Filosofie van de hak op de tak...1

Eerste aflevering - 1995

 

abortus,anarchisme,besnijdenis,de survival of the fittest,euthanasie,evolutieproces,filosofie,gemeenschapsgevoel,genetische manipulatie,geven en nemen,joden,jodendom,saamhorigheid,veiligheid,zelfbewustzijn.

 

 

Naar bladwijzers:

survival of the fittest [ spoorwegen ; privatiseren ; zichzelf zijn ] ; Samenwerking- nrs. 163 t/m 166 ; Gelijkwaardigheid   Beschaving( lees de nummers 120 en 121 )  Kuddedieren   universele waarheden  De Verlichting-1, De Verlichting-2, De Verlichting-3, De Verlichting-4, De Verlichting-5   Verkiezingen ;  Krijgsgevangene Concurrentie-1 ; Concurrentie-2 ; persoonlijkheid-1 ; persoonlijkheid-2 ; persoonlijkheid-3 ; persoonlijkheid-4 ; Ziel ; polariseren-3 ; Darwin ; Verhullend taalgebruik ; Brein ; Overgang-1 ; Verdraagzaamheid-1 ; onverdraagzaam-2 ; Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ; Liberale Democratie-1 ;  Liberale Democratie-2 ; Liberale Democratie-3 ; Rechten van de Mens ; Doodvonnissen ; Beleving-1 ; Beleving-2 ; Horigheid ; Is de mensheid indertijd godsdienstig begonnen ; De mens als stuurloos wrak ; Beloning ; Communicatie ; Overtuiging-1 ; Overtuiging-2 ; Overtuiging-3 ; antroposofische fantasieën ; Waanvoorstelling-1 ; Waanvoorstelling-2

 

 

Naar artikelen met trefwoord “Polariseren”:

Polariseren-1-zie bladwijzers uit Nihilisme en Anarchisme als basis van het Atheisme,

Polariseren-2-zie bladwijzers uit De Universiteit voor Humanistieken het Atheisme,

Polariseren-4-zie bladwijzers uit Filosofie van de Hak op de Tak nr.2,

Polariseren-5-zie bladwijzers uit Filosofische Invallen 1t/m26,

Polariseren-6-zie bladwijzers uit Varia 1t/m10,

 

 

Terug naar: De Startpagina 

 

Al sinds onheuglijke tijden proberen de filosofen hun gedachten in te passen in het strakke kader van een wetenschappelijk systeem. Om de een of andere reden vinden zij dat dit de status van hun creaties verhoogt. Zij willen zich koesteren in het zonnetje van de wetenschappen. Immers, die ontlenen een hoge mate van betrouwbaarheid aan de systematische aanpak van de vraagstukken waarvoor de werkelijkheid hen stelt. Uiteraard heb ik aanvankelijk ook gemeend systematisch tewerk te moeten gaan.

Dat echter is mij niet gelukt! Later heb ik begrepen dat het filosofische denken zijn creativiteit, zijn schoonheid en zijn levendigheid juist aan zijn eigen wispelturigheid te danken heeft en dat daarentegen het inpassen in een systeem dat denken forceert en het zijn specifieke karakter ontneemt. De oplettende filosofische onderzoeker zal vroeg of laat ontdekken dat het denken een flitsend karakter heeft. Het vliegt “van de hak op de tak”, al naar gelang de associaties die het in zichzelf oproept. Die associaties op zichzelf volgen wel logisch uit elkaar, maar zijn in geen geval systematisch. Toen ik dat eenmaal begrepen had heb ik me nooit meer druk gemaakt om welke vorm van systematiek ook. Maar ik begreep tegelijkertijd dat helder denken er vanzelf toe leidt dat al die min of meer op zichzelf staande fragmenten tenslotte één groot samenhangend geheel zouden vormen. Gezien in dat licht blijkt de FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK onverwacht meer samenhang te vertonen dan de moderne systematische filosofie...

 

 

De filosofie is er voor iedereen. Daarom staat het een ieder vrij om uit dit boek passages over te nemen. Maar het is een zaak van intellectueel fatsoen om daarbij wel een bronvermelding te geven..

 

Uitgave: J. Vis

 

 

1.

[ spoorwegen ; privatiseren ; zichzelf zijn ;]

Sinds de moderne mens halverwege de 20ste eeuw definitief zijn intrede in de wereld heeft gedaan is er iets veranderd in de houding van de mensen ten opzichte van de samenleving. Ongemerkt heeft namelijk de mening postgevat dat de samenleving er is om eraan te verdienen, om je persoonlijk te verrijken. De samenleving is individueel winstobject geworden.


Voordien was het de medemens waaraan op de een of andere manier verdiend moest worden. De een probeerde de ander zoveel mogelijk uit te kleden om er zelf beter van te worden. Daarvoor nog was er overigens nog een periode die gekenmerkt werd door het uitplunderen van de aarde. Uitbuiten van de aarde en van de medemens gebeurt natuurlijk nog steeds, en logischerwijze in voortdurend verhevigde mate. Maar er is iets bijgekomen: het plunderen van de samenleving. Was het voordien zo dat de samenleving gezien werd als een de afzonderlijke mensen overkoepelend geheel waarin het welzijn van een ieder zo goed mogelijk bevorderd moest worden, thans moet er aan dat geheel verdiend worden. De particuliere mens probeert uit het geheel munt te slaan. Gelukt dat om de een of andere reden niet, dan worden er ook geen diensten aan de samenleving geleverd. Het loont dan de moeite niet. Voorbeelden te over: de spoorwegen, ooit beschouwd als een openbare zaak die de kwaliteit van de samenleving zou bevorderen, moeten nu winstgevend zijn. Het gaat niet langer om diensten aan de burgers, maar om winsten voor ondernemers en hun aandeelhouders. Vroeger mochten die spoorwegen best wat kosten. Daarvoor had het rijk een schatkist. Nu is dat niet meer zo...

[ spoorwegen ; privatiseren ; zichzelf zijn ;]

 

2.

Het is met de kunst en de filosofie op een jammerlijke wijze bergafwaarts gegaan. Op het eerste gezicht zou je dat niet zeggen want de filosofische faculteiten op de universiteiten kunnen zich nog steeds in een groot aantal studenten verheugen. Het vak filosofie is zijn stoffige imago kwijtgeraakt en de filosoof geniet zelfs enig aanzien. Het komt zelfs zo nu en dan voor dat zijn advies gevraagd wordt in kwesties van maatschappelijke en ethische aard. En bij bepaalde jongeren biedt de studie en het beoefenen van de filosofie een instrument om de hen omringende wereld begrijpelijk en handelbaar te maken. Gezien in dat licht mag het bevreemding wekken als ik toch volhoud dat de huidige filosofie een regelrechte ramp is. Wat is het geval? De taak van de filosofie is gelegen in het beantwoorden van de vraag. Hoe zit het nu eigenlijk met de werkelijkheid? Object van de overdenkingen van de filosoof is dus de werkelijkheid zelf. Hij probeert er achter te komen hoe zij is. In zoverre klopt het dat er een grote behoefte aan filosofie is, want de moderne wereld is inderdaad uitermate diffuus en verwarrend. Maar in de moderne filosofie stelt men die vraag slechts ogenschijnlijk. Men meent naar de werkelijkheid te vragen maar in feite doet men dat allang niet meer, want door de door onze cultuur bepaalde analytische wijze van denken kan de filosoof slechts naar een wetenschappelijke werkelijkheid vragen. Zijn voorstelling van de werkelijkheid is van een realiteit geworden tot een wetenschappelijke theorie. Daardoor kan hij er niet omheen datje nooit met zekerheid kunt zeggen hoe het nu echt zit met de werkelijkheid: wetenschappelijke kennis is immers per definitie onjuist omdat zij onvermijdelijk voorlopig is. Noodgedwongen gaat de filosoof zich dan maar verdiepen in de uitspraken die zijn collega's van vroeger en nu gedaan hebben. Je kunt daarom met recht zeggen dat de middeleeuwse “Scholastiek” weer in volle glorie terug is.

 

3.

Zelfs als je - niet eens op zulke slechte gronden - veronderstelt dat je nooit het fijne van de werkelijkheid zult kunnen weten, omdat de beschrijving, die je van de werkelijkheid geeft, altijd en per definitie verfijnder kan, is het toch je filosofische opgave uit te zoeken hoe het nu eigenlijk met de werkelijkheid zit. Inderdaad zitje dan voortdurend met het probleem van een “vlietende horizon”, een horizon die steeds naar grotere verten opschuift, maar dat kan nu eenmaal niet anders. Net als in de kunst is er een eeuwig geldend “steeds verder” zodat je je leven lang kunt verwachten dat je gedachten van morgen werkelijk bevredigend zullen zijn, om vervolgens in het beste geval alleen maar bevredigender te blijken!

 

4.     Concurrentie-1 ; Concurrentie-2


Er is inderdaad een tijd geweest dat de algemene mening was dat je de samenleving moest dienen. Zelfs nu nog reppen sommige naďeve politici van "Het hoge ambt waartoe wij geroepen zijn". Natuurlijk is dat tegenwoordig een leugen: geroepen worden politici stellig niet en de hoogte van het ambt wordt heel zakelijk uitgedrukt in termen van geldelijke vergoedingen en voorrechten. De samenleving is er alleen nog maar om aan te verdienen. En als zodanig is zij een prachtig object, want er is absoluut geen concurrentie. Je kunt, zij het in overleg met je collega's, zelf bepalen hoeveel voordeel je er uit wilt trekken. Dat is nog eens goede handel..! De mening dat de samenleving gediend zou moeten worden komt voort uit het collectivistische denken. Voor dat denken is het logisch dat de individuele mens opgaat in het geheel en dat is een dienende functie: het is een “er zijn terwille van iets anders”. Begrijpelijk is dat, met het doorbreken van het individualisme, de kijk op de samenleving verandert en wel voorlopig op zodanige wijze dat de samenleving als zodanig object van uitbuiting wordt.

 

5.

Een aantal moderne academische filosofen heeft de euvele moed gehad niet academisch gekwalificeerde filosofen “dilettanten”, “buitenstaanders” en - dat is het toppunt! - “parafilosofen” te noemen. Die naam verwijst naar de term parapsychologie, welke naam suggereert dat er naast de betrouwbare officiële psychologie ook nog een onbetrouwbare, niet erkende, bestaat. De zaak is duidelijk: volgens deze filosofen is er naast de academische vak filosofie qua filosoferen niets mogelijk! Niet alleen is dit een uitermate hoogmoedig standpunt, maar het is ook nog in strijd met nagenoeg de gehele filosofische traditie, een traditie die er uiteraard niet zomaar is, want hij komt voort uit het wezen van de filosofie dat uitsluitend tot zijn recht kan komen in een volstrekte afzondering van elke denkbare vorm van kennis. Juist door de kennis buiten het denken te houden wordt het dit denken mogelijk autonoom en dus zelfdragend te functioneren.

 

6.

De vraag “hoe zit het met de werkelijkheid” kan alleen maar denkend opgelost worden. Hoewel wetenschappelijk onderzoek ook een zaak van denken is, althans uit denken voortspruit, is dit toch niet bruikbaar voor het filosoferen. Sterker nog, het moet zelfs volstrekt buiten beschouwing gelaten worden! Dat gaat zelfs zover dat de uit dat onderzoek voortgekomen kennis voor de filosoof misleidend is... hem op het verkeerde been zet. Dat zit hem in het feit dat de wetenschappelijk verworven kennis onvermijdelijk voorlopig van aard is. Zelfs als je je filosofie op de allerlaatste informatie zou baseren (hetgeen praktisch onmogelijk is..) heb je  “je huis op zand gebouwd”. Morgen of overmorgen zullen de feiten zeker anders blijken te zijn!

 

7.


De moderne maatschappij wordt almaar meer topzwaar. Er wordt beweerd dat dit gevolg is van het steeds ingewikkelder worden van de maatschappelijke verhoudingen. Die ingewikkeldheid zou uitgebreide voorzieningen vragen om greep op de zaak te houden. Van dat verhaal klopt niets. Dat is te zeggen: de verhoudingen worden wel steeds ingewikkelder en verfijnder, maar de kennis daaromtrent neemt in gelijke mate toe, zodat er toch voldoende mogelijkheden zijn om in te grijpen. Dat dit evenwel niet of steeds minder gebeurt vindt zijn oorzaak niet in die ingewikkeldheid, maar in het feit dat de maatschappij topzwaar aan het worden is. Dat is het geval doordat iedereen er stevig aan wil verdienen en doordat ten gevolge daarvan de voorzieningen steeds duurder worden. De politieke prioriteiten komen meer en meer bij de mogelijkheden voor winst-maken te liggen en steeds minder bij de vraag of het welzijn van de burgers gediend is.

 

8.     Concurrentie-1 ; Concurrentie-2

Doordat de mens als particulier definitief begonnen is zich als individu waar te maken ontstaat er voorlopig een wereld vol van egoďstische en egocentrische mensen. Het enige criterium dat van kracht is, is het begrip IK. Dit leidt ertoe dat de maatschappelijke verhoudingen niet langer bepaald worden door collectivistisch denken met als gevolg daarvan min of meer bewuste gevoelens van solidariteit en daaruit voortkomende, in wezen socialistische, idealen en doelstellingen, maar door pragmatische, op concurrentie gebaseerde, factoren. Zodra het individualisme zich werkelijk door gaat zetten komt er een op winnen gerichte mentaliteit onder de mensen en dat is aanvankelijk een keiharde zaak, maar na verloop van tijd levert die puur egoďstische zaak een netwerk van op zichzelf redelijke en reële onderlinge betrekkingen op. Dat is het geval juist omdat iedereen wil winnen en zich tenslotte ook winnaar voelt. Het zijn precies die zelfbewuste, niet langer ondergeschikte en schuchtere “onderdanen” die op zakelijke wijze tot onderlinge regelingen komen. Regelingen die op voet van gelijkheid overeengekomen zijn, en niet meer van bovenaf opgelegd en van onderaf deemoedig aanvaard. Die nieuwe betrekkingen tussen de mensen zijn kil als de dood, maar in die betrekkingen spelen irrationele factoren als gefrustreerde gevoelens, psychische aandoeningen, instincten en verlangens geen rol meer, zodat langzaam maar zeker allerlei op niets berustende gevoelsmatige en psychische dwaasheden verdwijnen. Vrijwel alle in het maatschappelijk verkeer optredende wrijvingen, botsingen, agressies en geweldaardigheden berusten op een besef van ondergeschiktheid, van minderwaardigheid en onderworpen-zijn. Het bewustzijn alles te boven gekomen te zijn maakt van de individu een waarlijk grootmoedig mens die geen gevaar meer is voor zijn medemensen.

 

9.

De spraakmakende intellectuele goegemeente van vandaag zit nog volop in de collectivistische wereld van voorheen. Als er problemen opgelost moeten worden is men onvermijdelijk bezig die van vroeger op te lossen, precies zoals generaals steevast bezig zijn de vorige oorlog te winnen. De oplossingen die men meent te vinden zijn natuurlijk ondeugdelijk. Zij hebben geen betrekking op de realiteit, maar op een bedachte werkelijkheid, die absoluut onbestaanbaar is en die er dus ook niet is...

Tegelijkertijd doet de individualistisch getinte toekomst zich gelden zodat die fictieve collectivistische wereld meer en meer voorwerp van winst maken wordt. Dat betekent dat de burgers almaar meer verworvenheden moeten afstaan en langzaam maar zeker terugvallen tot de status van “vernederden en vertrapten”. Dit komt dus niet voort uit de ontwikkeling tot individu, met daarbij behorend de behoefte winnaar te zijn, maar het komt voort uit het meedogenloos vasthouden aan collectivistische voorstellingen van de managers, politici en bestuurders. Vanaf het moment dat zij hierin geen heil meer zien en ermee ophouden mensen in garelen te dwingen zal er logischerwijs een streven ontstaan om het individuele welzijn van de mensen mogelijk te maken en te bevorderen.

 

10.


Op het moment dat de mens op de planeet verschijnt hebben de processen in de kosmos hun laatste mogelijkheid gerealiseerd. Dat betekent dat de werkelijkheid tot weten omtrent zichzelf is gekomen. De mens weet dus van zichzelf af en tegelijkertijd weet hij van de gehele werkelijkheid, zonder dat er ook maar iets uitgezonderd is. Dat weten mag overigens niet verward worden met kennen. Het onderscheid tussen deze twee begrippen is dat weten betrekking heeft op de “hoedanigheid” van de werkelijkheid - hoe is zij? - en kennen op de “structuur” ervan - wat is zij? Het weten is de mens onmiddellijk gegeven, maar het kennen is een zaak van ontwikkeling. Het kennen en dus de kennis “ontstaat” in de loop der tijden als het resultaat van ervaring en onderzoek. Maar dat proces staat niet los van het onmiddellijk gegeven weten. Dit laatste is er namelijk de oorzaak van dat de mensen kennis gaan vergaren en dat volstrekt niet achterwege kunnen laten. Waar de mens is, is de honger naar kennis. Dat is dus een gevolg van het feit dat het begrip weten voor de mens van kracht is.

 

11.

De mens is het enige verschijnsel in de gehele kosmos dat absoluut “vrij” is. Dat wil zeggen dat het nergens aan gebonden is, nergens op steunt en nergens in uitloopt. Er is niets “onder” de mens en er is niets “boven” hem. Je zou kunnen zeggen dat hij het enige “vrij-zwevende” verschijnsel is! De verklaring voor deze merkwaardige situatie is gelegen in het feit dat het verschijnsel “mens” het laatste is waartoe het wordingsproces komt. Daardoor hoort de mens er niet meer bij, voor hem heeft dat wordingsproces afgedaan! Omdat er evenwel niets meer op volgt is er voor de mens ook geen toekomst, een doel of een zin waarin alles uitloopt ontbreekt ten enenmale! Deze absolute vrijheid heeft als noodzakelijke consequenties dat het onmogelijk is de mens ergens in onder te brengen, noch hem te dwingen naar een bepaald doel toe te gaan, en dat hij volstrekt onafhankelijk is. Het inlijven in zogenaamde “staten”, het manipuleren om tot het realiseren van een bepaalde “heilstaat” te komen en het afhankelijk maken van de mensen van welke al of niet sociale regeling dan ook, is zonder meer Onmenselijk en dus uit den boze. Elke filosofie waarin de mensen in systemen ingepast worden, in het licht van een bepaald verheven doel gezien worden en als van het een of ander afhankelijk gesteld worden, is zonder meer te verwerpen als zijnde geheel en al ondeugdelijk! Zo is ook van Poppers beroemde The open society and its ennemies te zeggen dat je er filosofisch noch maatschappelijk iets aan hebt al moet toegegeven worden dat het desondanks een interessant werkje blijft, dat in 1945, na de bittere ervaringen met volstrekt “gesloten” autoritaire staten, terecht de aandacht getrokken heeft.

 

12.

persoonlijkheid-1 ; persoonlijkheid-2 ; persoonlijkheid-3 ; persoonlijkheid-4


Op grond van het nergens bij behoren van de mens is elke collectivistische gedachtegang over de mens en zijn toekomst te verwerpen. Clans, groeperingen, partijen en staten zijn verbanden die tijdens de onvermijdelijke onvolwassenheid van de mensheid wel enigszins functioneel zijn, maar die onherroepelijk ten onder zullen gaan. Hetgeen dan ook steeds gebeurt. Denk je na over een toekomstige volwassen mensheid, dan zal je als eerste elke vorm van een collectiviteit buiten beschouwing moeten laten. Je kunt een mensheid nimmer zien als een collectief, maar, in verband met bepaalde gemeenschappelijke belangen en activiteiten kun je wel van een “verzameling” spreken. Het begrip verzameling houdt onder andere in dat de elementen, waaruit die verzameling bestaat, allemaal verschillend zijn, maar met een bepaald oogmerk op grond van bepaalde gemeenschappelijke kenmerken bijeengebracht zijn. Zo is ook de mensheid onder omstandigheden te benaderen. Een dergelijke benadering sluit de individualiteit van de afzonderlijke mensen niet uit, maar laat die daarentegen ten volle gelden: zonder erkenning van die individualiteit is het onmogelijk bepaalde overeenkomsten als criterium voor iets gemeenschappelijks te nemen. Van een collectief is het bovenstaande niet te zeggen. De individuele eigenaardigheden van de mensen worden bij voorbaat al buiten beschouwing gelaten en er wordt slechts een bepaald model of uniform als de maat gesteld. Een ieder heeft zich daarnaar te voegen met volledige verwaarlozing van de eigen persoonlijkheid. Dus : het begrip collectief is, denkende over de volwassen mens, een ondeugdelijk begrip. Het is een begrip dat in bepaalde perioden van de onvolwassen mensheid geldig is en dat volledig aan die onvolwassenheid gebonden is.

persoonlijkheid-1 ; persoonlijkheid-2 ; persoonlijkheid-3 ; persoonlijkheid-4

 

13.

Voor elke mens geldt dat zij of hij de werkelijkheid als van zichzelf weten vertegenwoordigt. Omdat dit het geval is wil elke mens op de een of andere manier en op het een of andere niveau weten hoe het met zijn werkelijkheid zit. Elk mens wil dat zijn voorstelling van de werkelijkheid overeenkomt met dat wat er werkelijk is. Niemand houdt het uit in een waan te leven, althans niet vanaf het moment dat zij of hij zo'n waan is gaan doorzien. Een waan behoort in feite niet bij de mens - allicht niet, want voor de mens geldt weten. In de meest ruime zin van het woord is te zeggen dat elk mens “houvast” nodig heeft. Dat wil zeggen: de zekerheid dat zijn voorstelling klopt. Die behoefte aan houvast is dus niet iets kinderachtigs, zoals zo vaak beweerd wordt, maar iets essentieels. Wat anders is het evenwel wanneer je constateert dat de meeste mensen tot nu toe met de meest idiote dingen als houvast genoegen nemen. Allerlei obscure zaken als godsdiensten, paranormale ervaringen, theosofische en antroposofische fantasieën, maar ook ideologische hersenspinsels, zoals socialisme, communisme en Maoďsme worden zonder al teveel kritiek als juiste voorstelling van de werkelijkheid aanvaard en dus ook als houvast gebruikt. Althans voor een poosje, want veel langer dan één generatie houdt geen enkele ideologie het uit. Wat dat betreft zijn de godsdiensten heel wat efficiënter...

 

14.


Als in een discussie over het individualistische karakter van de mens de filosofische argumenten te onweerlegbaar worden probeert men heel vaak weg te glippen door zo ferm mogelijk naar voren te brengen dat "individualiteit heel wat anders is dan individualisme" en dat het zaak is "er op te letten dat die twee niet door elkaar gehaald worden". Men kan dan bij het aanvaarden van deze bewering zijn instemming betuigen met het gelden van het begrip individualiteit en vervolgens het begrip individualisme met kracht verwerpen. Dat levert dan weer op dat het op eigen belang gerichte gedrag van de mensen op dezelfde “socialistische” gronden afgekeurd kan worden als voorheen. Dat wil dus zeggen: op collectivistische gronden waarin volgens het gebruikelijke denken voldoende argumenten besloten liggen om toch weer zijn hoop te vestigen op socialisme, communisme, Maoďsme en dergelijke valse voorspiegelingen. In feite zijn de bedoelde begrippen in de grond van de zaak helemaal niet verschillend, dat wil zeggen: individualiteit slaat op de identiteit die iemand inmiddels verworven heeft en individualisme slaat op de ontwikkeling die de mensen doormaken om tot een eigen unieke identiteit te komen. Deze ontwikkeling kan er niet afgedacht worden. Individualiteit is niet denkbaar zonder het erbij behorende individualisme. Dat men geneigd is dit laatste te verwerpen is wel begrijpelijk, maar niet juist. Begrijpelijk omdat de aan individualisme meekomende gedragingen nu niet bepaald aangenaam zijn en zeker niet “sociaal” of “solidair” genoemd kunnen worden. Niet juist is het verwerpen van individualisme omdat het ten eerste een noodzakelijke fase in de ontwikkeling van de mensen is en ten tweede omdat het zoals gezegd onlosmakelijk verbonden is met het begrip individualiteit.

 

15.

Over het van alles onafhankelijk zijn van de mens heersen de meest merkwaardige opvattingen. Wel kun je vaststellen dat de mensen doorgaans wel aanvoelen dat de mens onafhankelijk zou moeten zijn. Dat blijkt namelijk uit ieders al of niet verborgen aversie tegen de macht van anderen, het bij vrijwel iedereen voorkomende streven zakelijk en maatschappelijk onafhankelijk te worden en de behoefte aan zekerheid. Op de een of andere manier wil iedereen “eigen baas” zijn. Ook kun je denken aan die godsdienstige fanaten die proberen zich los te maken van het stoffelijke, van de aardse materie, in de hoop samen te gaan vallen met het geestelijke, dat volgens hun niets nodig heeft om te bestaan zodat men op die manier zelfs de ware onafhankelijkheid deelachtig kan worden. Kortom: er is een eeuwige behoefte aan onafhankelijkheid bij de mensen van alle culturen waar te nemen. Opvallend is echter dat men dit tracht te bereiken door te proberen van de behoeften bevrijd te worden. Men wil alles afschaffen! En dat is nu precies verkeerd, ten eerste uiteraard omdat het onbegonnen werk is vanwege het feit dat ieder levend wezen, en dus ook de mens, behoeften heeft. Maar ten tweede omdat onafhankelijkheid niet bereikt kan worden door de behoeften af te schaffen, maar juist door ze te bevredigen, in die zin dat datgene dat de mensen nodig hebben zonder enig probleem en zonder moeite en onvoorwaardelijk ter beschikking staat. Wanneer het benodigde er is, is er geen afhankelijkheid meer. Overigens moet hierbij opgemerkt worden dat het begrip het benodigde een aanmerkelijk grotere inhoud heeft dan alleen maar stoffelijke behoeften. Er zijn namelijk ook juridische, medische, communicatieve en beschuttende behoeften. Dit alles is samen te vatten onder het begrip veiligheid.

 

16.


Er wordt beweerd dat de mens een “kuddedier” is en ook zegt men dat hij eigenlijk alleen maar als een onderdeel van een “massa” gezien kan worden. Het begrip massa is vooral aan het eind van de 19e eeuw en in de eerste decennia van de 20ste in zwang gekomen. Men ging de mensheid als een massa beschouwen, een massa die als een soort van “storm” of “vloed” de cultuur overspoelde en wegvaagde. Men sprak ook over “de veel te velen”. Hoewel toegegeven moet worden dat mensen zich vaak als een kudde en als een massa gedragen, en dus als waren zij tot een soort van eenheid samen gesmeed, is dat toch beslist geen bewijs dat de mensen in een kudde of in een massa opgaan. In feite zijn zij uitsluitend en alleen eenlingen waarvan te zeggen is dat hun incidentele “kuddegedrag” niet verwijst naar iets wezenlijk menselijks, maar naar een, meestal door iets uitwendigs veroorzaakte verstoring van de identiteit oftewel “het ik”. Zo'n verstoring kan gevolg zijn van bepaalde bij een cultuur behorende conditioneringen, zodat hij eigenlijk niet als verstoring ervaren wordt maar als iets normaals. Je kunt dat bijvoorbeeld waarnemen bij militaristisch ingestelde maatschappijen, zoals tot voor kort de Duitse: men gedroeg zich zelfs letterlijk als een “kudde” en vond dat volkomen normaal. Sterker nog, men vond dat het zo hoorde! Maar het komt ook voor dat er tijdelijk een soort van “volkshysterie” heerst. Dan ligt de oorzaak op psychologisch terrein en heeft doorgaans veel met min of meer onbewuste levensangsten te maken.

 

17.   persoonlijkheid-1 ; persoonlijkheid-2 ; persoonlijkheid-3 ; persoonlijkheid-4

Over de mens als eenling is ook nog dit te zeggen: al het gedoe van de mensen berust op de een of andere overweging en op een daaruit voortkomend besluit. Behalve enkele puur biologische functies is er niets dat buiten de procedure van  “overwegen en besluiten” omgaat. Deze menselijke eigenaardigheid berust op het feit dat voor de mens zelfbewustzijn geldt. Dit zelfbewustzijn komt op zijn beurt voort uit het “vrij-zwevend” zijn van het verschijnsel mens, dat immers als laatste mogelijkheid voor de dag komt. Voor de absolute eenling die dat “vrijzwevende” verschijnsel is geldt dus genoemd begrip zelfbewustzijn en dat leidt ertoe dat je moet constateren dat “overwegen en besluiten” onmiddellijk en onverbrekelijk aan de mens als individu gebonden is. Alles wat wij mensen doen komt dus voort uit onze eigen individuele overwegingen en besluiten. En omdat dit strikt aan onze persoon gebonden is, is het volstrekt uitgesloten dat iemand deze procedure van ons overneemt. Maar dat is niet alles. Ook het transformeren van de eigen persoonlijkheid in iets collectiefs is onmogelijk.

