het even of
die een man is of een vrouw, moeten de vrouw, overdrachtelijk, en het
vrouwelijke, letterlijk, vermoord worden en daaraan beleeft de moordenaar lust,
omdat het zijn meest fundamentele begeerten bevredigt. Het spreekt vanzelf dat
genoemde begrippen roofmoordenaar en lustmoordenaar voor de praktijk als
“metaforen” opgevat moeten worden. Het zijn filosofische typeringen van het
culturele karakter van de westerse mens, die er echter niet minder essentieel
om zijn. Overigens moet opgemerkt worden dat deze begrippen ook op de
niet-westerse particuliere individu van toepassing zijn, maar het is niet
noodzakelijk dat zij in enigerlei concrete vorm het karakter van het gedoe van
die niet-westerse individu bepalen. Met enige zekerheid is te voorspellen dat
die zich realiserende niet-westerse particuliere individu in de praktijk meer
gedomineerd zal worden door een vaag aangevoeld gemeenschapsbesef, dat een
voorbode is van het “met zijn allen zijn” van de toekomstige volwassen mens.
95.
Het gaat in de kunst om het uitdrukking geven aan en het
laten ervaren van de werkelijkheid als beeld. Dat “beeld” is een werkelijkheid
die zich afspiegelt aan de werkelijkheid als voorstelling, welke inhoud is van
het zelfbewustzijn. Op geen enkele andere wijze dan als afspiegeling is het de
mens als kunstenaar mogelijk die “werkelijkheid als beeld” aan zichzelf mede te
delen en het bovendien ook nog zo te regelen dat anderen die zaak meebeleven en
ervan “genieten”. Dit “genieten” blijkt, als je het verder onderzoekt en er
dieper over nadenkt, een psychisch méétrillen te zijn: de “genieter” gaat
letterlijk meetrillen met het trillende beeld van de werkelijkheid zoals dat
door de kunstenaar - als “het” goed is en als “hij” goed is - op de een of
andere manier waarneembaar gemaakt is. De voorstelling, in een van de mogelijke
gedaanten, is absoluut noodzakelijk.
Hij is in feite niets anders dan het onmisbare “voertuig”
van de werkelijkheid als beeld, hij is de materiële basis waaraan het beeld
zich beleven laat. Het is nooit van tevoren te zeggen hoe dat “voertuig” er uit
zal zien in het geval van de beeldende kunsten, of klinken in de muziek,
bewegen in de dans, als gebeuren in de epische kunst of typeren in de poëzie,
maar zeker is dat het een herkenbaar voertuig is. En die herkenbaarheid moet zo
universeel mogelijk zijn. Het herkenbare van de werkelijkheid als voorstelling
heeft betrekking op de afbeelding (beeldende kunst), de gebeurtenis
(romankunst), de beweging (dans), de trilling (muziek), de typering (gedicht)
en nog enkele combinaties en tussenvormen hiervan. Daarbij gaat het, wat het
universele betreft, achtereenvolgens om de essenties: vorm, verhaal,
uitdrukking en tenslotte klank. Deze essenties zijn “essenties van iets” die,
binnen het raam van de kunst, nimmer op zichzelf gesteld kunnen worden. Datgene
waarvan het essenties zijn moet aanwezig zijn, want anders heft dit begrip
zichzelf op. Zo zie je bijvoorbeeld in de oude Chinese kalligrafische
tekenkunst (niet bedoeld is de kalligrafie op zichzelf) dat er iets bepaalds
afgebeeld wordt, zeg de dichter Li Tai Po. Maar die afbeelding is vrijwel
volledig tot zijn essentie teruggebracht. Dat is de vorm. Vooral in de Chinese
tekenkunst is dit goed waar te nemen en je ziet ook dat die vorm ontstaat door
de getekende lijn. In de westerse beeldende kunst zijn de essenties veel meer
verborgen. Bij Rembrandt bijvoorbeeld moet je daarvoor naar zijn tekeningen
terugkeren.
96.
Essenties zijn wat anders dan onderdelen of elementen.
Essenties zijn niet door ontleden te voorschijn te brengen, sterker nog: door
de analyse heffen zij zichzelf geheel en al op. Ze zijn dan spoorloos
verdwenen, hetgeen in de moderne kunst zonder moeite vast te stellen is. In die
kunst is de werkelijkheid als voorstelling geanalyseerd, uit elkaar gehaald en
tot haar elementaire onderdelen teruggebracht. Overigens precies zoals dat in
de moderne wetenschappen gedaan wordt. De moderne kunstenaar doet van allerlei
met die elementen en beweert vervolgens dat je met kunst te doen hebt. Die
beweringen worden daartoe rijkelijk voorzien van verklaringen en uitleg,
meestal met een quasi wetenschappelijk tintje om de zaak enigszins aannemelijk
te maken.
Zonder zo'n uitleg zou er trouwens niets van overblijven.
Het feit dat een dergelijk “kunstwerk” toch van alles in de genieter teweeg kan
brengen zegt absoluut niets: alle andere dingen kunnen dat ook! Je spreekt van
“essenties” als je te doen hebt met een tot een enkelvoudig gegeven
teruggebrachte werkelijkheid, een in een bepaald “teken” gecomprimeerd geheel.
In dat “teken”, die “essentie” is dus
feitelijk de gehele zaak aanwezig. Zo is in de vorm de essentie gegeven van een
afbeelding van de werkelijkheid als voorstelling. En in de klank van muziek de
essentie van de trilling van de werkelijkheid als voorstelling. Dan behoren ook
nog bij elkaar: in de romankunst de begrippen verhaal en gebeurtenis en in de
dans uitdrukking (expressie) en beweging. Vorm (en lijn), klank (en toon),
verhaal (en woord), uitdrukking (en lichaam) zijn de essenties van de kunst, de
hoofdzaken daarvan althans. Aan deze essenties, en uitsluitend daaraan,
spiegelt de werkelijkheid als bewustzijn zich af en tovert ons zo de werkelijkheid
als beeld voor. Om dat “beeld” is het in de kunsten te doen, en trouwens ook in
de filosofie. De filosofie geeft - zou moeten geven - een zo consistent
mogelijke beschrijving van dat beeld.
97.
Het zou in orde zijn met de moderne kunst als zij zo helder
en zo zuiver mogelijk gestalte zou geven aan de genoemde essenties. Het lijkt
alsof zij dit ook doet, maar in werkelijkheid geeft zij elementen en
onderdelen, brokstukken, in plaats van essenties. Men verwart de tot een
enkelvoudig teken teruggebrachte voorstelling met een detail van de
geanalyseerde voorstelling. Typisch westers denkt men de essentie te vinden
door de zaak uit elkaar te halen, te ontleden! Men vindt dan echter niets. En
omdat dit het geval is moet men het doen voorkomen alsof de keizer wel degelijk
kleren aan heeft...
98.
Het gaat in de kunst om de wereld “achter” de dingen, zo
zou je het gemakshalve kunnen formuleren. Dat is een uitspraak die door de
kunstenaars al tot in den treuren herhaald is, maar waarvan de strekking maar
zelden echt wordt begrepen. Letterlijk is er natuurlijk geen werkelijkheid
achter de dingen, maar het is wel zo dat de dingen niet alleen qua voorstelling
voor ons verschijnen, maar ook en tegelijkertijd als bewustzijn in ons aanwezig
zijn. Het zich aan de voorstelling “afspiegelen” van dat bewustzijn is de
werkelijkheid als beeld en dat is wat men beseft als “de wereld achter de
dingen”. Om die wereld gaat het in de kunst en ook in de filosofie. In het
dagelijkse leven van de mensen gaat het daar niet om, in het leven gaat het om
het “nu”. Maar om dat “nu” te kunnen plaatsen, een ondergrond en een zin te
kunnen geven is daar wel de wereld achter de dingen, de werkelijkheid als beeld
bij nodig. Omdat dat “beeld” op de een of andere manier zingevend is, kan dat
van de kunst ook gezegd worden. De vraag daarbij is echter wel hoe je het
begrip zin interpreteert. Heeft het de betekenis van een doel, of een les, of
om saamhorigheid tussen mensen aan te wakkeren en de moraal te dienen... in al
deze en dergelijke gevallen heeft de zaak niets met het begrip zin te maken
zoals ik dat nu bedoel. Het begrip zin verwijst alleen maar naar het feit dat
de in de voorstelling los van elkaar staande dingen in het geheel van de
werkelijkheid als beeld tot samenhang komen en tot een harmonieus geheel
gevormd worden. Meer dan een harmonieus geheel kan voor de mens de
werkelijkheid niet zijn. Als zodanig is het al of niet op kunstzinnige wijze
beleven van de werkelijkheid als beeld een “zingevende belevenis” te noemen. En
als zodanig is dus het genieten van kunst zinvol!
99.
Zodra het gaat over een geanalyseerde voorstelling
vervallen de essenties en daarmee stort de mogelijkheid van het zich
afspiegelen van de werkelijkheid als beeld in. Op gevaar af voor een
ouderwetse, achtergebleven moralist gehouden te worden stel ik in verband
hiermee dat de moderne kunst, uiteraard voorzover die
inderdaad op analyse van de voorstelling berust, een zinloze aangelegenheid is.
Wil je eventueel toch op de een of andere manier over een “zin” spreken, dan
zou je het begrip zinsbegoocheling moeten gebruiken.
100.
Het voor zichzelf spreken van de kunst komt voort uit de
omstandigheid dat alles draait om de werkelijkheid als beeld. Dat is een
werkelijkheid die, zoals gezegd, berust op het bewustzijn dat in ieder mens,
over de gehele wereld precies eender, aanwezig is. Het is altijd en overal
dezelfde werkelijkheid. Een verwijzing naar die innerlijke werkelijkheid, naar
die waarheid, is in principe voor een ieder, onafhankelijk van taal en cultuur
verstaanbaar. Het is een universele zaak! Omdat het “voertuig” daarvan evenwel
de voorstelling is kan het gebeuren dat deze, in een onvolwassen mensheid heel
vaak gebrekkig en bekrompen zijnde, een hinderpaal vormt voor het genieten van
kunst. Men kan de zaak dan niet herkennen. Het ligt echter in de logica dat met
het zich verbeteren van de ontwikkeling van de betreffende mensen ook het
herkennen gemakkelijker wordt, althans in universele zin. Plaatselijk en
tijdelijk speelt de bedoelde hinderpaal nauwelijks een rol van betekenis. De
aardige paradox doet zich hier nu voor dat ontwikkeling, die immers betrekking
heeft op de voorstelling en dus op iets dat voor de kunst op zichzelf niet
essentieel is, toch het herkennen en genieten van kunst bevordert. Het gaat
hier evenwel niet over de een of andere “kunstzinnige vorming” - die bijna
altijd averechts werkt - maar gewoon over alledaagse ontwikkeling qua
“universele” kennis zoals je die onder andere op school opdoet.
101.
Een geanalyseerde voorstelling is weliswaar niet zo goed
meer te herkennen als een voorstelling in de gebruikelijke zin, waarbij het
gaat om een directe ervaring van een deel van de werkelijkheid, zodat je
onmiddellijk kunt zeggen “wat het voorstelt”. Maar hij valt als een geanalyseerde
voorstelling toch nog steeds onder het begrip voorstelling: een geanalyseerde
voorstelling is ook een voorstelling! Voor de voorstelling geldt altijd dat hij
op de een of andere manier “verklaard” moet worden. Hij is nimmer voor zichzelf
sprekend. Soms lijkt het alsof dit wel het geval is, maar dan wijst nader
onderzoek uit dat zo'n zogenaamd voor zichzelf sprekende voorstelling eerder al
eens “verklaard” is en nu tot kennis geworden is. Omdat de voorstelling gegrond
is op het zelfbewustzijn en omdat dit de werkelijkheid als verschijnsel is die
zich, aan het einde van wording en evolutie, is gaan gedragen alsof er geen
verschijnselen waren, maar louter beweeglijkheden, is de mens (als laatste
verschijnsel) er steeds op uit de tot voorstelling geworden ervaringen te
stellen in het teken van dat “louter beweeglijkheden zijn”. Dat betekent dat
hij probeert er een heldere zaak van te maken: hij verlicht de zaak, hij
verklaart en licht toe. De tot voorstelling geworden ervaringen worden
“verlicht” , “verklaard”, en “toegelicht” en dat is een gang van zaken die
onlosmakelijk met de werkelijkheid als voorstelling verbonden is. Dat wil
zeggen: aanvankelijke voorstellingen kunnen niet anders dan verklaard en
toegelicht worden. Daarin komt dus tot uiting dat de mens van nature en
onontkoombaar zoekt alles tot kennis om te zetten. De consequentie van het bij
elkaar behoren van de voorstelling en zijn verklaring is voor de kunst deze dat
elke kunstuiting die niet het niveau van het beeld bereikt en dus in feite niet
boven de voorstelling uitkomt automatisch niet zonder verklaring kan. Op de een
of andere manier moet er een toelichting bij. Ook een suggestieve titel is
uiteraard een toelichting.
Een geanalyseerde voorstelling is nog steeds een
voorstelling en dus is de daarop gebaseerde kunst onvermijdelijk afhankelijk
van een toelichting. Zonder dat zou men vrijwel alle moderne kunstwerken niet
eens als zodanig herkennen! Dat vereist dus dat de moderne kunst op de een of
andere manier toegelicht moet worden. Enerzijds verraadt de noodzakelijkheid
van een toelichting dat je met een kunstzinnig (want dat is het doorgaans wel!)
doen alsof een artistieke, spielerei te maken hebt en anderzijds kan
kunstzinnige spielerei niet zonder toelichting, juist omdat dat gedoe niet los
komt van de voorstelling.
102.
Met “los komen van de voorstelling” wordt per se niet het
verwerpen van de voorstelling (zogenaamd abstracte kunst) of het in onderdelen
opsplitsen ervan bedoeld, zoals de moderne kunstenaars je maar al te graag
willen doen geloven. Bedoeld wordt daarentegen het concentreren van de
voorstelling in een eenduidig teken, zodat de essentie tot uitdrukking komt.
Het onderscheid echter tussen een geanalyseerde voorstelling en een tot teken
geconcentreerde voorstelling is voor een modern denkende westerse mens niet of
nauwelijks te vatten. Het zal dan ook wel zo lopen dat men binnenkort zal gaan
beweren dat Jan Vis een lans gebroken heeft voor de moderne kunst en dat hij er
nog eens op gewezen heeft dat men in de kunst “los behoort te komen van de
voorstelling”.
Het zij zo... ,
103.
Het nadenken van de moderne mens is te typeren als
“domheid op hoog intellectueel niveau”. Het denken, op zichzelf beschouwd, staat
inderdaad op een hoog niveau. De analyse immers is zo langzamerhand zo
geraffineerd geworden dat in principe elk geheim ontsluierd kan worden. Maar
onder deze zaak ligt een grondtoon van volslagen onbegrip, van een hopeloos
gemis aan inzicht en een nagenoeg geheel verziekte intuďtie. Omdat het hierbij
gaat om menselijke kwaliteiten die “in het verborgene” met de cultuur
mee-ontwikkeld zijn moet je van domheid spreken. Men heeft immers de
mogelijkheid om die kwaliteiten wel tot hun recht te laten komen! Je hebt met
domheid te doen als iemand wel de mogelijkheid heeft om iets te doen, te laten,
of te laten gelden, maar het vanuit een bepaalde redenering, opvatting of
gewoonte achterwege laat. Zo moetje van de moderne westerse mens zeggen dat hij
ten voeten uit staat als “domheid op hoog intellectueel niveau”.
Een belangrijke uiting van die domheid is te herkennen
aan het almaar voortborduren op dezelfde stramienen.
Men zoekt en herkent geen nieuwe gedachten en als men het, doorgaans met veel
zelfoverschatting, toch over “iets nieuws” heeft blijkt dit bij nadere
beschouwing ook weer hetzelfde te zijn, maar dan op een iets andere wijze!
Alleen in het geavanceerde wetenschappelijke onderzoek weet men enigszins raad
met werkelijk nieuwe denkbeelden, maar daarbij moet gezegd worden dat men wat
dit betreft nooit kan kiezen: aan wat het onderzoek boven water brengt kan niet
zomaar voorbijgegaan worden, althans tegenwoordig niet meer. Vroeger kon men,
zonder verlies aan geloofwaardigheid, beweren dat bepaalde onwelgevallige
uitkomsten aan de zogenaamde “ruis” te wijten waren. Dus aan vervuiling in de
vorm van toleranties van de instrumenten en onvermijdelijke onnauwkeurigheden
in de waarnemingen. Tegenwoordig trapt men daar niet zo gemakkelijk meer in.
Toch zie je dat ook op dit terrein heel wat weerstanden overwonnen moeten
worden om nieuwe theorieën aanvaard te krijgen.
104.
Er is een groot verschil tussen “mooi zijn” en “mooi
vinden”. Maar helaas is de moderne mens nauwelijks in staat dit verschil te
bevatten. Voor een belangrijk deel komt dit door het uitermate slordige denken
van de moderne mensen. Je zou je bijvoorbeeld in kunnen denken dat iemand wel
aanvoelt dat er een verschil tussen “mooi zijn” en “mooi vinden” is, maar dat
het zo iemand niet gelukt daarvoor een aannemelijke verklaring te vinden. Dat
behoeft niet op slordigheid te duiden. Maar het is wel slordig als je bedoeld
verschil niet opmerkt en vervolgens de hele zaak door elkaar gaat smijten. Dat
gebeurt met een bloedstollend gemak! Op het ene moment beweert men met grote
stelligheid dat een bepaalde kunstenaar geweldig “goed” is om op een ander
moment staande te houden dat het waarderen van alle kunst een kwestie van smaak
is en dus niet voor een objectieve beoordeling in aanmerking komt: "de een
vindt dit mooi en de ander dat". Op het ene moment gaat het dan blijkbaar
over “mooi zijn” en daarna over “mooi vinden”. Dat beide noties elkaar
uitsluiten valt dan niet op - en dat is nu juist het slordige...
105.
Als het goed is, is er van een waarachtig kunstwerk te
zeggen dat het “mooi” is.
Het “mooi zijn” is uitsluitend aan de kunst voorbehouden.
Je kunt uiteraard ook een andere term gebruiken, als er maar het besef uit
spreekt dat datgene waarom het in de kunst gaat, tot uitdrukking komt in
bedoeld kunstwerk. Het begrip mooi behoeft volstrekt niet te betekenen dat het
uitgedrukte zo fraai, zo lieflijk, zo sierlijk, zo bevallig, en zo verder, is.
Het begrip mooi, of een ander woord, slaat op de unieke eigenaardigheid van een
kunstwerk dat het de werkelijkheid als beeld tot uitdrukking brengt. Er is
buiten de kunst niets dat daartoe in staat is. Om dit “mooi zijn” te herkennen
moet je een heldere kijk op de kunst hebben.
Zo'n kijk ontwikkel je door zoveel mogelijk kunst te
“genieten” en dat wil feitelijk zeggen: te ondergaan. Je ontwikkelt hem per se
niet door boeken over kunst te lezen, het geleuter van moderne kunstenaars aan
te horen of je zelf met het vervaardigen van “kunstwerken” onledig te houden.
Het veelgehoorde argument dat je “er verstand van moet hebben” en dat alleen
die “deskundigen” het recht zouden hebben een oordeel over een kunstwerk te
geven, is volstrekte onzin. Verstand hebben van heeft betrekking op genoemd
“geleuter” en is kunstzinnig niet interessant. Omdat het ware kunstwerk
absoluut voor zichzelf moet spreken heeft het “verstand hebben van” geen
betekenis. Wel heeft “inzicht hebben in” en “een kijk hebben op” betekenis. Je
kunt dat niet leren zoals je het alfabet en rekenen leert, maar je kunt het wel
in jezelf ontwikkelen.
106.
Mooi vinden kan op van alles betrekking hebben. Je kunt
je fiets mooi vinden en een locomotief, maar ook een kunstwerk. Dat is
inderdaad een kwestie van smaak. Je kunt bijvoorbeeld Beethoven mooi vinden,
maar Chopin helemaal niet; je kunt Breitner mooi vinden maar Van Gogh lelijk,
enzovoort. Maar je kunt niet stellen dat Van Gogh of Chopin niet mooi zijn. Dat
wil zeggen: je kunt het wel stellen, maar dan blijkt daaruit dat je er geen
kijk op hebt. Iedereen en niemand-niet heeft zijn voorkeuren. Dat geldt niet in
de laatste plaats voor het genieten van kunst. Over die voorkeuren valt
inderdaad niet te twisten, zij zijn simpelweg zoals ze zijn. Maar daarnaast, of
zo je wilt “daar bovenuit gaande”, is er de kijk op de kunst en die leert je
wat “mooi” is en wat niet. Je kunt dat scherper stellen en je afvragen of iets
kunst is of niet. Daarvoor echter moet je op je definitie van het begrip kunst
letten: versta je onder kunst elke creatieve uitdrukking van iemands ziele- of geestesroerselen, dan valt ook al datgene dat niet-mooi is
er onder. Dus ook zonder meer alle moderne kunst. Ook spielerei is immers zo'n
“roersel". Deze benadering is in zoverre te verdedigen datje het creatieve
gedoe in zijn algemeenheid onderscheidt van alle andere activiteiten en het op
grond daarvan ook rechtvaardigt. Uiteindelijk blijft het een feit dat ook
diegene die zich met spielerei bezig houdt tegengesteld is aan diegene die in
materiële zin productief wil zijn. Als je al het creatieve gedoe onder de
rubriek “kunst” wil laten vallen blijft voor diegene die er “kijk” op heeft
over dat er een onderscheid is tussen “mooie” (goede, waarachtige) kunst en
“niet-mooie” kunst. Deze laatste kunst gaat niet over de werkelijkheid als
beeld, maar louter over het kinderlijk spelen met de voorstelling, die al dan
niet versnipperd is. Degene die er kijk op heeft zal echter doorgaans de
voorkeur geven aan het onderscheid tussen kunst en niet-kunst (dat behoeft nog
lang geen “kitsch” te zijn!). Hij houdt het op het uitdrukking geven aan de werkelijkheid
als beeld. En hij zal niet anders kunnen dan de moderne kunst over vrijwel de
gehele linie te veroordelen... Ik doe dat ook zonder pardon!
107.
Er worden onder de noemer van de moderne kunst heel wat
werkstukken gemaakt die mooi gevonden kunnen worden. Vaak zijn de kleuren mooi
zodat zij allerlei associaties in de beschouwer oproepen. Vaak zijn de klanken
mooi, de woorden fraai gekozen, enzovoort. Dikwijls kun je er behoorlijk van
genieten, hoewel het vaststaat dat na enige tijd de verveling toeslaat. Alles
wat niet boven de materie uitgaat verveelt na enige tijd. De redenen daarvoor
laat ik nu even buiten beschouwing, want een ieder kan bij zichzelf nagaan dat
het toeslaan van de verveling inderdaad steeds het geval is.
108.
Het kijk hebben op kunst staat geheel los van de
voorkeuren die men heeft, dus van de smaak. De een zal deze kunstwerken
prefereren, bij de ander zal zijn voorkeur een geheel andere kant uitgaan. De
smaak wordt door een veelheid van factoren bepaald en daaronder zijn er ook die
betrekking hebben op de tradities waarin iemand opgegroeid is, en ook zijn er
die samenhangen met iemands eigen talenten. Maar, kijk hebben op kunst betekent
dat men herkent waar het in de kunst werkelijk om gaat en dat is dus het bijwijze van beeld afspiegelen (aan de voorstelling) van de
werkelijkheid als bewustzijn. Als men bevangen zit in de mode van zijn tijd of
als men te weinig aanleg heeft om dat beeld te herkennen blijft men
onherroepelijk in de smaak steken en dan kan het niet uitblijven dat op den
duur die, op een bepaald moment heersende, mode de maat wordt voor het al of
niet mooi vinden van een of ander kunstzinnig object. Omdat de mode in sterke
mate beďnvloed wordt door allerlei tijdelijke opvattingen, waarvoor men tegenwoordig
via de media intensief reclame kan maken, is ook de daaraan meekomende
zogenaamde kunst gebaseerd op allerlei verhalen. In feite is het alles dan een
buitengewoon kinderachtige aangelegenheid die vooral populair is bij
oppervlakkige lieden uit de wereld van geld, glamour en glitter.
109.
Het hedendaagse glitterdom is rijkelijk voorzien van
dames die hun innerlijke leegheid en verveling trachten te verdrijven door zich
met schilderen bezig te houden. Omdat zij als regel zwemmen in het geld dringen
zij met hun producten gemakkelijk door in het circuit van galerieën zodat zij
regelmatig hun leeghoofdenrij kunnen exposeren. Zo nemen zij de plaats in van
ernstige kunstenaars die nauwelijks meer een schijn van kans hebben.
Opmerkelijk is dat bedoelde dames het schilderen verkiezen. Maar de verklaring
daarvoor blijkt eenvoudig: je kunt dan namelijk naar hartelust
knoeien en net zolang poetsen tot het net lijkt alsof er iets moois ontstaan
is. Op zo'n manier is het schilderen een gemakkelijk medium! Iets moeilijker is
voor hen het schrijven van boeken. Maar met behulp van de een of andere gladde
journalist - want dat zijn tegenwoordig de kenners op het gebied van de
schrijfkunst krijg je toch al gauw een boek in elkaar geflanst. De relaties en
het geld zorgen er vervolgens voor dat er ook gemakkelijk een uitgever gevonden
wordt, iets wat voor een echte schrijver nagenoeg onmogelijk is. Het schilderen
en het schrijven van boeken zijn populair bij de dames, maar tekenen en dichten
bijvoorbeeld worden angstvallig gemeden, want de dames hebben natuurlijk al
lang door dat daarbij zelfs voor de leek duidelijk is dat je werkelijk talent
moet hebben en datje dus zonder pardon door de mand valt met je rommel. Muziek
maken of componeren is al helemaal uit den boze want die vakken vereisen een
grote mate van bekwaamheid! Niet doen dus...
110.
Het “doen” alsof gaat bij de moderne mens zover dat hij
meent dat het voldoende is zich in de mentaliteit van de kunstenaar te
verplaatsen en die vervolgens zo goed mogelijk over te nemen. Dat gedoe wordt
dan overgoten met een sausje van zelfoverschatting, eigenwijsheid en
kortzichtigheid dat men overigens gemakkelijk kwalificeert als een “theorie”,
een “therapie” en een “levensleer”. Het resultaat van het volgen van zo'n
strategie is een mens die zich verbeeldt een kunstenaar te zijn en die denkt
heel wat te kunnen en die bovendien - dat is eigenlijk nog het ergste - meent
dat echt kunstenaarschap niet bestaat omdat het niet nodig is aanleg voor het
creëren van kunst te hebben.
Hij meent trouwens dat in het algemeen het begrip aanleg
een ouderwets begrip is, een overwonnen standpunt. En daar komt de aap uit de
mouw: het door het moderne denken voortgebrachte nivelleringstrauma is ook in
de kunsten ingeslopen !
111. persoonlijkheid-1 ; persoonlijkheid-2
; persoonlijkheid-3
; persoonlijkheid-4
In de kunstenaar leeft een wezenlijke, dat wil zeggen:
een tot zijn wezen behorende, uitingsdrang. Dat is een drang die noodzakelijk
en onvermijdelijk, volkomen buiten iemands zelfbewuste persoonlijkheid
om, leidt tot kunstenaarschap. De kunstenaar kan dus niet kiezen of hij zich
wel of niet uiten zal, hij kan het eenvoudig niet laten zich bijwijze van kunst te uiten. Die drang vindt zijn oorsprong
in het feit dat de werkelijkheid als beeld een universele, maar op zichzelf
niet zichtbare, werkelijkheid is die erom vraagt om tot uitdrukking gebracht te
worden. De kunstenaar is degene in wie die vraag in de vorm van een aanleg
zelfbewust wordt. Datzelfde geldt ook voor de filosoof - althans, als het goed
is! De creatieve activiteiten van kunstenaars en filosofen zijn geworteld in en
gericht op het zich uiten, op het tot uitdrukking brengen van en het gestalte
geven aan die onzichtbare wereld van het beeld, die een afspiegeling aan de
voorstelling is van de werkelijkheid als bewustzijn. Uitsluitend daarom gaat het
en om niets anders! Omdat dat zich uiten betrekking heeft op een universele
zaak en omdat het tot ontplooiing komt in de mens als enkeling is het een
volstrekt onafhankelijke zaak. Dat wil zeggen: voor de kunstenaar en de
filosoof is er niets uitwendigs dat op de een of andere wijze bepalend is voor
zijn kunst of filosofie. Het zich uiten vindt zijn criteria in de kunstenaar en
de filosoof zelf en nergens anders. Niet alleen dat de criteria voor kunst en
filosofie in de kunstenaar en de filosoof zelve besloten liggen, maar
daarenboven geldt ook nog dat beider creaties geen uitwendig doel dienen. Zij
willen de mensen geen boodschap brengen, niet opvoeden, niet vermaken, niet
beleren, noch een moraal of een ideaal voorhouden. Als het goed is willen zij
helemaal niets, behalve zich zo helder mogelijk uiten. Omdat het in de aard van
een uiting ligt om kenbaar gemaakt te worden komen kunstenaars en filosofen met
hun creaties voor de dag. Zij stellen de mensen ervan op de hoogte, maar ook
dat doen zij in alle onverschilligheid: zij zien wel wie de zaak opgrijpt en
wie niet. Dat betekent ook dat het hen bij het zich uiten niet gaat om geld
verdienen, status of macht te verwerven. Voorzover
zij daaraan behoefte hebben is dat een behoefte die los staat van hun werk, ook
als blijkt dat zij met dat werk geld kunnen verdienen. Dus: het werk wordt
gemaakt vanuit de onbedwingbare wezenlijke behoefte zich te uiten en vervolgens
blijkt wel of er ook nog iets mee te verdienen is. Overigens : dat zich uiten
komt voort uit de aanleg om aan de werkelijkheid als beeld op een zelfbewuste
wijze uiting te geven. Dat is dus wat anders dan de min of meer modieuze
behoefte om eigen psychische armoede te compenseren doormiddel van tot
populaire methodes verschraalde creatieve hobby’s, waarvan overigens
nadrukkelijk gesteld moet worden dat wie er behoefte aan heeft het vooral niet
moet laten..!
persoonlijkheid-1 ; persoonlijkheid-2
; persoonlijkheid-3
; persoonlijkheid-4
112.
Over het algemeen is te zeggen dat er met kunst en
filosofie niets te verdienen valt. Dat komt doordat er aan kunstwerken en
filosofische gedachten geen waarde gehecht kan worden en zeker geen meerwaarde
die grond zou kunnen zijn voor geld verdienen. Het ontbreken van een
mogelijkheid om aan kunst en filosofie waarde te hechten en meerwaarde toe te
kennen vindt zijn oorzaak in het feit dat het om de werkelijkheid als beeld
gaat. Die is manifestatie van het bewustzijn. Omdat het bewustzijn een
universele werkelijkheid is kan er niets naast of tegenover gesteld worden; er
is geen mogelijkheid om die werkelijkheid met iets anders te vergelijken en dus
is het ook niet mogelijk de zaak in waarden uit te drukken. Als iets zich
onmogelijk in waarden uit laat drukken is er niets mee te verdienen. Wordt er
toch, om welke reden dan ook, voor betaald, dan is het maar net “wat de gek er
voor geeft”. Op zichzelf behoeft dat niet kwalijk te zijn want de kunstenaar en
de filosoof moeten ook leven, maar strikt doorgedacht kun je niet stellen dat
er voor het werk van de kunstenaar en de filosoof betaald wordt. Vaak is dat
enerzijds voldoende reden om die mensen dan ook maar niet te betalen en ze min
of meer te laten verkommeren, of om ze anderzijds een “waardevolle” status aan
te bieden als docent of iets dergelijks.
Als het goed is zit er in kunstwerken noch filosofieën
een “waardevolle factor”.
Dat wil zeggen dat er op geen enkele manier iets in te
vinden mag zijn dat gebruikt kan worden om er geld mee te verdienen. Iets wat
zich daarvoor leent is natuurlijk iets waaraan waarde toegekend kan worden. Dat
kan dan niets anders zijn dan iets wat “uit het geheel springt” als zou het
iets bijzonders zijn dat het verdient naar voren gehaald te worden. Daarmee is
het universele verbroken en dat betekent dat de ziel uit het kunstwerk of de filosofie gehaald is.
Iedere filosoof of kunstenaar die zich opwerpt als iets bijzonders dat
waardevol is heeft in zijn denken of zijn kunst een aantal onwaarachtigheden
ingebouwd of laten insluipen. Dat is een onverbiddelijke noodzakelijkheid. Ook
als blijkt dat zo'n filosoof of kunstenaar veel voor een groot aantal mensen
betekent zit er toch iets wezenlijk fout. Zijn filosofie en kunst mogen geen
aanknopingspunten bieden voor volgelingen, discipelen, aanbidders en
dergelijken. Eigenlijk blijkt dat ook wel, want louter op grond van zijn denken
of kunstwerken krijgt niemand volgelingen: er moet een grote mate van mysterie,
van show, bijkomen. Bijvoorbeeld doen, wat het denken betreft, baardige lieden
uit het Oosten het nog steeds goed...Uiteraard moet de zaak niet omgedraaid
worden. Een integere kunstenaar of filosoof kan best onder gunstige
omstandigheden bij een groot aantal mensen in de smaak vallen zodat hij veel
geld voor zijn werk krijgt. Maar hij zal speciaal voor dat geldverdienen
niets ondernemen!
114.
Door de analyse, die karakteristiek voor onze cultuur is,
is er zo langzamerhand een grote behoefte aan relativeren ontstaan. Dat
betekent eigenlijk dat er ingezien wordt dat iets niet noodzakelijk zo moet
zijn, maar ook best anders kan zijn. Dat is natuurlijk een belangrijke
vooruitgang in de zelfbewuste benadering van de werkelijkheid door de moderne
mens. Dogmatisme, autoritaire eigenwijsheid, principiële kortzichtigheid en nog
meer van die onhebbelijkheden worden gaandeweg herkend en aan de kaak gesteld,
zodat zij steeds minder kans krijgen zich door te zetten en als de maat te
laten gelden.
Toch slaat ook dit weer om in de verkeerde richting,
zoals gebruikelijk in een onvolwassen mensheid. Het feit dat iets eventueel ook
anders zou kunnen zijn houdt niet bij voorbaat in dat dat andere even goed zou
zijn. Het kan beter zijn, maar ook slechter. Omdat dit het geval is kun je er
niet omheen de kwaliteiten van de verschillende mogelijkheden te toetsen en met
elkaar te vergelijken. Alleen als deze vergelijking plaatsvindt en men er ook
conclusies uit trekt kan het begrip relativeren werkelijk inhoud krijgen. Het
fungeert dan als de stimulans om op “dialectische” wijze te gaan nadenken en te
proberen tot een dieper en helderder inzicht te komen. Het “andere” wordt dan
niet bij voorbaat verworpen en het wordt ook niet bij voorbaat als een nieuwe
maat gesteld, maar het wordt aanvaard als een nieuw element in de immer
voortdurende gedachtegang.
115.
Wat is er evenwel van bet begrip relativeren
terechtgekomen? De zaak is blijven steken in het voor de hand liggende, in het
kortzichtige en gemakkelijke. Dat is op zichzelf niet verwonderlijk: het zich
bezig houden met de analyse van de voorstelling leidt ertoe dat men steeds
geconfronteerd wordt met het voor de hand liggende. Je zou haast zeggen dat dit
letterlijk het geval is. Elke diepere laag van het geanalyseerde object vormt
een nieuw voor de hand liggend object, en dat blijft zo totdat er niets meer
over is. De mening dat het afdalen in steeds diepere lagen van de werkelijkheid
ook tot een dieper inzicht zou leiden is volstrekt fout. Sterker nog, je kunt
zelfs met recht en reden stellen dat deze steeds diepere analyse de
mogelijkheid tot het verkrijgen van inzicht almaar meer verkleint! Het
relativeren is blijven steken in het aanvaarden van de aanwezigheid van andere
mogelijkheden. Omdat het op dialectische wijze vergelijken van de verschillende
mogelijkheden, of in ieder geval het trekken van conclusies, achterwege blijft
ontstaat er in toenemende mate een ratjetoe van naast elkaar staande toestanden
waarvoor geldt dat men voor de kwaliteit ervan volslagen Onverschillig is
geworden. Zo leidt het op zichzelf voortreffelijke relativeren tot een op
mentaal en sociaal gebied chaotische samenleving waarmee op den duur niemand
meer raad weet.
116.
Het begrip relativeren kan ook inhouden dat men alles als
betrekkelijk wenst te beoordelen. Men vindt dan dat er in wezen niets is dat
zeker is en bovendien vindt men dat bij beoordeling van een zaak onvermijdelijk
het feit meespeelt dat het altijd een complex van omstandigheden is dat
bepalend is voor de hoedanigheid van zo'n aangelegenheid. In die context houdt
relativeren in dat men zich eigenlijk opstelt als een “niet-weter” die
lafhartig een beoordeling achterwege laat. Welnu, het is inderdaad een feit dat
er niets zeker is in de zin van vast-staan.
De werkelijkheid is door en door beweeglijkheid en
beweging. Het begrip verandering speelt een cruciale rol. De gedachte echter
dat dit veranderlijk-zijn noodzakelijk voert tot een fundamenteel niet-weten is
een foute gedachte. Het is een nogal botte reactie op het moderne denken dat
zich alleen maar kan betrekken op het vaststaande omdat dat, naar men meent,
voldoet aan de criteria die nodig zijn om analyse toe te passen. Het ligt
namelijk in de logica dat alleen datgene dat “vaststaand” is “losgemaakt” kan
worden en zich dus leent voor het uit elkaar halen, wat de analyse in feite is.
Het principiële niet-weten van het moderne denken is op zichzelf en gezien in
dit licht wel te begrijpen, maar men heeft toch in dat moderne denken geen oog
voor het feit dat een veranderlijke, want beweeglijke, werkelijkheid nu juist
de waarachtige is waarop het begrip weten bij het verschijnsel mens betrekking
heeft. Het “weten” van dat laatste verschijnsel is op zichzelf een door en door
beweeglijke zaak, die dus niet aangewezen is op vaststaande grootheden, maar
wezenlijk juist op beweeglijke! In het licht van dat beweeglijke verschijnt de
werkelijkheid nu niet langer als iets onzekers waarop de kwalificatie
“niet-weten” van toepassing is, maar juist als een zekerheid, zij het dan dat
dat er een van beweeglijke aard is. Je zou kunnen zeggen dat het niet een weten
is van iets dat vaststaat, maar een weten van iets dat “kan gebeuren”. Dat
maakt ook het begrip toeval begrijpelijker, want van een groot aantal zaken is
nu in te zien dat zij, hoewel toevallig, toch onvermijdelijk zijn. Zo behoort
de dood tot de zaken die men met zekerheid kan voorspellen, zonder te weten
wanneer, waar en hoe hij toe zal slaan. Zo beschouwd heeft het besef van
relativiteit geen zwakke inhoud, in de zin van “niet-weten”, maar daarentegen
juist een sterke.
117.
De kunst heeft voor het moderne denken iets
tweeslachtigs: zij behoort uit te gaan van de voorstelbare werkelijkheid, maar
als die voorstelling uit elkaar gehaald is vervallen de mogelijkheden voor de
kunst. Dat komt doordat zich aan een stukgemaakte voorstelling geen beeld meer
afspiegelen laat. De voorstelling kan dan niet meer gecomprimeerd worden tot
een teken, dat wil zeggen: een bepaald verschijnsel dat zich laat gelden als de
werkelijkheid. Voorzover de moderne kunsten werken
vanuit een stukgemaakte voorstelling, dus vanuit door analyse verkregen
elementen van de voorstelling, kan zij onmogelijk tot De Kunst gerekend worden.
Dat neemt niet weg dat die moderne kunsten uitermate smaakvol en kunstzinnig
gevonden kunnen worden. Zij kunnen een lust voor het oog zijn, maar dat kan een
fraaie automobiel ook en volgens sommige wiskundigen kan ook een algebraďsche
formule vol schoonheid zijn! Overigens moet opgemerkt worden dat de moderne
kunst op het gebied van letteren niet veel fraais opgeleverd heeft, evenmin
trouwens als op het terrein van het toneel. En wat de muziek betreft zijn de
resultaten al helemaal afschuwelijk.