 

persoonlijkheid-1 ; persoonlijkheid-2 ; persoonlijkheid-3 ; persoonlijkheid-4

 

18.

Als het gaat over de dieren- en plantenwereld is er geen sprake van “overwegen en besluiten”. Binnen die levende wezens speelt zich een programmatisch vastgelegde procedure af die voor elk levend wezen vanuit de evolutie tot stand gekomen is. Aan zo'n programma, dat zich manifesteert als een complex van instincten en automatismen, valt niet te ontkomen. Er is slechts de mogelijkheid van een langzame, door de omstandigheden gedwongen, aanpassing, maar nooit van een verandering of verbetering in de zin van een eventueel ontwikkelen naar een hoger niveau. Is het programma van een bepaalde diersoort er op ingesteld in een kudde te leven, dan gaan die dieren vanzelf en onvermijdelijk in een kudde leven. Er is geen sprake van dat een dier aan een andere leefwijze de voorkeur geeft. Dieren en planten hebben geen keuze! Maar soms, vooral bij de hogere diersoorten, laten de ingeboren programma's zo een ruimte voor variaties open, dat het lijkt alsof er wel een keuze zou zijn met het erbij behorende overwegen en besluiten. Dit echter is volkomen voorwaardelijk: binnen genoemde ruimte wordt er niet gekozen maar geprobeerd, net zolang tot er iets gelukt. Juist omdat mensen zelf alles overwegen en zelf alles besluiten, en dus aan geen enkel programma getrouwd zijn, kunnen zij ook geen kuddedieren, massamensen of iets dergelijks zijn.

 

19.


Onder de moderne wetenschappen neemt de natuurkunde een aparte plaats in, althans als je de zaak filosofisch beschouwt en daaronder dan ook nog verstaat dat het in de filosofie gaat om de vraag hoe het zit met de werkelijkheid. Je kunt dan met recht stellen dat de natuurkunde de materiële illustratie is bij het verhaal van de filosoof over de hoedanigheid van de werkelijkheid. Het spreekt vanzelf dat de natuurkunde op zichzelf nog veel meer is dan dat, zoals bijvoorbeeld ondergrond voor de technologie, maar nu gaat het om de relatie tussen de filosofie en de natuurkunde. Op de natuurkunde is het begrip illustratie van toepassing omdat zij op de wijze van “kennis” laat zien wat de filosofie bijwijze van “weten” te verhalen heeft. Echter, zoals elke illustratie, heeft ook deze in dit verband een beperking: de illustratie is noodzakelijk gebonden aan het “bepaalde”. Er kan slechts een afbeelding gegeven worden van iets dat “te bepalen” is, iets dus dat vorm, afmeting, plaats of beweging en tijdelijkheid aan zich heeft. Het is dus een zaak van de materie. Je zou kunnen zeggen dat de filosofie het verhaal van het algemene vertelt (immaterieel) en de natuurkunde het verhaal van het bepaalde (materieel). In deze context fungeert het laatste als illustratie van het eerste. Nimmer mag in een filosofisch verhaal dat laatste, dat bepaalde dus, als bewijs of onderbouwing opgevoerd worden. De materie heeft ten aanzien van de werkelijkheid als immateriële zaak geen enkele bewijskracht - wat overigens onverlet laat dat de materie als illustratie bij de filosofie wel degelijk overeenkomstig de bekende en betrouwbare feiten moet zijn. Lukraak gefantaseer is altijd uit den boze...

 

20.

Een waarlijk universeel filosofisch verklaringsprincipe opent niet de mogelijkheid de werkelijkheid op enigerlei wijze te berekenen en op grond daarvan voorspellingen te doen of in processen in te grijpen, maar het opent de mogelijkheid over de werkelijkheid een samenhangende gedachtegang te ontwikkelen. Zo'n gedachtegang speelt zich altijd af binnen de sfeer van een bepaald thema zonder zichzelf ooit vast te leggen, dat wil zeggen: zichzelf van eigen intrinsieke (=inwendige) beweeglijkheid te beroven. Op grond van het thematische en beweeglijke karakter van de filosofische gedachtegang kan daar nimmer een concrete berekening uit voortkomen. En een eventuele voorspelling kan niet anders dan het karakter van een “idee” hebben. Van een streven om de werkelijkheid te overheersen kan derhalve bij de rechtgeaarde filosoof geen sprake zijn. Beleidsadviezen en dergelijke zijn dan ook verwerpelijk en de filosoof onwaardig!

 

21.

Het uitgangspunt voor elke betrouwbare gedachtegang over een thema binnen het geheel van de werkelijkheid ligt noodzakelijk onder het niveau van om het even welk “basaal materieel deeltje”. Op die onderliggende niveaus - er zijn er namelijk meerdere - geldt het begrip samenstelling niet meer, maar wel is er van “energetische systemen” te spreken. In die systemen is een aantal “beweeglijkheden” aaneengegroeid. Op het diepste niveau ligt de door mij zo genoemde “beweeglijkheid”. Je hebt het dan over “iets” waarover absoluut niets te zeggen valt in de zin van een nadere bepaling. Het is een volstrekte onbepaaldheid en nu is het bij het filosoferen de kunst te begrijpen dat er toch wat over die onbepaaldheid gezegd kan worden en wat dat dan is... Daarmee heeft de filosofie de hand gelegd op een absoluut en universeel verklaringsprincipe. Hopelijk is het onnodig hierbij op te merken dat dit uitsluitend een “denkbare” zaak is die op geen enkele wijze proefondervindelijk benaderd kan worden.

 

22.

Overgang-1 ;


Wordt de natuurkundige illustratie een steeds meer gedetailleerde zaak, het filosofische verhaal over hoe de werkelijkheid is wordt almaar meer genuanceerd. Er is een essentieel verschil tussen beide begrippen. Gedetailleerdheid is wat anders dan genuanceerdheid. Het eerste is een kwestie van kwantiteit, maar het tweede van kwaliteit. Dat is gevolg van het feit dat details, onderdelen, naast elkaar staan en strikt van elkaar gescheiden zijn. Zij staan, dankzij de analyse, alle op zichzelf. Als zodanig vormen zij een totaliteit die gaandeweg groter wordt naarmate het onderzoek diepere lagen van de werkelijkheid bloot legt. Maar nuances zijn overgangen binnen het geheel van een zaak en zij hangen samen met het begrip hoedanigheid. Zo is bijvoorbeeld van een schilderij te zeggen dat er allerlei details zijn: afgebeelde voorwerpen, personen of verschillende lijnen, kleuren, penseel- of messtreken, enzovoort. Maar er is ook op te wijzen hoe het een in het ander overgaat zonder dat het een van het ander gescheiden is, precies zoals in het geheel van ons lichaam de verschillende cellen en organen in elkaar overgaan en allemaal met elkaar samenhangen. Je hebt het dan over de kwaliteit en dat is een begrip dat ook voor de filosofie essentieel is.

 

23.

Binnen het kader van de natuurkunde is het detailleren hetzelfde als het analyseren. Die menselijke activiteit blijft beperkt tot het materiële en dat heeft als belangrijkste consequentie dat er een eindpunt aan deze zaak zit, namelijk daar waar de verschijnselen niet verder geanalyseerd kunnen worden. Men stuit dan op een “basaal materieel deeltje” met daarnaast materieel aantoonbare energetische fenomenen die op gewijzigde “toestanden” van genoemd deeltje berusten. Een diepere analyse is niet mogelijk - let wel: ik heb het uitdrukkelijk over analyse. Dit begrip is alleen maar van toepassing op datgene dat uit elkaar te halen is. Haal je dat dan uit elkaar, dan kom je tenslotte uit op zulke niet verder splitsbare, bijna ongrijpbare, deeltjes. Het is niet denkbaar dat je zo'n deeltje op zichzelf te pakken zult kunnen krijgen. Noodzakelijk zal het altijd in een combinatie met iets anders optreden, in laatste instantie in combinatie met het instrument waarmee de natuurkundig onderzoeker aan het werk is. Het is immers altijd die combinatie van deeltje en instrument die voor de onderzoeker een “waarneming” oplevert. Eveneens is het onvermijdelijk dat de waarnemingen zullen leiden tot de ontdekking dat er een paar verschillende basale materiële deeltjes bestaan. Er zijn namelijk meerdere “basale combinaties” mogelijk. En nu is het zo dat een en ander ertoe leidt dat er in de (natuurkundige) wetenschap geen “Universeel verklaringsprincipe” gevonden kan worden. Volgens de moderne natuurkundigen en vooral ook de hedendaagse filosofen is het onzin om te proberen de werkelijkheid uit één enkelvoudig principe te verklaren of van daaruit te beschrijven. Een dergelijk pogen zou typerend zijn voor de filosofische “buitenstaanders” die goedbedoelend mee zouden willen praten met de gekwalificeerde vak filosofen. Het verwerpen echter van de idee van een “Universeel verklaringsprincipe” zegt voornamelijk iets over die vak filosofen zelve, namelijk dat zij in feite helemaal niet filosofisch bezig zijn, maar eigenlijk een soort van primitieve theoretische natuurkunde beoefenen: natuurkunde met een filosofisch sfeertje...

 

24.


Als je veronderstelt dat er een paar verschillende basale materiële deeltjes bestaan kun je er niet onderuit te moeten toegeven dat die deeltjes alsnog samengesteld zijn. Verschillen berusten immers op de aanwezigheid van iets bij het een en de afwezigheid daarvan bij het ander. Dat is alleen bij samenstellingen mogelijk. De natuurkundige kan met zijn onderzoek niet verder komen dan het aantonen van enkele verschillende basale materiële deeltjes. Ik denk op grond van een bepaalde redenering dat het er drie zullen zijn, maar in dit verband doet dat er eigenlijk niets toe. In ieder geval is het uitgesloten dat er bij het natuurkundig onderzoek één universeel basaal deeltje gevonden zal worden. Wil men in de natuurkunde tot een universeel principe komen van waaruit de gehele verschijnselenwereld te verklaren is, dan zal dit een in zichzelf samengesteld principe blijken te zijn. Het zal op zijn minst uit de drie door mij genoemde deeltjes bestaan. Zo'n samengesteld principe kan uiteraard best fungeren als de grondslag voor een zogenaamde “Alomvattende theorie”, waarnaar tegenwoordig naarstig gezocht wordt. Zo hanteren de moderne natuurkundigen begrippen als simplexiteit en compliciteit waaruit ook blijkt dat er gezocht wordt naar een “eenvoudig” begin van de werkelijkheid.

Overgang-1 ;

 

25.

Sommigen beweren dat de individualistische mens - door mij de individu genoemd - er geen behoefte aan zal hebben zijn relatie met de andere individuen te regelen. Dat zou dan zo zijn omdat “de individu” uitsluitend op zichzelf gericht zou zijn en lak zou hebben aan zijn medemensen. Daartegenover wordt dan gesteld dat de socialist - en bedoeld wordt de politieke socialist, de sociaal democraat of de communist - wel grote waarde hecht aan zijn omgang met de anderen en dat dit voor hem zo is omdat hij de gemeenschap, het geheel, de samenleving boven zichzelf als enkeling zou stellen. Men vindt ook dat het geheel, de gemeenschap of de samenleving een vanuit dat geheel opgezette innerlijke organisatie van node heeft om te kunnen bestaan en zich te kunnen handhaven. Dat allemaal is je reinste onzin!

Een geheel, of dat nu een samenleving is of een biologisch lichaam, is absoluut ondenkbaar zonder de daaraan ten grondslag liggende zelforganisatie. Dat heeft als consequentie dat de mensen terwille van het geheel dat de samenleving is geen onderlinge betrekkingen behoeven te regelen. Let wel, ik zeg terwille van het geheel! De zelf organiserende mens heeft wat dit betreft geen enkele boodschap aan het hogere geheel van de samenleving. Niet dat hij haar “dus” van geen belang acht, maar hij weet dat de samenleving er automatisch is als de onderlinge betrekkingen tussen de individuen in orde zijn. Juist door het bevorderen en verzorgen van die relaties omwille van die relaties zelf laat de verzameling mensen, de mensheid, zich vanzelf als een geheel gelden. Niemand loopt zich derhalve voor de “samenleving” of de “staat” of zijn “vaderland” en dergelijken uit te sloven en zich daarmee, zoals tot nu toe bijna altijd het geval is, een aureool van onbaatzuchtigheid en opofferingsgezindheid aan te meten. Ook is er niemand die, uiteraard ook weer vanuit buitengewoon nobele motieven, vaststelt en verordonneert hoe de onderlinge betrekkingen tussen de individuen in het licht van het geheel moeten zijn. Dat is onder andere helaas een fout bij Hegel, want die vond nu juist dat er wel uitgedacht en vastgesteld moest worden hoe die betrekkingen zouden moeten zijn. De vertegenwoordiger van dit morele stelsel zou dan de autocratische vorst moeten zijn. En onze vriend Kant wist aan te bevelen:

"Dwing ze (!) om in te gaan". Op een dergelijke manier gedacht is het nauwelijks een probleem een toekomstige “goede” wereld, een variant op Het Koninkrijk Gods, te ontwerpen: je werkt alles wat je onaangenaam voorkomt weg door het van hogerhand te verbieden, al of niet op vriendelijke of gewelddadige wijze. Inderdaad, “dwing ze... “. Maar zo werkt het niet bij in principe vrije mensen.

 

26.


De individu is uitermate gebrand op een goede verstandhouding met zijn medemensen. Ten eerste beseft en weet hij (dat betekent bij mij altijd en onvoorwaardelijk ook “zij”, jv) dat hij recht moet laten wedervaren aan het feit dat de ander zonder meer ook bestaansrecht heeft, en ten tweede weet en beseft hij dat de wederkerigheid van individualistische relaties er borg voor staat dat hij zelf onvoorwaardelijk geaccepteerd wordt. Overigens : dit laatste betekent niet dat men elkaar “lief” gaat lopen vinden omdat op de een of andere manier het christelijke "Hebt elkander lief" tot gelding zou moeten komen. Juist het incidenteel elkaar uit de weg gaan omdat men niet zo erg goed met elkaar op kan schieten is een manifestatie van zonder meer elkaars aanwezigheid erkennen ! In een alsnog onvolwassen wereld gaat men elkaar niet uit de weg: mensen die niet met elkaar overweg kunnen laten elkaar zelden met rust; zij zoeken elkaar voortdurend op en proberen steeds elkaar een hak te zetten.

Het onvoorwaardelijk erkennen van de aanwezigheid van de ander is in feite het voor de individu gelden van het begrip socialisme. De volwassen mens - en dat is dus de uitgewikkelde individu - is de waarlijke socialist! En alleen al in dat “onvoorwaardelijk erkennen” ligt besloten dat er met zorg omgegaan wordt met elkaars onderlinge relaties. Vanuit politiek socialisme is zoiets volstrekt onmogelijk, hetgeen dan ook steeds weer gebleken is, onder andere tijdens de 1e wereldoorlog toen de socialistische “broeders” elkaar zonder schroom en enthousiast op de slagvelden te lijf gingen.

 

28.

Socialisme dat zich bemoeit met de relaties tussen de mensen en dat dit doet omdat men van mening is dat “het geheel” gediend moet worden, is volstrekt géén socialisme maar staatsterrorisme. Onvermijdelijk is dat terrorisme vanwege een bepaalde élite, die, hoewel er doorgaans iets anders gezegd wordt, uitsluitend op eigen macht uit is. Er is geen enkel argument te vinden op grond waarvan een dergelijke tirannieke bemoeizucht gerechtvaardigd kan worden. De filosofen wisten het allang, maar gelukkig heeft intussen ook de praktijk uitgewezen dat zoiets na enige tijd spaak moet lopen. Maar gebleken is ook dat de naweeën langdurig en verschrikkelijk zijn. In de Oostbloklanden en in de Sovjet-Unie was het hele maatschappelijke leven doordrenkt van enerzijds de perversiteit van de overheidscontrole en anderzijds van de perversiteit van de spionage van de mensen onderling. Men hield elkaar “verticaal” en “horizontaal” voortdurend in de gaten, belasterde elkaar en zag er niet tegenop zijn medemens aan afschuwelijk wrede instanties uit te leveren...De mening dat de bevordering en verzorging van de onderlinge relaties in “het socialisme” het beste gediend zouden zijn is een foute mening. In een dergelijk socialisme gaat het er alleen maar om dat de macht van de staat gevestigd, versterkt en gehandhaafd wordt. Zoals gezegd, is dat de macht van een bepaalde bovenlaag, die bijna als regel westers geschoold is. Noch de verticale relaties, noch de horizontale, worden gediend en in feite komt er van samenleven niets terecht. Van socialisme natuurlijk al helemaal niet!

 

29.

Verdraagzaamheid-1 ; onverdraagzaam-2 ;

Regelmatig probeert men u ervan te overtuigen dat mensen als Lenin en Mao tse Toeng het beste met de samenleving voorhadden. Het is niet onmogelijk dat dit qua idealisme het geval is, hoewel hun voortdurende hunkering naar macht en het daarbij behorende stiekeme gedoe zich niet goed laten rijmen met de goedmoedigheid, de verdraagzaamheid en de oprechtheid die aan mensen met werkelijk goede bedoelingen eigen is. Afgezien hiervan echter is te stellen dat de strekking van die “goede bedoelingen” steevast neerkomt op een van bovenaf opleggen van morele en maatschappelijke codes. En daarmee is aan de verhoudingen binnen een werkelijke samenleving geweld aangedaan. Dat dit onvermijdelijk het geval is dringt nooit tot die “goede bedoelers” door. Allicht, want goede bedoelingen moeten in stand gehouden worden en dus moet datgene dat eraan in de weg staat buitengesloten worden. Op grond daarvan is het toch beter om geen vertrouwen in die “grote leiders” te stellen.

Verdraagzaamheid-1 ; onverdraagzaam-2 ;

 

30


Wetenschappers beweren dat hun proefnemingen tot objectief  begrip van de werkelijkheid leiden. Die objectiviteit wordt ontleend aan het feit dat anderen dezelfde proeven na kunnen doen zodat te zeggen is dat de wetenschappelijke feiten ongeacht de onderzoeker waar blijven. Deze bewering nu is volstrekt Onwaar! Ten eerste zijn geen twee overeenkomstige proeven precies aan elkaar gelijk. Zij danken hun fundamentele ongelijkheid aan het voortdurend anders zijn van de omstandigheden, die weliswaar zo goed mogelijk geëlimineerd worden, maar  nooit helemaal ongedaan kunnen worden gemaakt. Ten tweede, uiteraard daarmee samenhangend, is het altijd “de mens” die aan de werkelijkheid doormiddel van proeven vragen stelt. Maar de ene mens is de andere niet en bijgevolg is er altijd enig verschil tussen de gestelde vragen. Iedere onderzoeker ontwerpt een variatie op een gebruikelijke procedure van onderzoek. Hij doet dat, als het goed is, zo getrouw mogelijk, maar hij ontkomt er niet aan dat hij allerlei zaken, bijvoorbeeld zijn meetapparatuur, bij moet stellen en ijken. Bovendien zijn er ook geen twee instrumenten aan elkaar gelijk.

Er is nog een belangrijke factor die een rol speelt bij het wetenschappelijk onderzoek, namelijk de culturele factor. In elke cultuur heeft men een bepaalde voorstelling van de werkelijkheid en die wordt bepaald door de thema's die in zo'n cultuur aan de orde moeten komen. Staat bijvoorbeeld in een cultuur een bepaalde godsdienst centraal met de daarbij behorende mythe over de schepping van het heelal, dan is het uitgesloten dat er officieel en gedegen onderzoek naar het ontstaan van de aarde gedaan kan worden. Is in een cultuur het mannelijke denken dominant, zoals dat bijvoorbeeld in de Islam en in het Roomse christendom het geval is, dan is elk gefilosofeer over en onderzoek naar de eigenlijke betekenis van de vrouw al bij voorbaat onmogelijk. Zo is het in onze cultuur bijna niet te doen om onderzoek van de grond te krijgen over zaken die zich niet onmiddellijk berekenen laten. Niet “kwantificeerbare” zaken worden bij voorbaat al als “speculaties” afgedaan. Door het van tevoren bepalen wat er wel en wat er niet voor wetenschappelijk onderzoek in aanmerking mag komen, door van tevoren vast te stellen wat “onzin” is en wat niet, blijven veel geheimen van de werkelijkheid voor de moderne mens verborgen. Tragisch en ook wel komisch is het dat juist die moderne mens van zichzelf vindt dat hij bijzonder openstaat voor de werkelijkheid en haar geheimen. In feite echter geldt dat alleen maar voor die gebieden die waardig worden geacht onderzocht te worden. De wetenschappers zouden er goed aan doen wat meer aandacht aan deze feiten te schenken en er zinvolle conclusies uit te trekken.

 

31.


Hoezeer sommige oud-socialisten ook verbolgen zijn over het feit dat het in de huidige maatschappij aan solidariteit ontbreekt en dat de sociale voorzieningen de een na de ander afgebroken worden, en hoezeer die oud-socialisten ook gelijk hebben wat de feiten aangaat, toch is het zo dat nergens ter wereld het besef dat het individu onvoorwaardelijk recht heeft op veiligheid zo diep in het zelfbewustzijn van de mensen is doorgedrongen als in de westerse wereld. Al wemelt het van de al of niet bewuste aantastingen van dat recht en al gebeuren er bij herhaling allerlei gruwelijke misdaden, het zijn en blijven altijd incidenten die door vrijwel iedereen hartgrondig afgekeurd worden. Daarom wordt er ook zoveel over gesproken! In de rest van de wereld zijn de mensen zelfs nog niet eens aan zo'n afkeuring toe. Daarentegen trekken diegenen die in de westerse traditie staan al geruime tijd niet meer in twijfel dat elk mens recht heeft op veiligheid. Dat wil zeggen dat hij onderdak heeft, apparatuur, kleding en voedsel, juridische en medische bescherming tegen zichzelf en anderen en dat er reisverbindingen en communicatie met de rest van de wereld zijn. Bovendien moet er vrije toegang zijn tot alle mogelijke informatie. Deze basisvoorzieningen maken het de mensen mogelijk zich in alle opzichten te ontplooien.

Uiteraard wordt er met deze zaak regelmatig en op allerlei manieren de hand gelicht, maar men weet en geeft toe dat dit eigenlijk niet te pas komt.

 

32.

De mensen van de westerse cultuur zijn bepaald geen lieverdjes, integendeel! Juist door hun culturele ontwikkeling tot individu, die immers met de mens als particulier begint, is het al egoďsme en egocentriciteit wat de klok slaat. Je kunt er dus van op aan dat er zo veel en zo efficiënt mogelijk geplunderd wordt terwijl allerlei al of niet verhulde vormen van imperialisme en kolonialisme veelvuldig voorkomen. Het gaat dus niet aan de westerse cultuur en haar volgelingen te idealiseren, want nimmer is het moorden, stelen en tiranniseren zo effectief toegepast. Maar ondanks dit alles is het een onloochenbaar feit dat de westerse cultuur tegelijkertijd een opvatting over de individuele mens heeft ontwikkeld die verre die van andere oude en nieuwe culturen overtreft. Ook dat is een gevolg van genoemde culturele ontwikkeling tot individu. Men gaat namelijk steeds meer inzien dat men naast zichzelf als “ik” noodzakelijk “de ander” aantreft en dat uiteindelijk niemand uit de voeten kan als niet beiden, zowel “ik” als “de ander” tenvolle en onvoorwaardelijk tot hun recht kunnen komen.

 

33.     persoonlijkheid-1 ; persoonlijkheid-2 ; persoonlijkheid-3 ; persoonlijkheid-4

In tegenstelling tot wat gewoonlijk gedacht wordt loopt de ontwikkeling tot individu niet uit in absoluut egoďsme, maar in een individueel ontwikkelde persoonlijkheid (“de individu”) die ongehinderd samenvalt met de ultieme, voor de kosmos geldende, verhoudingen. Daarin komt alles tezamen in een in zichzelf volledig samenhangend geheel dat zich in en voor de individuele mens realiseert. Juist omdat in en voor die individuele mens, “jij” en “ik”, die alomvattende zaak zelfbewust is geworden kan er een onvoorwaardelijk bestaansrecht voor elke mens gaan gelden. Probeer je een humane wereld te ontwerpen op grond van de een of andere collectivistische formule zoals bijna alle ideologisch ingestelde mensen willen, dan kom je nooit op een onvoorwaardelijk bestaansrecht uit. Steeds zal blijken dat men aan van tevoren en van buitenaf bepaalde normen en criteria moet beantwoorden, normen die bij het collectief behoren en daar bepalend voor zijn, maar die onmogelijk de individuele persoonlijkheid tot zijn recht kunnen laten komen.

 

persoonlijkheid-1 ; persoonlijkheid-2 ; persoonlijkheid-3 ; persoonlijkheid-4

 

34.


De veelgehoorde bewering dat de mensheid indertijd godsdienstig begonnen zou zijn is volstrekt onjuist. De zogenaamd primitieve mensen uit de dagen van de grijze oudheid waren nog niet in staat iets oppermachtigs buiten en boven de reële werkelijkheid te plaatsen. Dat is te begrijpen als je bedenken kunt dat zij geen scheiding aanbrachten binnen het geheel van de werkelijkheid. Voor hen was die werkelijkheid nog een “moederlijke” zaak: alle verschijnselen, levend of niet levend, kwamen voort uit de alles omvattende baarmoeder van een “Grote Moeder”, de “Magna Mater”. Als de mensen uit die dagen tot de ontdekking kwamen dat er machten waren die de hunne verre te boven gingen - en dat was natuurlijk voortdurend het geval - dan zagen ze die machten niet als iets uitwendigs, dat van buitenaf op de wereld inwerkte, maar als iets binnen de wereld van de “Grote Moeder”. Zo'n macht kon de mensen daardoor niet tot dienstbaarheid dwingen. Hij behoorde er immers tenvolle bij, hij maakte deel uit van het leven van de mensen, die er op de een of andere manier zelf in uitliepen. Het zogenaamd goddelijke gold als een soort van einddoel van een weg die ieder mens tijdens zijn leven ter loutering aflegde. Als zodanig stond het goddelijke niet buiten en boven de mens, maar was deel van zijn leven. Dit sluit godsdienstigheid volstrekt uit. Maar het is wel de verklaring voor het feit dat men bepaalde verhoudingen in en van de kosmos beschreef met behulp van gefantaseerde goddelijke mensen en hun gedragingen. Vooral de Griekse Mythologie is daarvan een goed voorbeeld.

 

35.

Als je veronderstelt dat de mensen om te beginnen godsdienstig waren heb je niet begrepen dat godsdienst analyse vooronderstelt, enerzijds, en anderzijds het zelfbewuste besef dat het zaak is de eigen voorstelling van de werkelijkheid te toetsen op juistheid. Dat is overigens wat anders dan toetsen op waarheid. Je kunt ook zeggen dat godsdienst niet denkbaar en mogelijk is zonder de behoefte aan kennis. Het is nu precies het onvermijdelijke zoeken van de mens naar een juiste voorstelling van de werkelijkheid dat hem zijn toevlucht doet nemen tot een occulte verklaring van de vele mysterieuze fenomenen die zich in de kosmos voordoen. Zo'n occulte verklaring heeft de pretentie op juiste kennis te berusten en dus onweerlegbaar te zijn. Je moet er geloof aan hechten, of je wilt of niet. Wie zich afkeert van onmiskenbaar juiste kennis is achterlijk en zelfs een gevaar voor de samenleving en de moraal. Waar veel te weinig aandacht aan wordt geschonken door de denkers is het feit dat men in elke godsdienst verwoed probeert de mensen ervan te overtuigen dat het godsdienstige verhaal een juist verhaal is, ja zelfs dat het wetenschappelijk bewézen is. En op grond daarvan ben je wel verplicht er “geloof “ aan te hechten. Je moet wel aannemen dat een en ander juist is. Bij het verwerven van kennis behoort het begrip juistheid en aan het gelden van dat begrip wordt voldaan door de verschijnselen op analytische wijze te onderzoeken. De analyse, de kennis en de criteria voor juistheid, dat alles behoort bij elkaar en deze cluster van begrippen geldt tenvolle voor de godsdienst. Dat staat natuurlijk los van het feit dat de binnen een godsdienst als juist voorgestelde kennis volslagen onjuist is. Rest echter alleen nog de vraag waarom men in de wetenschap steeds verder gaat met onderzoek en het op juistheid toetsen van de kennis, terwijl men in de godsdienst noodzakelijk vasthoudt aan eenmaal geformuleerde waandenkbeelden, waarvan men tot vervelens toe blijft beweren dat het juiste kennis is.