118.
Sommige componisten hebben begrepen dat de weg van de
vrije klankexpressie een doodlopende is. Zij hebben weer aansluiting gezocht
bij de muzikale traditie, in die zin dat zij de natuurlijke toonwetten weer als
basis van de muziek zijn gaan aanvaarden. Helaas blijkt telkens weer dat ook
daarbij de resultaten teleurstellend zijn, hetgeen niet verwonderlijk is omdat
de juiste artistieke instelling bij de moderne mens ontbreekt. De instelling
namelijk om, uitgaande van het natuurlijk gegevene,
met name de werkelijkheid als voorstelling (in dit geval “klankvoorstelling”),
gestalte te geven aan de werkelijkheid als beeld. Dat die instelling ontbreekt
is te wijten aan het karakter van onze moderne cultuur. het analyseren van de
werkelijkheid als voorstelling, of anders gezegd: het qua ontwikkeling
toegekomen zijn aan zichzelf als zelfbewustzijn, in die zin dat het onderzoeken
van het zelfbewustzijn het centrale thema is geworden. In de kunst gaat het
evenwel niet om het onderzoeken van het zelfbewustzijn en de voorstelling als
zijn concrete inhoud, maar om het “gestalte-geven” daaraan zodat de
werkelijkheid als beeld zichzelf op de wijze van een afspiegeling ervaarbaar
kan maken. Dit nu is voor de gemiddelde moderne kunstenaar een volstrekte
onmogelijkheid...
119.
Je kunt nooit van tevoren zeggen hoe een tot teken
gecomprimeerde werkelijkheid er uit zal zien, zich horen of lezen laat. Dat
komt doordat deze werkelijkheid door en door beweeglijk is en zich op grond
daarvan niet in formules en systemen vastleggen laat. Toch is het een feit dat
de kunstenaar die beweeglijke zaak op de wijze van het teken probeert vast te
leggen, maar daarbij onderwerpt hij zich niet aan voorgeschreven formules en
systemen. Hij “grijpt” eerst de voorstelling en haalt daaruit het teken naar
voren. Dat is een activiteit die telkens weer anders verloopt. Pas als de
activiteit van het “naar voren halen” van het teken geschied en het kunstwerk
voltooid is kun je nagaan of er inderdaad van kunst gesproken kan worden.
Bepalend is daarbij dus niet wat de voorstelling was en wat daarmee gedaan is
(dat ligt namelijk op het terrein van het vakmanschap), maar bepalend is
uitsluitend of de zaak tot teken geworden is en op grond daarvan betekenis
heeft gekregen.
Beschaving( lees de nummers 120 en 121 )
Tijdens de cultuurontwikkeling is er steeds en
onvermijdelijk een dominant cultuurgebied waarin de mensen, uiteraard ongewild
en ongeweten, het voortouw hebben genomen. In zo'n gebied loopt men qua
ontwikkeling en beschaving vooraan. Over het algemeen komt het zich realiseren
van zo'n nieuwe dominant in de praktijk voor de dag als het zich verplaatsen
van de beschaving naar een nieuwe landstreek. Hegel heeft er destijds terecht
op gewezen dat een dergelijke voortgang afhankelijk is van de mogelijkheid om
met andere volkeren in contact te komen. Zo werken rivieren, valleien,
bergpassen en zo meer bevorderend voor de communicatie. Via die verbindingen
worden de mensen zich bewust van nieuwe mogelijkheden en dat gaat zo vele eeuwen
door, van de ene cultuur naar de andere en steeds gaat men, soms nauwelijks
merkbaar, een stapje verder...Maar als de laatste fase van de ontwikkeling
aangebroken is valt er niets meer te verplaatsen. Wat je dan ziet is een zich
uitbreiden van de, inmiddels allesomvattend geworden, cultuur. Wanneer die
uitbreiding zich over de ganse planeet uitstrekt is voor de mensen de tijd rijp
om de stapsgewijze ontwikkeling van de cultuur achter zich te laten en een
begin te maken met watje zou kunnen noemen de uitwerking van die
allesomvattende cultuur. Dit zich waarmaken als een “cultureel ontwikkelde
mensheid” bestrijkt de periode van de volwassenheid. Welbeschouwd kun je dan
niet meer van “een cultuur” spreken omdat het dan ontstane ineenzijn
van alle cultuurmomenten in feite al die momenten op en voor zichzelf ontkent.
Daarmee zijn ook de benauwende normstelsels met de daarbij behorende,
onvermijdelijk bekrompen, cultuurdwang opgeheven. Dat maakt het de mens
mogelijk de werkelijke inhoud van zijn volwassenheid naar voren te brengen en
eerlijk te laten gelden.
121.
Globaal gezien blijkt de ontwikkeling van de culturen
zich te bewegen van het oude oosten via
India, Klein- Azië, Egypte, Griekenland, Noord- Afrika en Italië naar
West-Europa. Bij die ontwikkeling is telkens de volgende fase superieur aan de
voorgaande. De volgende gaat noodzakelijk een stap verder dan de voorgaande.
Maar, het is wel een stap “verder". Dat wil zeggen dat het voorgaande niet
overboord gezet wordt. Het krijgt er integendeel een dimensie bij, waardoor het
niet alleen een omvangrijkere inhoud krijgt, maar ook een ander functioneren in
de praktijk van het dagelijkse leven. Deze ruimere inhoud behoeft voor onze
moderne opvattingen helemaal niet “beschaafder” , “redelijker” , “intelligenter”
of iets dergelijks te zijn. Wij kunnen bijvoorbeeld achteraf de cultuur van de
Romeinen als een terugval ervaren, vergeleken bij de cultuur van de Grieken op
het hoogtepunt van hun beschaving. Het ging bij deze laatsten immers om de
schoonheid van een als een “geheel” ervaren vrouwelijke werkelijkheid, terwijl
de Romeinen verzamelaars waren bij wie het om de concrete inhoud van het geheel
ging. Die inhoud is volstrekt materieel, het zijn de “ditten
en de datten” - in de ogen van de oude Grieken iets
uiterst banaals! En het gedoe van de Germanen op zijn beurt lijkt, vergeleken
bij de cultuur van de Romeinen, al helemaal nergens op! Toch is er steeds een
voortgang. Er realiseert zich iets dat er voordien niet was, of dat alsnog een
ondergeschikte rol speelde. Zo is er in de tijd voordat het Romeinse recht
geformuleerd werd en universele geldigheid kreeg wel degelijk van bepaalde
vormen van recht te spreken, maar dat recht lag niet in het alledaagse besef
van de mensen. Het was nog geen algemeen rechtsbesef, hoogstens sudderde het in
de geesten van buitenbeentjes met een verder ontwikkeld zelfbewustzijn. Maar
met de Romeinen deed het recht zijn intrede in de wereld en daarmee begon de
wet het onderspit te delven, in die zin dat de wet voortaan ondergeschikt aan
het recht werd. Met het doorbreken van het rechtsbesef neemt de laatste
ontwikkelingsfase van de mens een aanvang. Nu is inzake het regelen van de
onderlinge verhoudingen tussen de individuen de machthebber als persoon niet
langer de maat maar de gemeenschap als geheel. De willekeur moet nu plaats
maken voor de redelijkheid. Uiteraard is daarbij de kwaliteit van die
redelijkheid voorlopig niet in het geding! Die laat zeker aanvankelijk heel wat
te wensen over, maar in alle gebrekkigheid is hij toch de maat en iedere
potentaat zal van nu af aan net doen of zijn wensen en wetten op redelijkheid
en dus op recht berusten. Dat het nu om de gemeenschap en de redelijkheid gaat
is gevolg van het feit dat de mens bij zichzelf is aangeland en daarmee is de cultuur
in het teken van het zelfbewustzijn komen te staan.
Beschaving( lees de nummers 120 en 121 )
122.
De zelfbewuste mens is, ongeacht de kwaliteit van zijn
zelfbewustzijn, noodzakelijk het verst gevorderd in zijn ontwikkeling als mens.
De verklaring hiervoor is simpel: de zelfbewuste mens is de laatste
mogelijkheid qua cultuurontwikkeling! Uiteraard gaat diegene die in het teken
van de uitwerking van het zelfbewustzijn staat weer verder dan de alleen nog
maar zelfbewust geworden mens. Zo kun je met recht stellen dat deze volwassen
geworden mens “superieur” is aan zijn alsnog in ontwikkeling zijnde medemensen.
Maar de volwassen mensen, die dus aan de uitwerking bezig zijn, kennen geen
onderscheid meer qua superioriteit. De verschillende graden van uitwerking zijn
namelijk niet bepalend, maar het loutere
feit dat men daarmee bezig is. Hier krijgen de “gelijkheid” van de mensen, de
“broederschap”, het “met zijn allen zijn” en zo meer werkelijke concrete
betekenis!
123.
De moderne westerse mens is als zelfbewustzijn
“superieur” aan de overige mensen. Deze uitspraak komt zo zonder meer
buitengewoon onaangenaam over. De oorzaak hiervan is vooral dat terecht voor
het besef van weldenkende onvolwassen mensen superioriteit gepaard gaat met
macht. Dat houdt onmiddellijk in dat de westerse mens uit hoofde van zijn
cultuur machtig zou zijn en dus de dienst zou uitmaken voor alle andere mensen,
iets wat inderdaad tot voor kort het geval was en normaal gevonden werd en
zelfs vandaag de dag nog lang niet echt verdwenen is. Maar in feite gaat het nu
niet over macht, maar over superioriteit in menselijkheid, in de zin van
“mens-zijn”. Dat is immers het proces dat gaande is! De mensen zijn op weg naar
zichzelf en niet op weg naar nog grotere macht. De superioriteit is derhalve
gelegen in zelfbewust mens-zijn, in humaniteit als je het zo wilt noemen.
Hoewel het sinds een aantal decennia onder intellectuelen mode is geworden de
eigen moderne westerse cultuur te criminaliseren, is en blijft het toch een
onloochenbaar feit dat er in de westerse wereld een algemeen geldende
humaniteit ontwikkeld en geldig gemaakt is en dat er niet veel integriteit voor
nodig is om vast te stellen dat die humaniteit mijlen ver voor ligt op de rest van
deze ongelukkige wereld...
Natuurlijk getuigt niet alles waarmee de westerse mensen
komen van menselijkheid. Eigenlijk ligt de zaak nogal dubbel, want vanuit de
individualistische gesteldheid van de westerse cultuur is de westerse mens op
zichzelf gericht, en wel in die zin dat hij zich rigoureus als “ik” tracht waar
te maken. Dat levert op zichzelf niet veel menselijkheid op! Er is een grote
(psychische) onverschilligheid voor de medemens. Tegelijkertijd echter is het
diezelfde mens die vanuit zijn eigen ontwikkeling als individu tot de
ontdekking komt dat de andere mensen ook bestaansrecht hebben. Langzaam maar
zeker gaat hij dat laten gelden, uiteraard via allerlei verschillende, schijnbaar
op zichzelf staande maar in feite toch uit elkaar voortvloeiende, opeenvolgende
fasen. Het paradoxale is dus dat juist de op zichzelf gerichte, eigenbelang
dienende westerse mens degene is die het eerst de medemens ontdekt en die
vervolgens steeds meer bevestigt. Die bevestiging heeft onder meer zijn
uitdrukking gevonden in het westerse recht, maar ook in de Universele
Verklaring van de Rechten van de Mens. Hoezeer die
rechten ook vertrapt worden, zij zijn bij de westerse mens eenmaal tot
zelfbewustzijn gekomen en kunnen daaruit nooit meer verwijderd worden! Eenmaal
geweten , blijft geweten...
[ spoorwegen ; privatiseren ; zichzelf zijn ;]
Welbeschouwd draait het bij de geschiedenis steeds om de
“menswording” . Zoals gezegd zijn daarin twee perioden te onderscheiden: ten
eerste is daar de periode van de ontwikkeling en ten tweede die van de
uitwerking. Aan deze laatste is de mensheid nog lang niet toe, hoewel de
ontwikkeling intussen al zover gevorderd is dat in de westerse wereld het
laatste moment daarvan, namelijk het effectief worden van het zelfbewustzijn,
al wel aangebroken is. Voorzover de westerse cultuur,
die op zichzelf alsnog geografisch bepaald is, overgaat in de moderne cultuur
en zich als zodanig uitlegt over de gehele planeet is genoemd laatste moment
bezig een overgangsmoment te worden. De voortekenen daarvan zijn allerwegen aan
te treffen, maar voorlopig worden zij bepaald niet geheel ten onrechte,
negatief beoordeeld en dus als kwalijke verschijnselen bestreden. Zo is
bijvoorbeeld het zogenaamde privatiseren,
waartoe overheden meer en meer overgaan, in wezen geen poging de maatschappij
effectiever in te richten. Bijna iedereen, en vooral de doorsnee politicus,
denkt dat wel, maar in feite is men bezig traditionele overheidsdiensten in
handen van de bevolking te spelen, zij het dan dat die bevolking nog geruime
tijd beperkt zal blijven tot een bovenlaag van managers die niets anders in hun
hoofd hebben dan zoveel mogelijk geld te verdienen aan de maatschappij
.Tegelijkertijd zijn de staat en de overheid al volop aan het instorten en het
behoeft dan ook echt niet te verwonderen dat beide steeds incompetenter en
machtelozer worden!
[ spoorwegen ; privatiseren ; zichzelf zijn ;]
126.
Overigens zijn de machteloosheid en de incompetentie van
staten en overheden geen gevolg van praktische domheid - hoewel die uiteraard
nog steeds welig tiert - maar daarentegen juist van een hoge praktische, want
wetenschappelijke, scholing. Elk proces van besluitvorming en -uitvoering gaat
volgens wetenschappelijk uitgedokterde methodieken, geheel in overeenstemming
met de daartoe ontwikkelde theorieën. Daarmee worden het zicht op en het
vermogen tot het sturen van de maatschappij almaar meer teruggedrongen en
verduisterd, zodat de managers tenslotte met grote deskundigheid doende zijn
met een werkelijkheid die er helemaal niet is en die alleen maar in hun
universiteiten, hun boeken en hun hoofden voorkomt..!
127.
Het evolutieproces is het proces waarin het leven zich
ontwikkelt van een eencellig wezen tot de mens. Naast en tegelijk met deze
ontwikkeling is er een proces van aanpassing. Nadat de evolutie voltooid is -
en dat is het geval als de mens daar is - gaat het aanpassingsproces onverminderd
door. Daarbij behoort ook de verheldering van het menselijke zelfbewustzijn,
een proces dat zich vertoont in de geschiedenis van de mensheid als geheel en
in de opeenvolgende geslachten van de individuen. Het is opmerkelijk dat er,
wat deze onderscheidingen betreft, steeds maar wat op los gerommeld wordt.
Vooral komt het vaak voor dat men aan de mensheid nog een evolutie toekent,
daarbij niet doelende op het genoemde verhelderingsproces, maar inderdaad op
een zich tot een hoger niveau ontwikkelend nieuw verschijnsel dat in feite geen
mens meer is. Men denkt dat die vermeende evolutie op den duur boven de huidige
mens uit zal gaan en uit zal lopen in een verschijnsel dat zich tot de “oude”
mens verhoudt als die “oude” mens, jij en ik dus, tot de hedendaagse aap. Een
werkelijk schitterend staaltje van ideologisch fantaseren dat vooral
godsdienstige en zogenaamd religieuze dromers aanspreekt! Maar het is wel
ondoordachte onzin die voortkomt uit de bijna onuitroeibare behoefte aan een
zogenaamd “goede” mens die bevrijd is van de zonden en schulden en de laagheden
die aan de thans bestaande mens zouden kleven... Die behoefte is van
godsdienstige aard en is als zodanig een vlucht uit de realiteit: men durft
niet te erkennen dat de voorhanden mens van alledag zich gaandeweg tot een
behoorlijke individu zal ontwikkelen.
128.
Er komt geen hogere mens want de bestaande mens is het
laatste levende wezen dat als product van de evolutie te voorschijn komt. Er is
alleen maar “deze” mens en het enige dat met hem gebeurt is dat hij zich aan
zijn wereld aanpast - net als alle andere levensvormen - en dat dit zich bij
hem voltrekt als een verhelderingsproces van het zelfbewustzijn. Met evolutie
heeft dit niets te maken. Dat zou ook niet kunnen, want met het eerste optreden
van de mens op de planeet is het evolutieproces aan zijn eind gekomen,
overigens met alle “menselijke”
consequenties van dien!
129.
Alle levende wezens bezitten de mogelijkheid zich aan te
passen en dat is uiteraard een aanpassing aan het gehele complex van
omstandigheden dat dit levende wezen bij zijn verschijnen op aarde aantreft.
Dat die mogelijkheid er is betekent niet zonder meer dat die aanpassing altijd
gelukt. In veel gevallen zijn de nieuwe omstandigheden te abrupt en in te grote
mate veranderd, vergeleken bij hoe zij voordien waren. Dan komt er van
aanpassing niets terecht en dat betekent een onherroepelijk uitsterven van die
bepaalde levensvorm. Je kunt zeggen: " De natuur heeft alles geprobeerd,
maar het is onmogelijk gebleken".
130.
De aanpassing is volstrekt geen doelgericht proces, zoals
helaas maar al te vaak gedacht wordt. Er is niet bij voorbaat een doel
ingebouwd, in de vorm van welke primitieve kiem dan ook. In feite kan het met
de aanpassing, binnen een bepaald vanuit het levende wezen gegeven complex van
mogelijkheden, alle kanten op, maar bij het “uitproberen” ervan blijkt na
verloop van tijd welke pogingen met succes bekroond zijn geworden. Het is een
zaak van vallen en opstaan. Het spreekt vanzelf dat die pogingen, die bedoeld
zijn te komen tot een nieuwe manier van omgaan met de omstandigheden, binnen
het bereik van zo'n levend wezen moeten liggen. Maar, dat is lang niet altijd
het geval, neen sterker nog : dat is slechts zelden het geval, zeker als de
evolutie al in een ver stadium gekomen is.
131.
Ook de evolutie is niet doelgericht: met vallen en
opstaan realiseren zich alle mogelijkheden en na enige tijd blijkt welke
daarvan het kunnen redden. Het ligt in de logica te veronderstellen dat tijdens
het evolutieproces de meeste mogelijkheden onmogelijkheden zijn gebleken. Die
levensvormen zijn verdwenen, de meeste spoorloos, maar enkele met achterlating
van voor ons herkenbare sporen in de vorm van fossielen bijvoorbeeld. De
levensvormen die het wel redden zijn gedurende de evolutie in twee groepen te
onderscheiden. Ten eerste de groep die zich, blijvend of geruime tijd,
handhaaft op het bereikte niveau en ten tweede de groep die in zich een “open
eind” heeft. Dat betekent dat de leden daarvan zich tot een verder geëvolueerd
stadium kunnen omzetten. Die kunnen dus veranderen in geheel andere
levensvormen die elkaar langzaam maar zeker opvolgen totdat daar de levensvorm
“mens” bereikt is en er geen mogelijkheden meer zijn om nog een nieuw autonoom
verschijnsel te vormen. Die levensvorm “mens” was geen doel van de evolutie.
Dat lijkt alleen maar achteraf zo te zijn. De mens is gewoon de laatste
mogelijkheid en die komt er na een schier eindeloos gerommel vanzelf uit.
Een levend wezen dat bezig is zich aan te passen blijft
te allen tijde zijn eigen levensvorm behouden. Een zich aanpassende hond
bijvoorbeeld blijft altijd een hond, ook al wijkt hij na verloop van tijd
vrijwel geheel van zijn oorspronkelijke vorm en gedrag af. Een levend wezen
daarentegen dat nog in de evolutie betrokken is verandert wel van levensvorm en
heeft qua essentie niets meer met zijn vorige status gemeen. Het is een nieuwe
levensvorm die, om met de biologen te spreken, een “hogere trap” bereikt heeft.
Dit almaar “omhoog klimmen”, zoals dat tijdens de evolutie plaats vindt, kan
niet onbeperkt doorgaan. Er komt een moment dat het niet verder kan. Dan is de
uiterste grens bereikt en op precies dat moment treedt de mens op! Waarom dat
evolutieproces niet verder kan laat ik nu buiten beschouwing omdat ik dit thema
elders uitvoerig besproken heb. In ieder geval is duidelijk dat juist omdat de
mensen er nu eenmaal zijn er onmogelijk nog gesproken kan worden van een nog
steeds actief evolutieproces. De planeet heeft haar laatste levensvorm
voortgebracht en daarbij blijft het. Maar, zoals gezegd is er nog altijd het
aanpassingsproces en dat levert een breed scala aan veranderingen op!
Men zegt dat Darwin indertijd de oorsprong der soorten gevonden en aangetoond
heeft. Dat echter is geenszins het geval geweest: hij heeft uitsluitend
voorbeelden van aanpassingen gevonden. Uit die aanpassingen komen nimmer
“hogere soorten” voort - al lijkt het vaak wel zo want er ontstaan natuurlijk
onvermijdelijk beter of “hoger” aangepaste soorten, maar dat is dus heel wat
anders! Bij dat proces speelt onder andere een rol dat steeds de best
aangepaste soorten en exemplaren de meeste kans op langdurig overleven hebben.
“De survival of the fittest”
is wel degelijk een procedure in de natuur, maar alleen al op grond van de
hieraan ten grondslag liggende toevalligheid, namelijk van de aard van de
heersende omstandigheden en de erfelijke kwaliteit van het exemplaar, kan dit
onmogelijk een solide grondslag zijn voor het proces van de evolutie, dat
louter berust op het uitbuiten door de materie van elke mogelijkheid tot nog
inniger samenstelling. Noem het wat mij betreft een “evolutionair noodzakelijke
mutatie” - dit in tegenstelling tot een “incidentele toevallige mutatie”.
134.
Darwin heeft zich op de zaak verkeken, althans daar ziet het
naar uit. Toch is het zijn grote verdienste dat hij het reeds bij sommige
onderzoekers bestaande vermoeden van een opklimmende reeks van verschijnselen,
een evolutie, omgezet heeft in een degelijke theorie die op zichzelf in grote
lijnen juist is. Zo is te zeggen dat wij mensen inderdaad van apen afstammen,
echter niet in de zin van een zich voortdurend aanpassende afstamming,
“overerving”, steeds via de lijn van “the fittest”, maar in de zin van een eenmalige abrupte
verandering van een bepaalde aap die nog, als laatste, de mogelijkheid bezat
zich tot een “hogere soort” te transformeren. En daarmee sloot het proces af.
Daar is de mens dan ten voeten uit, nog steeds gelijkend op de aap, maar zich
daarvan al dadelijk onderscheidend door zijn geheel andere manier van aanpak
waar het zijn overleven betreft.
135.
Als de mens ter wereld komt doet er een volslagen
onmogelijk geval zijn intrede. In de natuur loopt dan plotseling een levend
wezen rond dat om te beginnen nauwelijks
ergens raad mee weet en dat nergens op toegerust is, althans niet op louter
programmatisch reageren op zijn omgeving, zoals alle andere levende wezens dat
zo efficiënt kunnen. Wel ligt er een vermogen in hem klaar om, dankzij de
aanwezigheid van een zelfbewustzijn dat een voorstelling van de werkelijkheid
als inhoud heeft, zijn omgeving te lijf te gaan teneinde die op zodanige wijze
te veranderen dat hij er in toenemende mate veiligheid voor zijn bestaan aan
kan ontlenen. De mens heeft dus niet een programma dat samenvalt met dat van de
natuur en dat daardoor de mogelijkheid biedt, zij het met enige moeite, te
leven en zelfs te overleven, maar hij dwingt de natuur zich te voegen naar een
door hemzelf ontworpen programma dat, naar hij veronderstelt, optimale kansen
op overleven biedt. Het spreekt overigens vanzelf dat dit laatste na verloop
van lange jaren uitloopt in een ongebreideld en onverantwoord overheersen van
de natuur door de mens en dan ontstaat het “grote sterven” in de natuur. Dat is
tegenwoordig het geval...
136.
Er zijn wetenschappers die beweren dat de filosoof geen
uitspraken mag doen over wetenschappelijke zaken zoals bijvoorbeeld de theorie
van de evolutie. Die wetenschappers halen als zo vaak weer eens alles door
elkaar: inderdaad mogen filosofen uit hoofde van hun professie geen uitspraken
doen over wetenschappelijke disciplines. Zij moeten dat aan de deskundigen
overlaten, overigens om meer dan één reden. Maar de basale gedachtegang die aan
iedere theorie of hypothese ten grondslag ligt valt wel degelijk onder het
filosofische denken. Dat denken immers houdt zich bezig met de werkelijkheid op
zichzelf, zoals die zich als complete voorstelling, met daarachter en daar
doorheen het beeld, aan ons voordoet. Een gedachtegang over een aan
voorstelling en beeld ontleend thema behoort niet tot de analyse van de
werkelijkheid. Er wordt niets uit elkaar gehaald, er wordt slechts nagegaan.
Dat nagaan of nadenken is typisch filosofisch. Zo kan de filosoof een
samenhangende gedachtegang ontwikkelen over een thema als de evolutie en er is
geen enkele redelijke grond voor de mening dat de filosoof zich er buiten zou
moeten houden. Dat is te zeggen: tenzij hij materieel onderzoek gaat doen, want
dan begeeft hij zich inderdaad op het terrein van de wetenschapper.
137.
Dat het bij het verschijnen van de mens met de evolutie
is afgelopen is “fenomenologisch” na te gaan - wat ik hier nu niet zal doen -
maar het is ook af te leiden uit de ervaring die leert dat de mens een
dubbelwezen is, materieel en niet-materieel tegelijkertijd. Juist het feit dat
de ene kwaliteit de andere volstrekt weerspreekt wijst op dit dubbele. Dat
eenmaal geconstateerd hebbende valt betrekkelijk gemakkelijk te bedenken dat
zoiets tegenstrijdigs alleen maar aan het einde van een proces kan voorkomen,
in dit geval aan het einde van het evolutieproces. De conclusie is dan
noodzakelijk dat het verschijnsel mens de uiterste grens van de evolutie moet
zijn.
138.
Ik heb bemerkt dat de meeste mensen bovenstaande
conclusie niet durven of willen trekken, voornamelijk doordat hun analytische
denktraditie hen geen gedachte conclusie toestaat. Conclusies mogen slechts uit
onderzoek getrokken worden, zo leert de moderne wetenschap. Waarheden zijn voor
dat denken niet relevant, het gaat slechts om datgene wat juist is.
Wetenschappelijk gezien is dat op zichzelf terecht, maar het vervelende is dat
wetenschappers doorgaans niet in staat zijn te erkennen dat waarheden op zijn
minst evenveel recht op erkenning hebben, nee, sterker nog: dat hun
wetenschappelijke kennis in de grond van de zaak zonder enige betekenis zou
zijn als daar niet in de diepte de waarheid onder lag! Die ligt er altijd, ook
als men hem niet kent en er geen boodschap aan heeft. Het is altijd de
werkelijkheid als beeld die inspireert tot het uitzoeken van vooralsnog
onbekende zaken en het is zelfs dat beeld dat in de mens telkens het vermoeden
wakker roept dat er iets is waaromtrent de kennis hem ontbreekt zodat er tot
onderzoek overgegaan moet worden. De “blinde vlekken” in de voorstelling worden
als “blind” ervaren juist doordat er een beeld onder ligt...De opleiding van de
wetenschappers heeft hen geleerd zich ervan te onthouden vertrouwen te stellen
in de uitkomsten van louter denken. Het ontbreekt hen daardoor aan “creatieve
moed”. En voorzover zij het bij gelegenheid toch over
“louter denken” hebben doelen zij niet op filosofisch denken, maar op
theoretisch denken, waarbij zij er blijk van geven niet in de gaten te hebben
dat theoretisch denken ook en wel degelijk op analytische wijze de voorstelling
ontleedt. Dat is heel wat anders dan het doortrekken van een gedachtegang en
het nagaan van een thema.
139.
De voor de mens geldende werkelijkheid als zelfbewustzijn
houdt een tweetal componenten in. De meest opvallende is uiteraard de
voorstelling, maar de meest wezenlijke is het beeld. Geen enkele menselijke
activiteit, of die nu zogenaamd geestelijk of lichamelijk is, kan begrepen
worden zonder de voorstelling, maar anderzijds kan de mens helaas tal van zaken
ondernemen zonder zich ook maar iets aan het beeld in hemzelf gelegen te laten
liggen. Ik zeg: “gelegen te laten liggen” omdat ik er wel met enige nadruk op
wil wijzen dat het beeld nimmer afwezig kan zijn. Het is er altijd en het
speelt altijd zijn speciale rol, maar die rol kan door de mens verwaarloosd
worden, ja zelfs afgewezen. Het is de mens mogelijk zich tegen het zich
vertonen van het beeld te verzetten en het als iets irreëels te beschouwen,
iets datje op een dwaalspoor brengt en dat in ieder geval misleidend is als het
om de dagelijkse praktijk van het leven gaat. Om de voorstelling kun je echter
niet heen. Het is de rolprent die een ieder van haar of zijn eigen specifieke
werkelijkheid, de eigen realiteit, in het hoofd heeft Zou het de mens mogelijk
zijn om die voorstelling uit te schakelen, zoals veel denkers uit het oosten en
veel mystici gemeend hebben te kunnen, dan zou de mens in staat zijn zich naar
believen naar het niveau van het dier te verplaatsen. Niet dat dat “slecht” zou
zijn - bij menigeen zou het een verademing zijn als hij eens naar dat niveau
terugging, want het dierlijke niveau houdt een onlosmakelijke eenheid met de
natuur in en sluit als zodanig de verschrikkelijke menselijke mogelijkheden tot
vernietiging uit. Op het dierlijke niveau is de bestaande werkelijkheid, de
realiteit, volledig verzonken in de werkelijkheid als bewustzijn. Verbreken,
vernietigen, overheersen en dergelijken zijn binnen die context onmogelijk.
Maar, het is de mens niet mogelijk zijn eigen voorstelling van de realiteit uit
te schakelen en dus is verzinken in het bewustzijn eveneens uitgesloten -jammer
voor de dromers die zich langs allerlei doorgaans vreemdsoortige therapieën
beijveren de eenheid en rust van het bewustzijn deelachtig te worden..!
140.
Er is de voorstelling en er is het beeld. Beide zijn
nimmer uit te schakelen, maar de tweede, het beeld, is wel te “dimmen”, oftewel
“buiten beschouwing te laten”. Dit laatste is doorheen de gehele geschiedenis
bij bepaalde individuen het geval, maar in de moderne cultuur is het een
algemeen verschijnsel: men wil met het beeld niets te maken hebben, men
vertrouwt het niet en men ziet het als een restant van dierlijk leven, hetgeen
op zichzelf niet eens zo gek aangevoeld is. Maar, dierlijk leven is voor de
moderne cultuurmens minderwaardig, bevangen als het heet te zijn binnen het
driftleven en de redeloze hartstochten.
141.
De wetenschappelijke mens richt zich uitsluitend op zijn
voorstelling van de realiteit. Hij doet daarmee van alles, maar dat komt
allemaal neer op het analyseren van die voorstelling. Naar aanleiding van de
resultaten van de analyse bepaalt hij zijn houding ten opzichte van de
realiteit om hem heen. Dit is het handelen van de mens en dat is dus te omschrijven
als “het bedachtzame reageren op de
geanalyseerde voorstelling van de werkelijkheid”. De filosofische mens
daarentegen richt zich niet op de voorstelling, maar gaat ervan uit teneinde de
werkelijkheid als beeld te leren kennen. De werkelijkheid als beeld immers
spiegelt zich aan de voorstelling af! Het is dus zaak die voorstelling in stand
te houden en zelfs zo helder en gedetailleerd mogelijk te maken. Hoe beter dit
laatste gelukt, hoe meer kansje hebt op een zuiver beeld. Het leren kennen van de
werkelijkheid als beeld is het begrijpen in de zin van “weten hoe het zit”.
Beide begrippen, namelijk handelen en begrijpen behoren bij elkaar en eigenlijk
is het zelfs zo dat het begrijpen het meest essentiële is. Het gaat daarbij
immers om de waarheid!
142.
De moderne mens is het verschijnsel dat handelt, maar dat
nauwelijks iets begrijpt. Daardoor heeft zijn handelen iets onwerkelijks en dat
neemt hand over hand toe naarmate die moderne mens zich verder ontwikkelt als
een op zichzelf als zelfbewustzijn gefixeerd cultuurverschijnsel. Deze
ontwikkeling brengt met zich mee dat de werkelijkheid als voorstelling steeds
meer een wetenschappelijk model wordt, een stelsel dus dat aan alle mogelijke
wetenschappelijke criteria voldoet en dat dus in hoge mate juist is, maar dat
zich tot de realiteit verhoudt als een landkaart tot de echte landstreek! Over
een landkaart denk je heel anders dan over een landschap, maar als en voorzover je in de waan verkeert met het landschap bezig te
zijn als je in feite slechts de kaart bekijkt is het resultaat van je
bemoeienissen, ondanks alle wetenschappelijke juistheid van je gedoe, uitermate
desastreus. En dat is het voor jezelf en voor het echte landschap. Het handelen
van de moderne mens is als van een blinde. Hij is heel verantwoord bezig met
iets waarvan hij niets begrijpt en bijgevolg is het al verwoesting die hij
aanricht. Natuurlijk is dat niet alleen het geval met het landschap, dus met de
natuur. Het totale leven van de moderne mensen is steeds meer bevangen in één
gigantische fictie en het beroerde daarvan is dat die fictie in zichzelf zo
juist en verantwoord is...
De Verlichting-1,
De Verlichting-2,
De Verlichting-3,
De Verlichting-4,
De Verlichting-5
; Overtuiging-1
; Overtuiging-2
; Overtuiging-3
;
Beide, zowel wetenschap als godsdienst, hebben in sterke
mate een indoctrinerende werking op de mensen. Daarbij gaat het erom de mensen
van iets te overtuigen, maar Zij steunen ieder op een ander principe om de
indoctrinatie tot een succes te maken. In de godsdienst maakt men gebruik van
de macht die men over mensen heeft. Naarmate het gelukt macht over de mensen
uit te oefenen kun je ze dwingen je overtuigingen over te nemen. Je kunt ze dus naar believen
indoctrineren. Maar, als ze om de een of andere reden niet ontvankelijk zijn
voor de macht van de godsdienst wordt het ook met het indoctrineren en het
overtuigen niets. Zo heeft het Roomse geloof post kunnen vatten doordat men de
“heidenen” destijds met geweld wist te onderwerpen, in Europa in het voetspoor
van de Romeinse legers, om vervolgens de mensen in te prenten dat de
christelijke god almachtig is en als zodanig verre de macht van de Germaanse
goden overtreft. Hoewel er in de wetenschappelijke wereld heel wat machtsstrijd
geleverd wordt gaat het toch wezenlijk niet om de macht. De overtuigingskracht van de
wetenschap ligt dan ook niet in de macht. De overtuigingskracht ligt in de onmiskenbare
juistheid van de wetenschappelijke beweringen, theorieën en toepassingen. Die overtuigingskracht gaat
alle andere krachten, strategieën en methoden van indoctrinatie verre te boven.
Om “twee keer twee is vier” kun je niet heen en je kunt er ook niet onderuit.
Elke macht is op de een of andere manier te ontduiken, al was het maar door je
in stilte te verzetten. Maar 2 x 2=4 is onontkoombaar. Daardoor is de
wetenschappelijke overtuiging
de meest effectieve en indringende die er is. En dat is nu juist een heel groot
gevaar, in tegenstelling tot wat de denkers uit de toenmalige Verlichting gemeend
hebben. De fictie namelijk van de “landkaart” berust op de onmiskenbare
juistheid van de wetenschappelijke werkelijkheid en bijgevolg is die fictie op
zichzelf niet te bestrijden en te doorbreken. Vanuit zichzelf is er geen
doorkomen aan! Het is een zichzelf steeds weer bevestigende fictie.
Overtuiging-1 ; Overtuiging-2
; Overtuiging-3
;
144.
Als ik zeg dat de wetenschappelijke werkelijkheid een
fictie is, dan bedoel ik daarmee niet te zeggen dat de inhoud van die
werkelijkheid een hersenspinsel, een slag in de lucht of een fantasie zou zijn.
Integendeel, die inhoud is een verzamelingjuiste
kennis waarop, sinds het algemeen erkend worden van een aantal logische
criteria ten tijde van de Verlichting,
in principe niets aan te merken is. Dat blijkt onder andere uit het grote
succes van de natuurwetenschappen en de daaruit voortspruitende technologie.
Daarom gaat het dus niet. Waarom het gaat is de uitwerking van de wetenschappen
op de mensen, zowel wetenschappers als leken, en het feit dat die uitwerking
leidt tot het ontstaan en zich vastzetten van een “levensbeschouwelijke
fictie”. Deze fictie moet tot de wanen gerekend worden en dat zijn onoplosbare
toestanden van de werkelijkheid als voorstelling die alleen maar van buiten de
voorstelling opgeheven kunnen worden.
De Verlichting-1,
De Verlichting-2,
De Verlichting-3,
De Verlichting-4,
De Verlichting-5
145.
De moderne mens voelt het naderbij komen van het onheil
en dat leidt er onder andere toe dat er mensen zijn die zich op de een of
andere manier met zichzelf als bewustzijn gaan bezighouden, in de, overigens
ijdele, hoop langs die weg verlossing uit de waan te verkrijgen. Op zichzelf is
dat goed aangevoeld: de oplossing ligt bij de werkelijkheid als bewustzijn,
maar wat men niet in de gaten heeft is dat je met dat bewustzijn op zichzelf
niets aan kunt vangen. Omdat dit bewustzijn zich bijwijze
van beeld aan de voorstelling afspiegelt is het toch weer die voorstelling die
bepalend is. Maar die was nu juist in een waan bevangen geraakt! Deze
Gordiaanse Knoop laat zich als volgt ontwarren : de waan heeft betrekking op de
voorstelling zelf, maar als het ware door die voorstelling heen straalt het
bewustzijn. Dat heeft tot gevolg dat die voorstelling gaat functioneren als een
beeld en dat geschiedt eens temeer naarmate die voorstelling kwalitatief beter
wordt. Hoe juister de voorstelling, hoe meer het bewustzijn bijwijze
van beeld doorstraalt en dat doorstralen bereikt na verloop van tijd een
dusdanige intensiteit dat de mensen er niet langer omheen kunnen. Een
belangrijke factor daarbij is de gelijktijdige ontwikkeling van de mens als
individu. Als individu geldt voor de mens dat hij weer bij zichzelf als
bewustzijn teruggekeerd is.
146.
De onmiskenbare juistheid van de wetenschappelijke kennis
is een kwaliteit die op een relatieve wijze absoluut van karakter is. Ik bedoel
daarmee dat die kennis wel steeds bijgesteld wordt, soms zelfs vervangen door
andere kennis, maar dat er telkens na bijstelling een absolute juistheid aan
toegeschreven wordt. Om dat laatste gaat het: men werkt met juiste kennis die
zoveel mogelijk getoetst is en na een, overigens onvermijdelijke, hernieuwde
bijstelling werkt men weer met juiste kennis. Om dat juiste gaat het. Logisch
want wat kun je verwachten van Onjuiste kennis?
147.
Door de vooropgestelde eis van juistheid wekken de
wetenschappelijke uitspraken vertrouwen. Een ieder weet dat zulke uitspraken
niet gedaan worden dan na grondig onderzoek en uitvoerige toetsing - als het
goed is! Maar het is lang niet altijd goed: door de hoge mate van
betrouwbaarheid die aan de wetenschap wordt toegekend verwerft deze als vanzelf
een hoge status en daardoor gaat men bij voorbaat al beweringen van
wetenschappers serieus nemen. Dat nu is heel onverstandig! Vaak maakt het
wetenschappelijke voetvolk van het betrouwbare imago van de wetenschap gebruik
om de eigen status in de maatschappij te verhogen, dus om rijkdom, vrijheid en
macht te verwerven. Vooral tegenwoordig, nu zo ongeveer iedereen een min of
meer wetenschappelijke opleiding aan universiteit of hogeschool genoten heeft,
neemt het op niets gebaseerde air van deskundigheid hand over hand toe. Er
wordt steeds meer “gebakken lucht” verkocht...