 

36.

Bladwijzer: Brein ; De Verlichting-1, De Verlichting-2, De Verlichting-3, De Verlichting-4, De Verlichting-5 ; Overtuiging-1 ; Overtuiging-2 ; Overtuiging-3 ;

Vooral sinds de Verlichting aan het eind van de 18e eeuw zijn de mensen zich in het denken gaan oefenen. Men was tot de overtuiging gekomen dat het denken op de een of andere manier de wereld en de mensheid zou redden, voornamelijk door de via het denken geschapen mogelijkheid betrouwbare voorspellingen over het verloop van onder andere maatschappelijke processen te doen. Die voorspellingen zouden het op hun beurt dan weer mogelijk maken effectief in te grijpen in de gang van zaken. Wat men heel goed in de gaten had was dat het denken onnavolgbaar en grillig is als er geen regels voor gelden en dat het voor de denkende mens zaak is zich op een bepaald onderwerp te concentreren. Doet hij dat niet, dan leidt het denken nergens toe. Er werd dan ook een systeem van onderwijs bedacht waarin de leerlingen zich konden oefenen in het concentreren en het naleven van de regels voor het denken.


Tegenwoordig kun je vaststellen dat dat systeem vruchten afgeworpen heeft: de wetenschap en de technologie hebben een enorme vlucht genomen en de voorraad aan betrouwbare kennis is inmiddels onvoorstelbaar...Toch is er iets merkwaardigs! Je kunt je namelijk afvragen waarom er aan het denken gesleuteld moet worden. Het denken, in de zin van actief scheiden van het een en het ander, is een werking van de werkelijkheid als zelfbewustzijn. Dat zelfbewustzijn is het sluitstuk van het wordingsproces in de kosmos en je zou het een “volmaakte” zaak kunnen noemen, juist omdat het met dat proces niet verder kan. De wording is klaar en er gaat letterlijk niets bovenuit! Toch is de moderne westerse mens tot de ontdekking gekomen dat zijn denken in toom gehouden moet worden, in die zin dat het volgens bepaalde regels moet functioneren en dat er voor de betrouwbaarheid ervan een aantal criteria geldt die streng gehandhaafd moeten worden. Deze eigenaardigheid van het denken, namelijk dat het noodzakelijk is er paal en perk aan te stellen, heeft betrekking op het feit dat het denken als scheidende activiteit zich richt op de werkelijkheid als voorstelling zoals die op voor hem kenmerkende wijze in de mens aanwezig is. Die voorstelling is namelijk, hoewel als abstract verschijnsel in het menselijk brein aanwezig, op zichzelf concreet en bepaald. Het is steeds “deze” voorstelling die “van mij” is. Er is geen ruimte voor “een andere” voorstelling en bijgevolg ook niet voor een voorstelling van “een ander”. Dus: hij is zoals hij (op een zeker moment) is en zo is hij..! Gaat het derhalve over het denken - ik bedoel dit in de alledaagse betekenis - dan hebben we te doen met een vastleggend proces en in zoverre is van het denken te zeggen dat het  “tegennatuurlijk” is, in feite  “cultureel”. Omdat het denken vast moet leggen moet het gereglementeerd worden of, anders gezegd: omdat het denken bij de mens een zelfbewuste zaak is geworden moet het voldoen aan de criteria die voor de werkelijkheid als zelfbewustzijn, dus in feite de voorstelling, gelden. Van nature legt het denken niet vast. Het onderscheidt het een van het ander binnen de werkelijkheid als bewustzijn. Omdat binnen die werkelijkheid alles met alles samenhangt “springt” dat onderscheiden, dat denken, dan ook “van de hak op de tak”. Het is grillig, onvoorspelbaar en van zich uit niet vast te houden.

Bladwijzer: Brein ; De Verlichting-1, De Verlichting-2, De Verlichting-3, De Verlichting-4, De Verlichting-5 ; Overtuiging-1 ; Overtuiging-2 ; Overtuiging-3 ;

 

37.

Voor diegenen die voor hun levensbeschouwing afhankelijk zijn van een door de wetenschap geboden houvast zijn de ideeën van Paul Feyerabend een gruwel. Je kunt er rustig van uitgaan dat er heel wat van dergelijke intellectuelen zijn, mensen die menen dat een wetenschappelijke opleiding een gedegen garantie biedt voor juiste voorstellingen en standpunten. Het behoeft niet te verwonderen dat vrijwel de gehele intellectuele goegemeente diep geschokt was toen zij geconfronteerd werd met FeyerabendsAgainst Method”. Slechte lezers als intellectuelen nu eenmaal onvermijdelijk zijn, kwamen zij onmiddellijk tot de conclusie dat Feyerabend probeerde wetenschappelijke methodes af te schaffen en aan te tonen dat je maar wat aan kunt rotzooien en dat dit altijd goed was. Anarchistische wetenschapsbeoefening dus, zonder regels, zonder criteria en vooral: zonder verantwoording af te leggen voor het zogenaamde “forum der wetenschap”, zo beweerde men verontwaardigd. Een typisch staaltje van intellectuele geborneerdheid. . !


Feyerabend heeft namelijk nooit beweerd datje zonder een methode onderzoek kunt plegen of theorieën opstellen. Van “rotzooien” of “ins Blaue hinein” fantaseren was bij hem geen sprake. Alleen al zijn publicaties bewijzen dat er streng, gewetensvol en getrouw geredeneerd moet worden. Maar wat hij wel hartstochtelijk heeft afgewezen is het arrogante standpunt dat er maar één strikt aan regels gebonden wetenschappelijke methode zou zijn. Hij heeft terecht steeds volgehouden dat elke methode goed is en wat daarbij uiteraard door bedoelde intellectuelen over het hoofd wordt gezien is dit dat hij het wel nadrukkelijk over een methode heeft. Hij was er dus niet op uit de mensen ervan te overtuigen dat methodes maar beter afgeschaft konden worden, maar hij probeerde duidelijk te maken dat methodes niet bij voorbaat en onder dwang vastgelegd en voorgeschreven kunnen worden.

 

38.

Het is natuurlijk een feit dat vastgelegde en voorgeschreven methodes al bij voorbaat nieuwe wegen afsluiten. Omgekeerd blijkt steeds weer dat diegenen die zich op nieuwe en onbekende wegen hebben begeven zonder mankeren de bestaande methodes aan de laars gelapt hebben, daartoe, zoals te begrijpen is, gedwongen door het nieuwe en onverwachte dat zich aan hen voordeed. Dat is een algemeen bekend feit dat zich heel gemakkelijk controleren laat, maar toch willen bedoelde intellectuelen er niets van weten. Iedere keer worden zij kwaad als zij op de een of andere manier met het afwijkende te maken krijgen. Dat verschijnsel is gemakkelijk te verklaren: de intellectueel is de wetenschappelijk ontwikkelde mens voor wie de wetenschap functioneert als een godsdienst met alle dogma's van dien en uiteraard met zijn rustgevend houvast. Noch de dogma's, noch het houvast kunnen door zo'n intellectueel straffeloos losgelaten worden. Ik bedoel dat hij dat nooit vanuit zichzelf, op eigen initiatief dus, zal doen. Hij doet het uiteraard wel als de officieel gevestigde wetenschap daar aanleiding toe geeft. Nieuwe, door haar aanvaarde en verkondigde standpunten en zienswijzen worden natuurlijk wel en zonder dralen overgenomen. Dat laatste is voor de intellectueel van levensbelang : hij moet immers steeds up-to-date zijn! Daar is hij nu juist een intellectueel voor... Maar vanaf het moment dat hij zich nieuwe kennis verworven heeft geldt die kennis weer als dogma en houvast.

 

39.

We noemen sommige mensen geniaal. Dat is natuurlijk onzin, want zo'n kwalificatie wekt de suggestie dat er een apart soort mensen zou bestaan dat op de een of andere manier met een extra intelligente dimensie begiftigd zou zijn.

In feite is er met die mensen iets anders aan de hand, en wel deze eigenaardigheid dat zij niet in staat en bereid zijn hun denken bij voorbaat te reglementeren en zodoende in het keurslijf van een bepaalde methode te wringen. Hun denken is in eerste instantie natuurlijk en grillig gebleven.

Dat leidt ertoe dat zij voortdurend openstaan voor invallen en fantasieën. Zij reageren daarop niet door ze onverwijld uit het hoofd te zetten, maar door ze nader te beschouwen en er uitvoerig en onbevreesd over na te denken. Daarbij is ook dat “secundaire” nadenken in principe onbelemmerd, het mag alle kanten opgaan. En nu komt het merkwaardige: juist doordat het denken vrij is zich willekeurig te bewegen krijgt het na enige tijd vanzelf vorm en voegt het zich naar verhoudingen die voor de werkelijkheid zelve gelden, zonder door onze denker van tevoren en op grond van gebruikelijke kennis en theorieën vastgesteld te zijn. Criteria, normen en causaliteiten gaan vanzelf hun rol spelen en leiden er tenslotte toe dat de ontstane “mengelmoes” van ideeën toegankelijk wordt voor een zo getrouw en consequent mogelijke beoordeling. Vaak zal blijken dat de zaak niet houdbaar is, vanzelf in het denken zijn onmogelijkheid openbaart of bij toetsing aan de praktijk aanvankelijk verborgen fouten aan het licht brengt. Maar, het is bepaald niet uitgesloten dat er iets te voorschijn komt dat op enigerlei wijze een stapje vooruit is. Diegenen echter die als brave ambtenaren gehoorzaam op de voorgeschreven paden blijven door hun denken bij voorbaat al te reglementeren zullen nooit op eigen kracht een stapje verder komen, maar daarentegen altijd aangewezen zijn op door anderen boven water gehaalde nieuwe kennis. Deze ambtenaren zijn de intellectuelen, zij zijn de ambtenaren van het genie..!

 

40.

De Verlichting-1, De Verlichting-2, De Verlichting-3, De Verlichting-4, De Verlichting-5

Sinds de Verlichting moet de moderne mens niets hebben van het grillige en fantasierijke vrije denken. Zelfs zogeheten “vrijdenkers” hebben doorgaans de grootste moeite waardering voor dat creatieve vrije denken op te brengen. Het is voor hen ook niet zo aantrekkelijk: je loopt voortdurend het risico je houvast te verliezen. En dat houvast is voor de meesten heel belangrijk, omdat de wetenschappelijke voorstelling van de werkelijkheid die van de godsdienst heeft vervangen! De wetenschap functioneert dan ook op precies dezelfde wijze als voordien de godsdienst: een op zichzelf “heilig” stelsel dat nimmer in twijfel mag w orden getrokken.

De Verlichting-1, De Verlichting-2, De Verlichting-3, De Verlichting-4, De Verlichting-5

 

41.

Het is opvallend dat de doorsnee intellectueel niet kan lezen. Terwijl hij bij het lezen van een tekst de woorden in zich opneemt is hij al bezig ze aan zijn voorstelling te toetsen. Valt die toetsing verkeerd, dan is verder mee- en doordenken uitgesloten. Valt die toetsing echter goed, dan zijn de gevolgen nog treuriger: er wordt onmiddellijk en onvermijdelijk een eigen “exegese” aan gegeven, dat wil zeggen, een volkomen in het eigen straatje passende uitleg. In beide gevallen is er van het lezen en ter overdenking in zich opnemen van eens andermans gedachten niets terecht  gekomen! De verklaring van dit toch eigenlijk onverwachte fenomeen is gelegen in het feit dat de intellectueel slechts bestaat bij de gratie van een onverbiddelijk vastgehouden voorstelling van de werkelijkheid. Een voorstelling die voor hem volstrekt maatgevend is omdat hij op de wetenschap berust. Zo kun je de gemiddelde intellectueel als voorbeeld nemen van een mens die het slachtoffer is geworden van de dogmatiserende werking van de wetenschap. Ten gevolge van dit dogma leest hij alleen maar wat hij wil lezen en het is dan ook dit gelezene dat hij eventueel aan- of bijvalt. Zijn kritiek richt zich zelden op datgene dat er werkelijk staat.

 

42.


Het kennistheoretische criterium dat alle wetenschappelijke kennis gecontroleerd moet kunnen worden en op grond daarvan bevestigd of bestreden is wel juist, maar het is dat alleen maar voor een bepaalde wetenschappelijke kring. Voor diegenen die niet met het betreffende specialisme vertrouwd zijn en uiteraard voor al diegenen die een mindere of helemaal geen academische opleiding gevolgd hebben is controle volstrekt onmogelijk. Er blijft voor hen niets anders over dan te vertrouwen in de integriteit van de wetenschappers. Op grond van dat vertrouwen kunnen zij hoogstens aannemen dat de door wetenschappers gedane beweringen juist zijn. Omdat het wetenschappelijk onderzoek steeds voortgaat ligt het volledig in de rede dat het gros van de mensen hun vertrouwen aan de wetenschap en haar beoefenaren schenken. Juist het zichzelf corrigerende vermogen van de wetenschap staat garant voor een zo groot mogelijke betrouwbaarheid. Stel je daar tegenover de beweringen die men vanuit de godsdienst doet, dan valt niet te ontkennen dat je ook hierbij aangewezen bent op het stellen van vertrouwen en op het aannemen dat iets juist is. Ook hierin heb je geen keuze. Maar de voor de godsdienst essentiële eis van het onaantastbaar zijn van de absolute waarheid, die eeuwig en onveranderlijk is, leidt ertoe dat je volstrekt géén vertrouwen in theologische uitspraken kunt stellen. En omdat een dergelijk vertrouwen misplaatst is is het zonder meer dom om aan te nemen dat godsdiensten met juiste uitspraken kunnen komen. Omdat het echter in beide gevallen in principe om de begrippen vertrouwen en aannemen gaat kun je in de praktijk van het dagelijkse leven steeds geconfronteerd worden met het als een dogma functioneren van beide. In het geval van de godsdienst zou ik dan de slachtoffers “geestelijken” willen noemen en in het geval van de wetenschap noem ik ze “intellectuelen”.

 

43.

De werkelijkheid die niet als voorstelling maar als beeld in ons aanwezig is laat zich voortdurend ervaren als datgene watje aan de voorstelling ondergaat, wat je eraan beleeft, wat je eraan ontroert en zo meer. Maar ook wat je eraan opvalt. Al deze dingen laten zich via de voorstelling gelden. Zo hangt bijvoorbeeld niemand het een of andere plaatje op aan zijn kamerwand als het alleen maar om de voorstelling van dat plaatje zou gaan. Aan de voorstelling op zich is niets te beleven! Men hangt zo'n plaatje op voorzover er juist wel iets aan te beleven valt. Het is nu juist dat “beleven” dat onmiskenbaar verwijst naar de werkelijkheid als beeld. Het is te begrijpen dat de mensen van tegenwoordig bijna volslagen onkunstzinnig zijn geworden. Zij moeten namelijk niets hebben van die ongrijpbare, ondefinieerbare en niet vast te leggen werkelijkheid als beeld. Zij kunnen daarmee niet uit de voeten, weten er in het geheel geen raad mee. Ook van de filosofie komt niets terecht. Zij immers houdt zich ook met dat “beeld” bezig. Zij probeert een logische beschrijving te geven van die “werkelijkheid achter de dingen”, die er overigens helemaal niet “achter” ligt, maar die het wezen van de dingen is. Kant zocht naar “das Ding an sich”, het ding op zichzelf, en hij kwam tot de conclusie dat je dat niet zou kunnen achterhalen. Het enige wat je volgens hem zou kunnen doen was het denken zo zuiver mogelijk te systematiseren opdat onze ervaring van dat “ding” zo betrouwbaar mogelijk zijn zou. Het denken van Kant is de grondslag voor de huidige filosofie geworden en eigenlijk zelfs van het gehele zogenaamd exacte denken.

 

44.

De filosofie behoort tot de kunsten en volstrekt niet tot de wetenschappen. Het denken over de filosofie kan een wetenschap zijn, zoals in feite zo ongeveer alles object van wetenschap kan zijn. Maar de filosofie zelf is een kunst. Dat komt doordat zij zich bezig houdt met de werkelijkheid als beeld, waarvan zij een logische beschrijving en een zo genuanceerd mogelijke uiteenzetting geeft.

Alle kunsten houden zich, ieder op eigen specifieke wijze, bezig met de werkelijkheid als beeld. Het universele van de kunsten (inclusief de filosofie!) is die gerichtheid op het beeld. Dat is immers een werkelijkheid die in een ieder aanwezig is en die bovendien voor een ieder dezelfde is. De voorstelling echter is bij een ieder anders zodat die nooit een universeel karakter kan hebben. Over het karakter van de voorstelling kunnen de mensen het bij gelegenheid hoogstens “eens” zijn, zelfs kunnen zij na overleg met elkaar tot overeenstemming komen, zoals dat bijvoorbeeld bij wetenschappers het geval is.

 

45.


Nog steeds gaat de wereld gebukt onder een groot aantal conflicten die de mensen met de wapenen uitvechten. Over veel van die conflicten hoor je nauwelijks iets omdat het voor de pers en de internationale organisaties niet interessant is. Maar, er zijn toch altijd wel organisaties en individuele deskundigen die inlichtingen kunnen verstrekken. Vraagje daarnaar dan blijkt dat de bedoelde conflicten bijna steeds met het begrip oorlog benoemd worden, maar daar in feite nauwelijks mee te maken hebben. Natuurlijk, er sneuvelen mensen door toedoen van gewapende mannen en soms wordt er ook zwaar oorlogstuig gebruikt zoals kanonnen en tanks, een enkele maal zelfs technisch geavanceerde vliegtuigen. Ook kun je constateren dat er bevelsstructuren zijn waarbij men gebruik maakt van de bekende benamingen zoals die sinds onheuglijke tijden aan de verschillende rangen gegeven worden. Zo zijn daar korporaals, sergeanten, luitenants enzovoort. Deze en nog wat andere zaken echter brengen ons gemakkelijk op een dwaalspoor als het erom gaat een oordeel te vormen over de hedendaagse gevechten van de mensen. Het begrip oorlog heeft in de loop der tijden een bepaalde inhoud gekregen, voornamelijk naar aanleiding van de vele in de westerse wereld gevoerde oorlogen. Het is zelfs zover gekomen dat er bepaalde regels zijn opgesteld waaraan de oorlogvoerenden zich hebben te houden en na de tweede wereldoorlog is men er zelfs toe overgegaan bepaalde militairen en politici te berechten en schuldig te verklaren aan misdaden tegen de mensheid en de menselijkheid. Alsof bepaalde vormen van “burgerlijk recht” ook geldig zouden zijn onder de abnormale omstandigheden van een oorlog waarin als regel juist het normale, algemeen aanvaarde “burgerlijke recht” goeddeels buiten werking gesteld wordt. Niet alleen echter dat er bepaalde regels zijn opgesteld, er is ook een definitie van oorlog op tafel gekomen, en die komt in grote trekken hierop neer dat er sprake moet zijn van “legers” met een bevelsstructuur en dat er uitsluitend door die legers gevochten wordt. De burgers moeten letterlijk “buiten schot” gehouden worden evenals trouwens geneeskundige diensten en kampen voor krijgsgevangenen. Zo zijn er nog meer criteria op te noemen die echter alle betrekking hebben op grote organisaties die volgens van tevoren opgestelde regels tewerk gaan en die optreden op gezag van statelijke overheden en hun hoogste vertegenwoordigers. Dit begrip oorlog is echter volstrekt niet van toepassing op de strijd die wij tegenwoordig in zo ongeveer alle windstreken aantreffen. Deze strijd kent geen reglementen en andere criteria en hij wordt bijna steeds door betrekkelijk kleine groepen, slechts van een persoonlijke bewapening voorziene, mannen gevoerd. En de activiteiten van deze mannen worden niet door staatsinstituties bevolen en gerechtvaardigd, maar door “warlords” die op eigen gezag tekeer gaan.

Desnoods hebben die “warlords” wel een groter doel voor ogen, zoals een eigen staat voor een bepaalde etnische groep, maar hun optreden is geheel op eigen gezag. Verder valt op dat grotere doelen, indien aanwezig, nauw samenhangen met de behoefte aan een eigen identiteit die uiteraard onmiddellijk inhoudt dat er altijd  “anderen” zijn die uitgeroeid moeten worden of tenminste verdreven. De eigen identiteit sluit die van anderen volledig uit, precies zoals de mens als “ik” in principe slechts gedefinieerd kan worden door “niet-ik” buiten te sluiten en te ontkennen. De mensen kunnen qua ontwikkeling niet om deze zaak heen. Het conflict tussen “ik” en  “niet-ik” is niet te vermijden, maar het is tegelijkertijd een feit dat de tegenwoordig steeds optredende gewelddadigheid wel degelijk vermeden kan worden. Dat is te zeggen: als dat grote moorden eenmaal begonnen is ontkomt men er zelden aan, maar het behoeft er niet noodzakelijk aan mee te komen. Doorgaans zijn het misdadige geestdrijvers die zich als leiders opwerpen en de mensen tot bloeddorstig fanatisme opzwepen. Een fanatisme dat bijna steeds met godsdienstige waanvoorstellingen gepaard gaat. Dat alles maakt het onverantwoord om zonder nadere toelichting over een oorlog te spreken.

 

46


In feite hebben we bij de hedendaagse gewelddadige conflicten te maken met losgebroken moordlust die zich ongebreideld uitleeft. Doordat die moordlust zich bij die conflicten overal voordoet hebben de al of niet toevallig erbij betrokken mensen geen enkele keuze: zij zijn gedwongen zo goed mogelijk lijf, goederen en verwanten te redden, bijna steeds door hun aanvallers met hetzelfde geweld tegemoet te treden. Gemoedelijkheid, vredelievendheid en al helemaal geen redelijkheid baten, niets biedt enige kans behalve evengroot of groter geweld. Omdat zij geen keus hebben is dat die mensen niet kwalijk te nemen.

Anderzijds, zelfs al zouden zij min of meer gelaten hun eigen dood aanvaarden, bijvoorbeeld vanuit pacifistische overwegingen, dan nog kunnen zij geen vrede hebben met de gruwelijke dood van hun verwanten. Er is geen ontkomen aan, behalve, als men geluk heeft, een haastige vlucht...

 

47.

Het westerse pacifisme is een uitgesproken luxe aangelegenheid. Er gebeurt in de westerse wereld nauwelijks iets dat pacifisme tot een farce maakt, zeker niet op het gebied van oorlog. En als er wel van een oorlog gesproken kan worden is er altijd nog de mogelijkheid van een al of niet door de overheid toegestane en geregelde weigering om mee te doen. Zelfs de zogenaamde totaalweigeraars lopen nauwelijks enig ernstig risico en, naar het schijnt, was dat zelfs zo in de Duitse Wehrmacht ten tijde van het nazisme. Voorzover mij bekend zijn er althans geen doodvonnissen op grond van weigeringen uitgevoerd. Onder die omstandigheden is pacifisme, hoewel een luxe, alleszins prijzenswaardig, voor velen een voorbeeld en een serieuze waarschuwing in de richting van de overheid, maar niet méér dan dat. Het is immers een standpunt dat eigenlijk en oorspronkelijk een reactie is op de, zelfs - hoe absurd! - min of meer gereglementeerde, traditionele oorlog zoals die overigens voor het westen stellig tot het verleden behoort. Ten aanzien echter van de, op basis van primitief particulier individualisme, losgebroken moordlust en de daarmee samengaande psychische ontreddering heeft het gebruikelijke pacifisme geen enkele reële betekenis, sterker nog: het is zelfs uitgesproken naďef te noemen. Je bent natuurlijk moreel en zelfs filosofisch verplicht om het pacifisme als idee te handhaven - je kunt niet voor moorden en verkrachten zijn! - maar dat betekent niets als je tegenover een dolgedraaide moordenaarsbende komt te staan. Je zult dan toch vroeg of laat, ondanks je pacifisme, van je afmoeten gaan slaan. Als rechtvaardiging is er één onweerlegbaar en doorslaggevend argument: het door anderen begonnen geweld dat een aantasting is van leven en goed van op zichzelf vredelievende medemensen moet gestopt worden. Tenslotte is het nog altijd zo dat die vredelievende mensen de werkelijkheid niet verbreken terwijl de gewelddadigen en de moordenaars dat wel doen. Deze laatsten zijn inderdaad “niet goed bij het hoofd” en dat kan van die vredelievende mensen, althans wat dit betreft, niet gezegd worden. Hun tegengeweld, dat uiteraard een laatste optie is, is gerechtvaardigd door het feit dat het een poging is de misdaad, het verbreken te stoppen.

 

48.


Voorzover er in de moderne wereld het eerlijke streven is de militairen in te zetten om de misdaad te stoppen kun je van een onmiskenbare “stap voorwaarts” spreken. Was het militaire bedrijf er vroeger op gericht doormiddel van noodzakelijk dodelijk geweld politieke doelen te bereiken en was met het oog daarop het feitelijke militaire handwerk dat van de moordenaar, thans begint het er naar uit te zien dat het beletten van de misdaad de doelstelling wordt. Filosofisch en ethisch gezien zit hier een houdbare kaart in: misdaad is de daad van het verbreken van de samenhang en dat is welbeschouwd het ergste waartoe een mens komen kan. Het is het ergste omdat het een essentie van de “volmaakte”, want menselijke, werkelijkheid ontkent, namelijk de voor het zelfbewustzijn van de mens geldig geworden samenhang, en tegelijkertijd omdat het de mens qua aanleg gegeven is de werkelijkheid niet te verbreken. Het feit dat er hier van een wezenlijke keuze gesproken moet worden en het dus altijd mogelijk is de misdaad achterwege te laten maakt het verbreken van de samenhang tot de ultieme misdaad.

 

49

Je moet denken in termen van het beletten van de misdaad want anders ontstaat er een verkeerde voorstelling van zaken. Het beletten houdt namelijk in dat er al wel van misdaad gesproken kan worden. Deze staat op het punt van gepleegd te worden en er is kennelijk al een ernstig conflict gegroeid. Het feit echter dat dit het geval is duidt erop dat wij nog steeds met een Onvolwassen mensheid van doen hebben, een mensheid waarin de onderlinge botsingen nog uit kunnen groeien tot werkelijk levensgevaarlijke conflicten waarbij er reeds naar de wapenen gegrepen wordt. In een onvolwassen wereld kom je, als je geluk hebt, niet verder dan het nog juist op tijd beletten van de misdaad. Het is daarentegen de volwassen mensen gegeven conflicten te voorkomen. Dat wil niet zeggen dat er dan geen botsingen meer zijn, maar het wil zeggen dat de mensen mentaal zover gevorderd zijn dat zij hun “oplossend vermogen” effectief hebben leren gebruiken. Over dat “oplossend vermogen” is nog heel wat te zeggen, maar in ieder geval speelt de aanwezigheid en het vrij ter beschikking staan van informatie, benevens een effectieve communicatie een cruciale rol. Merk op dat ik begrippen als redelijkheid, tolerantie en zomeer in dit verband niet hanteer!

 

50.


Het begrip redelijkheid, met daaraan gekoppeld de bereidheid om tolerant te zijn, is welbeschouwd een relatief begrip. Dat wil zeggen dat het een begrip is dat onder bepaalde voorwaarden bestaat kan, maar dat geen universele geldigheid bezit. Dat moetje aldus verstaan dat het niet de zaak dient waaraan het toegeschreven wordt, in dit geval het individu, maar een zaak die betrekking heeft op de aanwezigheid van iets of iemand anders en de relatie daarvan tot bedoelde individu. Het is een uitvinding van de “verlichte” mens die aan zichzelf en anderen de eis stelt zich niet tenvolle en geheel naar eigen aard te laten gelden en zodoende een deel van zichzelf in de relatie met de ander buiten beschouwing te laten. Redelijkheid is dus niet denkbaar zonder een soort van hogere instantie, een boven de persoon uitgaande norm die het belang van de relatie dient, maar niet het individu. Dat geldt ook als die relatie niet een andere persoon betreft, maar iets anders, de waarheid of de ideologie bijvoorbeeld. Denk je hier op door, dan kom je tot de onafwendbare conclusie dat de rede, tolerantie, redelijkheid en wat er verder nog als de maat gesteld wordt op de onvrijheid van de onvolwassen mens berusten. Voor de volwassen mens moeten noodzakelijk andere begrippen gelden. Natuurlijk kan ook die volwassen mens niet om het feit heen dat  “de ander” er ook is. Sterker nog: juist die volwassen mens laat “de ander” geheel en al tot zijn recht komen. Maar onder die omstandigheden wordt zijn relatie tot die ander niet gekenmerkt door een wederzijds “geven en nemen”. Doordat men wederzijds de kwaliteit van elkaars leven optimaliseert is er in elke relatie een in elkaar overgaan van beider levens. Dit houdt niet in dat een ieder iets van zichzelf uitschakelt, noch dat de een zich in de ander “verliest”, zoals dat in bepaalde idealistische filosofieën zo fraai heet, maar het houdt in dat binnen de context van zo'n relatie beider persoonlijkheden tijdelijk in elkaars licht komen te staan. Dat is wat je “de ontmoeting” zou kunnen noemen en de wederzijdse invloed, die van zo'n ontmoeting uitgaat, verrijkt het leven van ieder der betrokkenen en dit staat in schril contrast met “geven en nemen” waarbij beiden wezenlijk aan elkaar tekort komen. Met allerlei criteria, normen en tactische procedures, zoals die tezamen de gebruikelijke inhoud van het begrip levenskunst vormen heeft dit alles absoluut niets te maken. Rede, redelijkheid, tolerantie, omgangsvormen en zulke zaken zijn nu onzin geworden, van buitenafgeregelde beweeglijkheid van het leven die in wezen niet anders dan frusterend kan zijn.