148.
Alle godsdiensten werken met macht. Toen destijds de
Roomse Christelijke godsdienst de Germaanse wereld veroverde was dat niets
anders dan een voortzetting en voltooiing van de wereldverovering van de
Romeinen. De Christenen namen de macht van die Romeinen over, maar zij deden
nog iets! Dat was nog veel efficiënter wat betreft het handhaven en vasthouden
van die macht. Zij kwamen namelijk met een god die alle andere goden in macht
overtrof: de machtige Jahwe was namelijk, als uitvloeisel van zijn absolute
abstractie, almachtig. Dat sprak de Germanen na enige tijd geweldig aan, want
zij waren zelf ook altijd al met macht bezig. In hen roerde zich immers de kiem
van het latere West-europa, dat ook door en door een
machtsstelsel zou blijken te zijn.
Dat machtsstelsel is altijd in belangrijke mate gebaseerd
geweest op de Christelijke, van oorsprong Joodse, goddelijke macht en dat kun
je zelfs tegenwoordig nog goed merken. Er is geen westerse staat of de
Christelijke godsdienst speelt er nog steeds een cruciale, per definitie
Ondemocratische, rol in. Trouwens, dat is lang niet alleen het geval met
westerse staten. En in tegenstelling tot wat vele moderne intellectuelen ons
willen doen geloven is het bij de godsdiensten onverminderd de macht waar alles
om draait. Het gaat niet om het bieden van een houvast aan de mensen, niet om
het opheffen van de vertwijfeling of het hooghouden van een bepaalde ethiek,
het gaat louter om macht en om die te verwerven schuwt de “dienstknecht des
Heren” geen enkele laagheid. Dat is er in de loop der tijden zo diep ingebracht
dat het de godsdienstigen zelf en de anderen
nauwelijks nog opvalt dat je met laagheden van doen hebt. Wie valt het
bijvoorbeeld op dat het verbieden van abortus en euthanasie, het zegenen van
wapenen, het vroom naar het schavot begeleiden van ter dood veroordeelden en
het onderdrukken en mishandelen van vrouwen en meisjes regelrechte laagheden
zijn? Men wil die dingen, bepaald niet zonder lafhartigheid, zien als rituelen
die nu eenmaal aan bepaalde culturen meekomen en die men de mensen niet af mag
nemen omdat men daartoe het recht niet heeft. Hoezo? Mag je laagheden niet aan
de kaak stellen?
149.
Hoe groot de macht van godsdiensten ook is, het is
mogelijk eraan te ontkomen.
De Roomse kerk bijvoorbeeld heeft zich daarover nooit zo
erg druk gemaakt, als men de voorschriften maar in ere hield, voorschriften die
betrekking hadden op het uitspreken van bepaalde gedachten en het uitvoeren van
bepaalde handelingen. Hield men zich daaraan, dan was er niets aan de hand. Op
zichzelf was dat wel slim bekeken want wat de mensen denken en wat zij stiekem
doen is toch niet te controleren, zodat je je beter niet op dat gladde ijs kunt
wagen! Het komt dus hierop neer dat de machtsuitoefening van de godsdiensten
een uitwendige zaak is die niet wezenlijk het innerlijk van de mensen behoeft
te raken. Maar met de wetenschap ligt dat geheel anders: daarbij gaat het juist
om dat innerlijk van de mensen. Het erkennen van de juistheid van
wetenschappelijke kennis is een zaak van het zelfbewustzijn en dat is nu juist
de grote menselijke essentie.
De werkelijkheid als bewustzijn laat zich op geen enkele
manier aanpakken.
Haar effectiviteit hangt in de praktijk af van tal van
uitwendige factoren in die zin dat het nooit de vraag kan zijn hoe je het
bewustzijn kunt bevorderen of versterken, maar daarentegen de vraag hoe je de
belemmeringen op zou kunnen heffen die het licht van het bewustzijn
verduisteren en de mens tot een stuurloos wrak maken. Wanneer echter - zoals
men in het Oosten voorstond geprobeerd wordt de belemmeringen op te heffen door
te trachten het zelfbewustzijn uit te schakelen, is men wederom op de verkeerde
weg. Hele culturen zijn gegrond op de idee dat men het denken zou moeten
uitschakelen, dat men zich van de kennis zou moeten afwenden en de
wetenschappelijke werken zou moeten vernietigen. Dat alles is pure onzin!
Daarbij valt bovendien op dat het de aanhangers van dergelijke theorieën
volstrekt ontgaat dat niemand kan leven zonder op de een of andere manier van
kennis en van wetenschap gebruik te maken. Wat de klauwen zijn voor de leeuw,
de ogen voor de arend en het web voor de spin zijn kennis en wetenschap voor de
mens. Je kunt zelfs geen appel plukken en eten zonder enigerlei vorm van kennis
te benutten..!
Waanvoorstelling-1
; Waanvoorstelling-2
Mensen kunnen niet buiten kennis en wetenschap. Toch
leidt de ontwikkeling van beide tot een waanvoorstelling wat betreft de werkelijkheid.
Naarmate echter deze waanvoorstelling
inhoudelijk juister wordt en de cultuurontwikkeling het moment nadert dat de mens
volwassen zal zijn gaat het bewustzijn, en dus de werkelijkheid als beeld, zich
steeds meer opdringen totdat er tenslotte niet meer aan te ontkomen is. Wanneer
dat eenmaal het geval is wordt het beeld de maat voor de voorstelling. Er is
dan een voorstelling ontstaan die in hoge mate juist en uiterst gedetailleerd
is maar die zijn waarheid ontleent aan de werkelijkheid als beeld. Je kunt nu
stellen dat de voorstelling verlost is van zijn waan en dat hij nu betekenis
heeft gekregen. Alles is nu om zo te zeggen op zijn plaats komen te liggen.
Meer dan dat is niet mogelijk...
Waanvoorstelling-1 ; Waanvoorstelling-2
152.
In de wat oudere, voornamelijk op Hegel gebaseerde, idealistische
filosofie wordt gesproken over de volgende drieslag: 1) aanvankelijk staan de
mensen in het teken van Het Geheel; daarna
2) komt De Inhoud qua ontwikkeling aan bod en tenslotte 3) is daar Het
Geheel met Inhoud. Die indeling van de ontwikkeling tot volwassenheid is,
hoewel op zichzelf weinig duidelijk, inderdaad juist. Het is om te beginnen de
werkelijkheid als bewustzijn die bepalend is voor het menselijk bestaan op de
planeet. Je kunt zeggen dat de mensen de dingen
“op gevoel” doen. In ieder geval is essentieel dat men ziet hoe de
werkelijkheid is en men ziet haar als één samenhangend en onverbrekelijk
geheel. De kennis die de mensen in die periode opdoen is ervaringskennis die
het gevolg is van lange tijd steeds opnieuw proberen. Bovendien moet opgemerkt
worden dat de mensen psychisch in het teken van het moederlijke, De Grote
Moeder (Magna Mater), staan. Zij zijn uitermate kunstzinnig en hun denken
voltrekt zich in beelden: denkbeelden. Hun verhalen zijn mythisch.
Na die eerste periode gaan de mensen de dingen
onderzoeken en dus ook ontleden. Men gaat zich met de inhoud van het geheel
bezig houden. Dat geschiedt vanuit het zelfbewustzijn en het is een zaak van
kennisverwerving, nu niet in de eerste plaats door ervaring, maar door analyse,
theorievorming en toetsing. Men komt in het teken van de wetenschap te staan.
Je kunt die gesteldheid eventueel als mannelijk typeren. De derde periode
kenmerkt zich door het wederom gelden van het bewustzijn, maar nu niet meer
zonder gedetailleerde inhoud. Het bewustzijn heeft nu inhoud gekregen en dat is
wat ik onder het beeld versta. Die inhoud heeft nu betekenis gekregen. Als het
zover is zijn de mensen volwassen geworden.
153.
De werkelijkheid als beeld wordt niet steeds
invloedrijker door de ontwikkeling van het zelfbewustzijn en de toename van de
hoeveelheid kennis. Je zou geneigd zijn dat te denken en dat is op zichzelf
niet zo verwonderlijk omdat wij in onze cultuur alles van het zelfbewustzijn en
de kennis verwachten, maar die gedachte is fout. Qua zelfbewustzijn gaat de
mens almaar dieper op zijn eigen voorstelling in en in dat proces zijn geen
factoren aanwezig die de gang van zaken zouden kunnen keren of veranderen.
Extreem gesteld is het zo dat het zelfbewustzijn tot vernietiging leidt. Het
heeft een volslagen versnippering van de werkelijkheid als voorstelling tot
gevolg. Dat proces is niet te stuiten, het gaat eeuwig door zolang er mensen
leven die die naam waardig zijn. De waan, die het gevolg is van de steeds
juistere voorstelling en de kennis waaruit hij opgebouwd is, kan nimmer
doorbroken worden door zijn eigen werkelijkheid, dus door zichzelf. Toch wordt
hij op den duur doorbroken en dat geschiedt in zoverre van buitenaf dat het het bewustzijn is dat dit veroorzaakt .Deze werkelijkheid
als bewustzijn, zich aan de voorstelling manifesterend als de werkelijkheid als
beeld, gaat langzaam maar zeker haar invloed doen gelden naarmate de mens
effectief zijn volwassenheid nadert. Dus naarmate de mens bij zichzelf
terechtkomt wordt het bewustzijn echt effectief en het dankt de mogelijkheid
om, bijwijze van beeld, effectief te zijn aan de
principiële juistheid van de voorstelling. De voorstelling bewerkt dus die
effectiviteit niet, maar hij schept er wel de voorwaarden voor.
154.
Anders dan door romantici en mystici gemeend wordt is de
juistheid van de voorstelling voorwaarde voor de waarheid. Een onbetrouwbare,
vertekende, dogmatisch in stand gehouden voorstelling kan geen goede grond voor
de waarheid zijn. Het kan dan niet verder komen dan een vermoeden van dat wat
waar is. Hoe sterk zo'n vermoeden desnoods ook bij gelegenheid is en hoe zeker
iemand zich wat dat betreft ook voelt, er kan beslist niet van weten gesproken
worden, laat staan van zeker weten!
155.
Het is niet noodzakelijk dat de juistheid van de
voorstelling ontleend wordt aan een zo uitgebreid mogelijke door analytisch
onderzoek verkregen kennis. Bij sommige mensen is hun kijk op de realiteit zo
weinig gefrustreerd, zo helder en vrijmoedig dat de voorstelling, hoewel ruw en
weinig gedetailleerd, toch juist is. Dat komt voor bij kunstenaars en filosofen
en in vroeger tijden bij zogenaamde zieners die onder omstandigheden de mensen
een spiegel voorhielden om hen op hun wanen te wijzen. Het spreekt vanzelf dat
door die primitieve juistheid van de voorstelling de werkelijkheid als beeld
behoorlijk effectief kan zijn zodat deze talentvolle mensen in staat zijn op de
hun eigen wijze met de waarheid te komen. Dit echter zijn uitzonderingen die
voor bepaalde individuen gelden, maar die niet overeenkomen met de situatie van
de mensheid als zodanig. Voor die mensheid geldt het hiervoor gezegde, namelijk
dat zij het moet hebben van een betrouwbare, juiste en gedetailleerde
voorstelling die als vanzelf als beeld gaat functioneren.
De Verlichting-1,
De Verlichting-2,
De Verlichting-3,
De Verlichting-4,
De Verlichting-5
De mensen van de Verlichting en nog velen daarna hebben de
verwachting gekoesterd dat de wetenschappen de godsdiensten zouden verdrijven
doordat zij zonneklaar zouden gaan aantonen dat goden en geesten niet bestaan en
dat de beweringen in de oude heilige boeken nergens op slaan. Maar van die
verwachting is hoegenaamd niets uitgekomen. Sterker nog : gebleken is inmiddels
dat nogal wat wetenschappers er geen moeite mee hebben allerlei absurde
godsdienstige ideeën naast hun exacte wetenschappelijke kennis te ontwikkelen
en te handhaven. Blijkbaar zijn de godsdienstige voorstellingen niet vatbaar
voor nader onderzoek en is de cruciale vraag of zij wel juist zijn plotseling
niet langer relevant.
De verklaring hiervoor is deze dat godsdienstigen
de vervelende gewoonte hebben niet naar de juistheid van hun godsdienstige
voorstellingen te vragen, maar daarentegen zonder meer te stellen dat zij in
het bezit zijn van de waarheid. Anders gezegd: zij vinden dat het er niet toe
doet of hun godsdienstige voorstelling juist is als zijzelf en anderen er maar
van doordrongen zijn dat het de waarheid is. Er is zelfs een kerkvader geweest
die verklaarde dat hij nu juist geloofde omdat het allemaal zo absurd was. Hij
stelde dus precies de Onjuistheid als de maat en zelfs als het criterium voor
het geloof! De godsdienstige voorstellingen worden dus niet onderzocht, ja
zelfs is het zo sterk dat zij niet onderzocht mogen worden! Op zichzelf is dat
heel goed begrepen, want de echte waarheid is uiteindelijk niet mogelijk zonder
onderzoek en correctie van de werkelijkheid als voorstelling. Die echte
waarheid - waarin god een onmogelijkheid blijkt te zijn - mag niet boven water
komen en dus moet ook onderzoek tegengehouden worden. Daarmee kwalificeren de
godsdiensten zich als de meest gruwelijke geestelijke misdadigers die de
mensheid kan voortbrengen...
De Verlichting-1,
De Verlichting-2,
De Verlichting-3,
De Verlichting-4,
De Verlichting-5
157.
Het kan natuurlijk niet uitblijven dat de voorstellingen
van de godsdiensten toch stukje bij beetje aan onderzoek ten prooi vallen. Ten
gevolge daarvan is een groot aantal godsdienstige uitspraken over de wereld van
de verschijnselen onderuit gehaald. Nauwelijks nog iemand hecht er betekenis
aan en dat ze onjuist zijn wordt algemeen erkend en aanvaard, ook door vrijwel
alle godsdienstigen. Maar de uitspraken over in
principe niet voor onderzoek in aanmerking komende zaken zijn onverkort
gehandhaafd. Er wordt zonder meer gesteld dat zij waar en juist zijn. En dat
wordt nog steeds in alle gemoedsrust aangenomen door een groot aantal moderne
mensen die tegelijkertijd naar de juistheid van hun normale voorstelling vragen
en als vanzelfsprekend aannemen dat die “absurde” godsdienstige voorstelling
zowel juist als waar is. Daarbij struikelen zij over het begrip waarheid. Zij
weten daarmee absoluut geen raad en dat is op zichzelf niet verwonderlijk, want
in het algemeen kan de moderne mens volstrekt niet met de waarheid uit de
voeten. Hij leidt dan ook uit de betrekkelijke juistheid van zijn voorstelling
geen waarheid af. Daartoe ontbreekt hem niet alleen het inzicht, maar vooral
ook de moed!
158.
Over de werkelijkheid als voorstelling wil ik nog een
keer wat zeggen. Je kunt namelijk, schuw geworden door bittere ervaringen met
stroeve, ongemakkelijke Duitse denkers als Martin Heidegger en intellectuele
koorddansers als Ludwig Wittgenstein, van mening zijn dat er iets moeilijks mee
bedoeld wordt. Dat is echter absoluut niet het geval : de werkelijkheid als
voorstelling is gewoon je eigen persoonlijke wereld zoals je die als een film
of een plaatje in je hoofd hebt. Een wereld die uit een gigantische baaierd van
opgeslagen, al of niet herkenbare, ervaringen bestaat. Ervaringen die je aan
den lijve hebt opgedaan, directe ervaringen dus, en ervaringen die indirect
zijn omdat zij berusten op zaken die je, op welke wijze dan ook, zijn
medegedeeld. Je kunt je natuurlijk afvragen hoe het komt dat mensen een
voorstelling hebben, maar dat laat ik nu maar even buiten beschouwing omdat ik
dat bij andere gelegenheden uitvoerig uiteengezet heb. In ieder geval is er
voor een ieder een “buitenwereld” die tot op grote hoogte correspondeert met
een “binnenwereld”.
Beide zijn concreet van aard: zij behelzen een totaliteit
van “deze en die dingen” en daarbij is
“dit ding” beslist niet “dat
ding". De “ditten
en datten” van de buitenwereld zijn materieel,
hetgeen niet betekent dat zij te allen tijde waarneembaar, tastbaar en meetbaar
zijn, en de “ditten en datten”
van de binnenwereld zijn niet-materieel. Het zijn trillingsverschijnselen zoals
een film en een foto dat zijn. De werkelijkheid als voorstelling is dus bij mij
geen moeilijke, duistere filosofische grootheid, maar gewoon iets wat iedereen
kent en waarmee iedereen voortdurend bezig is. En nu gaat het er steeds om hoe
die voorstelling er uitziet, want hoe iemands voorstelling is, zo is voor hem
of haar ook de realiteit, de buitenwereld.
159.
Een juiste voorstelling behoeft niet zonder meer een
realiteit te zijn, dus samen te vallen met een situatie, gebeurtenis of
verschijnsel in de nabije buitenwereld. De juistheid van de voorstelling kan
ook gelegen liggen in de verhoudingen die voorgesteld worden. In een sprookje
bijvoorbeeld zijn doorgaans de gebeurtenissen en verschijnselen niet juist of
bestaanbaar en ook de situatie kan fictief zijn. Maar de in het sprookje
uitgedrukte verhoudingen kunnen precies juist zijn en op grond daarvan kan het
sprookje in het teken van de waarheid zijn komen te staan. De bedoelde
verhoudingen kun je “bestaanbaar” noemen. Hetzelfde geldt voor de roman als
kunstwerk: de dingen z~n z6 niet gebeurd, maar het
zou zo wel gebeurd kunnen zijn. Dostojewski bijvoorbeeld beschrijft tal van
gebeurtenissen die op zichzelf nimmer hebben plaatsgevonden en die dus als
zodanig onjuist zijn, maar de verhoudingen tussen de verschillende mensen en de
karakters die hij beschrijft zijn verbijsterend juist en daardoor krijgen zijn
werken een hoge graad van waarheid. De waarheid op zichzelf is op geen enkele
wijze uit te drukken. De waarheid op zichzelf is helemaal niets, want de
waarheid is de wijze waarop de werkelijkheid door de mens ondergaan, beschouwd,
beoordeeld en gebruikt wordt. Altijd is er het concrete gegeven van de
voorstelling, die als een soort van constructie de werkelijkheid als beeld
draagt. De waarheid op zichzelf is afspiegeling .
160.
Het moet toegegeven worden dat de godsdiensten, althans
in hun oorspronkelijke basale vormen, steeds blijk geven van een goed inzicht
in de werkelijke verhoudingen. Inderdaad is een behoorlijk menswaardig leven
alleen mogelijk in het licht van de waarheid en inderdaad heeft die waarheid
alles te maken met een samenhangende, ongebroken, alles doordringende
beweeglijke werkelijkheid, namelijk het bewustzijn. Inderdaad is elk
verschijnsel, ook de mens, ingebed in dat ongebroken geheel en moet,
overdrachtelijk gesproken, aan dat geheel “gehoorzaam” zijn. En zo zijn er nog
meer juist aangevoelde verhoudingen die oorspronkelijk de claim op waarheid in
hoge mate rechtvaardigen. Maar onmiddellijk zijn de godsdiensten wat de
waarheid betreft de verkeerde weg opgegaan door namelijk de oorspronkelijke, op
het uitdrukken van verhoudingen gerichte, voorstellingen tot dogma's te
transformeren en ze dus als voorstelling voor onaantastbaar te verklaren. In
plaats van het over verhoudingen te hebben doet men net of het over concrete
gebeurtenissen gaat waarvan de echtheid niet in twijfel getrokken mag worden.
Het zijn nu onaantastbare dogma's geworden. Dat heeft elke godsdienst gedaan en
dat ligt in de logica, want anders was het geen godsdienst geworden maar
filosofie of kunst.
161.