 

51.

Het “optimaliseren” van elkaars leven betekent alleen maar dat de een nalaat het wezen en het zich manifesteren van de ander hoe dan ook te belemmeren. Je kunt niet het wezen en het zich manifesteren, het er-zijn, van de ander verbeteren of veranderen. Toch lijkt het alsof je dat wel kunt: in een wereld waarin niemand de ander met rust laat en niemand zichzelf met rust laat blijft een ieder ellendig ver onder zijn niveau. Gelukt het je nu die wederzijdse bemoeizucht, dat elkaar voortdurend belemmeren en hinderen, op te heffen, dan is het resultaat een mens die, vergeleken bij voordien, “veranderd” en “verbeterd” is. In feite echter is hij zichzelf geworden. Dat berust dus niet op het aan iemand toevoegen van kwaliteiten, maar op het opheffen van belemmeringen. Een relatie kan zodanig van aard zijn dat dit opheffen functioneert en in dat geval spreek je van het  “optimaliseren van elkaars leven”. Daarvoor behoef je dus niets te doen, maar moet je iets laten..!

 

52.


Als het goed is - maar tegenwoordig komt dat zelden voor - geeft de filosofie er blijk van dat het gaat om de beschrijving van de werkelijkheid als beeld. Zo'n beschrijving heeft een verhalend karakter, hetgeen wil zeggen dat alles voortdurend in elkaar overgaat, in overeenstemming met het genuanceerde (niet gedetailleerde) karakter van het beeld. Met metafysica heeft dit niets te maken. Het is namelijk met die metafysica zo dat het gaat om een denken dat boven het fysische uitgaat. Dus boven de stoffelijke dingen. Volgens de, inmiddels al weer niet meer zo erg moderne “positivisten” is een dergelijk denken zinloos omdat door het ontbreken van elke mogelijkheid van controle alle beweringen speculaties moeten blijven. Zelfs gaan die positivisten zover dat zij ongeacht welke metafysische uitspraak voor onwaar, onjuist en bedrieglijk houden. Zij zien er dan ook niet tegenop de gehele vroegere filosofie, en uiteraard speciaal die van Hegel (!), bij het afval te gooien en hun eigen, volgens hen nauwkeurig controleerbare gedachten tot ultieme waarheid te verheffen. Nu moet toegegeven worden dat er in de filosofie heel wat bij elkaar gefantaseerd is, meestal door het te pas en te onpas opvoeren van een “Deus ex Machina”, een “duveltje uit een doosje”. Dat wil zeggen: een grootheid die niet vanuit een voorgaande consistente gedachtegang afgeleid kan worden. Iets dus wat letterlijk “uit de lucht gegrepen is”. De positivisten hebben er goed aan gedaan menige onzinnige uitspraak van metafysici bloot te leggen en aan de kaak te stellen. Maar, in hun ijver de filosofie, “op te schonen” hebben zij bij herhaling de een of andere voortreffelijke, desnoods niet zo erg goed onderbouwde, uitspraak belachelijk gemaakt, zozeer zelfs dat nauwelijks nog een filosoof hem dorst herhalen, laat staan onderschrijven en verdedigen. Er zijn namelijk nogal wat filosofische uitspraken die eigenlijk uitstekend gegrond zijn, maar waarvan de argumentatie nu eenmaal niet voldoet aan de tegenwoordig geaccepteerde criteria. Het moderne, op de analyse gestoelde, denken keurt zo' n gedachtegang en de daarbij gebruikte argumenten niet goed.

 

53.

De bij het analytische denken gehanteerde criteria zijn kwantificeerbaarheid, herhaalbaarheid en voorspelbaarheid. Dat betekent achtereenvolgens dat een bepaalde bewering in getallen, of althans in eenheden van waarde, uitgedrukt moet kunnen worden, welke getallen of waarden als factoren in een formule invoerbaar zijn; voorts betekent het dat een ieder die de beschikking heeft over de betreffende gegevens het onderzoek of de proef of het proces kan herhalen teneinde de juistheid te toetsen en tenslotte moet de zaak de mogelijkheid inhouden om betrouwbare voorspellingen te doen. Deze, en nog enkele andere criteria zijn volkomen terecht als het over de moderne wetenschap gaat. Het object van die wetenschap is de werkelijkheid als voorstelling zoals die in het zelfbewustzijn voorhanden is. Binnen het kader van die voorstelling zijn alle verhoudingen, ook als ze op bewegingen berusten, vastgelegd. Zij beantwoorden aan formules. Dat is het geval omdat zij op relaties tussen materiële samenstellingen berusten. Omdat in die relaties het beweeglijk-zijn van de “primaire materie” wordt opgeheven (ook als er toch nog beweging overblijft) zijn zij - hoewel met moeite - berekenbaar.

 

54.

In de metafysica worden uitspraken gedaan over een werkelijkheid die het stoffelijke te boven gaat, althans: men beweert dat dit het geval is en dat zo'n werkelijkheid inderdaad zou bestaan. Dat evenwel is niet het geval. Er bestaat geen “hogere onstoffelijkheid”. Doordat men bij het denken over een dergelijke, zogenaamd boven de materie uitgaande, werkelijkheid geworteld blijft in het voor de materie geldende analytische denken doet men uitspraken die een sfeer van wetenschappelijkheid aan zich hebben, maar die in feite volkomen irreëel zijn. De theologie en een goed deel van de ouderwetse filosofie zijn er voorbeelden van. Echter: veel filosofische uitspraken worden, vooral sinds het optreden van de positivisten, “metafysisch” genoemd zonder dat dit terecht is. Hierdoor evenwel wordt veel waardevols overboord gezet, hetgeen nog eens een extra dimensie geeft aan de armoede van de moderne filosofie. Het gaat in de filosofie over de werkelijkheid als beeld en dat is een niet- kwantificeerbare, niet- herhaalbare en niet- voorspellende werkelijkheid. Deze wordt gekenmerkt door zogezegd “de oer-beweeglijkheid van de werkelijkheid” Uitspraken hierover zijn bij herhaling gedaan in de loop der tijden, maar zoals gezegd zijn zij meestal onder de rubriek van de metafysica gerangschikt, met als gevolg dat men er thans niets van moet hebben...

Je kunt echt filosofische uitspraken niet toetsen volgens de voor het wetenschappelijke denken geldende criteria. Degene die van zulke uitspraken kennis neemt toetst ze door ze als uitgangspunt van een gedachtegang te nemen en vervolgens te zien of je nergens vastloopt en of de samenhang met alle andere thema's ongestoord gehandhaafd blijft. Het weefsel dat de werkelijkheid als beeld is mag tijdens genoemde gedachtegang nimmer doorbroken worden. Dat is de toetsing die voor het filosofische denken geldt.

 

55.


Denken volgens de zogenaamde “dialectische methode”, zoals bijvoorbeeld Marx en zijn socialistische epigonen dachten te beoefenen, is volslagen Onmogelijk! Misschien gelukt het een behoorlijke these te formuleren, maar het mislukt onvermijdelijk daar een antithese tegenover te stellen. De verklaring hiervoor is zo eenvoudig dat hij gewoonlijk over het hoofd gezien wordt: tegenover een bepaalde these is al het overig denkbare op te voeren als antithese. Deze kan zonder voorbehoud van alles zijn en dat is het geval omdat voor de antithese geldt dat hij de ontkenning van de these is. Niet-de-these is natuurlijk alles behalve de these! Je kunt dus ten tonele voeren watje maar invalt en belieft en dat is dan ook precies hetgeen Marx en zijn kornuiten, benevens allerlei domme navolgers van Hegel gedaan hebben. Zij begrepen niet dat Hegel destijds met zijn “Dialectiek” geen methode voor het denken aanbeval, maar slechts een beschrijving gaf van de werkzaamheid van het denken. Het denken flitst heen en weer, is wezenlijk onvoorspelbaar en leent zich nimmer voor reproductie.

 

56.

Een heleboel mensen klinkt het nog steeds als muziek in de oren als de kapitalist tegenover de proletariër gesteld wordt en het wordt zelfs hemelse muziek als deze tegenstelling ook nog inhoudt dat de kapitalist tot de “slechteriken” gerekend wordt en de vernederde en vertrapte proletariër tot de “goeden”. O, wat voelen al die tobbers, die al zo lang geleden de boot gemist hebben, wat voelen die zich daarbij groeien! En als ze de kans krijgen boven zichzelf uit te stijgen, wat zie je dan? Zie je dan die nobele proletariër die zich duidelijk en onmiskenbaar als een “goede” laat gelden? Neen, je ziet een klein achterbaks, burgerlijk en benepen tirannetje met een verschrikkelijk besef van minderwaardigheid. Een hebberige egoďst die nu plotseling voor zichzelf, en alleen maar voor zichzelf, alles opeist wat volgens zijn benepen besef eens aan de kapitalist toebehoorde. Volgens hem heeft een kapitalist gouden kranen in zijn badkamer, drie of liever nog vier peperdure automobielen, een tot in details doorgevoerde voorkeursbehandeling, enzovoort. Daarenboven kan de kapitalist vrijelijk over leven en dood van anderen beschikken, liegen en bedriegen dat het een aard heeft en de wet naar hartelust verkrachten. Aldus ziet de proletariër in het diepst van zijn hart zijn aartsvijand, de kapitalist.

Zo ziet hij dus zijn eigen antithese, althans dat wat volgens zijn mislukte Hegeliaanse denken zijn tegenstelling zou moeten zijn. Maar duidelijk is dat hij slechts zijn eigen frustraties als de maat gesteld heeft. Het is niet voor niets dat inmiddels gebleken is dat alle vroegere marxistische machthebbers aan dat patroon voldoen! Zij vormen geen jammerlijke uitzonderingen die hun eigen idealen verraden hebben, maar zij laten ten voeten uit zien hoe hun denken over zichzelf en de mensheid wezenlijk is: benepen, armoedig, achterdochtig, jaloers en tiranniek. Precies het denken van een karakterloze afgunstige onderkruiper...Zijn dit harde woorden? Inderdaad, dat zijn het, maar het wordt ook hoog tijd dat het gros van de denkers eens in gaat zien dat de figuur van de gemiddelde proletariër niets anders is dan de mens als slaaf. Komt deze mens gaandeweg “hogerop”, dan is hij nog altijd typisch een hogerop geklommen slaaf, met alle waanvoorstellingen over de meester die de slaaf noodzakelijkerwijs eigen zijn.

 

57.


Op het moment dat de proletariër inziet dat hij beslist geen slaaf is, maar precies dezelfde mens als zijn tegenstander gewaande kapitalist, gaat hij beginnen aan zichzelf als individualist. Zelfs zijn aanvankelijk onvermijdelijke particuliere zelfverwerkelijking heeft ondanks alles hoegenaamd niets van het armoedige en benepene van de vroegere “verliezer”, die volgens mij door Nietzsche getypeerd is als de Untermensch.

 

58.

Het zegt veel over het moderne, schoolse, denken dat de Übermensch van Nietzsche geduid wordt als een “hogere” mens die op de een of andere manier van een beter ras zou zijn. Wat het zegt is dat de moderne mens meer nog dan ooit in termen van hoger en lager denkt. Dat verklaart waarom de Übermensch van Nietzsche geassocieerd wordt met een lid van het Herrenvolk. Als je echter goed leest wat onze vriend in Also sprach Zarathustra geschreven heeft, bemerk je dat hij het over de zelfstandige vrije mens had, de volwassene die niets boven zich heeft, maar ook niets onder zich. Hij had het over de individualist in de goede zin van het woord, vandaar dat deze sprak van "Mijn leeuwin wijsheid". Deze volwassen mens vertoont niets van het slaafse, armoedige en benepene van de verliezer, de “Untermensch”. Met al of niet inferieure rassen en volkeren, en dus met Nazisme, heeft dit alles niets te maken, maar de hedendaagse intellectueel, die immers niet lezen kan, heeft dat ervan gemaakt.

 

59.

Het Russische volk verkeert op het ogenblik in de diepste ellende. Niet alleen dat er een nagenoeg volledig gebrek aan infrastructuur is, met als gevolg een schrijnende armoede en verwaarlozing, maar ook dat er overal groepen misdadigers hun slag gaan slaan. De misdaad tiert welig en, zoals steeds, gaat dat ten koste van de bevolking. Nu kun je je afvragen hoe het zit met dat Rusland. Gewoonlijk wordt zo'n vraag in historische zin begrepen: "hoe is het met Rusland zover gekomen7" Als antwoord op die vraag krijg je dan een opsomming van de opeenvolgende gebeurtenissen die in een zo goed mogelijk onderling verband gepresenteerd worden. Het is het verhaal van de historici en dat kan een informatief verhaal zijn, vooral voor diegenen die slecht of helemaal niet op de hoogte zijn van de toestand in, in dit geval, Rusland. Maar, in feite is elk historisch verhaal, hoezeer bij gelegenheid ook informatief, een kaal, oppervlakkig en armoedig verhaal. Je weet er niet echt iets aan omdat het je niet duidelijk wordt waarom er nu net gebeurt wat er gebeurt. Er mag dan van een causaal verband gesproken kunnen worden, maar het bedrieglijke daarvan is altijd dat de betreffende gebeurtenissen ook anders hadden kunnen zijn en ons toch achteraf de indruk geven ten opzichte van elkaar in “causaal verband” te staan. In bijna alle gevallen zijn de historische “causaliteiten” interpretaties achteraf. Het is dan net of het zo had moeten zijn en niet anders gekund had, maar in feite is dat gezichtsbedrog. Bijna steeds had het wel anders gekund en vaak was er zelfs te spreken van een mogelijkheid tot het maken van een keuze.

 

60.


Ook als het over Rusland gaat draait de zaak niet zozeer om de vraag hoe is het gekomen ? alswel om de vraag wat is er nu wezenlijk aan de hand? Het antwoord op deze laatste vraag maakt de interpretatie achteraf van het historische causale verband wel degelijk uitermate plausibel, een interpretatie die zonder die achtergrond van begrip noodzakelijk een speculatie blijven moest. Een juist begrip van de zaak is bovendien buitengewoon nuttig om de vervelende gewoonte van westers geschoolde denkers, om je voortdurend met tegenvoorbeelden dwars te zitten, te neutraliseren. Als je namelijk het ene voorbeeld geeft, komen zij met een tegenvoorbeeld, waarbij het hen volstrekt ontgaat dat de achtergrond van het ten voorbeeld gestelde in het ene geval essentieel verschilt van die van het andere geval. Zeg je bijvoorbeeld dat de Russische mens op een bijzondere manier met de aarde en de grond verbonden is, dan noemt men prompt en enthousiast een aantal gevallen waaruit zou moeten blijken dat het met de westerse mens net zo gesteld is. Dat de westerse mens cultureel hemelsbreed verschilt van de Russische, die onder andere juist daardoor een ander besef omtrent de aarde heeft, wordt niet ingezien. Men gaat af op het uiterlijke en interpreteert er vrijelijk op los. Wat betreft Rusland gaat het er dus nu niet om hoe het zo gekomen is en ook niet wat er op het ogenblik qua gebeurtenissen gaande is, maar wat er cultureel en menselijk aan de hand is.

 

61.

Op het ogenblik worden alle processen in de Russische mensheid gedreven door de zich openbarende en realiserende individualiteit van de Russische mens. Deze mens heeft altijd al op intuďtieve wijze blijk gegeven van een geheel eigen en unieke aanleg. Die aanleg is te benoemen met het begrip universele volwassenheid en een tweetal opvallende kenmerken daarvan zijn de psychische warmte en het diepe besef van gemeenschappelijkheid. Deze kenmerken hangen samen met het feit dat de volwassen mens voorbij de analyse is geraakt en in het teken van het geheel is komen te staan. Dat wil niet zeggen dat de analyse afgeschaft zou zijn en helemaal niet meer beoefend zou worden, hetgeen een einde zou maken aan elke wetenschappelijke ontwikkeling, maar het wil zeggen dat de analyse niet langer de zaak is waar alles om draait en waarvan alles verwacht wordt. De analyse is aspect van het leven geworden en niet langer de maat van alle dingen.

 

62.

Bij het zich waarmaken van de individualiteit van de Russische, of wellicht Slavische, mens komt voor de dag dat zijn specifieke culturele geaardheid is dat hij de aanleg heeft tot volwassenheid te komen. Anders gezegd: zijn aanleg is het volwassen-worden. Dat is wat anders dan wanneer je zegt dat de Russische mens "in aanleg volwassen is". In dit geval zeg je namelijk iets overbodigs, want elk mens, van welke cultuur dan ook, heeft de aanleg om volwassen te worden of te zijn. Het volwassen-zijn gaat aan niemand voorbij. Maar waarom het bij de Russische mens gaat is dat hij het laatste station van de culturele menselijke ontwikkeling is. Daarin gaat de “totaliteit” over in het “geheel”, oftewel - in termen van mijn gedachtegang over “De Grote Vierslag” - is daarin de eenheid van socialisme (jij en ik zijn onvoorwaardelijk aanwezig) en communisme (wij zijn met zijn allen) een feit geworden. Je kunt dus ook zeggen dat het realiseren van genoemde eenheid het thema van de Russische cultuur is. De volwassen mens evenwel realiseert die eenheid niet, maar is die eenheid, om daaraan vervolgens een reële inhoud te geven.

 

63.

Aan de laatste culturele fase komen de volgende, in hoofdzaak psychische, eigenaardigheden mee:

1  er is een diepgewortelde, intuďtieve, haat tegen waarden, waardigheden, gewichtigheid, en tegen élites, overheden en dergelijken.


2  er is een intuďtieve voorliefde voor ongehoorzaamheid, gepaard gaande met individuele zelfstandigheid en een afkeer van machten en machthebbers. Bovendien is er te spreken van een wezenlijke ongeschiktheid voor deelname aan collectieven (wat schijnbaar door het in 1917 tot stand komen van de Sovjet-Unie weersproken wordt!).

3  er is een warm medeleven met de medemensen en een grote ruimhartigheid wat betreft het morele doen en laten van die medemens. Groot mededogen is er met de ongelukkigen die moreel mislukt zijn, zoals misdadigers.

4  er is een sterk ontwikkeld gemeenschapsgevoel dat bij nadere beschouwing niet blijkt terug te grijpen op het een of andere “clan-bewustzijn” uit lang vervlogen tijden, maar dat daarentegen juist gekenmerkt wordt door een kosmisch verlangen naar een toekomstige eenheid en liefdevolle samenleving. Als je over deze vier punten nadenkt kom je tot de ontdekking dat er een essentieel verschil is met de westerse mens. Voor deze ligt de waarheid in het uiteenleggen van de verschijnselen, maar voor de Russische mens ligt zij in de alles omspannende samenhang van de werkelijkheid. Natuurlijk zijn er nog meer opmerkelijke verschillen te noemen, maar dat zou thans te ver voeren.

 

64.


Nu de Sovjet-Unie ingestort is is de Russische mens door een tweetal rampen heen gekomen. Als eerste was daar de ramp van het westerse individualistische denken voorzover dat zich op vooralsnog ouderwetse manier liet gelden. Dat wil zeggen dat de individu zich nog eenzijdig als particulier besefte. In Rusland was het de intelligentia die met die mentaliteit behept was. De lieden die daartoe behoorden hadden uitsluitend de eigen existentie op het oog, de werkelijkheid was identiek aan hun eigen particuliere bestaan. De aanwezigheid van andere mensen en dingen kon natuurlijk niet goed ontkend worden, vandaar dat het kwam tot horigheid van al dat minderwaardige. Het Russische feodalisme hield zo lang stand juist doordat de intelligentia halsstarrig particulier ingesteld was, en daarbij moet uiteraard gevoegd de intuďtieve onverschilligheid van het Russische volk voor macht en machthebbers. Die onverschilligheid leidde ertoe dat er betrekkelijk weinig verzet tegen de landeigenaars was. Die Russische boer vond dat diep in zijn hart maar een stelletje idioten! Van dat idiotisme werd het Russische volk bevrijd door de revolutie, overigens zonder dat het er in de praktijk veel mee opschoot...De tweede ramp was wezenlijk ook westers van oorsprong. Dat was namelijk het collectivisme waartoe de Russische mens gedwongen werd door Lenin en zijn kornuiten. De naam Russische revolutie is in dit verband in zoverre misleidend dat er niets Russisch aan dat sowjet-gedoe was en ook dat je nauwelijks van een “revolutie” kunt spreken omdat het slechts een kleine groep min of meer getrainde terroristen was die de macht greep. Je kunt veel beter van een “staatsgreep” spreken en door die staatsgreep kwam het Russische volk onder het juk van de collectivisten. Dat waren machtzoekers die een totalitaire staat voorstonden, een staat dus die vanuit een machtscentrum tot in de kleinste details geregeld zou zijn en waarin slechts naar de ideologie gemodelleerde onderdanen toegestaan zouden zijn. Een ieder die probeert staande te houden dat Lenin en kornuiten het beste met het Russische volk voorhadden en dat het hen werkelijk om het welzijn van de gewone vrouw en man te doen was heeft de geschriften van Lenin van voor 1917 niet of niet goed gelezen! Het ging uitsluitend om totalitaire macht, uitgeoefend door zwaar getrainde kaders. Van een vanuit het volk en voor het volk opererende  “sovjet” is nimmer sprake geweest...In principe behoort nu dus tot bet verleden een tweetal van bovenaf opgelegde westerse maatschappelijke systemen , name1ijk het particuliere individualisme en het collectivisme, uiteraard twee ideologieën die wezensvreemd zijn aan het Russische volk. Nu moet er, geheel van de grond af, een nieuwe maatschappij opgebouwd worden. Voorlopig is daarbij de moeilijkheid dat het authentieke Russische individualisme nog nauwelijks wakker geworden is. Zonder dat Russische individualisme echter kan er geen basale infrastructuur ontstaan, althans geen infrastructuur die op sociale rechtvaardigheid gericht is die zich van daaruit ontdoet van de terroristische macht van misdaadorganisaties, gewezen communisten, soldaten en andere moordenaars. Een op technologie, recht, vrij en dus in zichzelf verantwoord ondernemerschap en democratie gestoelde maatschappij kan alleen maar van onderaf door zelfbewuste mensen gesticht worden. Hoewel het op het ogenblik voor de Russische mensen een verschrikkelijke toestand is kun je er desondanks toch verheugd over zijn dat de zaak zo diep in elkaar gestort is. Als men nu ook nog het hoofd weet te bieden aan de westerse managers is de kans groot dat de zaak betrekkelijk vlug gezond kan worden.

 

65.

In de moderne wetenschap houdt men zich bezig met het analyseren van de werkelijkheid als voorstelling. Daarbij kan het niet uitblijven dat de objecten van onderzoek steeds kleiner worden. Daarnaast echter wordt het aantal onderzoekers, dat zich met zo'n klein deelgebied bezig houdt ook steeds kleiner, zozeer zelfs dat tenslotte niemand meer van zijn collega's weet waarmee zij nu werkelijk bezig zijn. Denk je de zaak tot het einde toe door, dan moet de conclusie zijn dat wetenschappelijke kennis zich niet langer op wetenschappelijke wijze controleren laat. Het zogenaamde, bij adepten van een objectieve wetenschap zo geprezen, “Forum der Wetenschap” is dan in duigen gevallen. Het “Forum” kan niet weten waarover het gaat als iemand de door hem of haar verworven kennis presenteert. Van het herhalen van experimenten en proeven kan ook geen sprake meer zijn. Wat blijft er dan over? Er blijft over dat de wetenschappers betrouwbaar moeten zijn. Dat houdt in dat zij zich niet (bewust) laten beďnvloeden door wie of wat dan ook, dat zij niet met de resultaten van hun wetenschappelijke activiteiten knoeien en het houdt ook in dat zij er getrouwelijk zorg voor dragen dat de door hen verworven kennis vrij ter beschikking van de gehele mensheid staat.

 

66.

De mogelijkheid om op zichzelf staande wetenschappelijke kennis te controleren (verifiëren) wordt almaar meer onmogelijk. Het enige wat overblijft is het al of niet bruikbaar zijn in de praktijk van de technologie, de toegepaste wetenschappen dus. Wat betreft de bij voorbaat te stellen morele vraag naar het al of niet verantwoord zijn van een toepassing zal men wederom aangewezen zijn op de betrouwbaarheid van de erbij betrokken wetenschapper. Het zou een misdaad zijn als zij of hij vanuit het een of andere belang de zaak verkeerd voorstelde, informatie achterhield of zijn kennis aan de hoogste bieder te koop aanbood. Hoe weinig de moderne mensen er mee ingenomen zullen zijn, er zit toch niets anders op dan in de toekomst steeds meer af te gaan op betrouwbaarheid in plaats van controleerbaarheid. Trouwens, tegenwoordig wordt gaandeweg duidelijk dat het met het controleren van wetenschappelijke kennis allang zo'n vaart niet meer loopt. Het wordt almaar meer de hand mee gelicht, juist omdat het zo langzamerhand ondoenlijk wordt. Voorlopig verdoezelt men dat nog met de smoes dat controle teveel geld kost - en dat is tot op zekere hoogte zelfs nog waar ook! - maar binnenkort zal men toch toe moeten geven dat controle een wetenschappelijke onmogelijkheid is geworden.

 

67.

 

Overtuiging-1 ; Overtuiging-2 ; Overtuiging-3 ;


Uit het steeds meer onmogelijk worden van verificatie van wetenschappelijk verworven kennis blijkt onder meer dat de voorheen door mij bij herhaling verkondigde stelling dat het accepteren van aangeboden kennis een kwestie van vertrouwen is, een juiste stelling is. En sterker nog: niet alleen dat leken geen keuze hebben en in goed vertrouwen allerlei beweringen voor juist moeten aannemen, maar dat het blijkt dat dit ook steeds meer voor de vaklui gaat gelden. Dus kun je wederom zeggen dat het ferme gepraat over “verifieerbaarheid”, “controle” en over de voor iedereen geldende overtuigingskracht van de zogenaamde logica niets anders dan loze beweringen zijn geweest. Holle praat van diegenen die, intellectueel zijnde, het van de wetenschap moeten hebben om zichzelf een houvast te verschaffen. Juist door van de wetenschap afhankelijke lieden zijn in de loop der tijd heel wat arrogante uitspraken gedaan en al die uitspraken hebben het karakter van godsdienstige stellingen waarvan de juistheid niet straffeloos in twijfel getrokken mag worden.

Overtuiging-1 ; Overtuiging-2 ; Overtuiging-3 ;

 

68.