Met het academisch worden van de filosofie is de vraag
naar en het begrijpen van de waarheid op de achtergrond geraakt. Logisch, want
het academische denken kent alleen maar de analyse van de voorstelling. De
behoefte om zo de voorstelling te lijf te gaan maakt elk filosofisch zoeken
naar de waarheid onmogelijk. Als je vindt dat je moet analyseren sluit je
automatisch de mogelijkheid om de voorstelling na te gaan uit en daarmee
vervalt de kans dat er zich iets afspiegelt. Dat leidt tot nietszeggende, onfilosofische, onkunstzinnige en daarenboven onwerkelijke
resultaten. Het leidt tot de eerder beschreven wetenschappelijke fictie.
162.
De eerlijkheid gebiedt evenwel toch ook op te merken dat
die academische filosofie, die dus bevangen is in de wetenschappelijke fictie,
op een buitengewoon zinvolle wijze het denken in kaart gebracht heeft zodat het
de echte filosoof mogelijk is geworden die filosofische voorstelling van zaken
na te gaan en daaruit lering te trekken, bijvoorbeeld over de ontwikkeling van
het denken en de voortgang van culturen. Ook hier geldt weer dat een
betrouwbare en gedetailleerde v oorstelling je in
staat stelt de waarheid te ontdekken!
Binnen het kader van een collectief is het uitgesloten
dat mensen met elkaar samenwerken. Er kan wel gezamenlijk gewerkt worden, maar
dan beperkt in feite ieders deelname zich tot het uitvoeren van taken die door
een hogere sturende instantie opgelegd worden. Het gezamenlijk werken is wezenlijk
vergelijkbaar met de werkzaamheid van onderdelen van een machine. Als
tandraderen grijpen de activiteiten in elkaar en zo ontstaan er producten.
Maar, die producten zijn nimmer te danken aan samenwerking. Wat een ieder
inlevert is niet meer dan energie om het door anderen bedachte werk uit te
voeren. Uiteraard is er hier en daar wel van een vleugje samenwerking te
spreken als werkers met bepaalde adviezen komen, maar, hoe nuttig vaak ook,
feitelijk behoren die adviezen en ook eventuele eigenmachtig verbeterde
procedures niet tot de essentie van de zaak. Zij komen er af en toe als
extraatje bij en worden dan gretig door de leiding overgenomen die dan doet
alsof zij ze Zelf had bedacht! Als een advies of een praktische verbetering
geld in het laatje brengt wil de leiding wel net doen alsof er samengewerkt
wordt, maar samenwerking behoort volstrekt niet tot de kern van de zaak. Het is
een leeg begrip dat beperkt blijft tot de theorie. Dus : eventuele samenwerking
is incidenteel en geenszins essentieel. Het doet zich soms voor omdat de mens
onbewust toch is die hij is en voor hem het begrip samenwerking wel degelijk
tot het wezen van het mens-zijn behoort. De gedachte waar het op aankomt is
deze dat tot op heden de mensen nog steeds niet boven gezamenlijke activiteiten
zijn uitgekomen. Daarbij is zowel het gezamenlijke als de activiteit bevangen
in het collectieve denken, waarin het individu slechts als radertje in de
machinerie fungeert en nog lang niet uitgegroeid is tot de individu.
164.
Het begrip samenwerking is een begrip dat bij de
volwassen mens behoort. Uitgangspunt daarbij is de mens als individu die zich
vanuit zijn eigen volwassen identiteit, met andere volwassenen, inzet om het
belang van allen te dienen. Deze activiteiten worden door een ieder als zijn
eigen zaak en belang beschouwd en als zodanig is het onmiddellijk ook
gemeenschappelijk belang. Dus : als ik werkelijk “individu” ben is mijn belang
onmiddellijk dat van de gemeenschap en dat van de gemeenschap is onmiddellijk
dat van mij. Er is nu geen hogere instantie meer die eenzijdig bepaalt wat er
gedaan moet worden en hoe dat dient te geschieden. En zeker is er geen
instantie die zoiets bepaalt louter en alleen om er zelf wel bij te varen! De
beslissingen liggen bij een ieder en dat kan ook zonder gevaar, want iedereen
weet, op grond van zijn individu-zijn, dat het om iets gemeenschappelijks gaat.
Juist de mens als individu is in staat het gemeenschappelijke op redelijke
gronden tenvolle tot zijn recht te laten komen.
Daarbij speelt natuurlijk ook een rol dat dit volwassen gemeenschappelijke niet
langer belemmerend werkt op bepaalde, voordien vanuit het (onvolwassen)
collectief als ongewenst beschouwde, aspecten van het individu-zijn.
Daarentegen vergroot het de mogelijkheden van de mens als individu. Het
verzorgen van het gemeenschappelijke is dan in feite een zaak van redelijk
eigenbelang geworden!
165.
De vroegere socialistische gedachte van de coöperatie
heeft nooit geleid tot een succesvolle praktijk. Steeds is de zaak ingestort
omdat de mensen het particuliere niet van zich af konden zetten. Bovendien
kende men het begrip coöperatie feitelijk nog niet: men ging als
vanzelfsprekend uit van criteria die collectivistisch waren. Dat betekende dus
dat van de mensen verwacht werd dat zij zich naar het collectief zouden voegen,
dat zij hun individualiteit waar nodig zouden opofferen aan de gemeenschap.
Maar zoiets is onmogelijk, ondanks idealisme en goede wil. De bedoelde
coöperatieve communes waren in feite collectieven. Daardoor werden er, vooral
aanvankelijk toen alles nog fris was, veel dingen gezamenlijk gedaan, maar dat
is dus heel wat anders dan samenwerking.
166.
De huidige wereld is door zijn voortschrijdende
individualisering al in sterke mate op samenwerking aangewezen. Met het
vroegere gezamenlijke gedoe, voorzover dat er was en voorzover dat de grondslag vormde van allerlei instituties
die met “United..” worden aangeduid, wordt het nauwelijks nog iets. Maar,
helaas, met de zo broodnodige samenwerking wordt het ook nog niet veel. Men
tast nog bijna volledig in het duister als het gaat om de vraag hoe je zou
moeten samenwerken! Men weet nog niet hoe dat moet, vooral ook doordat het
particuliere steeds weer de kop opsteekt en als het puntje bij het paaltje komt
alsnog maatgevend blijkt te zijn. Zo komt men in het beste geval tot een
compromis, maar daarmee is de zaak al bij voorbaat tot mislukken gedoemd.
Samenwerking betekent allesbehalve een compromis, het betekent daarentegen
consensus, overeenstemming. Dat is iets dat noodzakelijk nog maar sporadisch
gelukt. Met de huidige stand van zaken wat de ontwikkeling van de cultuur
betreft is overeenstemming en dus ook samenwerking nog niet mogelijk. En als er
al eens even een aanzet toe gegeven wordt stort de hele zaak vrijwel onmiddellijk
weer in...
Het bereiken van overeenstemming is ook voor de moderne
mens nog een uiterst moeizaam proces. Dat komt vooral doordat het begrip
consensus alleen maar dan geldig kan zijn als bij een ieder uitsluitend de zaak
waarom het gaat voor ogen staat en iedereen ter behartiging van die zaak zonder
enige terughoudendheid zijn beste weten en kunnen inzet. Deze beide criteria,
namelijk “uitsluitend de zaak” en “naar beste weten en kunnen” hebben een polariserend
karakter. zij bedoelen niet de verschillen tussen de deelnemers aan de
discussie te verdoezelen, maar die juist zo helder en onbarmhartig mogelijk op
tafel te krijgen. Voorzover dat gelukt ligt daar een
hoeveelheid objectieve kennis die logischerwijs tot het beste behoort wat op
dat moment ter beschikking staat. Uit dat beste moet de oplossing van het
probleem ontwikkeld worden, en wel door denken en discussie. Pas als alle
deelnemers op hetzelfde en hoogste niveau zitten is de gewenste consensus
bereikt.
168.
De moderne mensen verstaan onder het begrip consensus
iets heel anders. Voor hen valt dat begrip samen met het begrip compromis. Dat
betekent dat het “water in de wijn doen” als het hoogste goed wordt beschouwd.
Al vaak heb ik erop gewezen dat op zo'n manier alles ver beneden zijn
werkelijke mogelijkheden blijft. Er is niets wat echt goed wordt! Toch is te
zeggen dat het compromis voor de Onvolwassen mens het hoogst haalbare is. Deze
mens immers is alsnog een particulier en dat is een mens die in zichzelf
besloten is en die om zichzelf heen een zware, ondoordringbare muur heeft
aangelegd. Een dergelijk mens gaat het niet om het beste en nog minder om de
gemeenschap, het gaat hem louter om zichzelf en het is slechts met pijn en
weerzin dat hij iets van zichzelf, al is het nog zo weinig, prijs geeft. Zelfs
met het compromis heeft hij doorgaans nog de grootste moeite. De huidige
zogenaamde consensus-maatschappij is gebaseerd op
particuliere belangen die men op een zeker moment ook als gemeenschappelijke
belangen herkent zodat men zonder moeite of pijn iets van zichzelf in kan
zetten. "Laat ons uitzoeken wat wij gemeen hebben en niet ruziën over wat
ons scheidt" is de ultieme wijsheid dezer dagen en het gevolg is een
minder dan middelmatige, laffe en besluiteloze mensheid die in een onmiskenbaar
dalende lijn is wat betreft vooruitgang en creativiteit...
Het komt tegenwoordig veelvuldig voor dat filosofen proberen
een rol in de politiek te spelen. Zij denken dat het vanuit hun filosofie
mogelijk is beleid te maken om zo de maatschappij in goede banen te leiden. Zo
was Sartre een filosoof die nagenoeg zijn gehele leven een betere wereld
verwachtte van het communisme. Uiteraard was die verwachting niet gericht op
verwerkelijking van het begrip communisme, maar op het alledaagse politieke
communisme zoals dat tot voor kort in de Sovjet-Unie aan de macht was. Het is
zonder meer duidelijk dat Sartre niet wist wat communisme is! Had hij dit
namelijk wel geweten, dan had hij begrepen dat er wat dit betreft niets te
verwerkelijken viel. Het begrip communisme houdt in dat men zeker weet,
psychisch voelt en redelijk laat gelden dat wij met zijn allen zijn en dat dit onvoorwaardelijk
een feit is. Het is dus niet iets dat nog worden moet, maar iets dat
onmiddellijk geldt waar sprake is van de werkelijkheid als mens. Zou er iets
moeten gebeuren, dan zou het de bewustwording van dit feit moeten zijn, maar
ook dat is een procesmatige zaak die zich niet dwingen laat, althans niet waar
het de maatschappij betreft. Daarbij komt dat het begrip communisme niet slaat
op de maatschappij, de mensheid, een groep of iets dergelijks, maar op de mens
als individu. Je kunt het zo verwoorden: "Ik weet, ik voel en ik laat
redelijkerwijs gelden dat wij met zijn allen zijn". En nu is het wellicht
mogelijk dat die of gene zichzelf zover brengt dat zij of hij met die uitspraak
samen valt, maar dan heb je het nog lang niet over de maatschappij of de
mensheid. Eer die zover zijn is de inhoud van het begrip communisme voor de in
zo'n maatschappij levende individuen een onbetwijfelbare zekerheid geworden,
uiteraard niet als gevolg van opvoeding en onderwijs, maar als gevolg van verheldering van de
werkelijkheid als voorstelling. Tenslotte moet nog opgemerkt worden dat het nu
niet bepaald pleit voor een filosoof als hij zich aansluitbij
een bestaand maatschappelijk en politiek streven. Juist voor de filosoof is dat
kwalijk omdat een van de eerste lessen die het filosoferen je leert deze is dat
de filosofie van je eist dat je vrij blijft van alles wat tijdelijk en
plaatselijk bepaald is. Wat het communisme betreft is die bepaaldheid heel erg
opvallend, je moet wel een bord voor de kop hebben om dat niet op te merken en
er hinder van te hebben. Sartre was natuurlijk niet z6 bot dat hij er niets van
merkte, hetgeen verklaart waarom hij almaar probeerde de zaak van het
communisme goed te praten - dat echter pleit nog meer in het nadeel van onze
filosoof!
170.
Als de filosoof zich bij een politiek maatschappelijk
machtsstreven aansluit verkwanselt hij zijn filosofische beweeglijkheid,
vrijheid en onafhankelijkheid. Maar bovendien geeft hij er blijk van de functie
van de filosofie niet te kennen. De functie van de filosofie is niet het tot
stand brengen of bevorderen van iets, maar het vertellen van een verhaal. Het
verhaal namelijk van de werkelijkheid. En daarbij is er een onverschillige
verhouding tussen de filosoof en zijn verhaal, althans in die zin dat de
kwaliteit van zijn verhaal zijn volledige bekommernis is, maar dat het hem
volslagen koud laat wat de mensen met zijn verhaal doen. Let wel: het gaat over
het vertellen van een verhaal! Het behoort er wel degelijk bij dat de filosoof
de zaak naar buiten brengt. Meer dan dat is echter zijn taak niet.
Liberale
Democratie-1 ; Liberale
Democratie-2 ; Liberale
Democratie-3 ;
Volgens sommigen is het simpele vertellen van een verhaal
wat al te vrijblijvend. Die hebben evenwel niet in de gaten dat het doorlichten
van de werkelijkheid en het verhalen over de daaruit voortkomende conclusies
een wezenlijk levensgevaarlijke bezigheid is. Je vertelt immers voortdurend
dingen die in botsing komen met de algemeen geldende voorstellingen. Die zijn
namelijk tenvolle vastgelegd - aan de persoon en zijn
cultuur bepaald als zij zijn - en dat staat in tegenstelling tot het in alle
opzichten beweeglijke verhaal van de filosoof. Aan dat verhaal stort elk dogma,
elk belang, elke doelstelling, elke tijdelijkheid en plaatselijkheid in. Het
betekent de ondergang van het leven als bestaan e~ dat wordt heel terecht als
een gevaar ervaren. Dat geldt des temeer als je nog in een onvolwassen wereld
leeft, want dan worden die voorstellingen ook nog eens als de onbetwijfelbare
waarheid gewaardeerd, een waarheid dus die niet aangetast mag worden, een
waarheid die in feite functioneert als een waan. Het pogen zo'n waan te
doorbreken is op zichzelf al dodelijk gevaarlijk! In een moderne liberale democratie heeft dat dodelijke gevaar een verborgen
karakter. Het is net of het er niet is: men zal je niet gauw lastig vallen en
behalve het verlies van een groot aantal vrienden overkomt je niet veel kwaads.
Maar juist het voortdurende “geen gehoor vinden” - niet in de zin van bijval of
waardering, maar in de zin van “in de leegte praten” - kan tot een kwelling
uitgroeien. En dat ondanks het feit datje natuurlijk heel goed weet waarom de
realiteit is zoals die is...
Liberale
Democratie-1 ; Liberale
Democratie-2 ; Liberale Democratie-3 ;
172.
In de idealistische filosofie streeft men naar de
waarheid. De realiteit van alle dag moet op den duur samen komen te vallen met
al datgene dat door de filosofen uitgedacht is en nu voor de waarheid geldt.
Dit leidt ertoe dat die filosofie verwordt tot een ideologie. Daarmee bedoel ik
niet te zeggen dat het per se een maatschappelijk dwangmatig streven van een
groep wordt die beoogt de gehele mensheid naar zijn ideeën om te vormen, een
politieke ideologie dus, maar ik bedoel dat het een dogmatische voorstelling
van een toekomstige realiteit wordt. Vanuit dat begrip realiteit en vanuit het
begrip toekomst krijgt de zaak in zoverre een dwingend karakter dat hij
noodzakelijk voorgesteld wordt als voor een ieder geldend. Of je het er nu mee
eens bent of niet, of je er zin in hebt of niet, je ontkomt niet aan het feit
dat die toekomstige realiteit ook voor jou geldt. Er ontstaat een situatie als
in het christendom waarin gesteld wordt dat “in het huis van de Vader” ook voorjou een woning gereserveerd is. Het is het begrip
waarheid dat hier tot een concrete zaak vervormd wordt. De begrippen die tot de
inhoud van dit begrip waarheid behoren worden nu tot situaties omgevormd,
situaties dus die bestaanbaar zijn, is het niet op het ogenblik dan wel in een
verre toekomst. Je zou als vanzelf gaan denken aan het toekomstige “Koninkrijk-
Gods” of zelfs aan de hemel! Er zullen dus straks in concreto
situaties zijn die overeenkomen met de begrippen binnen de werkelijkheid als
waarheid. Als voorbeeld: alle verschijnselen in het universum zullen straks met
elkaar samenhangen, de mensen zullen straks allemaal in liefde met elkaar
verenigd zijn. Schoonheid, harmonie, zelfverloochening, goedheid en nog vele
andere edele zaken zullen eindelijk de mens kenmerken en zelfs kun je denken
aan een eeuwig leven zonder ziekte, veroudering of dood. Uiteraard zal er
niemand buitengesloten worden en van discriminatie zal al helemaal geen sprake
meer zijn. En voor de filosofen, holisten en New-Agers
is er dit heerlijke vooruitzicht dat het verfoeilijke analytisch verstandelijke
denken voorgoed afgeschaft zal zijn. Mooier kan het beslist niet! Het is de
droom van ontelbare denkers, mystici, gelovigen en andere idealisten. Maar bij
nadere beschouwing blijkt het een bijzonder boze droom te zijn...
173.
Een onvermijdelijk gevolg van de droom der waarheid is de
absolute veroordeling. Dat wil zeggen dat er altijd een veroordeling volgt uit
de vergelijking van de realiteit, en dus ook van de reëel bestaande mens, met
de door het denken voortgebrachte werkelijkheid als waarheid. De hele zaak kan
niet anders dan beneden de kwaliteit van de werkelijkheid als waarheid blijven.
Dat leidt tot een eeuwigdurende veroordeling van de realiteit, zowel de
natuurlijke als de menselijke. Als we ons eens even op de
mens concentreren, dan blijkt dat hij noodzakelijk schuldig zal zijn, hetgeen
wil zeggen dat hij niet anders zal kunnen dan tekortschieten. En ook zal hij
zondig zijn en dat betekent in dit verband dat hij fundamenteel slecht is. Het
is uitgesloten dat hij niet-slecht zou kunnen zijn. Wie op de hoogte is van de
godsdienstige visie op de mens zal deze kwalificaties onmiddellijk herkennen. Maar
een waarschuwing is hier geboden: niet alleen de godsdienstige, maar de gehele
westerse cultuur staat in het teken van en is onderworpen aan criteria van
schuld en zonde...Men gebruikt tegenwoordig andere termen en men doet alsof men
er niet meer zo zwaar aan tilt, maar een oplettend waarnemer zal het beslist
niet ontgaan dat er ook in onze betrekkelijk liberale cultuur niet veel goeds
aan de mens bedacht wordt. Deze kwalijke beoordeling van de mens is een direct
gevolg van het als een concrete zaak stellen van de waarheid, oftewel het “materialiseren van het begrip waarheid”.
Hierdoor ontstaat de mening dat “het leven in de waarheid” bestaanbaar en dus
haalbaar zou zijn. En omdat men denkt dat dit het geval is gaat een beoordeling
van de natuur en de mens tot de mogelijkheden behoren. Dit echter is een
tragische vergissing waarvan ter vergoelijking alleen maar aangevoerd kan
worden dat je hem niet van een alsnog Onvolwassen mens af kunt denken en dat
het vaak niet kwaad bedoeld is.