Liberale Democratie-1 ;  Liberale Democratie-2 ; Liberale Democratie-3 ;

Een belangrijk kenmerk van een liberale democratie is dat de burgers tolerant zijn, evenals de overheid trouwens. Hoewel ieder zinnig mens dit zonder meer zal onderschrijven zit er toch iets in dat niet in de haak is. Het begrip tolerantie weerspreekt namelijk zichzelf, althans als je het van toepassing acht op een maatschappij die binnen het kader van een alsnog onvolwassen mensheid de moeite van het bestreven waard zou zijn, een liberale democratie dus. Zo'n maatschappij is, hoezeer inderdaad acceptabel, toch nog steeds een min of meer redelijk verband van Onvolwassen mensen en dat houdt voor het begrip tolerantie in dat het niet meer betekenen kan dan een flexibel hanteren van de criteria die voor het begrip grens gelden. Men zal dan niet zo gauw vinden dat iemand “te ver” gaat, “grenzen uit het oog verliest”, en men zal heel wat accepteren alvorens iets af te wijzen en te veroordelen. Wat evenwel niet opgeheven wordt is nu juist die grens. Er blijft gelden dat men “ergens” niet verder kan en mag gaan. Dat betekent welbeschouwd dat er nog steeds een besef is van wat moreel wel en niet goedgekeurd kan worden. Het laten gelden van dit besef is dan echter gemakkelijk, flexibel, geworden. En nu is het de vraag of je dit toe kunt juichen. Tolerant-zijn en gemoedelijkheid keren zich namelijk in een alsnog onvolwassen mensheid onherroepelijk tegen zichzelf. Onvolwassen mensen kunnen van de medemens geen gemoedelijkheid verdragen. Zij gaan dadelijk misbruik maken van de aan die gemoedelijkheid en tolerantie meekomende betrekkelijke vrijheid. Dat komt doordat zij er nog steeds op uit zijn de wereld in bezit te nemen. Een niet scherp gestelde grens wordt onafwendbaar beschouwd als een goede gelegenheid eigen territorium uit te breiden. Meestal neemt men daartoe geen besluit: het gebeurt vanzelf omdat het in de cultuurvoorstellingen ligt. Daardoor is het gewoonlijk zo vanzelfsprekend dat het niet eens opvalt. Onvolwassen mensen kennen per definitie nooit hun plaats en weten geen maat te houden, terwijl zij tegelijkertijd aan plaats en maat gebonden zijn om samen met de medemensen te kunnen bestaan. Waar het op neerkomt is dat tolerantie in een onvolwassen mensheid leidt tot het voortdurend aantasten van het bestaan en de integriteit van diegene die zich tolerant en gemoedelijk opstelt. Vrijheid wordt onafwendbaar bandeloosheid. Spreek je dan toch van een “liberale democratie” dan zul je rekening moeten houden met het feit dat de vrijheid wel inhoudt dat men het bestaan van de ander erkent, bevestigt en verdedigt, maar dat de vrijheid niet inhoudt dat men het gedrag van de mensen zonder meer vertrouwen en accepteren kan.

Liberale Democratie-1 ;  Liberale Democratie-2 ; Liberale Democratie-3 ;

 

69.


Het gedrag van de mensen houdt op een probleem te zijn als de mens volwassen geworden is. Dat komt doordat dan niet alleen herkend en erkend wordt dat de ander een Onvoorwaardelijk recht op bestaan heeft, zodat je kunt zeggen dat “ieder individu er volledig is”, maar dat daarenboven in de mensen het feit zelfbewust is geworden dat hun bestaan altijd tegelijkertijd en noodzakelijk het bestaan van allen betekent. Dus, naast het  “als ik er ben, ben jij er vanzelfsprekend ook” is daar eveneens en tegelijkertijd het “wij zijn met zijn allen”.

Socialisme en communisme zijn dan een eenheid geworden. Onder die volwassen omstandigheden is het gedrag van de mens niet langer “grensoverschrijdend” omdat het bestaan van de ander beleefd wordt als “op andere wijze het eigen bestaan”, hetgeen onder andere inhoudt dat er geen grenzen meer zijn die overschreden kunnen worden. Het bestaan van de een is dan bij de ander veilig en dat geldt dan wederzijds. Onder die volwassen omstandigheden vervalt ook het begrip tolerantie, want als er van geen grenzen meer gesproken kan worden, kan er ook niet langer van tolerantie sprake zijn. De begrippen grens en tolerantie behoren immers bij elkaar!

 

70.

Liberale Democratie-1 ;  Liberale Democratie-2 ; Liberale Democratie-3 ;

De onvolwassen mens moet voortdurend op zijn grenzen gewezen worden. Hij is er almaar op uit, gewild of ongewild, zijn eigen grenzen en vooral die van de ander te overschrijden. Tolerantie ten aanzien van de aanwezigheid van de ander is in een liberale democratie gaandeweg te verwezenlijken en is zelfs een reële opgave die de moderne mens zichzelf stelt, maar vrijheid wat betreft gedrag laat nog lange tijd op zich wachten, omdat dit werkelijke, zelfbewuste volwassenheid vooronderstelt. Uit een en ander kun je concluderen dat de moderne toegeeflijkheid ten aanzien van het gedrag van allerlei lieden niet overeenstemt met de verhoudingen in en van de werkelijkheid. Uiteraard is het het recht, met daar achter zeer nadrukkelijk de wijsgerige ethiek, die qua gedrag de grenzen moeten blijven stellen, handhaven en verdedigen. Dus in het kort: de moderne, maar vooralsnog onvolwassen, mensheid kan moreel en praktisch niet zonder de politieagent en de rechter. En de individuele mensen kunnen niet zonder een voortdurend scherp stellen van hun privacy. Hier en daar zal zelfs geweld gebruikt moeten worden om aantastingen van die privacy, waaronder het bestaansrecht en de integriteit van de persoon, een halt toe te roepen.

Liberale Democratie-1 ;  Liberale Democratie-2 ; Liberale Democratie-3 ;

 

71.


Als het gaat over een “Open Society”, zoals die door Popper aanbevolen werd, moet je vermijden dat je denken daarover in een flauwe karakterloosheid uitloopt, waarin alles goed en normaal gevonden wordt, louter op grond van het feit dat het tot de zogenaamd culturele eigenaardigheden van anderen behoort. Het zogenaamd goedmoedig “bedekken met de mantel der liefde” is in principe rampzalig, al klinkt het geweldig humaan. Het kan bijvoorbeeld gaan over het mismaken van jonge meisjes om bepaalde morbide gevoelens van agressieve, fanatieke mannen te bevredigen, besnijdenis dus. En dan kun je tegenwoordig opmerken dat men, uit overwegingen van karakterloze “tolerantie”, een dergelijke misdaad goedpraat met het argument dat die besnijdenis tot de “cultuur” van sommige volkeren behoren zou. Filosofisch kun je dan alleen maar reageren door te stellen dat zo'n verhaal wel aardig kan klinken, maar dat het toch een misdaad is om de integriteit van het menselijk lichaam van iemand anders aan te tasten, cultuur of geen cultuur, begrip of geen begrip. Trouwens, wat is “cultuur” anders dan een conglomeraat van waandenkbeelden, frustraties en tirannie? Zelfs de “edele” uitingen van een cultuur zijn nooit zonder een achtergrond van waanideeën en andere malligheden. Juist in een “Open Society” zal men heel streng zijn universele waarheden moeten bewaken. Dat zijn waarheden die onder alle omstandigheden, ongeacht welk plaatselijk en tijdelijk bepaald verhaal dan ook, houdbaar zijn gebleken.

Terwille van de helderheid van een “open” samenleving moet elk compromis veroordeeld en vermeden worden. 

 

72.

Een op het beginsel van het compromis gestoelde maatschappij kan niet anders dan ver beneden de maat blijven. Nimmer worden de uiterste mogelijkheden benut want altijd zijn er wel idioten die vanuit allerlei waandenkbeelden vinden dat het z6 niet moet. Uiteraard mogen zij dat vinden, maar het deugt niet als zij ze ook nog eens door kunnen zetten en daarmee de hele maatschappij hinderen .Niet het beginsel van het compromis moet als criterium fungeren, maar het beginsel van het overleg. Dat berust op een onbaatzuchtig met elkaar uitzoeken wat de beste oplossing van een probleem zou zijn. De zaak is dan gebaseerd op het beste wat een ieder naar voren kan brengen en niet op het behalen van zoveel mogelijk voordeel voor de eigen particuliere kliek. Op de een of andere manier gaat dat laatste altijd ten koste van andere groeperingen die op hun beurt ook hun eigen voordeel najagen. Als iedere groep zoveel mogelijk het eigen voordeel als de maat neemt komt tenslotte iedereen tekort. En iedereen blijft uitzien naar een gelegenheid om alsnog een deel van de buit binnen te halen. Op zo'n basis kan er nooit een rechtvaardige maatschappij zijn en deze stelling is ook van kracht in het geval van een “open” samenleving zoals Popper die zich voorstelt. Het voor zichzelf voordeel najagen en tegelijkertijd het aan anderen betwisten van voordeel, kortom het particuliere gedoe, is er dan niet minder om geworden. Sterker nog: het is nu tot een algemeen aanvaarde praktijk verheven, een praktijk die weliswaar openlijk bedreven wordt, maar die daarom nog niet minder verwerpelijk blijft.

 

73.

Beleving-1 ; Beleving-2 ; Waanvoorstelling-1 ; Waanvoorstelling-2

 

De zin van onderwijs is hierin gelegen dat het het zelfbewustzijn van de individuen bevordert. Hoezeer het ook een feit is dat het moderne, op eenzijdig analytische, reductionistische westerse tradities gestoelde, onderwijs de voor de mens geldende werkelijkheid als bewustzijn, en dus ook de psychische belevingswereld, vervormt en verdrukt, toch is het onderwijs de enige weg waarlangs de mens tot bevrijding van waanvoorstellingen komt. Het onderwijs richt zich immers op de voor de mens geldende werkelijkheid als voorstelling en dat is ook het geval met de wetenschappen waaraan het onderwijs zijn materiaal moet ontlenen. Dus: in feite leert het onderwijs de scholieren al datgene dat de wetenschappen boven water gehaald hebben. Dat zijn allemaal zaken die zo goed mogelijk onderzocht zijn en die blijvend openstaan voor een nader onderzoek, hetgeen op termijn een solide garantie is voor betrouwbaarheid. Langs deze weg worden foute voorstellingen langzamerhand opgelost. Dat maakt van de scholieren geen betere of intelligentere mensen, maar wel meer realisten, en dat leidt er langzaam maar zeker op indirecte wijze toe dat het inzicht in de werkelijkheid, zoals dat ontstaat aan de hand van het zich aan de voorstelling afspiegelen van de werkelijkheid als beeld, zich steeds meer verdiept. Dit zich verdiepen van het inzicht is een essentieel aspect van de weg naar volwassenheid.

 

Beleving-1 ; Beleving-2 ; Waanvoorstelling-1 ; Waanvoorstelling-2

 

 


74.

Het onderwijs legt in de mensen de materiële basis voor volwassenheid, evenwel zonder aan de ontwikkeling tot volwassenheid op zichzelf iets bij te dragen: de werkelijkheid als bewustzijn is nu eenmaal niet ontvankelijk voor leerprocessen.

Zonder een zo betrouwbaar en gedegen mogelijke materiële basis kan er geen effectieve groei naar volwassenheid zijn. Aan die groei valt echter op zichzelf niets te bevorderen. Dat komt doordat volwassenheid een kwestie van inzicht is en dat berust op het zich afspiegelen van de werkelijkheid als beeld. Die werkelijkheid, die op haar beurt meekomt aan het bewustzijn, laat zich op geen enkele manier beďnvloeden, veranderen, stimuleren en zo meer. Het is een volstrekt onaantastbare zaak. Wat dus wel voor verbetering, of liever “verheldering”, vatbaar is, is de voorstelling waaraan dat afspiegelen zich voltrekt. Hoe reëler die voorstelling, hoe zuiverder het inzicht dat door die afspiegeling verkregen kan worden. Langs deze weg, namelijk het via het onderwijs en de communicatie informeren van de mensen, wordt de materiële basis voor volwassenheid gelegd. Het gaat daarbij per se niet om de hoeveelheid informatie die men opdoet en dus ook niet om de hoeveelheid kennis die iemand ter beschikking heeft, maar het gaat uitdrukkelijk om de kwaliteit en dus de betrouwbaarheid van kennis en informatie. Hoe veel of hoe weinig men weet is niet van belang, wel echter de vraag of dat wat men weet reëel is. Met nadruk moet dan ook gesteld worden dat het niet gaat om het onderwijs in kwantitatieve zin (er bij de leerlingen zoveel mogelijk kennis inpompen) zoals dat in de moderne westerse cultuur gebruikelijk is geworden, maar dat het gaat om de kwaliteit van het onderwijs en dat is afhankelijk van het realiteitsgehalte.

 

75.

In oude religieuze culturen zoals bijvoorbeeld het Boeddhisme, het Jodendom en de Islam probeert men de volwassenheid van de mens te bevorderen door “het lezen en reciteren van de schriften”. Dat is voor de leerlingen een hele studie die erg veel van hen vergt. Het levert tenslotte een heel verfijnde intellectuele ontwikkeling op. Deze wordt beschouwd als noodzakelijk voor wijsheid. Helaas moet je vaststellen dat het allemaal onzin en dus vergeefse moeite is: zo'n geleerd iemand is misschien binnen het kader van zijn godsdienst een wijze geworden, maar qua werkelijke volwassenheid is er niets aan de hand. Dat kan ook niet want die volwassenheid kan zich niet realiseren aan de hand van allerlei onjuiste, bovendien onaantastbare, geloofsvoorstellingen, al zijn die nog zo verfijnd en geraffineerd uitgedacht en al steekt er nog zo'n oude cultuur achter. Sterker nog: het niet realistische karakter van dergelijke voorstellingen vormt zelfs een ernstig beletsel voor helder inzicht en dus voor volwassenheid en dat is het geval juist doordat de werkelijkheid als beeld zich alleen maar effectief aan zakelijk juiste voorstellingen kan afspiegelen.

 

76.


Met het verwerven van op wetenschappelijk verantwoorde wijze verkregen kennis ontsluit de mens de weg naar volwassenheid. Met nadruk moet ik zeggen: die kennis leidt op zichzelf niet tot volwassenheid, maar tot het ontsluiten van een weg. Tot nu toe betekent dat dat het individualisme zich in de mensen gaat laten gelden. Zij gaan zich ontwikkelen als de “unieke ik” die zij in wezen zijn. Dat moet gebeuren alvorens er van een werkelijke volwassenheid gesproken kan worden. Je kunt met enig leedvermaak vaststellen dat de totalitaire staten, zoals de Sovjet-Unie, China, Noord-Korea, Cuba, enzovoort, hun eigen graf graven door de bevolking onderwijs te geven. Men behoeft er in dat onderwijs niet eens speciaal op te wijzen dat bepaalde ideeën, zoals godsdienstige of kapitalistische, niet deugen en men behoeft ook geen propaganda te maken voor andere, bijvoorbeeld marxistische, “waarheden”: alleen maar het aanbieden van betrouwbare, zakelijk juiste kennis omtrent de alledaagse verschijnselen om ons heen, wetenschappelijke en technologische kennis, kortom, realistische en vooral niet ideologisch gekleurde informatie volstaat om de barričre op de weg naar volwassenheid, die om te beginnen de weg naar individualisme is, te doorbreken .Het instellen en bevorderen van gewoon alledaags onderwijs ondergraaft de macht van elke totalitaire overheid doordat het collectivisme hiervan geen stand kan houden tegenover het individualisme van de wakker wordende mens. Zoals al eerder gezegd is de volwassen mens te typeren als de “volledig tot zichzelf gekomen individualist” voor wie de medemens vanzelfsprekend onvoorwaardelijk erkend is.

 

77.

Ieder afzonderlijk mens is een uniek verschijnsel. Er zijn geen twee mensen gelijk, zelfs niet identieke tweelingen, waarvan men beweert dat die qua erfelijkheid precies eender zijn. Dat feit van dat uniek-zijn is op zichzelf al voldoende ondersteuning voor de stelling dat de mens in de individu uitloopt. Je kunt immers het uniek-zijn niet opheffen, zoals men tot zijn schrik in totalitaire maatschappijen heeft moeten ervaren! Het uniek-zijn van ieder mens betekent echter niet dat mensen niet een heleboel gemeenschappelijks hebben. Culturen bijvoorbeeld zijn op allerlei gemeenschappelijke eigenaardigheden van de erin betrokken mensen gebaseerd. En aan het einde van de rit is het voor de volwassen geworden mensen een duidelijke zaak dat de maatschappij draait om gemeenschappelijkheid. Dat betekent dat de maatschappij tenslotte zelfs een “gemeenschap” zal zijn.

 

78.

In tegenstelling tot wat de meeste slordig denkende mensen menen sluit individu-zijn het gemeenschappelijke helemaal niet uit, neen, het maakt het juist als enige mogelijk! Juist de mens die zichzelf kent, die tot zelfkennis gekomen is, herkent in de door hem volledig erkende medemens het gemeenschappelijke. Ook onvolwassen mensen herkennen, zij het op slordige wijze, het gemeenschappelijke, maar zij gaan dat onmiddellijk omzetten tot een dwingende norm voor de gemeenschap: het tot een stelsel van eisen omzetten van iets vanzelfsprekends. Het wordt daarmee iets hogers waaraan men op straffe van sancties heeft te beantwoorden. Als het zover is gekomen, en zover komt het in een onvolwassen mensheid steeds, heb je te maken gekregen met het begrip ideëel collectief. Zo'n collectief kan in de praktijk “agressief” van aard zijn en dan wordt er door een groep leiders terreur uitgeoefend om de mensen onder de duim te krijgen en te houden, maar zo’n collectief kan ook de mildere vorm van een maatschappelijk ideaal aannemen waarbij de andersdenkende medemens slechts met enigerlei vorm van sociale uitstoting en politiek machtsverlies te maken krijgt. In een westerse democratie bijvoorbeeld tref je die milde vorm van collectieven aan. Maar collectieven zijn het onmiskenbaar ook en de van bovenaf opgelegde normen zijn er niet minder om! Men moet, als het maar even kan, zelfs in uniforme bewoordingen, onder alle omstandigheden het officiële partij- of verenigingsstandpunt verkondigen en vaak is men zelfs gehouden aan bepaalde gedragsregels. Maar belangrijker nog is dat alles draait om de belangen van het collectief...

 


79. ( zie ook de nummers 77 en78 )

Een collectivistisch denkend mens kan onder geen voorwaarde begrijpen wat gemeenschappelijkheid nu werkelijk betekent. Hij zal er altijd iets “uniforms” aan bedenken, een voor het gehele collectief geldend stelsel van normen en waarden. Bijgevolg heeft zijn gemeenschapsgevoel - dat vanuit zijn intuďtie en zijn gevoelsleven ondanks alle verdrukking altijd enigszins werkzaam is - een voorwaardelijk karakter: niet iedereen behoort bij zijn groep of clan en niet iedereen heeft dezelfde rechten. Gelijkwaardigheid geldt alleen voor diegenen die beantwoorden aan de collectieve normen en waarden. Aan het begrip gemeenschappelijkheid moet derhalve toegevoegd worden gemeenschappelijkheid van iets. Er wordt van tevoren verlangd dat men juist aan dat “iets” voldoet, zoals daar zijn politieke standpunten, maatschappelijke doelstellingen, aan de levenshouding ten grondslag liggende godsdienstige dogma's en zo nog een heleboel zaken meer, zelfs tot en met gezamenlijke hobby's. De basis en de normen voor gemeenschappelijkheid worden van tevoren bepaald en een ieder die daaraan bij voorbaat niet voldoet mag niet tot het collectief toetreden.

 

80.

Denkt men vanuit een collectivistische optiek na over gemeenschappelijkheid, dan gaat het over een bij voorbaat gestelde uniforme norm of waarde. De op die wijze bedoelde gemeenschappelijkheid heeft dan stilzwijgend een uitsluitend oftewel exclusief karakter gekregen. Ook al ontkent men dit ten stelligste waarin zeker de moderne mens buitengewoon gehaaid is! - dan komt dit exclusieve karakter toch vroeg of laat aan de oppervlakte. Het kan niet verborgen blijven, juist omdat het van deze opvatting van gemeenschappelijkheid de essentie is.

 

81.

Gemeenschappelijkheid binnen de context van een volwassen wereld heeft geen eisend, maar een constaterend karakte: men bemerkt en stelt vast dat de mensen allerlei overeenkomstige eigenaardigheden vertonen, dat zij in een groot aantal zaken overeenstemmen en een nogal uitgebreide werkelijkheid gemeen hebben. Uiteraard zijn dat gemeenschappelijkheden in de voorstelling die de mensen van de werkelijkheid hebben. Dus: de onvermijdelijk unieke voorstellingen van de individuen vertonen allerlei gemeenschappelijks. Het gaat nu natuurlijk niet over biologische overeenkomsten, want die zijn volstrekt niet typerend voor de mensen. Het gaat over datgene dat qua voorstelling gemeenschappelijk is. De ultieme vorm van gemeenschappelijkheid is de communistische, zoals die als laatste grootheid van “De Grote Vierslag” te voorschijn komt. De inhoud van die vierslag is de begrippensequens nihilisme, anarchisme, socialisme en communisme. Daarin heeft “communisme” als inhoud dat de mensen beseffen, weten en laten gelden dat zij “met zijn allen” zijn. Als dit helder in het zelfbewustzijn is komen te liggen is de uiterste betekenis van het gemeenschappelijke voor den dag gekomen. Dit echter heeft dan geen betrekking meer op een aantal concrete zaken die zich in een gemeenschappelijke interesse kunnen verheugen, zoals dat in een onvolwassen wereld bijvoorbeeld met voetballen het geval is. Daarentegen hebben wij dan te doen met een onvoorwaardelijke gemeenschappelijkheid die alleen maar geworteld is in de erkenning dat ieder mens er zomaar is zonder dat daarvoor een reden opgegeven kan worden.

 

82.


De bedoelde “ultieme gemeenschappelijkheid” is gebaseerd op de verscheidenheid van de individuen. Dat is alleen maar mogelijk als die verscheidenheid tot zijn recht mag komen. Pas als dat het geval is kan het overeenkomstige en gemeenschappelijke op zinvolle wijze gelden. Zinvolle gemeenschappelijkheid ontstaat in de praktijk van alledag daar waar een aantal personen voor een bepaalde taak of doelstelling staat. Onder de veelheid van unieke persoonlijke eigenaardigheden blijken er te zijn die voor het bereiken van een bepaald doel of het volvoeren van een taak zinvol zijn. Van een of andere bij voorbaat als eis gestelde gemeenschappelijkheid is volstrekt geen sprake. En uiteindelijk is in het kort te zeggen dat de “ultieme gemeenschappelijkheid” gestoeld is op de volwassen mens als individu

(= de individu), terwijl de tot nu toe gebruikelijke gemeenschappelijkheid slechts van een bepaalde collectiviteit uitgaat, onvolwassen is en niet meer dan een beknotte individu tot inhoud heeft.

 

83.

[ spoorwegen ; privatiseren ; zichzelf zijn ;]

Wat steekt er voor goeds in het kapitalisme? Is het niet in alle opzichten een ramp voor de mensheid? Neen, het kapitalisme is onvermijdelijk en als zodanig is het in orde, zelfs als het lange tijd een groot aantal mensen veel ellende bezorgt. Wat er desondanks goed aan is, dat wil zeggen de ontwikkeling van de werkelijkheid als mens niet hindert, is de essentiële voorwaarde ervoor, namelijk deze dat het over de mens als individu gaat. Individualisme, als streven om individu te worden, is de goede en zinvolle grondslag van het kapitalisme. Met “goed” bedoel ik dat het in overeenstemming is met de ware verhoudingen en ontwikkelingen in de werkelijkheid, en dus ook met datgene dat karakteristiek voor de mens is. De mens moet “individu” worden. Alleen dan komt hij tot zijn recht als de uiterste grens van de werkelijkheid als “geworden”, als “ontstane” zaak. Hoewel er vaak op gemopperd wordt is het de mens als ondernemer die rechtstreeks aan het individualisme meekomt. Hij is de mens die de voorhanden (natuurlijke) werkelijkheid omzet tot een zaak van mensen; hij maakt van de planeet een “mensenwereld”. Deze ondernemer staat onvermijdelijk tijdens de individualistische ontwikkeling in het teken van het “particuliere” en dat betekent dat hij al zijn activiteiten onderneemt om er persoonlijk beter van te worden. Hij is de “particuliere ondernemer” . Bij het zich realiseren van het individualisme gaat het die “particuliere ondernemer” om zichzelf! Dat levert zo zonder meer een volstrekt Onrechtvaardige wereld op, die er weliswaar gaandeweg beter uit gaat zien, maar die ondanks onder andere allerlei positieve “socialistische” invloeden toch nimmer werkelijk rechtvaardig wordt. Pas als dat proces van de individualisering achter de rug is - en in de praktijk eigenlijk al eerder - bemerkt die particuliere ondernemer dat het zichzelf zijn niet mogelijk is zonder de volle en onvoorwaardelijke erkenning van de ander. Hoewel dus het individualisme gepaard gaat met de particulier ingestelde ondernemer, de “kapitalist” in het gewone spraakgebruik, en het daardoor niet bepaald “menslievend” genoemd kan worden, ligt het toch in de wezenlijke natuur der dingen. Zo is dus te stellen dat het goede van het kapitalisme ligt in het individuele en het voorlopig verkeerde in het particuliere. Aan dat individuele komt het ondernemen mee en aan het particuliere het kapitalisme.

Hoewel het particuliere dus niet goed voor een groot aantal mensen is levert het toch gaandeweg de materiële grondslag voor een leefbare wereld, juist omdat het toch een vorm van ondernemen is.

[ spoorwegen ; privatiseren ; zichzelf zijn ;]

( Doe uzelf een plezier en bestudeer deze bundel in zijn geheel.)

84.

Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ;


Het is opmerkelijk dat in de moderne maatschappij alles in het teken van de arbeid staat. Iedereen wordt qua maatschappelijke status beoordeeld naar de aard en waardering van zijn arbeid. Vallen iemands activiteiten buiten datgene dat als “arbeid” gedefinieerd wordt, dan valt de beoordeling niet gunstig uit. Ogenschijnlijk geldt dat niet voor zieken, ouden van dagen, huisvrouwen en kinderen, maar bij nadere beschouwing blijkt dat hun status wel degelijk afhankelijk is van de arbeid: die ouden van dagen moeten “gepensioneerden” zijn die WAO of een pensioen genieten wat op zichzelf ook weer in betrekking staat tot de arbeid en de huisvrouwen danken hun waardering aan het feit dat zij als onder- en achtergrond van des mans arbeidzame leven fungeren. De kinderen tenslotte gelden als toekomstige arbeiders hetgeen onder andere duidelijk blijkt uit de opvoeding en opleiding die zij krijgen. Zieken kunnen zich in deze wereld alleen maar dan veilig en verzorgd weten als zij zich doormiddel van hun arbeid verzekerd hebben. Onvoorwaardelijke hulp wordt als regel niet geboden. De arbeid is de maat van het gehele maatschappelijke leven en alles wat buiten de definitie van het begrip arbeid valt wordt hoogstens met welwillendheid geduld. Werklozen bijvoorbeeld worden enigszins beleefd behandeld voorzover zij buiten hun schuld zonder werk geraakt zijn en dus nog steeds als potentiële arbeiders beschouwd kunnen worden, maar tegelijkertijd wordt hen almaar voorgehouden dat zij wel zo spoedig mogelijk en zonder morren aan het werk moeten...Lui die letterlijk niet willen meewerken aan deze maatschappij worden, niet alleen vanuit de overheid, maar ook door hun medeburgers, met de nek aangekeken. Zij worden asociaal gevonden en uitbuiters omdat zij volgens de socialen en niet-uitbuiters “anderen voor zich laten werken” en dat is iets wat uit den boze is - tenzij je ondernemer bent, want dan wordt het weer als een bewijs van slimheid en zelfs zakelijkheid beschouwd. Maar, zelfs als het waar zou zijn dat anderen voor die asocialen werken - maar het is niet waar! - dan nog zegt dit meer over de mentaliteit van die werkenden dan over die asocialen: je moet immers nooit voor een ander werken, behalve natuurlijk voor een baas, als je er tenminste behoorlijk voor betaald wordt...!

Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ;

 

85.

De Verlichting-1, De Verlichting-2, De Verlichting-3, De Verlichting-4, De Verlichting-5

In de grond van de zaak is het terecht dat de arbeid in het maatschappelijke leven zo'n dominante rol speelt. Op zichzelf is de maatschappij niets anders dan het zo verfijnd mogelijke netwerk van relaties tussen de afzonderlijke mensen. Maar dat netwerk kan niet functioneren als daar niet een verzorgde materiële basis is voor het bestaan van die afzonderlijke mensen. Die basis moet veiliggesteld zijn en de grondslag daarvan is de arbeid. In het veiligstellen spelen allerlei grootheden een rol, zoals daar zijn medische voorzieningen, juridische waarborgen, mogelijkheden tot communicatie en toegang tot kennis. Maar dat alles wordt een farce als de arbeid niet voor het beschikbaar zijn van spullen zorgt. In de arbeid zet de mens de voorhanden natuurlijke werkelijkheid om tot een


menselijke. Hij maakt iets dat zo zonder meer niet door het wordingsproces opgeleverd wordt. Hij doet dat omdat de gehele kosmos zijn inhoud is vanwege het feit dat het verschijnsel mens het laatste verschijnsel is waartoe de processen in de werkelijkheid komen. Het eindresultaat van een proces houdt alle voorgaande stadia in en zo houdt de mens als eindresultaat van de kosmische processen de gehele kosmos in. Als eerste is daar natuurlijk de aarde die van een abstracte inhoud tot een concrete omgezet wordt. Dat geschiedt, in een veelheid aan varianten, door de menselijke activiteit van de arbeid. Omdat dit het geval is, is het sinds de Verlichting tot zelfbewustzijn gekomen begrip arbeid terecht herkend als van toepassing op de maatschappelijke werkelijkheid. Maar meer dan een “herkennen” is het tot nu toe niet: telkens weer blijkt dat men niet het flauwste benul heeft van de werkelijke verhoudingen die hier aan de orde zijn. Het begrip arbeid is concreet geworden en zijn alledaagse rol gaan spelen, maar door een diepgaand onbegrip, wat overigens niemand kwalijk genomen kan worden, is er een bijna niet te herkennen zaak ontstaan.