Beleving-1 ; Beleving-2 ;
De waarheid is niet te concretiseren. Het is geen
werkelijkheid die op zichzelf bestaan kan. Op zichzelf bestaat alleen maar de
realiteit en dat blijft zo. Dat is geen zaak om treurig van te worden, want het
is de werkelijkheid zelf die in die realiteit uitloopt en niet in die vermeende
waarheid. Dat heeft om te beginnen als consequentie, ten eerste: het begrip
zonde is zonder meer onzin, want dat begrip kan er alleen maar zijn zolang en voorzover men denkt dat er een waarheid is die, als de
mensen dat zouden willen en als zij er aan toe zouden zijn, concreet bestaan
kan. En ten tweede: omdat die waarheid niet bestaan kan is er in feite ook niet
van schuld te spreken. Het begrip schuld bestaat overigens wel, maar niet in
relatie tot de waarheid. De waarheid is een begrip dat een kwalificatie
uitdrukt van de werkelijkheid als bewustzijn als die werkelijkheid zich als
beeld op zuivere wijze aan de werkelijkheid als voorstelling afspiegelt. De
waarheid is de werkelijkheid zoals deze zich aan de mens voordoet als die mens
zich richt op de werkelijkheid als beeld. Voor deze werkelijkheid geldt dat
alles onvoorwaardelijk en zonder onderscheid aanwezig is, en dat is het begrip
vrouwelijk, en er geldt dat alles ineen is, en dat is het begrip liefde, en er
geldt dat alles in harmonie is, en dat is het begrip schoonheid. En omdat het
ene ding, evenmin als het andere ding, op zichzelf staat en er tussen die
dingen geen grenzen zijn die een absolute scheiding betekenen, gelden er voor
de mens kwaliteiten als zelfverloochening, ruimhartigheid, goedmoedigheid
enzovoort. In het kort kun je stellen dat alle genoemde begrippen en
kwaliteiten gelden voor de mens die zichzelf als bewustzijn heeft leren kennen
- de volwassen mens dus. Voor die mens is de werkelijkheid qua beleving
als boven beschreven, maar die werkelijkheid zelve is niets anders dan een
realiteit waarvoor al die schone zaken niet van kracht zijn: het ene ding staat
buiten het andere ding, is er volstrekt van gescheiden en van samenhang en
dergelijke is ook geen sprake. Er is slechts een fijnmazig netwerk van
uitermate innige relaties.
Beleving-1 ; Beleving-2 ;
175.
Voorzover de mens zich gedraagt als ware hij de werkelijkheid als
bewustzijn, zijn voor hem alle schone zaken realiteiten, maar je moet wel
bedenken dat hij als zodanig het tegengestelde van de feitelijke realiteit is.
Dat is dan ook waarschijnlijk de betekenis van de oude evangelische uitspraak
dat de ware, dit is de volwassen, mens “niet van deze wereld” is. Deze mens is
inderdaad zonder zonde en schuld want hij verbeeldt zich niet dat de waarheid
er als een realiteit kan zijn, maar hij weet daarentegen dat hij als volwassen
mens het verschijnsel is dat zich gedraagt alsof het louter bewustzijn is.
Verdraagzaamheid-1 ; onverdraagzaam-2
;
Vele denkers menen nog steeds dat de mens “geestelijk”
zou moeten zijn. Dat zou betekenen dat hij zich naar zijn zelfbewustzijn zou
moeten gedragen. Dat echter is fout gedacht, het is daarentegen juist de
Onvolwassen mens die zich naar zijn zelfbewustzijn, oftewel zijn “geest”,
richt. De maat leggen bij het zelfbewustzijn betekent dat men zich uitlevert
aan het plaatselijke en tijdelijke, aan het gedwongen zijn en het onderworpen
zijn aan regels en voorschriften. Het betekent leven in een massieve waan die weliswaar
strikt rationeel is maar die daardoor van het leven alleen maar een bestaan
maakt, helder berekend, consequent logisch en principieel, zonder onberekenbare
emoties en waardevrij, maar volkomen levenloos. De bloedeloosheid en kilheid
zelve..! In feite is dit het ideaal van de beschaafde mens, de mens die
zelfbeheersing als een deugd ziet en die zichzelf ertoe dwingt “redelijk” en
“verstandig” te zijn. Maarjuist deze mens is in alle
opzichten “van deze wereld”. Zijn zelfbewustzijn heeft immers niets anders dan
deze wereld tot inhoud! Het feit dat voor het zelfbewustzijn op zichzelf geldt
dat het voorbij de materie is, dat het
“de materie als niet-materie” is, doet in dit verband niet terzake. Het niet-materie zijn slaat namelijk op de
werkelijkheid als zelfbewustzijn, het geeft aan wat het zelfbewustzijn voor een
zaak is: het is de realiteit die zich laat gelden alsof hij niet materieel is.
Fenomenologisch gesproken: het zijn de beweeglijkheden die er zijn alsof zij
weer op zichzelf zijn. En op grond van dit laatste beoordeelt men die zaak
intuďtief als “geestelijk” , vluchtig en hoog verheven boven alledag. De
praktijk van alle eeuwen laat echter duidelijk zien dat dit “geestelijke”
bijzonder banaal, benauwd, onverdraagzaam,
lelijk, moordzuchtig en liefdeloos is. Bovendien zit het vol met occulte
smerigheden die bij nadere beschouwing nergens anders op kunnen duiden dan op
een uiterst morbide geestelijkheid...
Verdraagzaamheid-1
; onverdraagzaam-2
;
177.
De volwassen mens is op een volwassen wijze zelfbewust
geworden en dat betekent wezenlijk dat hij wat betreft zijn zelfbewustzijn tot
kennis is gekomen. Zijn voorstelling is geestelijk, dat wil zeggen rationeel,
geworden. Maar het criterium voor het werkelijke leven van die volwassen mens
is niet zijn rationeel geworden zelfbewustzijn, waar zonder hij overigens niet
volwassen kan zijn, maar zijn bewustzijn dat zich aan hem kenbaar maakt via de
werkelijkheid als beeld en dat vervolgens voor hem de maat is voor de realiteit
van zijn leven. Je zou kunnen zeggen dat de werkelijkheid als beeld ervoor
zorgt dat alle juiste feiten tot ware feiten worden. Alle details, zoals die
door steeds dieper gaand onderzoek te voorschijn zijn gekomen, verliezen hun
afgesloten, op zichzelf staand karakter en worden gaandeweg nuances. Het
opmerkelijke van een nuance is dat het een detail, een klein onderdeel is dat
naar alle kanten samenhangt met en overgaat in het geheel van de werkelijkheid.
De nuance “vervloeit” als het ware in het gehele beeld. En daarmee verkrijgen
en de nuances en het beeld onmiddellijk hun waarheid! Je kunt ook zeggen dat
het kennen, dat betrekking heeft op het totaal van “gekende feiten”, ook wel
“data” genoemd, bij de volwassen mens tot weten is geworden. Daaraan is het
kennen voorondersteld, maar het is in feite een zaak van de werkelijkheid als
beeld. Het gaat nu niet langer om een totaal aan details oftewel data, maar om
een geheel van nuances.
178.
Er is in de mensen een soort van automatisme wat betreft
de waardering van wat “geest” genoemd wordt. Zonder er bij na te denken gaat
men ervan uit dat de “geest” iets verhevens is en dat bijgevolg alle
geestelijke zaken zonder meer goed zijn en het welzijn van mens en natuur
bevorderen. Men vindt in tegenstelling daarmee dat stoffelijke zaken wezenlijk
verkeerd zijn. Idealistische filosofen, voornamelijk uit de 19e eeuw, vonden
dan ook dat de bestaande stoffelijke werkelijkheid de “verkeerde” was, in die
zin dat de zaak als “omgekeerd”
beschouwd zou moeten worden. De wezenlijke werkelijkheid zou zich omgekeerd
hebben en dat betekent b~ die filosofen dat de werkelijkheid zich in haar
tegendeel gewijzigd heeft. Het stoffelijke is dan de “omkering” van het
geestelijke. En om dat geestelijke gaat het volgens hen eigenlijk, reden waarom
de mens daartoe zou moeten terugkeren. In die optiek zou de mens “terecht” zijn
als hij vergeestelijkt was. Dan is hij “zuiver begrip” geworden. Welbeschouwd
is deze gedachtegang van de idealisten onzin die hen ongetwijfeld werd
ingegeven door de automatische aanname dat het geestelijke het goede zou zijn.
In feite echter is het dat geenszins...Je hebt te doen met hoog-laag denken
waarbij vanzelfsprekend het hoge identiek is met het goede, het onstoffelijke,
het lichte, het onbepaalde en dus de “geest”. Maar het lage is wezenlijk
slecht, het is bepaald, afgesloten en beperkt, het is de “stof”. Dit hoog-laag
denken, al of niet uitgedrukt in termen van geest en stof, gaat door alles
heen. Stiekem is het bijna altijd bepalend voor de wegen die het denken volgt
bij zijn beoordeling van mens en wereld, zodat er onvermijdelijk scheve
voorstellingen ontstaan. Deze kunnen een zodanige uitwerking hebben dat gehele
culturen erdoor in wanen verzinken, zoals dat met de westerse cultuur het geval
is. De criteria namelijk voor de wetenschappelijk verantwoorde juistheid van de
werkelijkheid als voorstelling staan in hoge mate in het licht van dat
verborgen hoog-laag denken. Wat juist is wordt als vanzelf hoog gewaardeerd en
wat onjuist is valt een lage waardering ten deel. Maar in de praktijk kan een
betrouwbare waardering wel eens precies andersom uitvallen! De
wetenschappelijke en technologische ondergrond bijvoorbeeld van een
kerncentrale is volkomen juist B hij doet het immers - en dus wordt hij hoog
gewaardeerd. Maar het is niet zo moeilijk te bedenken dat zo'n onding eigenlijk
op allerlei gronden een lage waardering toekomt.
179.
Het hoog-laag denken kan niet wegblijven uit de
ontwikkeling van de mens. Het is onvermijdelijk en dus is het op zichzelf
redelijk dat het er is. Maar dat wil geenszins zeggen dat je er zo gelukkig mee
kunt zijn. Het leidt er immers toe dat men het zogenaamde geestelijke, het
onstoffelijke en niet-materiële, een bijna absolute goedheid toeschrijft.
Gevolg daarvan is dan weer dat wat minder aangename zaken als stoffelijk,
materialistisch, natuurlijk en zelfs als dierlijk worden beschouwd. Die kunnen
immers niet geestelijk zijn! Dus, hoewel het hoog-laag denken redelijkerwijs niet
weg kan blijven is het toch de bron van veel praktische en intellectuele
misvattingen, vooral omdat er niet ingezien kan worden dat het geestelijke
helemaal niet iets hogers is, dit ten eerste, en ook omdat juist dat
geestelijke, ten tweede, de veroorzaker en de stimulans van alle onheil is die
de mens in de loop van zijn geschiedenis zichzelf heeft aangedaan. Uiteraard
had ook dat niet weg kunnen blijven, maar juist om dat te begrijpen is het
noodzakelijk in te zien waarmee je te doen hebt als je met “de geest” te doen
hebt.
180.
Wat in bijna alle culturen “de geest” genoemd wordt is in
feite de werkelijkheid als zelfbewustzijn. Zoals ik al zo vaak heb laten zien is
die zaak te typeren als “niet- materie”, hetgeen betekent dat het gaat over de
materie die er is alsof zij helemaal geen materie meer is. Dat heeft tot gevolg
dat de materiële werkelijkheid, zeg maar de verschijnselenwereld, op de wijze
van een verzameling trillingen aanwezig is. Aanwezig uiteraard in de mens, want
die is het verschijnsel waarin het zelfbewustzijn optreedt, en wel omdat hij de
laatste mogelijkheid van het kosmische wordingsproces is. In de mens zijn dus
de “dingen” op niet-materiële wijze aanwezig, namelijk als een verzameling
trillingen. Die verzameling is inhoud van het zelfbewustzijn en dat is wat ik
“de werkelijkheid als voorstelling” noem. De voorstelling heeft betrekking op
de “dingen”. Alles wat in die voorstelling komt te liggen is, hoewel op
zichzelf niet-materieel, door en door onderworpen aan de wetten van de
werkelijkheid als ding. Het zelfbewustzijn, waarvan de voorstelling inhoud is,
moet dus beschouwd worden als een zaak van dingen, hoewel het als een aan de
mens meekomende eigenaardigheid op zichzelf als niet-materie geldt. Op grond
van dit laatste zijn de mensen, aanvoelend wat het zelfbewustzijn kwalitatief
is, van de geest gaan spreken en omdat er verder niets aan de werkelijkheid te
beleven valt zijn zij die geest als het hoogste gaan beschouwen. Dus niet
alleen als het laatste, maar vooral als het hoogste dat als zodanig
onmiddellijk maatgevend moest heten.
181.
Maatgevend voor de onvolwassen mens is dus een zaak van
dingen en dat zijn dan ook nog los van elkaar staande dingen die in feite niets
met elkaar te maken hebben, behalve dan dat zij met elkaar een “netwerk van
relaties” vormen. Omdat de mens niet alle dingen kent en ook lang niet alle
dingen de moeite waard vindt en heel veel dingen als slecht afwijst, is dat door
de dingen gevormde netwerk van relaties steeds een complex van vooroordelen,
tegenstrijdigheden, benauwdheden en belangen. En dat complex is nu wat men “het
geestelijke” noemt. Zelfs de zogenaamd mooie en edele zaken zijn bevangen in
dat complex. Maar overwegend heb je te doen met allerlei gescharrel dat
varieert tussen kleingeestige miezerigheden en brute moorddadigheid. Die
miezerigheden stoelen op bevooroordeelde benauwde relaties, ruimschoots
doortrokken van eigenbelang, en de moorddadigheid op het feit dat het ene ding
de aanwezigheid van het andere ding noodzakelijk en wezenlijk ontkent. Je kunt
dus niet anders constateren dan dat de “geest” meer de bron van een heleboel
ellende is dan dat hij inspireert tot menselijkheid, in de zin van liefde, vrede,
zachtmoedigheid en nog meer van deze begrippen.
182.
Als de mensen een werktuig bedenken waarmee men nog
effectiever zijn zogenaamde vijanden kan kwellen en uitroeien, dan is dat een
product van de geest. Als de mensen een systeem bedenken waarmee je anderen
onder de knoet kunt brengen en gebruiken ten eigen bate, dan is dat door de
geest uitgebroed. Als de mensen zichzelf en elkaar wijsmaken dat er hogere
machten zijn waaraan men zich te onderwerpen heeft, dan is het die quasi nobele
geest die dergelijke verhevenheden op tafel legt.
183
Etnische zuiveringen, pogroms, kruistochten, oorlogen en
al het andere fraais waarmee de mensen herhaaldelijk op de proppen komen, het
zijn even zovele uitingen van de in de mens huizende werkelijkheid als geest.
Gesteld dat die werkelijkheid niet voor de mens gold, dan kon hij al die
onderscheidingen, die aanleiding geven tot moorden en branden, niet maken. Hij
zou zijn als de dieren, volledig ingebed in de werkelijkheid als bewustzijn en
dat wil praktisch zeggen dat hij onontkoombaar gebonden was aan de natuurlijke
programma's. Van al die rampen die hij thans vanuit die “geest” zichzelf en
anderen aandoet zou hij geen weet hebben: hij zou ze namelijk niet weten te
verzinnen. Voorzover anderen hem tot prooi zouden
zijn is dat geen bedachte schanddaad, maar een onderdeel van een natuurlijk
programma. Hij zou de ander tot prooi behoren te maken!
184.
De werkelijkheid als bewustzijn - hetgeen feitelijk
betekent: de werkelijkheid op de wijze van bewustzijn - is een samenhangende,
in zichzelf ongescheiden, beweeglijke zaak. Die werkelijkheid geldt voor al wat
levend is. In tegenstelling tot wat je aanvankelijk zou denken is in dat
bewustzijn het van elkaar leven volledig inbegrepen. De levende verschijnselen
vormen noodzakelijk voedselketens en dat betekent dat het ene leven het andere
tot prooi dient. Het elkaar tot prooi zijn is een van de praktische kenmerken
van de samenhang en het “in elkaar overgaan”. Het is dus fout om dit als een
kwaad te beschouwen! Maar als de mensen elkaar tot prooi dienen geschiedt dit
niet vanuit het bewustzijn, maar vanuit het zelfbewustzijn met zijn vertekende
voorstellingen. Het is dan wel een kwaad. Er is dan geen samenhang maar
scheiding en dus ook vijandschap en moordlust. Heeft de mens tenslotte zichzelf
als mens leren kennen en is hij eenmaal volwassen geworden, dan herkent hij
zichzelf als bewustzijn, nu echter niet in de zin van elkaar tot prooi zijn,
maar in de zin van elkaar tot liefde zijn, hetgeen praktisch betekent: met zijn
allen zijn. Voor hem is de werkelijkheid dan samenhangend geworden, want dat is
het waarom het voor de mens wezenlijk gaat.
185
Hoe vreemd het ook moge klinken, het elkaar tot prooi
zijn als voornaamste eigenaardigheid van de dierlijke wereld is geen drang tot
vernietigen en al helemaal geen moordlust - wat het bij de mens wel degelijk
zou zijn B maar een gevolg van het in elkaar overgaan van “het een in het
ander”. In feite dus van het beginsel van de samenhang, zoals dat voor het “er
zijn”, de existentie, van de dierenwereld geldig is. Voor de dieren, en
eigenlijk ook voor de planten, verschijnt de werkelijkheid, zonder dat zij er
uiteraard iets van afweten, als een werkelijkheid waarin alles met alles
samenhangt, en dat is het nu precies wat op den duur ook voor de volwassen
mensen het criterium wordt. Het tot prooi zijn geldt ook dan voor die volwassen
mens, evenwel niet in de zin van moorden, plunderen en branden, maar in deze
betekenis dat al het voorgaande zich oplost in het laatste en dat is de mens.
Alles loopt in hem uit. Alles wat er is wordt de mens tot prooi. Het wordt
namelijk zijn inhoud, enerzijds op de wijze van eigendom, anderzijds op de
wijze van kennis. In dit verband is natuurlijk het woord prooi niet zo
aantrekkelijk, maar als je bedenkt hoe de onvolwassen mens tot nu toe met zijn
wereld omgegaan is, komt toch onwillekeurig dat woord “prooi” in je naar
boven...
186.
Wat eenmaal voor de volwassen mens zal gelden is
volstrekt anders dan wat wij onszelf en anderen voordurend
voorgespiegeld hebben. Dat de mens een “geestelijk wezen” zou worden is
volslagen fout gedacht. Wel geldt voor hem dat hij het “kennende principe” van
de werkelijkheid is, of, anders gezegd: hij is de werkelijkheid die tot kennis
omtrent zichzelf - omtrent wat anders trouwens? - gekomen is. Omdat dit een
zaak van het zelfbewustzijn is en omdat het zelfbewustzijn vrijwel naadloos
samenvalt met het gebruikelijke begrip geest kun je inderdaad van een
“geestelijk wezen” spreken, maar dan heeft dat geestelijke normatief totaal
niets om het lijf, sterker nog: het is in alle opzichten vernietigend omdat het
zich noodzakelijk bedient van de analyse. Spreekt iemand dan ook in ethische,
normatieve zin over de mens als een “geestelijk wezen”, dan getuigt dit van een
misplaatst idealisme dat, zoals gebruikelijk bij idealistische voorstellingen,
geheel en al in strijd is met de feitelijke verhoudingen in en van de
werkelijkheid. Als je van ethiek wilt spreken en je wilt nagaan hoe het qua
normen met de mens zit, moet je je richten op de verhoudingen die voor de
werkelijkheid als bewustzijn gelden en vervolgens nagaan langs welke weg de
mens ertoe komt die samenhangende, harmonische en liefdevolle werkelijkheid als
de enig echte te herkennen en te laten gelden.
187.
De werkelijkheid als bewustzijn, waarvan je met recht
kunt zeggen dat dit “de enig echte” is, is niet, zoals de werkelijkheid als
voorstelling, een bepaalde en concrete zaak. Dat zou ook niet mogelijk zijn,
want zou het wel een concreet geval zijn, hij zou voor een ieder niet alleen
anders, maar ook beperkt, plaatselijk en tijdelijk zijn. Als zodanig is dat nu
niet bepaald een zaak om als een richtinggevend baken voor ogen te houden. Dat
betekent overigens ook dat dat zogenaamde “geestelijke wezen” niet tot aanbeveling
strekt! Hoe dan ook, slechts een algemene zaak kan algemeen geldig zijn en dus
voor de volwassen mens van straks richting geven aan zijn leven.
188.