De Verlichting-1, De Verlichting-2, De Verlichting-3, De Verlichting-4, De Verlichting-5

 

86.

Voor alles moet opgemerkt worden dat de arbeid tot handelswaar is geworden. Er zijn er die werk in de aanbieding hebben, zij hebben het monopolie op het bezit van dat werk en zij verstrekken dat van bovenaf. Dat wil zeggen dat zij niet als gelijke partners onderhandelen met diegenen die werk willen hebben, maar daarentegen als hoger geplaatsten die eigenlijk alles voor het zeggen hebben, maar die onder omstandigheden eventueel wel bereid zijn wat water in de wijn te doen. En die omstandigheden zijn dan als regel bepaalde pressiemiddelen van de arbeiders, want zomaar vanuit zichzelf geven de “werkgevers” geen behoorlijke tegenwaarde van de energie die de arbeiders te koop aanbieden. De werkgevers bezitten werk, dat wil zeggen: de werkgevers zijn de particuliere ondernemers die in het bezit zijn van een aantal werkzaamheden die verricht moeten worden. Daarvoor hebben zij energie nodig en die kopen zij van anderen die bepaalde bekwaamheden hebben. Van de arbeiders, tegenwoordig “werknemers” of nog verhullender “medewerkers” genoemd, wordt die energie gekocht, maar steeds vanuit een hogere machtspositie van ondernemers die werkzaamheden aan te bieden hebben. De arbeiders worden dus zoveel als mogelijk door de werkgevers bedrogen bij de verkoop van zichzelf als energiebron. Maar die arbeiders zijn genoodzaakt zich bij deze praktijken neer te leggen omdat zij anders niet zouden kunnen overleven. Wat dus eigenlijk iets vanzelfsprekends is, namelijk dat de mens de planeet omzet tot zichzelf, is verworden tot een louche handeltje van diegenen die dat omzettingsproces in bezit hebben genomen. En degenen die achter het net vissen hebben geen keus: zij moeten hun vanzelfsprekend aanwezig arbeidsvermogen tegen woekerprijzen verkopen.

 

87.

Het gedwongen zijn om zijn eigen arbeidsvermogen te verkopen leidt er onherroepelijk toe dat de arbeidende mens per definitie geen vrede heeft met zijn bestaan. Diegenen die er echter wel vrede mee hebben zijn steeds mensen die aan het gemarchandeer met arbeidskracht zijn ontkomen, door de “hoogte” van hun positie of door het “eigen baas” zijn, hetgeen op zijn beurt inhoudt dat zij aan de andere kant van de streep toch weer moeten marchanderen, namelijk om zo goedkoop mogelijk arbeidskracht in te kopen of, als het maar even kan, te stelen. En dan zijn er ook nog die spaarzame gevallen van mensen die, hoewel niet zo erg tevreden met hun betrekkelijk armoedige bestaan, toch nog enige bevrediging in hun werk vinden doordat zij toevallig op “de goede plaats” zijn terecht gekomen. Hoe dan ook, het algemene beeld is onvrede met het bestaan door een niet op maat liggen van de arbeid. Iets wat vanzelfsprekend aan de mens meekomt kan geen object van handel zijn.

 

88.


Het ligt in de logica dat er altijd meer en minder ondernemende mensen zullen zijn. Dat wil zeggen dat er steeds “ondernemers” zullen zijn in de letterlijke zin van werkgevers. Dat is op zichzelf in orde. Maar het particuliere karakter van het ondernemen zal op den duur verdwijnen en plaats maken voor een ondernemen waarin de werknemers, de arbeiders, op gelijke voet staan met de leiders van de onderneming en niet meer in een slaafse positie hun energie voor veel te lage prijs moeten verkopen. Hun energie wordt vanzelfsprekend gebruikt om de voorhanden werkzaamheden te verrichten en daartegenover staat geen verkoopsprijs, hypocriet “beloning” genaamd, maar een vrije beschikking over de goederen dezer aarde.

 

89.

Als de verhoudingen zo liggen dat het vanzelfsprekende karakter van het begrip arbeid tot zijn recht kan komen is het ook volstrekt onmogelijk geworden bij voorbaat een dwingende definitie te formuleren van wat wel en wat geen arbeid genoemd mag worden. Elke menselijke bezigheid is arbeid, is op de een of andere manier een zich laten gelden van het feit dat de mens het laatste verschijnsel is dat de gehele kosmos tot zichzelf omzet. Dat geldt dus niet alleen voor diegene die zware en moeilijke handelingen staat te verrichten, maar ook voor die uitzonderlijke dromer die almaar door het bos dwaalt en daarbij af en toe dichterlijke uitspraken doet. En vooral moetje er op letten dat het geldt voor zieken, huisvrouwen, kinderen, ouden van dagen en “asocialen” die tot op de dag van vandaag geheel ten onrechte beschouwd worden als staande buiten de realiteit van het leven, buiten de arbeid, en dus eigenlijk ook buiten de bestaande maatschappij.

 

90.

Een belangrijk bezwaar tegen de moderne kunst is gelegen in de eigenaardigheid dat die kunst niet meer voor zichzelf spreekt. Bij elk modern kunstwerk moet een toelichting gegeven worden, anders is niet duidelijk wat de kunstenaar heeft willen zeggen. Volgens een aantal kunstenaars is het zelfs zo dat de “genieter” er zelf maar wat van moet maken, geheel naar eigen goeddunken, iets wat een volkomen loos advies is omdat dit voor alles geldt waarmee iemand geconfronteerd wordt. Iedereen maakt wat van dat wat zij of hij op de een of andere manier ervaart. Daarvoor is bepaald geen “kunstwerk” nodig en de zogenaamde kunstenaar is op grond van zo'n advies meteen al te rekenen tot de oplichters, goedbedoelend wellicht, maar toch: oplichters. Overigens is het ook bij die “vrijblijvende” kunstwerken noodzakelijk de “genieter” ervan op de hoogte te stellen dat het genieten geheel afhankelijk is van diens eigen interpretatie van het kunstwerk - hij mocht anders eens in de veronderstelling komen te verkeren dat het “kunstwerk” voor zichzelf spreekt en vervolgens tot de conclusie komen dat hij met een mislukt kunstwerk van doen heeft!

Bijna steeds echter wordt er een zo diepzinnig mogelijk verhaal ter verklaring van het kunstwerk gegeven, als een recept bij een geneesmiddel. Vaak gaat het daarbij om een verhaal over de bedoeling van het kunstwerk, maar ook komt het veelvuldig voor dat de kunstenaar uitlegt wat hij aan het doen is geweest en hoe moeilijk dat wel was... Verhandelingen over de technische moeilijkheden bij het vervaardigen van kunstwerken ontbreken bijna nooit. Doorgaans is dat ook wel nodig om de onkunde van de kunstenaar voor kunde door te laten gaan en de “genieter” ervan te overtuigen dat de hem aangeboden rommel tot de weloverwogen kunstzinnige uitingen gerekend moet worden!

 

91.


Opmerkelijk is dat “ouderwetse” kunstwerken op geen enkele wijze om uitleg vragen. Weliswaar is er vaak van allerlei aan uit te leggen, maar dat betreft dan louter de werkelijkheid als voorstelling die aan de zaak ten grondslag ligt. De uitleg daarvan is echter niet noodzakelijk en bovendien niet iets dat specifiek is voor een kunstwerk, want nagenoeg alles wat inhoud van het zelfbewustzijn wordt (zelfbewuste ervaring) vraagt om uitleg. Alles vraagt om een verklaring, maar dat zou bij het kunstwerk nu juist niet het geval behoren te zijn! Vaak werkt de uitleg van de basale voorstelling zelfs remmend op het genieten van het kunstwerk. Het uitleggen en verklaren kan het genieten verstoren omdat het verwijst naar iets dat volstrekt niet essentieel is. Het feit echter dat de basale voorstelling niet essentieel is wil per se niet zeggen dat hij dus verwrongen, vertekend of zelfs gemist kan worden. Veel moderne kunstenaars die “de klok hebben horen luiden” denken echter dat dit wel het geval is en dat is voor hen dan een vrijbrief om, vaak met grote ernst en ijver, hun behoefte aan artistieke “Spielerei” uit te leven.

 

92.

De wereld van de kunstenaars is een wereld van “Spielerei” geworden. Dat wil zeggen dat je met een doen alsof te maken hebt gekregen. Men doet alsof men kunstenaar is en vervolgens doet men het voorkomen dat de geproduceerde bedenksels de mooiste en diepzinnigste kunstwerken zijn. Het bedrieglijke daarbij is dat men er zelf doorgaans nog heilig in gelooft ook! Men heeft alle ingrediënten ter beschikking die bij het kunstenaarschap behoren. Men weet, dank zij allerlei psychologische kennis en andere wetenschappelijke informatie, precies wat zich in de kunstenaar af behoort te spelen. Met behulp van die kennis meet men zichzelf een bepaald gedrag aan en dat gaat zo

vanzelfsprekend dat het, vooral ook op de zogenaamde kunstenaar zelf, de indruk maakt echt te zijn. Het is echter allemaal een doen alsof. Zo zie je bijvoorbeeld musici met een bewonderenswaardige ijver en groot vakmanschap hun tijd verdoen met de grootst mogelijke artistieke drek die nauwelijks te vertolken is, juist doordat het drek is! Het kenmerk van drek is onder andere dat het de viezigheid is die van iets dat vergaan is overblijft. Het is het restant van iets goeds en nuttigs. Zo is de artistieke drek dat wat van de kunst overblijft als de ontbinding zich doorgezet heeft...

 

93.


Bij het nadenken over de arbeid stuit je steeds op het opvallende feit dat economen en managers, maar ook politici en vakbondsbestuurders, er niet bij stil staan dat het fout en uit de tijd is om het bij berekeningen te hebben over arbeiders, arbeidsuren en dergelijke, in de plaats van energie. Als de arbeider, of welke werknemer ook, zich verhuurt aan een werkgever , dan verkoopt hij of zij in feite zijn of haar energie. Het is niet zonder grond dat men het soms over de “arbeidskracht” van de werknemer heeft. Inderdaad gaat het om kracht, oftewel energie. In een onderneming, en dat is vooral duidelijk zichtbaar in een fabriek, heeft men energie nodig voor de productieprocessen. Die moeten in gang gehouden worden en dat vergt niet alleen energie die wij traditioneel “energie” noemen, bijvoorbeeld elektriciteit of stoom, maar ook in niet geringe mate intellectuele en lichamelijke energie - die gewoonlijk evenwel niet zo genoemd wordt. Wordt een arbeider ontslagen omdat hij door een machine vervangen wordt, dan wil men graag vergeten dat deze ruil voor de ondernemer winst oplevert. Hij gebruikt nu minder energie voor dezelfde werkzaamheden. Maar die arbeider zit zonder inkomsten...Het zou veel eerlijker zijn als de ondernemer het verschil tussen de oorspronkelijk door de arbeider gebruikte energie en die van de machine aan de arbeider vergoedde. Die arbeider heeft er principieel recht op omdat alle productieprocessen in de grond van de zaak en wezenlijk menselijke processen zijn. Het is de menselijke energie waarop het omzettingsproces van de aarde drijft. Alle productie is dan ook aanvankelijk een zaak van de menselijke “geest” en de menselijke “hand”. Energie die niet aan mensen vergoed wordt is welbeschouwd gestolen energie. Maar, het kan in een onvolwassen wereld niet anders! De particuliere individu, die de exponent is van het aanvankelijke individualiseringsproces, weet nog niets beters te doen dan zijn eigen onafhankelijkheid en vrijheid te roven.

 

94

De westerse mens, voorzover die alsnog een particuliere individu is, gaat door de wereld als een roofmoordenaar en een lustmoordenaar. Het eerstgenoemde begrip heeft betrekking op het in bezit nemen van al datgene dat als de inhoud van de mens beschouwd moet worden, op een bepaalde manier de ganse werkelijkheid. Dit in bezit nemen gaat gepaard met het ontkennen van de aanwezigheid en de rechten van de medemens: dat is dus “moord”. Het tweede begrip, de lustmoordenaar, slaat op het feit dat die particuliere individu de ontkenning is van het vrouwelijke als zijnde “het geheel” waarbinnen al het bestaande in een ongebroken en onbreekbare samenhang opgenomen is. Dit “geheel” moet volgens primair besef van de particuliere individu vernietigd worden omdat het diens eigenheid en diens ontplooiing in de weg zou staan. Ter verwerkelijking van de particuliere individu, om het even of die een man is of een vrouw, moeten de vrouw, overdrachtelijk, en het vrouwelijke, letterlijk, vermoord worden en daaraan beleeft de moordenaar lust, omdat het zijn meest fundamentele begeerten bevredigt. Het spreekt vanzelf dat genoemde begrippen roofmoordenaar en lustmoordenaar voor de praktijk als “metaforen” opgevat moeten worden. Het zijn filosofische typeringen van het culturele karakter van de westerse mens, die er echter niet minder essentieel om zijn. Overigens moet opgemerkt worden dat deze begrippen ook op de niet-westerse particuliere individu van toepassing zijn, maar het is niet noodzakelijk dat zij in enigerlei concrete vorm het karakter van het gedoe van die niet-westerse individu bepalen. Met enige zekerheid is te voorspellen dat die zich realiserende niet-westerse particuliere individu in de praktijk meer gedomineerd zal worden door een vaag aangevoeld gemeenschapsbesef, dat een voorbode is van het “met zijn allen zijn” van de toekomstige volwassen mens.

 

95.

Het gaat in de kunst om het uitdrukking geven aan en het laten ervaren van de werkelijkheid als beeld. Dat “beeld” is een werkelijkheid die zich afspiegelt aan de werkelijkheid als voorstelling, welke inhoud is van het zelfbewustzijn. Op geen enkele andere wijze dan als afspiegeling is het de mens als kunstenaar mogelijk die “werkelijkheid als beeld” aan zichzelf mede te delen en het bovendien ook nog zo te regelen dat anderen die zaak meebeleven en ervan “genieten”. Dit “genieten” blijkt, als je het verder onderzoekt en er dieper over nadenkt, een psychisch méétrillen te zijn: de “genieter” gaat letterlijk meetrillen met het trillende beeld van de werkelijkheid zoals dat door de kunstenaar - als “het” goed is en als “hij” goed is - op de een of andere manier waarneembaar gemaakt is. De voorstelling, in een van de mogelijke gedaanten, is absoluut noodzakelijk.


Hij is in feite niets anders dan het onmisbare “voertuig” van de werkelijkheid als beeld, hij is de materiële basis waaraan het beeld zich beleven laat. Het is nooit van tevoren te zeggen hoe dat “voertuig” er uit zal zien in het geval van de beeldende kunsten, of klinken in de muziek, bewegen in de dans, als gebeuren in de epische kunst of typeren in de poëzie, maar zeker is dat het een herkenbaar voertuig is. En die herkenbaarheid moet zo universeel mogelijk zijn. Het herkenbare van de werkelijkheid als voorstelling heeft betrekking op de afbeelding (beeldende kunst), de gebeurtenis (romankunst), de beweging (dans), de trilling (muziek), de typering (gedicht) en nog enkele combinaties en tussenvormen hiervan. Daarbij gaat het, wat het universele betreft, achtereenvolgens om de essenties: vorm, verhaal, uitdrukking en tenslotte klank. Deze essenties zijn “essenties van iets” die, binnen het raam van de kunst, nimmer op zichzelf gesteld kunnen worden. Datgene waarvan het essenties zijn moet aanwezig zijn, want anders heft dit begrip zichzelf op. Zo zie je bijvoorbeeld in de oude Chinese kalligrafische tekenkunst (niet bedoeld is de kalligrafie op zichzelf) dat er iets bepaalds afgebeeld wordt, zeg de dichter Li Tai Po. Maar die afbeelding is vrijwel volledig tot zijn essentie teruggebracht. Dat is de vorm. Vooral in de Chinese tekenkunst is dit goed waar te nemen en je ziet ook dat die vorm ontstaat door de getekende lijn. In de westerse beeldende kunst zijn de essenties veel meer verborgen. Bij Rembrandt bijvoorbeeld moet je daarvoor naar zijn tekeningen terugkeren.

 

96.

Essenties zijn wat anders dan onderdelen of elementen. Essenties zijn niet door ontleden te voorschijn te brengen, sterker nog: door de analyse heffen zij zichzelf geheel en al op. Ze zijn dan spoorloos verdwenen, hetgeen in de moderne kunst zonder moeite vast te stellen is. In die kunst is de werkelijkheid als voorstelling geanalyseerd, uit elkaar gehaald en tot haar elementaire onderdelen teruggebracht. Overigens precies zoals dat in de moderne wetenschappen gedaan wordt. De moderne kunstenaar doet van allerlei met die elementen en beweert vervolgens dat je met kunst te doen hebt. Die beweringen worden daartoe rijkelijk voorzien van verklaringen en uitleg, meestal met een quasi wetenschappelijk tintje om de zaak enigszins aannemelijk te maken.

Zonder zo'n uitleg zou er trouwens niets van overblijven. Het feit dat een dergelijk “kunstwerk” toch van alles in de genieter teweeg kan brengen zegt absoluut niets: alle andere dingen kunnen dat ook! Je spreekt van “essenties” als je te doen hebt met een tot een enkelvoudig gegeven teruggebrachte werkelijkheid, een in een bepaald “teken” gecomprimeerd geheel. In dat “teken”, die  “essentie” is dus feitelijk de gehele zaak aanwezig. Zo is in de vorm de essentie gegeven van een afbeelding van de werkelijkheid als voorstelling. En in de klank van muziek de essentie van de trilling van de werkelijkheid als voorstelling. Dan behoren ook nog bij elkaar: in de romankunst de begrippen verhaal en gebeurtenis en in de dans uitdrukking (expressie) en beweging. Vorm (en lijn), klank (en toon), verhaal (en woord), uitdrukking (en lichaam) zijn de essenties van de kunst, de hoofdzaken daarvan althans. Aan deze essenties, en uitsluitend daaraan, spiegelt de werkelijkheid als bewustzijn zich af en tovert ons zo de werkelijkheid als beeld voor. Om dat “beeld” is het in de kunsten te doen, en trouwens ook in de filosofie. De filosofie geeft - zou moeten geven - een zo consistent mogelijke beschrijving van dat beeld.

 

97.

Het zou in orde zijn met de moderne kunst als zij zo helder en zo zuiver mogelijk gestalte zou geven aan de genoemde essenties. Het lijkt alsof zij dit ook doet, maar in werkelijkheid geeft zij elementen en onderdelen, brokstukken, in plaats van essenties. Men verwart de tot een enkelvoudig teken teruggebrachte voorstelling met een detail van de geanalyseerde voorstelling. Typisch westers denkt men de essentie te vinden door de zaak uit elkaar te halen, te ontleden! Men vindt dan echter niets. En omdat dit het geval is moet men het doen voorkomen alsof de keizer wel degelijk kleren aan heeft...


98.

Het gaat in de kunst om de wereld “achter” de dingen, zo zou je het gemakshalve kunnen formuleren. Dat is een uitspraak die door de kunstenaars al tot in den treuren herhaald is, maar waarvan de strekking maar zelden echt wordt begrepen. Letterlijk is er natuurlijk geen werkelijkheid achter de dingen, maar het is wel zo dat de dingen niet alleen qua voorstelling voor ons verschijnen, maar ook en tegelijkertijd als bewustzijn in ons aanwezig zijn. Het zich aan de voorstelling “afspiegelen” van dat bewustzijn is de werkelijkheid als beeld en dat is wat men beseft als “de wereld achter de dingen”. Om die wereld gaat het in de kunst en ook in de filosofie. In het dagelijkse leven van de mensen gaat het daar niet om, in het leven gaat het om het “nu”. Maar om dat “nu” te kunnen plaatsen, een ondergrond en een zin te kunnen geven is daar wel de wereld achter de dingen, de werkelijkheid als beeld bij nodig. Omdat dat “beeld” op de een of andere manier zingevend is, kan dat van de kunst ook gezegd worden. De vraag daarbij is echter wel hoe je het begrip zin interpreteert. Heeft het de betekenis van een doel, of een les, of om saamhorigheid tussen mensen aan te wakkeren en de moraal te dienen... in al deze en dergelijke gevallen heeft de zaak niets met het begrip zin te maken zoals ik dat nu bedoel. Het begrip zin verwijst alleen maar naar het feit dat de in de voorstelling los van elkaar staande dingen in het geheel van de werkelijkheid als beeld tot samenhang komen en tot een harmonieus geheel gevormd worden. Meer dan een harmonieus geheel kan voor de mens de werkelijkheid niet zijn. Als zodanig is het al of niet op kunstzinnige wijze beleven van de werkelijkheid als beeld een “zingevende belevenis” te noemen. En als zodanig is dus het genieten van kunst zinvol!

 

99.

Zodra het gaat over een geanalyseerde voorstelling vervallen de essenties en daarmee stort de mogelijkheid van het zich afspiegelen van de werkelijkheid als beeld in. Op gevaar af voor een ouderwetse, achtergebleven moralist gehouden te worden stel ik in verband hiermee dat de moderne kunst, uiteraard voorzover die inderdaad op analyse van de voorstelling berust, een zinloze aangelegenheid is. Wil je eventueel toch op de een of andere manier over een “zin” spreken, dan zou je het begrip zinsbegoocheling moeten gebruiken.

 

100.


Het voor zichzelf spreken van de kunst komt voort uit de omstandigheid dat alles draait om de werkelijkheid als beeld. Dat is een werkelijkheid die, zoals gezegd, berust op het bewustzijn dat in ieder mens, over de gehele wereld precies eender, aanwezig is. Het is altijd en overal dezelfde werkelijkheid. Een verwijzing naar die innerlijke werkelijkheid, naar die waarheid, is in principe voor een ieder, onafhankelijk van taal en cultuur verstaanbaar. Het is een universele zaak! Omdat het “voertuig” daarvan evenwel de voorstelling is kan het gebeuren dat deze, in een onvolwassen mensheid heel vaak gebrekkig en bekrompen zijnde, een hinderpaal vormt voor het genieten van kunst. Men kan de zaak dan niet herkennen. Het ligt echter in de logica dat met het zich verbeteren van de ontwikkeling van de betreffende mensen ook het herkennen gemakkelijker wordt, althans in universele zin. Plaatselijk en tijdelijk speelt de bedoelde hinderpaal nauwelijks een rol van betekenis. De aardige paradox doet zich hier nu voor dat ontwikkeling, die immers betrekking heeft op de voorstelling en dus op iets dat voor de kunst op zichzelf niet essentieel is, toch het herkennen en genieten van kunst bevordert. Het gaat hier evenwel niet over de een of andere “kunstzinnige vorming” - die bijna altijd averechts werkt - maar gewoon over alledaagse ontwikkeling qua “universele” kennis zoals je die onder andere op school opdoet.

 

101.

Een geanalyseerde voorstelling is weliswaar niet zo goed meer te herkennen als een voorstelling in de gebruikelijke zin, waarbij het gaat om een directe ervaring van een deel van de werkelijkheid, zodat je onmiddellijk kunt zeggen “wat het voorstelt”. Maar hij valt als een geanalyseerde voorstelling toch nog steeds onder het begrip voorstelling: een geanalyseerde voorstelling is ook een voorstelling! Voor de voorstelling geldt altijd dat hij op de een of andere manier “verklaard” moet worden. Hij is nimmer voor zichzelf sprekend. Soms lijkt het alsof dit wel het geval is, maar dan wijst nader onderzoek uit dat zo'n zogenaamd voor zichzelf sprekende voorstelling eerder al eens “verklaard” is en nu tot kennis geworden is. Omdat de voorstelling gegrond is op het zelfbewustzijn en omdat dit de werkelijkheid als verschijnsel is die zich, aan het einde van wording en evolutie, is gaan gedragen alsof er geen verschijnselen waren, maar louter beweeglijkheden, is de mens (als laatste verschijnsel) er steeds op uit de tot voorstelling geworden ervaringen te stellen in het teken van dat “louter beweeglijkheden zijn”. Dat betekent dat hij probeert er een heldere zaak van te maken: hij verlicht de zaak, hij verklaart en licht toe. De tot voorstelling geworden ervaringen worden “verlicht” , “verklaard”, en “toegelicht” en dat is een gang van zaken die onlosmakelijk met de werkelijkheid als voorstelling verbonden is. Dat wil zeggen: aanvankelijke voorstellingen kunnen niet anders dan verklaard en toegelicht worden. Daarin komt dus tot uiting dat de mens van nature en onontkoombaar zoekt alles tot kennis om te zetten. De consequentie van het bij elkaar behoren van de voorstelling en zijn verklaring is voor de kunst deze dat elke kunstuiting die niet het niveau van het beeld bereikt en dus in feite niet boven de voorstelling uitkomt automatisch niet zonder verklaring kan. Op de een of andere manier moet er een toelichting bij. Ook een suggestieve titel is uiteraard een toelichting.

Een geanalyseerde voorstelling is nog steeds een voorstelling en dus is de daarop gebaseerde kunst onvermijdelijk afhankelijk van een toelichting. Zonder dat zou men vrijwel alle moderne kunstwerken niet eens als zodanig herkennen! Dat vereist dus dat de moderne kunst op de een of andere manier toegelicht moet worden. Enerzijds verraadt de noodzakelijkheid van een toelichting dat je met een kunstzinnig (want dat is het doorgaans wel!) doen alsof een artistieke, spielerei te maken hebt en anderzijds kan kunstzinnige spielerei niet zonder toelichting, juist omdat dat gedoe niet los komt van de voorstelling.

 

102.

Met “los komen van de voorstelling” wordt per se niet het verwerpen van de voorstelling (zogenaamd abstracte kunst) of het in onderdelen opsplitsen ervan bedoeld, zoals de moderne kunstenaars je maar al te graag willen doen geloven. Bedoeld wordt daarentegen het concentreren van de voorstelling in een eenduidig teken, zodat de essentie tot uitdrukking komt. Het onderscheid echter tussen een geanalyseerde voorstelling en een tot teken geconcentreerde voorstelling is voor een modern denkende westerse mens niet of nauwelijks te vatten. Het zal dan ook wel zo lopen dat men binnenkort zal gaan beweren dat Jan Vis een lans gebroken heeft voor de moderne kunst en dat hij er nog eens op gewezen heeft dat men in de kunst “los behoort te komen van de voorstelling”.

Het zij zo... ,


103.

Het nadenken van de moderne mens is te typeren als “domheid op hoog intellectueel niveau”. Het denken, op zichzelf beschouwd, staat inderdaad op een hoog niveau. De analyse immers is zo langzamerhand zo geraffineerd geworden dat in principe elk geheim ontsluierd kan worden. Maar onder deze zaak ligt een grondtoon van volslagen onbegrip, van een hopeloos gemis aan inzicht en een nagenoeg geheel verziekte intuďtie. Omdat het hierbij gaat om menselijke kwaliteiten die “in het verborgene” met de cultuur mee-ontwikkeld zijn moet je van domheid spreken. Men heeft immers de mogelijkheid om die kwaliteiten wel tot hun recht te laten komen! Je hebt met domheid te doen als iemand wel de mogelijkheid heeft om iets te doen, te laten, of te laten gelden, maar het vanuit een bepaalde redenering, opvatting of gewoonte achterwege laat. Zo moetje van de moderne westerse mens zeggen dat hij ten voeten uit staat als “domheid op hoog intellectueel niveau”.

Een belangrijke uiting van die domheid is te herkennen aan het almaar voortborduren op dezelfde stramienen. Men zoekt en herkent geen nieuwe gedachten en als men het, doorgaans met veel zelfoverschatting, toch over “iets nieuws” heeft blijkt dit bij nadere beschouwing ook weer hetzelfde te zijn, maar dan op een iets andere wijze! Alleen in het geavanceerde wetenschappelijke onderzoek weet men enigszins raad met werkelijk nieuwe denkbeelden, maar daarbij moet gezegd worden dat men wat dit betreft nooit kan kiezen: aan wat het onderzoek boven water brengt kan niet zomaar voorbijgegaan worden, althans tegenwoordig niet meer. Vroeger kon men, zonder verlies aan geloofwaardigheid, beweren dat bepaalde onwelgevallige uitkomsten aan de zogenaamde “ruis” te wijten waren. Dus aan vervuiling in de vorm van toleranties van de instrumenten en onvermijdelijke onnauwkeurigheden in de waarnemingen. Tegenwoordig trapt men daar niet zo gemakkelijk meer in. Toch zie je dat ook op dit terrein heel wat weerstanden overwonnen moeten worden om nieuwe theorieën aanvaard te krijgen.

 

104.

Er is een groot verschil tussen “mooi zijn” en “mooi vinden”. Maar helaas is de moderne mens nauwelijks in staat dit verschil te bevatten. Voor een belangrijk deel komt dit door het uitermate slordige denken van de moderne mensen. Je zou je bijvoorbeeld in kunnen denken dat iemand wel aanvoelt dat er een verschil tussen “mooi zijn” en “mooi vinden” is, maar dat het zo iemand niet gelukt daarvoor een aannemelijke verklaring te vinden. Dat behoeft niet op slordigheid te duiden. Maar het is wel slordig als je bedoeld verschil niet opmerkt en vervolgens de hele zaak door elkaar gaat smijten. Dat gebeurt met een bloedstollend gemak! Op het ene moment beweert men met grote stelligheid dat een bepaalde kunstenaar geweldig “goed” is om op een ander moment staande te houden dat het waarderen van alle kunst een kwestie van smaak is en dus niet voor een objectieve beoordeling in aanmerking komt: "de een vindt dit mooi en de ander dat". Op het ene moment gaat het dan blijkbaar over “mooi zijn” en daarna over “mooi vinden”. Dat beide noties elkaar uitsluiten valt dan niet op - en dat is nu juist het slordige...

 

105.

Als het goed is, is er van een waarachtig kunstwerk te zeggen dat het “mooi” is.


Het “mooi zijn” is uitsluitend aan de kunst voorbehouden. Je kunt uiteraard ook een andere term gebruiken, als er maar het besef uit spreekt dat datgene waarom het in de kunst gaat, tot uitdrukking komt in bedoeld kunstwerk. Het begrip mooi behoeft volstrekt niet te betekenen dat het uitgedrukte zo fraai, zo lieflijk, zo sierlijk, zo bevallig, en zo verder, is. Het begrip mooi, of een ander woord, slaat op de unieke eigenaardigheid van een kunstwerk dat het de werkelijkheid als beeld tot uitdrukking brengt. Er is buiten de kunst niets dat daartoe in staat is. Om dit “mooi zijn” te herkennen moet je een heldere kijk op de kunst hebben.

Zo'n kijk ontwikkel je door zoveel mogelijk kunst te “genieten” en dat wil feitelijk zeggen: te ondergaan. Je ontwikkelt hem per se niet door boeken over kunst te lezen, het geleuter van moderne kunstenaars aan te horen of je zelf met het vervaardigen van “kunstwerken” onledig te houden. Het veelgehoorde argument dat je “er verstand van moet hebben” en dat alleen die “deskundigen” het recht zouden hebben een oordeel over een kunstwerk te geven, is volstrekte onzin. Verstand hebben van heeft betrekking op genoemd “geleuter” en is kunstzinnig niet interessant. Omdat het ware kunstwerk absoluut voor zichzelf moet spreken heeft het “verstand hebben van” geen betekenis. Wel heeft “inzicht hebben in” en “een kijk hebben op” betekenis. Je kunt dat niet leren zoals je het alfabet en rekenen leert, maar je kunt het wel in jezelf ontwikkelen.

 

106.

Mooi vinden kan op van alles betrekking hebben. Je kunt je fiets mooi vinden en een locomotief, maar ook een kunstwerk. Dat is inderdaad een kwestie van smaak. Je kunt bijvoorbeeld Beethoven mooi vinden, maar Chopin helemaal niet; je kunt Breitner mooi vinden maar Van Gogh lelijk, enzovoort. Maar je kunt niet stellen dat Van Gogh of Chopin niet mooi zijn. Dat wil zeggen: je kunt het wel stellen, maar dan blijkt daaruit dat je er geen kijk op hebt. Iedereen en niemand-niet heeft zijn voorkeuren. Dat geldt niet in de laatste plaats voor het genieten van kunst. Over die voorkeuren valt inderdaad niet te twisten, zij zijn simpelweg zoals ze zijn. Maar daarnaast, of zo je wilt “daar bovenuit gaande”, is er de kijk op de kunst en die leert je wat “mooi” is en wat niet. Je kunt dat scherper stellen en je afvragen of iets kunst is of niet. Daarvoor echter moet je op je definitie van het begrip kunst letten: versta je onder kunst elke creatieve uitdrukking van iemands ziele- of geestesroerselen, dan valt ook al datgene dat niet-mooi is er onder. Dus ook zonder meer alle moderne kunst. Ook spielerei is immers zo'n “roersel". Deze benadering is in zoverre te verdedigen datje het creatieve gedoe in zijn algemeenheid onderscheidt van alle andere activiteiten en het op grond daarvan ook rechtvaardigt. Uiteindelijk blijft het een feit dat ook diegene die zich met spielerei bezig houdt tegengesteld is aan diegene die in materiële zin productief wil zijn. Als je al het creatieve gedoe onder de rubriek “kunst” wil laten vallen blijft voor diegene die er “kijk” op heeft over dat er een onderscheid is tussen “mooie” (goede, waarachtige) kunst en “niet-mooie” kunst. Deze laatste kunst gaat niet over de werkelijkheid als beeld, maar louter over het kinderlijk spelen met de voorstelling, die al dan niet versnipperd is. Degene die er kijk op heeft zal echter doorgaans de voorkeur geven aan het onderscheid tussen kunst en niet-kunst (dat behoeft nog lang geen “kitsch” te zijn!). Hij houdt het op het uitdrukking geven aan de werkelijkheid als beeld. En hij zal niet anders kunnen dan de moderne kunst over vrijwel de gehele linie te veroordelen... Ik doe dat ook zonder pardon!

 

107.


Er worden onder de noemer van de moderne kunst heel wat werkstukken gemaakt die mooi gevonden kunnen worden. Vaak zijn de kleuren mooi zodat zij allerlei associaties in de beschouwer oproepen. Vaak zijn de klanken mooi, de woorden fraai gekozen, enzovoort. Dikwijls kun je er behoorlijk van genieten, hoewel het vaststaat dat na enige tijd de verveling toeslaat. Alles wat niet boven de materie uitgaat verveelt na enige tijd. De redenen daarvoor laat ik nu even buiten beschouwing, want een ieder kan bij zichzelf nagaan dat het toeslaan van de verveling inderdaad steeds het geval is.

 

108.

Het kijk hebben op kunst staat geheel los van de voorkeuren die men heeft, dus van de smaak. De een zal deze kunstwerken prefereren, bij de ander zal zijn voorkeur een geheel andere kant uitgaan. De smaak wordt door een veelheid van factoren bepaald en daaronder zijn er ook die betrekking hebben op de tradities waarin iemand opgegroeid is, en ook zijn er die samenhangen met iemands eigen talenten. Maar, kijk hebben op kunst betekent dat men herkent waar het in de kunst werkelijk om gaat en dat is dus het bijwijze van beeld afspiegelen (aan de voorstelling) van de werkelijkheid als bewustzijn. Als men bevangen zit in de mode van zijn tijd of als men te weinig aanleg heeft om dat beeld te herkennen blijft men onherroepelijk in de smaak steken en dan kan het niet uitblijven dat op den duur die, op een bepaald moment heersende, mode de maat wordt voor het al of niet mooi vinden van een of ander kunstzinnig object. Omdat de mode in sterke mate beďnvloed wordt door allerlei tijdelijke opvattingen, waarvoor men tegenwoordig via de media intensief reclame kan maken, is ook de daaraan meekomende zogenaamde kunst gebaseerd op allerlei verhalen. In feite is het alles dan een buitengewoon kinderachtige aangelegenheid die vooral populair is bij oppervlakkige lieden uit de wereld van geld, glamour en glitter.

 

109.

Het hedendaagse glitterdom is rijkelijk voorzien van dames die hun innerlijke leegheid en verveling trachten te verdrijven door zich met schilderen bezig te houden. Omdat zij als regel zwemmen in het geld dringen zij met hun producten gemakkelijk door in het circuit van galerieën zodat zij regelmatig hun leeghoofdenrij kunnen exposeren. Zo nemen zij de plaats in van ernstige kunstenaars die nauwelijks meer een schijn van kans hebben. Opmerkelijk is dat bedoelde dames het schilderen verkiezen. Maar de verklaring daarvoor blijkt eenvoudig: je kunt dan namelijk naar hartelust knoeien en net zolang poetsen tot het net lijkt alsof er iets moois ontstaan is. Op zo'n manier is het schilderen een gemakkelijk medium! Iets moeilijker is voor hen het schrijven van boeken. Maar met behulp van de een of andere gladde journalist - want dat zijn tegenwoordig de kenners op het gebied van de schrijfkunst krijg je toch al gauw een boek in elkaar geflanst. De relaties en het geld zorgen er vervolgens voor dat er ook gemakkelijk een uitgever gevonden wordt, iets wat voor een echte schrijver nagenoeg onmogelijk is. Het schilderen en het schrijven van boeken zijn populair bij de dames, maar tekenen en dichten bijvoorbeeld worden angstvallig gemeden, want de dames hebben natuurlijk al lang door dat daarbij zelfs voor de leek duidelijk is dat je werkelijk talent moet hebben en datje dus zonder pardon door de mand valt met je rommel. Muziek maken of componeren is al helemaal uit den boze want die vakken vereisen een grote mate van bekwaamheid! Niet doen dus...

 

110.


Het “doen” alsof gaat bij de moderne mens zover dat hij meent dat het voldoende is zich in de mentaliteit van de kunstenaar te verplaatsen en die vervolgens zo goed mogelijk over te nemen. Dat gedoe wordt dan overgoten met een sausje van zelfoverschatting, eigenwijsheid en kortzichtigheid dat men overigens gemakkelijk kwalificeert als een “theorie”, een “therapie” en een “levensleer”. Het resultaat van het volgen van zo'n strategie is een mens die zich verbeeldt een kunstenaar te zijn en die denkt heel wat te kunnen en die bovendien - dat is eigenlijk nog het ergste - meent dat echt kunstenaarschap niet bestaat omdat het niet nodig is aanleg voor het creëren van kunst te hebben.

Hij meent trouwens dat in het algemeen het begrip aanleg een ouderwets begrip is, een overwonnen standpunt. En daar komt de aap uit de mouw: het door het moderne denken voortgebrachte nivelleringstrauma is ook in de kunsten ingeslopen !

 

111.    persoonlijkheid-1 ; persoonlijkheid-2 ; persoonlijkheid-3 ; persoonlijkheid-4

In de kunstenaar leeft een wezenlijke, dat wil zeggen: een tot zijn wezen behorende, uitingsdrang. Dat is een drang die noodzakelijk en onvermijdelijk, volkomen buiten iemands zelfbewuste persoonlijkheid om, leidt tot kunstenaarschap. De kunstenaar kan dus niet kiezen of hij zich wel of niet uiten zal, hij kan het eenvoudig niet laten zich bijwijze van kunst te uiten. Die drang vindt zijn oorsprong in het feit dat de werkelijkheid als beeld een universele, maar op zichzelf niet zichtbare, werkelijkheid is die erom vraagt om tot uitdrukking gebracht te worden. De kunstenaar is degene in wie die vraag in de vorm van een aanleg zelfbewust wordt. Datzelfde geldt ook voor de filosoof - althans, als het goed is! De creatieve activiteiten van kunstenaars en filosofen zijn geworteld in en gericht op het zich uiten, op het tot uitdrukking brengen van en het gestalte geven aan die onzichtbare wereld van het beeld, die een afspiegeling aan de voorstelling is van de werkelijkheid als bewustzijn. Uitsluitend daarom gaat het en om niets anders! Omdat dat zich uiten betrekking heeft op een universele zaak en omdat het tot ontplooiing komt in de mens als enkeling is het een volstrekt onafhankelijke zaak. Dat wil zeggen: voor de kunstenaar en de filosoof is er niets uitwendigs dat op de een of andere wijze bepalend is voor zijn kunst of filosofie. Het zich uiten vindt zijn criteria in de kunstenaar en de filosoof zelf en nergens anders. Niet alleen dat de criteria voor kunst en filosofie in de kunstenaar en de filosoof zelve besloten liggen, maar daarenboven geldt ook nog dat beider creaties geen uitwendig doel dienen. Zij willen de mensen geen boodschap brengen, niet opvoeden, niet vermaken, niet beleren, noch een moraal of een ideaal voorhouden. Als het goed is willen zij helemaal niets, behalve zich zo helder mogelijk uiten. Omdat het in de aard van een uiting ligt om kenbaar gemaakt te worden komen kunstenaars en filosofen met hun creaties voor de dag. Zij stellen de mensen ervan op de hoogte, maar ook dat doen zij in alle onverschilligheid: zij zien wel wie de zaak opgrijpt en wie niet. Dat betekent ook dat het hen bij het zich uiten niet gaat om geld verdienen, status of macht te verwerven. Voorzover zij daaraan behoefte hebben is dat een behoefte die los staat van hun werk, ook als blijkt dat zij met dat werk geld kunnen verdienen. Dus: het werk wordt gemaakt vanuit de onbedwingbare wezenlijke behoefte zich te uiten en vervolgens blijkt wel of er ook nog iets mee te verdienen is. Overigens : dat zich uiten komt voort uit de aanleg om aan de werkelijkheid als beeld op een zelfbewuste wijze uiting te geven. Dat is dus wat anders dan de min of meer modieuze behoefte om eigen psychische armoede te compenseren doormiddel van tot populaire methodes verschraalde creatieve hobby’s, waarvan overigens nadrukkelijk gesteld moet worden dat wie er behoefte aan heeft het vooral niet moet laten..!

persoonlijkheid-1 ; persoonlijkheid-2 ; persoonlijkheid-3 ; persoonlijkheid-4

 

112.


Over het algemeen is te zeggen dat er met kunst en filosofie niets te verdienen valt. Dat komt doordat er aan kunstwerken en filosofische gedachten geen waarde gehecht kan worden en zeker geen meerwaarde die grond zou kunnen zijn voor geld verdienen. Het ontbreken van een mogelijkheid om aan kunst en filosofie waarde te hechten en meerwaarde toe te kennen vindt zijn oorzaak in het feit dat het om de werkelijkheid als beeld gaat. Die is manifestatie van het bewustzijn. Omdat het bewustzijn een universele werkelijkheid is kan er niets naast of tegenover gesteld worden; er is geen mogelijkheid om die werkelijkheid met iets anders te vergelijken en dus is het ook niet mogelijk de zaak in waarden uit te drukken. Als iets zich onmogelijk in waarden uit laat drukken is er niets mee te verdienen. Wordt er toch, om welke reden dan ook, voor betaald, dan is het maar net “wat de gek er voor geeft”. Op zichzelf behoeft dat niet kwalijk te zijn want de kunstenaar en de filosoof moeten ook leven, maar strikt doorgedacht kun je niet stellen dat er voor het werk van de kunstenaar en de filosoof betaald wordt. Vaak is dat enerzijds voldoende reden om die mensen dan ook maar niet te betalen en ze min of meer te laten verkommeren, of om ze anderzijds een “waardevolle” status aan te bieden als docent of iets dergelijks.

 

113.

Als het goed is zit er in kunstwerken noch filosofieën een “waardevolle factor”.

Dat wil zeggen dat er op geen enkele manier iets in te vinden mag zijn dat gebruikt kan worden om er geld mee te verdienen. Iets wat zich daarvoor leent is natuurlijk iets waaraan waarde toegekend kan worden. Dat kan dan niets anders zijn dan iets wat “uit het geheel springt” als zou het iets bijzonders zijn dat het verdient naar voren gehaald te worden. Daarmee is het universele verbroken en dat betekent dat de ziel uit het kunstwerk of de filosofie gehaald is. Iedere filosoof of kunstenaar die zich opwerpt als iets bijzonders dat waardevol is heeft in zijn denken of zijn kunst een aantal onwaarachtigheden ingebouwd of laten insluipen. Dat is een onverbiddelijke noodzakelijkheid. Ook als blijkt dat zo'n filosoof of kunstenaar veel voor een groot aantal mensen betekent zit er toch iets wezenlijk fout. Zijn filosofie en kunst mogen geen aanknopingspunten bieden voor volgelingen, discipelen, aanbidders en dergelijken. Eigenlijk blijkt dat ook wel, want louter op grond van zijn denken of kunstwerken krijgt niemand volgelingen: er moet een grote mate van mysterie, van show, bijkomen. Bijvoorbeeld doen, wat het denken betreft, baardige lieden uit het Oosten het nog steeds goed...Uiteraard moet de zaak niet omgedraaid worden. Een integere kunstenaar of filosoof kan best onder gunstige omstandigheden bij een groot aantal mensen in de smaak vallen zodat hij veel geld voor zijn werk krijgt. Maar hij zal speciaal voor dat geldverdienen niets ondernemen!

 

114.

Door de analyse, die karakteristiek voor onze cultuur is, is er zo langzamerhand een grote behoefte aan relativeren ontstaan. Dat betekent eigenlijk dat er ingezien wordt dat iets niet noodzakelijk zo moet zijn, maar ook best anders kan zijn. Dat is natuurlijk een belangrijke vooruitgang in de zelfbewuste benadering van de werkelijkheid door de moderne mens. Dogmatisme, autoritaire eigenwijsheid, principiële kortzichtigheid en nog meer van die onhebbelijkheden worden gaandeweg herkend en aan de kaak gesteld, zodat zij steeds minder kans krijgen zich door te zetten en als de maat te laten gelden.


Toch slaat ook dit weer om in de verkeerde richting, zoals gebruikelijk in een onvolwassen mensheid. Het feit dat iets eventueel ook anders zou kunnen zijn houdt niet bij voorbaat in dat dat andere even goed zou zijn. Het kan beter zijn, maar ook slechter. Omdat dit het geval is kun je er niet omheen de kwaliteiten van de verschillende mogelijkheden te toetsen en met elkaar te vergelijken. Alleen als deze vergelijking plaatsvindt en men er ook conclusies uit trekt kan het begrip relativeren werkelijk inhoud krijgen. Het fungeert dan als de stimulans om op “dialectische” wijze te gaan nadenken en te proberen tot een dieper en helderder inzicht te komen. Het “andere” wordt dan niet bij voorbaat verworpen en het wordt ook niet bij voorbaat als een nieuwe maat gesteld, maar het wordt aanvaard als een nieuw element in de immer voortdurende gedachtegang.

 

115.

Wat is er evenwel van bet begrip relativeren terechtgekomen? De zaak is blijven steken in het voor de hand liggende, in het kortzichtige en gemakkelijke. Dat is op zichzelf niet verwonderlijk: het zich bezig houden met de analyse van de voorstelling leidt ertoe dat men steeds geconfronteerd wordt met het voor de hand liggende. Je zou haast zeggen dat dit letterlijk het geval is. Elke diepere laag van het geanalyseerde object vormt een nieuw voor de hand liggend object, en dat blijft zo totdat er niets meer over is. De mening dat het afdalen in steeds diepere lagen van de werkelijkheid ook tot een dieper inzicht zou leiden is volstrekt fout. Sterker nog, je kunt zelfs met recht en reden stellen dat deze steeds diepere analyse de mogelijkheid tot het verkrijgen van inzicht almaar meer verkleint! Het relativeren is blijven steken in het aanvaarden van de aanwezigheid van andere mogelijkheden. Omdat het op dialectische wijze vergelijken van de verschillende mogelijkheden, of in ieder geval het trekken van conclusies, achterwege blijft ontstaat er in toenemende mate een ratjetoe van naast elkaar staande toestanden waarvoor geldt dat men voor de kwaliteit ervan volslagen Onverschillig is geworden. Zo leidt het op zichzelf voortreffelijke relativeren tot een op mentaal en sociaal gebied chaotische samenleving waarmee op den duur niemand meer raad weet.

 

116.

Het begrip relativeren kan ook inhouden dat men alles als betrekkelijk wenst te beoordelen. Men vindt dan dat er in wezen niets is dat zeker is en bovendien vindt men dat bij beoordeling van een zaak onvermijdelijk het feit meespeelt dat het altijd een complex van omstandigheden is dat bepalend is voor de hoedanigheid van zo'n aangelegenheid. In die context houdt relativeren in dat men zich eigenlijk opstelt als een “niet-weter” die lafhartig een beoordeling achterwege laat. Welnu, het is inderdaad een feit dat er niets zeker is in de zin van vast-staan.


De werkelijkheid is door en door beweeglijkheid en beweging. Het begrip verandering speelt een cruciale rol. De gedachte echter dat dit veranderlijk-zijn noodzakelijk voert tot een fundamenteel niet-weten is een foute gedachte. Het is een nogal botte reactie op het moderne denken dat zich alleen maar kan betrekken op het vaststaande omdat dat, naar men meent, voldoet aan de criteria die nodig zijn om analyse toe te passen. Het ligt namelijk in de logica dat alleen datgene dat “vaststaand” is “losgemaakt” kan worden en zich dus leent voor het uit elkaar halen, wat de analyse in feite is. Het principiële niet-weten van het moderne denken is op zichzelf en gezien in dit licht wel te begrijpen, maar men heeft toch in dat moderne denken geen oog voor het feit dat een veranderlijke, want beweeglijke, werkelijkheid nu juist de waarachtige is waarop het begrip weten bij het verschijnsel mens betrekking heeft. Het “weten” van dat laatste verschijnsel is op zichzelf een door en door beweeglijke zaak, die dus niet aangewezen is op vaststaande grootheden, maar wezenlijk juist op beweeglijke! In het licht van dat beweeglijke verschijnt de werkelijkheid nu niet langer als iets onzekers waarop de kwalificatie “niet-weten” van toepassing is, maar juist als een zekerheid, zij het dan dat dat er een van beweeglijke aard is. Je zou kunnen zeggen dat het niet een weten is van iets dat vaststaat, maar een weten van iets dat “kan gebeuren”. Dat maakt ook het begrip toeval begrijpelijker, want van een groot aantal zaken is nu in te zien dat zij, hoewel toevallig, toch onvermijdelijk zijn. Zo behoort de dood tot de zaken die men met zekerheid kan voorspellen, zonder te weten wanneer, waar en hoe hij toe zal slaan. Zo beschouwd heeft het besef van relativiteit geen zwakke inhoud, in de zin van “niet-weten”, maar daarentegen juist een sterke.

 

117.

De kunst heeft voor het moderne denken iets tweeslachtigs: zij behoort uit te gaan van de voorstelbare werkelijkheid, maar als die voorstelling uit elkaar gehaald is vervallen de mogelijkheden voor de kunst. Dat komt doordat zich aan een stukgemaakte voorstelling geen beeld meer afspiegelen laat. De voorstelling kan dan niet meer gecomprimeerd worden tot een teken, dat wil zeggen: een bepaald verschijnsel dat zich laat gelden als de werkelijkheid. Voorzover de moderne kunsten werken vanuit een stukgemaakte voorstelling, dus vanuit door analyse verkregen elementen van de voorstelling, kan zij onmogelijk tot De Kunst gerekend worden. Dat neemt niet weg dat die moderne kunsten uitermate smaakvol en kunstzinnig gevonden kunnen worden. Zij kunnen een lust voor het oog zijn, maar dat kan een fraaie automobiel ook en volgens sommige wiskundigen kan ook een algebraďsche formule vol schoonheid zijn! Overigens moet opgemerkt worden dat de moderne kunst op het gebied van letteren niet veel fraais opgeleverd heeft, evenmin trouwens als op het terrein van het toneel. En wat de muziek betreft zijn de resultaten al helemaal afschuwelijk.

 

118.

Sommige componisten hebben begrepen dat de weg van de vrije klankexpressie een doodlopende is. Zij hebben weer aansluiting gezocht bij de muzikale traditie, in die zin dat zij de natuurlijke toonwetten weer als basis van de muziek zijn gaan aanvaarden. Helaas blijkt telkens weer dat ook daarbij de resultaten teleurstellend zijn, hetgeen niet verwonderlijk is omdat de juiste artistieke instelling bij de moderne mens ontbreekt. De instelling namelijk om, uitgaande van het natuurlijk gegevene, met name de werkelijkheid als voorstelling (in dit geval “klankvoorstelling”), gestalte te geven aan de werkelijkheid als beeld. Dat die instelling ontbreekt is te wijten aan het karakter van onze moderne cultuur. het analyseren van de werkelijkheid als voorstelling, of anders gezegd: het qua ontwikkeling toegekomen zijn aan zichzelf als zelfbewustzijn, in die zin dat het onderzoeken van het zelfbewustzijn het centrale thema is geworden. In de kunst gaat het evenwel niet om het onderzoeken van het zelfbewustzijn en de voorstelling als zijn concrete inhoud, maar om het “gestalte-geven” daaraan zodat de werkelijkheid als beeld zichzelf op de wijze van een afspiegeling ervaarbaar kan maken. Dit nu is voor de gemiddelde moderne kunstenaar een volstrekte onmogelijkheid...

 

119.


Je kunt nooit van tevoren zeggen hoe een tot teken gecomprimeerde werkelijkheid er uit zal zien, zich horen of lezen laat. Dat komt doordat deze werkelijkheid door en door beweeglijk is en zich op grond daarvan niet in formules en systemen vastleggen laat. Toch is het een feit dat de kunstenaar die beweeglijke zaak op de wijze van het teken probeert vast te leggen, maar daarbij onderwerpt hij zich niet aan voorgeschreven formules en systemen. Hij “grijpt” eerst de voorstelling en haalt daaruit het teken naar voren. Dat is een activiteit die telkens weer anders verloopt. Pas als de activiteit van het “naar voren halen” van het teken geschied en het kunstwerk voltooid is kun je nagaan of er inderdaad van kunst gesproken kan worden. Bepalend is daarbij dus niet wat de voorstelling was en wat daarmee gedaan is (dat ligt namelijk op het terrein van het vakmanschap), maar bepalend is uitsluitend of de zaak tot teken geworden is en op grond daarvan betekenis heeft gekregen.

 

120.

Beschaving( lees de nummers 120 en 121 )

Tijdens de cultuurontwikkeling is er steeds en onvermijdelijk een dominant cultuurgebied waarin de mensen, uiteraard ongewild en ongeweten, het voortouw hebben genomen. In zo'n gebied loopt men qua ontwikkeling en beschaving vooraan. Over het algemeen komt het zich realiseren van zo'n nieuwe dominant in de praktijk voor de dag als het zich verplaatsen van de beschaving naar een nieuwe landstreek. Hegel heeft er destijds terecht op gewezen dat een dergelijke voortgang afhankelijk is van de mogelijkheid om met andere volkeren in contact te komen. Zo werken rivieren, valleien, bergpassen en zo meer bevorderend voor de communicatie. Via die verbindingen worden de mensen zich bewust van nieuwe mogelijkheden en dat gaat zo vele eeuwen door, van de ene cultuur naar de andere en steeds gaat men, soms nauwelijks merkbaar, een stapje verder...Maar als de laatste fase van de ontwikkeling aangebroken is valt er niets meer te verplaatsen. Wat je dan ziet is een zich uitbreiden van de, inmiddels allesomvattend geworden, cultuur. Wanneer die uitbreiding zich over de ganse planeet uitstrekt is voor de mensen de tijd rijp om de stapsgewijze ontwikkeling van de cultuur achter zich te laten en een begin te maken met watje zou kunnen noemen de uitwerking van die allesomvattende cultuur. Dit zich waarmaken als een “cultureel ontwikkelde mensheid” bestrijkt de periode van de volwassenheid. Welbeschouwd kun je dan niet meer van “een cultuur” spreken omdat het dan ontstane ineenzijn van alle cultuurmomenten in feite al die momenten op en voor zichzelf ontkent. Daarmee zijn ook de benauwende normstelsels met de daarbij behorende, onvermijdelijk bekrompen, cultuurdwang opgeheven. Dat maakt het de mens mogelijk de werkelijke inhoud van zijn volwassenheid naar voren te brengen en eerlijk te laten gelden.

 

121.