Het bij het verlangen naar de mens als geestelijk wezen behorende
hoog-laag denken blijkt bij nadere beschouwing een tweetal eigenaardigheden te
vertonen. Je kunt namelijk vaststellen dat in een cultuur waarin het hoog-laag
denken aan de orde is, alles naar boven toe geprojecteerd wordt. Dat wil zeggen
dat men voortdurend bezig is alle verschijnselen op te waarderen. Dat geldt
natuurlijk in de eerste plaats voor de mens zelf: enerzijds probeert hij almaar
boven zichzelf uit te komen, uiteraard naar criteria die hij zelf aanlegt, en
anderzijds verbeeldt hij zich steeds dat hij met “het goede” bezig is en dat
hij ook immer het goede voorheeft! Het boven zichzelf uitkomen is bijvoorbeeld
te herkennen in de behoefte een held te worden, zoals dat vooral in de oude
Germaanse sagen op onthullende wijze voor de dag komt: het is pas in orde als
je een held wordt, een Siegfried die zich van de grond af opwerkt tot
bovenmenselijke hoogte. Dat is typisch een held: de naar boven gedachte mens!
189.
In de psychologie kent men het begrip sublimatie. Dat
heeft betrekking op het op een hoger plan brengen van hartstochten en driften
die beschouwd worden als van een lagere orde. Dat slaat vooral op het seksuele
leven van de mens. De gedachte is dan deze dat de seksuele aandriften door de
mens omgezet zouden moeten worden tot geestelijke activiteiten, een
onmiskenbaar geval van opwaardering. De mens heeft dus kennelijk zijn
natuurlijkheid op te waarderen tot iets geestelijks. Je hoort dan ook beweren
dat de mens zich moet ontwikkelen van “natuur” tot “cultuur”. Zonder een
dergelijke ontwikkeling zou er van de mens niets terecht komen. Het irrationele
en driftmatige zou dominant blijven en daardoor voor de mens alle mogelijkheden
afsluiten om ooit tot een goede en rechtvaardige wereld te komen. Alle
godsdiensten proberen de mens ertoe te brengen zichzelf op te waarderen.
Maar het christendom spant wat dit betreft de kroon.
Voortdurend is men daarmee bezig : de mensen zouden zich moeten “bekeren” en de gedachte dat hun “zonden” en
“schulden” ongedaan zullen worden gemaakt speelt een cruciale rol. Ook echter
in het denken in het algemeen projecteert men de mens naar iets hogers. De
filosofen bijvoorbeeld breken zich nog steeds het hoofd over de vraag hoe je de
mens zou kunnen verbeteren. Er zijn er zelfs die een oplossing zien in
genetische manipulatie. Men zou met behulp van die techniek betere hersenen
kunnen maken en dat zou de mens in staat stellen zich als een “geestelijk
wezen” waar te maken!
190.
De mens die zich verbeeldt altijd het goede met zichzelf,
zijn medemens en de wereld voor te hebben is de mens met principes en normen en
waarden. Het is de mens die zichzelf “beschaafd” vindt en die er rotsvast van
overtuigd is dat hij “het dierlijke”, de “hartstocht”, de “begeerte”, het
“instinct” en de “drift” overwonnen heeft. Hij vindt zelfbeheersing het hoogste
goed, hij vindt dat hij “redelijk” moet zijn, geen vooroordelen mag hebben en
zo nog een heleboel fraaiigheden meer...
191.
Tegelijk met het naar boven projecteren van de dingen
beoordeelt de hoog-laag denkende mens alles van bovenaf. Hij vindt dat alles in
het licht van het goddelijke bekeken moet worden, of, als hij niet in god
gelooft, in het licht van de rede, de wetenschap, het recht en wat al niet.
Steeds is een rationele abstractie de maat der dingen en, ten gevolge daarvan,
is de concrete praktijk onveranderlijk beneden de maat! In feite gaat het de
hoog-laag denkende mens nooit om de realiteit. Slechts datgene dat te bestreven is mag gelden. En het merkwaardigste daarbij is
wel dat die Onwerkelijke mens van zichzelf vindt dat hij een realist in optima
forma is! Uitermate praktisch is hij! Hij staat met beide benen stevig op de
grond! Hij laat zich geen knollen voor citroenen verkopen! Hij laat zich
beslist niets wijsmaken en geloven is er voor hem niet bij, hij wil zeker
weten! Maar intussen verbeeldt hij zich maar dat hij zo voortreffelijk is :de
betekenis van zijn leven hangt ergens onbereikbaar hoog in de lucht...
Hoewel het bijna niemand ooit opvalt zijn ook de moderne
regeringsvormen manifestaties van hoog-laag denken. Hoewel beweerd wordt dat
het “democratische denken” er borg voor staat dat het volk regeert en dat de
autocratie onmogelijk gemaakt wordt, is het tegendeel in de praktijk waar. De
maatschappij en de samenleving worden wel degelijk van bovenaf beoordeeld en de
burgers denken geheel en al in termen van opwaardering, en dus naar boven. Het
blijkt dan ook dat het de regeerders nooit om de burgers gaat maar uitsluitend
om hun eigen bevoegdheden om dwingende besluiten te nemen. Zij zijn het die de
dienst uitmaken. Hun wil is wet en er is niets dat hen daarvan weerhoudt.
Opmerkelijk is dat nagenoeg iedereen dat normaal vindt en dat is welbeschouwd
wel terecht, want ook de moderne democratie is in feite een autocratie, maar
dan niet uitgeoefend door één persoon, maar door een als een eenheid optredend
college. De burgers wijzen doormiddel van verkiezingen diegenen aan die uit mogen maken
wie in dat college zitting mag nemen. Het misleidende is in deze kwestie dat de
wijze waarop de regeerders aan de macht komen tot op zekere hoogte democratisch
is, namelijk via verkiezingen
die enigszins leiden tot een afspiegeling van de wil van het volk, een wil
overigens die nauwelijks iets gemeen heeft met de belangen en bedoelingen die
werkelijk een rol spelen. Immers, eenmaal op het fluweel gezeten is de wil van
de zogenaamd verkozene volstrekte wet! Het enige verschil met vroeger is dat
niet langer geboorte en erfelijkheid bepalend zijn voor de macht, maar die
armoedige “wil van het volk”. Verder is alles precies eender gebleven. Ook het
besluitvormingsproces is niet veranderd: allerlei politieke, wetenschappelijke
en bestuurlijke instituties mogen adviseren en zelfs een poging wagen de
belangen van hun eigen achterban te laten prevaleren, maar al of niet onder
invloed van die adviseurs en lobbyisten nemen de regeerders eigenmachtig de
besluiten. Hun wil is wet! Daarbij draait alles om die wil, al of niet verpakt
in fraaie volzinnen over het belang van de gemeenschap en over regeren dat
“vooruitzien” zou betekenen. Het is evenwel niet moeilijk om in te zien dat de
hele zaak op het hogere gericht is en dat de gehuldigde voorstelling van dat
hogere in alle opzichten bepalend is. Niet de burgers zijn de maat, maar het
hogere is dat, in welke vorm het zich ook voordoet. Vanuit dat hogere is het
niet moeilijk om met deelneming over de burgers te spreken - het kan trouwens
niet anders! Maar dat het om hen zou gaan is een leugen.
193.
Het is vaak moeilijk te zeggen om wie het nu wel gaat als
het niet om de burgers gaat. Maar zoveel is steeds zeker dat het om iets hogers
gaat en dat dit op de een of andere manier door bepaalde personen of groepen
opgeëist wordt ter rechtvaardiging van hun niet te bevredigen honger naar
macht. Men vraagt zich wel eens af waarom macht toch altijd “corrumperen” moet,
maar dat is gemakkelijk te begrijpen als je inziet dat machtshonger niet te
stillen is. Dat is het geval doordat het in het karakter van macht ligt alles
en iedereen te willen overheersen. Daardoor blijft er steevast iets over dat
nog buiten het machtsbereik valt, maar dat beslist ook nog onderworpen moet
worden. Hier laat zich op uitermate particuliere wijze gelden dat de mens
wezenlijk “bezitter van de kosmos” is. Op “particuliere wijze” omdat het de
individuele mens vooralsnog alleen maar om zichzelf gaat en hij nog niet tot
het inzicht is gekomen dat het zichzelf tot bezitter maken voor iedereen geldt
en dat het dus onrechtmatig is om zichzelf op een zodanige wijze door te zetten
dat het de anderen onmogelijk gemaakt wordt zich ook als die bezitter van de
kosmos waar te maken. Iedereen is namelijk bezitter van de kosmos - vanwege het
feit dat iedereen “laatste verschijnsel” is. Dat is op zichzelf eigenlijk niets
bijzonders, maar de moeilijkheid voor de zich ontwikkelende mens is nu juist
gelegen in dat begrip iedereen. De mens als machtzoeker
is de mens die alleen maar zichzelf als laatste verschijnsel beleeft en die
daardoor nooit op kan houden alles aan zich te onderwerpen. Dat gaat
onvermijdelijk samen met het besef hogergeplaatst te zijn. Voorzover
je namelijk van iets hogers wilt spreken moet dat liggen bij de mens als
laatste verschijnsel. Het is het niet-materie zijn dat zich, uiteraard
ongeweten, doet gevoelen.
194.
Er is één begrip dat voor de mens een alles overheersende
betekenis heeft en dat is het begrip erkenning. Het is het eerste begrip dat
als onmiddellijke consequentie aan de mens als individu te bedenken valt. Heeft
de mens zich namelijk tot individu ontwikkeld, dan is voor deze individu de
aanwezigheid van “de ander” tenvolle voor de dag en
tot zijn recht gekomen. Juist het zich ontplooien tot een volwaardige “ik”
ontsluit de aanvankelijke begrensdheid van het particuliere en daardoor kan de
mens als individu “het andere” en “de ander” onvoorwaardelijk gaan insluiten.
Dit onvoorwaardelijke insluiten is precies de reden waarom het begrip erkennen
is gaan gelden. Op zijn beurt houdt dit begrip erkennen in dat men van zichzelf
uit, onvoorwaardelijk en ongevraagd, aan de ander een aantal existentiële
garanties biedt. Het aanbieden van die garanties is vanzelfsprekend voor de
mens als individu, maar in feite is zo'n aanbod dat eigenlijk niet omdat het de
mens nu eenmaal gegeven is op alles “nee” te zeggen. Hierdoor kan hij zijn
medemens ook geen enkele garantie geven, hetgeen je bij de alsnog Onvolwassen
mens dan ook voortdurend ziet. Genoemde garanties beslaan een hele verzameling
deelbegrippen die allemaal op hun wijze het leven van volwassen mensen mogelijk
en leefbaar maken.
195.
Het gelden van het begrip erkennen leidt tot het
aanbieden van een aantal onvoorwaardelijke existentiële garanties. Hoofdzaken
daarbij zijn dat men elkaars behoefte aan zelfstandigheid, veiligheid en
communicatie niet in de weg staat. Het is niet zo moeilijk om de aanwezigheid
van de medemens te erkennen. Als je hem bijvoorbeeld als een slaaf beschouwt
heb je hem wel degelijk erkend, maar dat heeft in feite niet zo erg veel om het
lijf: zijn benodigde zelfstandigheid is ver te zoeken, zijn veiligheid is
slechts betrekkelijk gegarandeerd - doorgaans alleen maar voorzover
de slaaf een economische waarde vertegenwoordigt - en zijn mogelijkheden tot
communicatie zijn eveneens minimaal. Een dergelijke “erkenning” kan dus niet de
bedoeling zijn. Het is al voorwaardelijkheid wat de klok slaat. Ook de
zogenaamde democratische erkenning beantwoordt niet aan de voor de mens
geldende universele normen. Allerlei staatsbelangen, als steeds gesanctioneerd
door een beroep op “het hogere”, staan binnen het kader van een democratie aan
het werkelijk erkennen van de medemens in de weg. Tot op heden is bijvoorbeeld
het denken in termen van arbeid, als rechtvaardiging van iemands bestaan, een
hinderpaal bij het erkennen van de medemens. Ook de behoefte om de medemens te
administreren verhindert de erkenning. Het is dus eigenlijk niet zo simpel om
tot een algemeen geldende erkenning van iedere medemens te komen...
196
Het begrip zelfstandigheid houdt in dat men zichzelf en
vooral - wat het moeilijkste is - de medemens uitsluitend en onvoorwaardelijk
als een “zelfgenoegzaam” verschijnsel beschouwt. Een verschijnsel dus dat aan
zichzelf genoeg heeft en dat uitsluitend terwille van
zichzelf aanwezig is. Die medemens wordt dan dus niet gezien in het licht van
iets of iemand anders, zoals bijvoorbeeld tot op heden de vrouw er is in het
licht van de man en de man er is in het licht van arbeid en dat soort van
zaken. Als de medemens als “zelfgenoegzaam” wordt gezien is deze los van iedere
bedoeling, functie of status. Hij is uitsluitend zichzelf, ook als dat in de
ogen van iemand anders niet zo prettig of verantwoord is. Ook behoort het tot
de inhoud van dit begrip dat de mens niet leven kan binnen de context van een
groep, een staat of enig ander geheel. Hij zou immers toch weer terwille van iets anders op deze wereld zijn gekomen! Als
“dienstknecht gods” of zelfs maar als “evenbeeld van
god” is de mens uiteraard ook in een positie gebracht die hem onwaardig is.
197.
Het spreekt vanzelf dat iedereen voor zichzelf de status
van zelfstandigheid op kan eisen. In feite doet een ieder dat van nature al: er
is geen geestelijk gezond mens die vindt dat hij per se Onzelfstandig zou
moeten zijn. Niemand zit er naar uit te kijken om de slaaf van iets of iemand
anders te zijn. Alleen binnen de context van een godsdienst aanvaardt men een
zekere persoonlijke onzelfstandigheid, maar dat blijft beperkt tot een irreëel
belijden van een of ander waandenkbeeld waaraan ook de meest gelovige zich in
de praktijk van alle dag onttrekt. Vroeger zeiden de mensen wel: "Vertrouw
op god, maar houd je kruit droog". Overigens kun je ook daaraan weer zien
hoe de godsdienst de positie van de mens in de kosmos in een vals daglicht
stelt...Het moeilijke van het begrip zelfstandigheid ligt niet bij het opeisen
van zelfstandigheid voor jezelf,. maar bij het onvoorwaardelijk erkennen en
laten gelden van de zelfstandigheid van de ander. Daarom moet dit begrip “van
je zelf af” gedefinieerd worden. Het moet gelden als een begrip dat op de ander
gericht is. Houd je het op de eigen zelfstandigheid zonder die van de ander als
onmiddellijke en noodzakelijke consequentie te begrijpen, dan heeft het begrip
zelfstandigheid geen betekenis.
198.
Het begrip veiligheid heeft een veel omvangrijker inhoud
dan gewoonlijk verondersteld wordt als je erover spreekt. Het heeft namelijk
niet alleen te maken met een zekere politionele bescherming bij het zich
bevinden op straat bijvoorbeeld, maar veelmeer met de juridische status waarin
de mensen zich bevinden. Het gaat over de verhouding waarin de ene mens tot de
andere staat. Dit betekent dat men elkaar met rust zal laten en er zorg voor
zal dragen dat men elkaar niet benadeelt of leed berokkent. Deze zorg voor
elkaars veiligheid kan niet incidenteel zijn - het is immers gemakkelijk genoeg
als alles meezit!- maar zij zal Onvoorwaardelijk moeten zijn. Bovendien moet
zij negatief gedefinieerd worden omdat het gaat over zaken die men ten aanzien
van de medemens te laten heeft. Het laten gelden van het begrip veiligheid komt
neer op het voorkomen en verhinderen van al datgene dat de ander en jezelf qua
zelfstandigheid bedreigt. Het is helemaal niet noodzakelijk dat de wederkerige
garanties voor veiligheid in wetsartikelen vastgelegd zijn en dat bepaalde
instanties optreden als handhavers van deze wetten. Mensen die tenslotte
volwassen geworden zijn hebben een dermate helder besef van rechtvaardigheid
dat zij in de vele verschillende situaties, waarin ze komen te verkeren, elkaar
bijna intuďtief “recht zullen doen”. Het
onvoorwaardelijke karakter van dit begrip veiligheid heeft ook als consequentie
dat men medemensen met een verkeerde aanleg en ontplooiing in hun
“verkeerd-zijn” erkent en hen zo goed mogelijk beschermt en verzorgt. Op grond
van het eerder genoemde rechtvaardigheidsbesef zullen deze bescherming en
verzorging geen indirect, maar een direct en preventief karakter hebben. Men
wacht niet, zoals tot nu toe gebruikelijk is, totdat er een misdaad geschied
is, maar tengevolge van elkaars zorg voor elkaar
heeft men reeds lang van tevoren de symptomen van het “verkeerd-zijn” herkend
en zo goed mogelijk behandeld. Je moet niet vergeten dat een belangrijke
stimulans tot misdadig gedrag gelegen is in de onverschilligheid voor elkaar.
Het als los zand aan elkaar hangen van de onvolwassen mensen is een vruchtbare
voedingsbodem voor criminaliteit. Wanneer dat eenmaal opgeheven zal zijn blijft
er slechts een heel klein aantal mensen over die werkelijk niet goed in elkaar
zitten. Vanzelfsprekend worden die als ziek beschouwd...
199.
Onder het begrip veiligheid valt ook het onvoorwaardelijk
voorhanden-zijn van de levensbehoeften van de mensen. Dat wil zeggen dat ieder
mens aan die behoeften kan voldoen zonder daarvoor eerst op allerlei
onaangename manieren een grote hoeveelheid geld bijeen te moeten schrapen of op
andere onterende manieren “zijn brood te verdienen”. Onder levensbehoeften valt
een grote variëteit aan onmisbare zaken zoals daar zijn onderdak, kleding en
schoeisel, voedsel en medische hulp. Maar ook die zaken die tot nu toe als
“luxe” gezien werden, maar die voor mensen met een speciale aanleg
onontbeerlijk zijn: muziekinstrumenten, geluidsdragers, boeken, kunst en
kunstvoorwerpen, enzovoort. Het moet zelfs voor “dromers” mogelijk zijn zich
als zodanig uit te leven zonder daarvoor met de nek aangekeken te worden
vanwege het feit dat ze niet “werken
voor de kost”.
Dan is er nog het begrip communicatie, een zaak waarvan bijna nooit het
werkelijke menselijke belang wordt ingezien. Men ziet de communicatie eigenlijk
als een min of meer toevallig verworven luxe die uitvloeisel is van de moderne
technologie en die daarom ook als een lucratief winstobject kan worden gezien.
Anderzijds betreurt men het vaak dat de moderne mensen zo van die communicatie
afhankelijk zijn geworden. De tot de communicatie behorende technische middelen
worden soms zelfs als een gevaar gezien, zoals dat bijvoorbeeld met de
televisie het geval is. Maar welke onzin men wat dit betreft ook klapt, feit
blijft dat de communicatie nu reeds, in de huidige wereld, functioneert als het
zenuwstelsel van de mensheid. Toegegeven moet worden dat het een overspannen
zenuwstelsel is van een dolgedraaide mensheid die zo langzamerhand danig het
spoor bijster is geraakt, maar toch zijn de moderne communicatie-middelen
al als een zenuwstelsel gaan fungeren. Op den duur zal dat stellig een gezonde
zaak worden...Als de volwassen mensen tenslotte hun wereld beschouwen en
ervaren als een samenhangend geheel, dan is dit volstrekt Ondenkbaar zonder een
fijnmazig netwerk van communicatie. Juist omdat de mensen als verschijnselen
niet samenhangen is een bewustzijn van samenhang onontbeerlijk en typisch
“menselijk”, maar dat is volstrekt niet mogelijk zonder dat allen met allen in
verbinding staan. Zoals ons zenuwstelsel alle organen in ons lichaam, en in
feite alle cellen, met elkaar doet samenhangen, zo doet de communicatie dat met
alle mensen, op den duur. Natuurlijk betekent dit niet dat alle individuen
feitelijk met elkaar in verbinding staan in die zin dat zij elkaar kennen en
contact onderhouden. Het betekent echter wel dat de verbinding er is en dat er
op elk gewenst moment gebruik van gemaakt kan worden. Het vanuit de
werkelijkheid als bewustzijn optredende besef in alle opzichten met elkaar
samen te hangen kan geen realiteit zijn als er niet een concrete ondergrond is
waarop dit besef zich kan manifesteren. En die ondergrond is nu precies het
fijnmazige netwerk van de communicatie!
Tot zover deel 1 van FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK.
Terug naar: De
Startpagina
|
|