Globaal gezien blijkt de ontwikkeling van de culturen zich te bewegen van het  oude oosten via India, Klein- Azië, Egypte, Griekenland, Noord- Afrika en Italië naar West-Europa. Bij die ontwikkeling is telkens de volgende fase superieur aan de voorgaande. De volgende gaat noodzakelijk een stap verder dan de voorgaande. Maar, het is wel een stap “verder". Dat wil zeggen dat het voorgaande niet overboord gezet wordt. Het krijgt er integendeel een dimensie bij, waardoor het niet alleen een omvangrijkere inhoud krijgt, maar ook een ander functioneren in de praktijk van het dagelijkse leven. Deze ruimere inhoud behoeft voor onze moderne opvattingen helemaal niet “beschaafder” , “redelijker” , “intelligenter” of iets dergelijks te zijn. Wij kunnen bijvoorbeeld achteraf de cultuur van de Romeinen als een terugval ervaren, vergeleken bij de cultuur van de Grieken op het hoogtepunt van hun beschaving. Het ging bij deze laatsten immers om de schoonheid van een als een “geheel” ervaren vrouwelijke werkelijkheid, terwijl de Romeinen verzamelaars waren bij wie het om de concrete inhoud van het geheel ging. Die inhoud is volstrekt materieel, het zijn de “ditten en de datten” - in de ogen van de oude Grieken iets uiterst banaals! En het gedoe van de Germanen op zijn beurt lijkt, vergeleken bij de cultuur van de Romeinen, al helemaal nergens op! Toch is er steeds een voortgang. Er realiseert zich iets dat er voordien niet was, of dat alsnog een ondergeschikte rol speelde. Zo is er in de tijd voordat het Romeinse recht geformuleerd werd en universele geldigheid kreeg wel degelijk van bepaalde vormen van recht te spreken, maar dat recht lag niet in het alledaagse besef van de mensen. Het was nog geen algemeen rechtsbesef, hoogstens sudderde het in de geesten van buitenbeentjes met een verder ontwikkeld zelfbewustzijn. Maar met de Romeinen deed het recht zijn intrede in de wereld en daarmee begon de wet het onderspit te delven, in die zin dat de wet voortaan ondergeschikt aan het recht werd. Met het doorbreken van het rechtsbesef neemt de laatste ontwikkelingsfase van de mens een aanvang. Nu is inzake het regelen van de onderlinge verhoudingen tussen de individuen de machthebber als persoon niet langer de maat maar de gemeenschap als geheel. De willekeur moet nu plaats maken voor de redelijkheid. Uiteraard is daarbij de kwaliteit van die redelijkheid voorlopig niet in het geding! Die laat zeker aanvankelijk heel wat te wensen over, maar in alle gebrekkigheid is hij toch de maat en iedere potentaat zal van nu af aan net doen of zijn wensen en wetten op redelijkheid en dus op recht berusten. Dat het nu om de gemeenschap en de redelijkheid gaat is gevolg van het feit dat de mens bij zichzelf is aangeland en daarmee is de cultuur in het teken van het zelfbewustzijn komen te staan.

Beschaving( lees de nummers 120 en 121 )

 

122.

De zelfbewuste mens is, ongeacht de kwaliteit van zijn zelfbewustzijn, noodzakelijk het verst gevorderd in zijn ontwikkeling als mens. De verklaring hiervoor is simpel: de zelfbewuste mens is de laatste mogelijkheid qua cultuurontwikkeling! Uiteraard gaat diegene die in het teken van de uitwerking van het zelfbewustzijn staat weer verder dan de alleen nog maar zelfbewust geworden mens. Zo kun je met recht stellen dat deze volwassen geworden mens “superieur” is aan zijn alsnog in ontwikkeling zijnde medemensen. Maar de volwassen mensen, die dus aan de uitwerking bezig zijn, kennen geen onderscheid meer qua superioriteit. De verschillende graden van uitwerking zijn namelijk niet bepalend, maar het  loutere feit dat men daarmee bezig is. Hier krijgen de “gelijkheid” van de mensen, de “broederschap”, het “met zijn allen zijn” en zo meer werkelijke concrete betekenis!

 

123.


De moderne westerse mens is als zelfbewustzijn “superieur” aan de overige mensen. Deze uitspraak komt zo zonder meer buitengewoon onaangenaam over. De oorzaak hiervan is vooral dat terecht voor het besef van weldenkende onvolwassen mensen superioriteit gepaard gaat met macht. Dat houdt onmiddellijk in dat de westerse mens uit hoofde van zijn cultuur machtig zou zijn en dus de dienst zou uitmaken voor alle andere mensen, iets wat inderdaad tot voor kort het geval was en normaal gevonden werd en zelfs vandaag de dag nog lang niet echt verdwenen is. Maar in feite gaat het nu niet over macht, maar over superioriteit in menselijkheid, in de zin van “mens-zijn”. Dat is immers het proces dat gaande is! De mensen zijn op weg naar zichzelf en niet op weg naar nog grotere macht. De superioriteit is derhalve gelegen in zelfbewust mens-zijn, in humaniteit als je het zo wilt noemen. Hoewel het sinds een aantal decennia onder intellectuelen mode is geworden de eigen moderne westerse cultuur te criminaliseren, is en blijft het toch een onloochenbaar feit dat er in de westerse wereld een algemeen geldende humaniteit ontwikkeld en geldig gemaakt is en dat er niet veel integriteit voor nodig is om vast te stellen dat die humaniteit mijlen ver voor ligt op de rest van deze ongelukkige wereld...

 

124.

Rechten van de Mens

Natuurlijk getuigt niet alles waarmee de westerse mensen komen van menselijkheid. Eigenlijk ligt de zaak nogal dubbel, want vanuit de individualistische gesteldheid van de westerse cultuur is de westerse mens op zichzelf gericht, en wel in die zin dat hij zich rigoureus als “ik” tracht waar te maken. Dat levert op zichzelf niet veel menselijkheid op! Er is een grote (psychische) onverschilligheid voor de medemens. Tegelijkertijd echter is het diezelfde mens die vanuit zijn eigen ontwikkeling als individu tot de ontdekking komt dat de andere mensen ook bestaansrecht hebben. Langzaam maar zeker gaat hij dat laten gelden, uiteraard via allerlei verschillende, schijnbaar op zichzelf staande maar in feite toch uit elkaar voortvloeiende, opeenvolgende fasen. Het paradoxale is dus dat juist de op zichzelf gerichte, eigenbelang dienende westerse mens degene is die het eerst de medemens ontdekt en die vervolgens steeds meer bevestigt. Die bevestiging heeft onder meer zijn uitdrukking gevonden in het westerse recht, maar ook in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Hoezeer die rechten ook vertrapt worden, zij zijn bij de westerse mens eenmaal tot zelfbewustzijn gekomen en kunnen daaruit nooit meer verwijderd worden! Eenmaal geweten , blijft geweten...

Rechten van de Mens

 

125.

[ spoorwegen ; privatiseren ; zichzelf zijn ;]

Welbeschouwd draait het bij de geschiedenis steeds om de “menswording” . Zoals gezegd zijn daarin twee perioden te onderscheiden: ten eerste is daar de periode van de ontwikkeling en ten tweede die van de uitwerking. Aan deze laatste is de mensheid nog lang niet toe, hoewel de ontwikkeling intussen al zover gevorderd is dat in de westerse wereld het laatste moment daarvan, namelijk het effectief worden van het zelfbewustzijn, al wel aangebroken is. Voorzover de westerse cultuur, die op zichzelf alsnog geografisch bepaald is, overgaat in de moderne cultuur en zich als zodanig uitlegt over de gehele planeet is genoemd laatste moment bezig een overgangsmoment te worden. De voortekenen daarvan zijn allerwegen aan te treffen, maar voorlopig worden zij bepaald niet geheel ten onrechte, negatief beoordeeld en dus als kwalijke verschijnselen bestreden. Zo is bijvoorbeeld het zogenaamde privatiseren, waartoe overheden meer en meer overgaan, in wezen geen poging de maatschappij effectiever in te richten. Bijna iedereen, en vooral de doorsnee politicus, denkt dat wel, maar in feite is men bezig traditionele overheidsdiensten in handen van de bevolking te spelen, zij het dan dat die bevolking nog geruime tijd beperkt zal blijven tot een bovenlaag van managers die niets anders in hun hoofd hebben dan zoveel mogelijk geld te verdienen aan de maatschappij .Tegelijkertijd zijn de staat en de overheid al volop aan het instorten en het behoeft dan ook echt niet te verwonderen dat beide steeds incompetenter en machtelozer worden!

[ spoorwegen ; privatiseren ; zichzelf zijn ;]

 

Naar boven

 

126.


Overigens zijn de machteloosheid en de incompetentie van staten en overheden geen gevolg van praktische domheid - hoewel die uiteraard nog steeds welig tiert - maar daarentegen juist van een hoge praktische, want wetenschappelijke, scholing. Elk proces van besluitvorming en -uitvoering gaat volgens wetenschappelijk uitgedokterde methodieken, geheel in overeenstemming met de daartoe ontwikkelde theorieën. Daarmee worden het zicht op en het vermogen tot het sturen van de maatschappij almaar meer teruggedrongen en verduisterd, zodat de managers tenslotte met grote deskundigheid doende zijn met een werkelijkheid die er helemaal niet is en die alleen maar in hun universiteiten, hun boeken en hun hoofden voorkomt..!

 

127.

Het evolutieproces is het proces waarin het leven zich ontwikkelt van een eencellig wezen tot de mens. Naast en tegelijk met deze ontwikkeling is er een proces van aanpassing. Nadat de evolutie voltooid is - en dat is het geval als de mens daar is - gaat het aanpassingsproces onverminderd door. Daarbij behoort ook de verheldering van het menselijke zelfbewustzijn, een proces dat zich vertoont in de geschiedenis van de mensheid als geheel en in de opeenvolgende geslachten van de individuen. Het is opmerkelijk dat er, wat deze onderscheidingen betreft, steeds maar wat op los gerommeld wordt. Vooral komt het vaak voor dat men aan de mensheid nog een evolutie toekent, daarbij niet doelende op het genoemde verhelderingsproces, maar inderdaad op een zich tot een hoger niveau ontwikkelend nieuw verschijnsel dat in feite geen mens meer is. Men denkt dat die vermeende evolutie op den duur boven de huidige mens uit zal gaan en uit zal lopen in een verschijnsel dat zich tot de “oude” mens verhoudt als die “oude” mens, jij en ik dus, tot de hedendaagse aap. Een werkelijk schitterend staaltje van ideologisch fantaseren dat vooral godsdienstige en zogenaamd religieuze dromers aanspreekt! Maar het is wel ondoordachte onzin die voortkomt uit de bijna onuitroeibare behoefte aan een zogenaamd “goede” mens die bevrijd is van de zonden en schulden en de laagheden die aan de thans bestaande mens zouden kleven... Die behoefte is van godsdienstige aard en is als zodanig een vlucht uit de realiteit: men durft niet te erkennen dat de voorhanden mens van alledag zich gaandeweg tot een behoorlijke individu zal ontwikkelen.

 

128.

Er komt geen hogere mens want de bestaande mens is het laatste levende wezen dat als product van de evolutie te voorschijn komt. Er is alleen maar “deze” mens en het enige dat met hem gebeurt is dat hij zich aan zijn wereld aanpast - net als alle andere levensvormen - en dat dit zich bij hem voltrekt als een verhelderingsproces van het zelfbewustzijn. Met evolutie heeft dit niets te maken. Dat zou ook niet kunnen, want met het eerste optreden van de mens op de planeet is het evolutieproces aan zijn eind gekomen, overigens met alle  “menselijke” consequenties van dien!

 

129.

Alle levende wezens bezitten de mogelijkheid zich aan te passen en dat is uiteraard een aanpassing aan het gehele complex van omstandigheden dat dit levende wezen bij zijn verschijnen op aarde aantreft. Dat die mogelijkheid er is betekent niet zonder meer dat die aanpassing altijd gelukt. In veel gevallen zijn de nieuwe omstandigheden te abrupt en in te grote mate veranderd, vergeleken bij hoe zij voordien waren. Dan komt er van aanpassing niets terecht en dat betekent een onherroepelijk uitsterven van die bepaalde levensvorm. Je kunt zeggen: " De natuur heeft alles geprobeerd, maar het is onmogelijk gebleken".


130.

De aanpassing is volstrekt geen doelgericht proces, zoals helaas maar al te vaak gedacht wordt. Er is niet bij voorbaat een doel ingebouwd, in de vorm van welke primitieve kiem dan ook. In feite kan het met de aanpassing, binnen een bepaald vanuit het levende wezen gegeven complex van mogelijkheden, alle kanten op, maar bij het “uitproberen” ervan blijkt na verloop van tijd welke pogingen met succes bekroond zijn geworden. Het is een zaak van vallen en opstaan. Het spreekt vanzelf dat die pogingen, die bedoeld zijn te komen tot een nieuwe manier van omgaan met de omstandigheden, binnen het bereik van zo'n levend wezen moeten liggen. Maar, dat is lang niet altijd het geval, neen sterker nog : dat is slechts zelden het geval, zeker als de evolutie al in een ver stadium gekomen is.

 

131.

Ook de evolutie is niet doelgericht: met vallen en opstaan realiseren zich alle mogelijkheden en na enige tijd blijkt welke daarvan het kunnen redden. Het ligt in de logica te veronderstellen dat tijdens het evolutieproces de meeste mogelijkheden onmogelijkheden zijn gebleken. Die levensvormen zijn verdwenen, de meeste spoorloos, maar enkele met achterlating van voor ons herkenbare sporen in de vorm van fossielen bijvoorbeeld. De levensvormen die het wel redden zijn gedurende de evolutie in twee groepen te onderscheiden. Ten eerste de groep die zich, blijvend of geruime tijd, handhaaft op het bereikte niveau en ten tweede de groep die in zich een “open eind” heeft. Dat betekent dat de leden daarvan zich tot een verder geëvolueerd stadium kunnen omzetten. Die kunnen dus veranderen in geheel andere levensvormen die elkaar langzaam maar zeker opvolgen totdat daar de levensvorm “mens” bereikt is en er geen mogelijkheden meer zijn om nog een nieuw autonoom verschijnsel te vormen. Die levensvorm “mens” was geen doel van de evolutie. Dat lijkt alleen maar achteraf zo te zijn. De mens is gewoon de laatste mogelijkheid en die komt er na een schier eindeloos gerommel vanzelf uit.

 

132.

Een levend wezen dat bezig is zich aan te passen blijft te allen tijde zijn eigen levensvorm behouden. Een zich aanpassende hond bijvoorbeeld blijft altijd een hond, ook al wijkt hij na verloop van tijd vrijwel geheel van zijn oorspronkelijke vorm en gedrag af. Een levend wezen daarentegen dat nog in de evolutie betrokken is verandert wel van levensvorm en heeft qua essentie niets meer met zijn vorige status gemeen. Het is een nieuwe levensvorm die, om met de biologen te spreken, een “hogere trap” bereikt heeft. Dit almaar “omhoog klimmen”, zoals dat tijdens de evolutie plaats vindt, kan niet onbeperkt doorgaan. Er komt een moment dat het niet verder kan. Dan is de uiterste grens bereikt en op precies dat moment treedt de mens op! Waarom dat evolutieproces niet verder kan laat ik nu buiten beschouwing omdat ik dit thema elders uitvoerig besproken heb. In ieder geval is duidelijk dat juist omdat de mensen er nu eenmaal zijn er onmogelijk nog gesproken kan worden van een nog steeds actief evolutieproces. De planeet heeft haar laatste levensvorm voortgebracht en daarbij blijft het. Maar, zoals gezegd is er nog altijd het aanpassingsproces en dat levert een breed scala aan veranderingen op!

 

133.


Men zegt dat Darwin indertijd de oorsprong der soorten gevonden en aangetoond heeft. Dat echter is geenszins het geval geweest: hij heeft uitsluitend voorbeelden van aanpassingen gevonden. Uit die aanpassingen komen nimmer “hogere soorten” voort - al lijkt het vaak wel zo want er ontstaan natuurlijk onvermijdelijk beter of “hoger” aangepaste soorten, maar dat is dus heel wat anders! Bij dat proces speelt onder andere een rol dat steeds de best aangepaste soorten en exemplaren de meeste kans op langdurig overleven hebben. “De survival of the fittest” is wel degelijk een procedure in de natuur, maar alleen al op grond van de hieraan ten grondslag liggende toevalligheid, namelijk van de aard van de heersende omstandigheden en de erfelijke kwaliteit van het exemplaar, kan dit onmogelijk een solide grondslag zijn voor het proces van de evolutie, dat louter berust op het uitbuiten door de materie van elke mogelijkheid tot nog inniger samenstelling. Noem het wat mij betreft een “evolutionair noodzakelijke mutatie” - dit in tegenstelling tot een “incidentele toevallige mutatie”.

 

134.

Darwin heeft zich op de zaak verkeken, althans daar ziet het naar uit. Toch is het zijn grote verdienste dat hij het reeds bij sommige onderzoekers bestaande vermoeden van een opklimmende reeks van verschijnselen, een evolutie, omgezet heeft in een degelijke theorie die op zichzelf in grote lijnen juist is. Zo is te zeggen dat wij mensen inderdaad van apen afstammen, echter niet in de zin van een zich voortdurend aanpassende afstamming, “overerving”, steeds via de lijn van “the fittest”, maar in de zin van een eenmalige abrupte verandering van een bepaalde aap die nog, als laatste, de mogelijkheid bezat zich tot een “hogere soort” te transformeren. En daarmee sloot het proces af. Daar is de mens dan ten voeten uit, nog steeds gelijkend op de aap, maar zich daarvan al dadelijk onderscheidend door zijn geheel andere manier van aanpak waar het zijn overleven betreft.

 

135.

Als de mens ter wereld komt doet er een volslagen onmogelijk geval zijn intrede. In de natuur loopt dan plotseling een levend wezen rond dat om te beginnen nauwelijks ergens raad mee weet en dat nergens op toegerust is, althans niet op louter programmatisch reageren op zijn omgeving, zoals alle andere levende wezens dat zo efficiënt kunnen. Wel ligt er een vermogen in hem klaar om, dankzij de aanwezigheid van een zelfbewustzijn dat een voorstelling van de werkelijkheid als inhoud heeft, zijn omgeving te lijf te gaan teneinde die op zodanige wijze te veranderen dat hij er in toenemende mate veiligheid voor zijn bestaan aan kan ontlenen. De mens heeft dus niet een programma dat samenvalt met dat van de natuur en dat daardoor de mogelijkheid biedt, zij het met enige moeite, te leven en zelfs te overleven, maar hij dwingt de natuur zich te voegen naar een door hemzelf ontworpen programma dat, naar hij veronderstelt, optimale kansen op overleven biedt. Het spreekt overigens vanzelf dat dit laatste na verloop van lange jaren uitloopt in een ongebreideld en onverantwoord overheersen van de natuur door de mens en dan ontstaat het “grote sterven” in de natuur. Dat is tegenwoordig het geval...

 

136.


Er zijn wetenschappers die beweren dat de filosoof geen uitspraken mag doen over wetenschappelijke zaken zoals bijvoorbeeld de theorie van de evolutie. Die wetenschappers halen als zo vaak weer eens alles door elkaar: inderdaad mogen filosofen uit hoofde van hun professie geen uitspraken doen over wetenschappelijke disciplines. Zij moeten dat aan de deskundigen overlaten, overigens om meer dan één reden. Maar de basale gedachtegang die aan iedere theorie of hypothese ten grondslag ligt valt wel degelijk onder het filosofische denken. Dat denken immers houdt zich bezig met de werkelijkheid op zichzelf, zoals die zich als complete voorstelling, met daarachter en daar doorheen het beeld, aan ons voordoet. Een gedachtegang over een aan voorstelling en beeld ontleend thema behoort niet tot de analyse van de werkelijkheid. Er wordt niets uit elkaar gehaald, er wordt slechts nagegaan. Dat nagaan of nadenken is typisch filosofisch. Zo kan de filosoof een samenhangende gedachtegang ontwikkelen over een thema als de evolutie en er is geen enkele redelijke grond voor de mening dat de filosoof zich er buiten zou moeten houden. Dat is te zeggen: tenzij hij materieel onderzoek gaat doen, want dan begeeft hij zich inderdaad op het terrein van de wetenschapper.

 

137.

Dat het bij het verschijnen van de mens met de evolutie is afgelopen is “fenomenologisch” na te gaan - wat ik hier nu niet zal doen - maar het is ook af te leiden uit de ervaring die leert dat de mens een dubbelwezen is, materieel en niet-materieel tegelijkertijd. Juist het feit dat de ene kwaliteit de andere volstrekt weerspreekt wijst op dit dubbele. Dat eenmaal geconstateerd hebbende valt betrekkelijk gemakkelijk te bedenken dat zoiets tegenstrijdigs alleen maar aan het einde van een proces kan voorkomen, in dit geval aan het einde van het evolutieproces. De conclusie is dan noodzakelijk dat het verschijnsel mens de uiterste grens van de evolutie moet zijn.

 

138.

Ik heb bemerkt dat de meeste mensen bovenstaande conclusie niet durven of willen trekken, voornamelijk doordat hun analytische denktraditie hen geen gedachte conclusie toestaat. Conclusies mogen slechts uit onderzoek getrokken worden, zo leert de moderne wetenschap. Waarheden zijn voor dat denken niet relevant, het gaat slechts om datgene wat juist is. Wetenschappelijk gezien is dat op zichzelf terecht, maar het vervelende is dat wetenschappers doorgaans niet in staat zijn te erkennen dat waarheden op zijn minst evenveel recht op erkenning hebben, nee, sterker nog: dat hun wetenschappelijke kennis in de grond van de zaak zonder enige betekenis zou zijn als daar niet in de diepte de waarheid onder lag! Die ligt er altijd, ook als men hem niet kent en er geen boodschap aan heeft. Het is altijd de werkelijkheid als beeld die inspireert tot het uitzoeken van vooralsnog onbekende zaken en het is zelfs dat beeld dat in de mens telkens het vermoeden wakker roept dat er iets is waaromtrent de kennis hem ontbreekt zodat er tot onderzoek overgegaan moet worden. De “blinde vlekken” in de voorstelling worden als “blind” ervaren juist doordat er een beeld onder ligt...De opleiding van de wetenschappers heeft hen geleerd zich ervan te onthouden vertrouwen te stellen in de uitkomsten van louter denken. Het ontbreekt hen daardoor aan “creatieve moed”. En voorzover zij het bij gelegenheid toch over “louter denken” hebben doelen zij niet op filosofisch denken, maar op theoretisch denken, waarbij zij er blijk van geven niet in de gaten te hebben dat theoretisch denken ook en wel degelijk op analytische wijze de voorstelling ontleedt. Dat is heel wat anders dan het doortrekken van een gedachtegang en het nagaan van een thema.

 

139.


De voor de mens geldende werkelijkheid als zelfbewustzijn houdt een tweetal componenten in. De meest opvallende is uiteraard de voorstelling, maar de meest wezenlijke is het beeld. Geen enkele menselijke activiteit, of die nu zogenaamd geestelijk of lichamelijk is, kan begrepen worden zonder de voorstelling, maar anderzijds kan de mens helaas tal van zaken ondernemen zonder zich ook maar iets aan het beeld in hemzelf gelegen te laten liggen. Ik zeg: “gelegen te laten liggen” omdat ik er wel met enige nadruk op wil wijzen dat het beeld nimmer afwezig kan zijn. Het is er altijd en het speelt altijd zijn speciale rol, maar die rol kan door de mens verwaarloosd worden, ja zelfs afgewezen. Het is de mens mogelijk zich tegen het zich vertonen van het beeld te verzetten en het als iets irreëels te beschouwen, iets datje op een dwaalspoor brengt en dat in ieder geval misleidend is als het om de dagelijkse praktijk van het leven gaat. Om de voorstelling kun je echter niet heen. Het is de rolprent die een ieder van haar of zijn eigen specifieke werkelijkheid, de eigen realiteit, in het hoofd heeft Zou het de mens mogelijk zijn om die voorstelling uit te schakelen, zoals veel denkers uit het oosten en veel mystici gemeend hebben te kunnen, dan zou de mens in staat zijn zich naar believen naar het niveau van het dier te verplaatsen. Niet dat dat “slecht” zou zijn - bij menigeen zou het een verademing zijn als hij eens naar dat niveau terugging, want het dierlijke niveau houdt een onlosmakelijke eenheid met de natuur in en sluit als zodanig de verschrikkelijke menselijke mogelijkheden tot vernietiging uit. Op het dierlijke niveau is de bestaande werkelijkheid, de realiteit, volledig verzonken in de werkelijkheid als bewustzijn. Verbreken, vernietigen, overheersen en dergelijken zijn binnen die context onmogelijk. Maar, het is de mens niet mogelijk zijn eigen voorstelling van de realiteit uit te schakelen en dus is verzinken in het bewustzijn eveneens uitgesloten -jammer voor de dromers die zich langs allerlei doorgaans vreemdsoortige therapieën beijveren de eenheid en rust van het bewustzijn deelachtig te worden..!

 

140.

Er is de voorstelling en er is het beeld. Beide zijn nimmer uit te schakelen, maar de tweede, het beeld, is wel te “dimmen”, oftewel “buiten beschouwing te laten”. Dit laatste is doorheen de gehele geschiedenis bij bepaalde individuen het geval, maar in de moderne cultuur is het een algemeen verschijnsel: men wil met het beeld niets te maken hebben, men vertrouwt het niet en men ziet het als een restant van dierlijk leven, hetgeen op zichzelf niet eens zo gek aangevoeld is. Maar, dierlijk leven is voor de moderne cultuurmens minderwaardig, bevangen als het heet te zijn binnen het driftleven en de redeloze hartstochten.

 

141.

De wetenschappelijke mens richt zich uitsluitend op zijn voorstelling van de realiteit. Hij doet daarmee van alles, maar dat komt allemaal neer op het analyseren van die voorstelling. Naar aanleiding van de resultaten van de analyse bepaalt hij zijn houding ten opzichte van de realiteit om hem heen. Dit is het handelen van de mens en dat is dus te omschrijven als  “het bedachtzame reageren op de geanalyseerde voorstelling van de werkelijkheid”. De filosofische mens daarentegen richt zich niet op de voorstelling, maar gaat ervan uit teneinde de werkelijkheid als beeld te leren kennen. De werkelijkheid als beeld immers spiegelt zich aan de voorstelling af! Het is dus zaak die voorstelling in stand te houden en zelfs zo helder en gedetailleerd mogelijk te maken. Hoe beter dit laatste gelukt, hoe meer kansje hebt op een zuiver beeld. Het leren kennen van de werkelijkheid als beeld is het begrijpen in de zin van “weten hoe het zit”. Beide begrippen, namelijk handelen en begrijpen behoren bij elkaar en eigenlijk is het zelfs zo dat het begrijpen het meest essentiële is. Het gaat daarbij immers om de waarheid!

 


142.

De moderne mens is het verschijnsel dat handelt, maar dat nauwelijks iets begrijpt. Daardoor heeft zijn handelen iets onwerkelijks en dat neemt hand over hand toe naarmate die moderne mens zich verder ontwikkelt als een op zichzelf als zelfbewustzijn gefixeerd cultuurverschijnsel. Deze ontwikkeling brengt met zich mee dat de werkelijkheid als voorstelling steeds meer een wetenschappelijk model wordt, een stelsel dus dat aan alle mogelijke wetenschappelijke criteria voldoet en dat dus in hoge mate juist is, maar dat zich tot de realiteit verhoudt als een landkaart tot de echte landstreek! Over een landkaart denk je heel anders dan over een landschap, maar als en voorzover je in de waan verkeert met het landschap bezig te zijn als je in feite slechts de kaart bekijkt is het resultaat van je bemoeienissen, ondanks alle wetenschappelijke juistheid van je gedoe, uitermate desastreus. En dat is het voor jezelf en voor het echte landschap. Het handelen van de moderne mens is als van een blinde. Hij is heel verantwoord bezig met iets waarvan hij niets begrijpt en bijgevolg is het al verwoesting die hij aanricht. Natuurlijk is dat niet alleen het geval met het landschap, dus met de natuur. Het totale leven van de moderne mensen is steeds meer bevangen in één gigantische fictie en het beroerde daarvan is dat die fictie in zichzelf zo juist en verantwoord is...

 

143.

De Verlichting-1, De Verlichting-2, De Verlichting-3, De Verlichting-4, De Verlichting-5 ; Overtuiging-1 ; Overtuiging-2 ; Overtuiging-3 ;

Beide, zowel wetenschap als godsdienst, hebben in sterke mate een indoctrinerende werking op de mensen. Daarbij gaat het erom de mensen van iets te overtuigen, maar Zij steunen ieder op een ander principe om de indoctrinatie tot een succes te maken. In de godsdienst maakt men gebruik van de macht die men over mensen heeft. Naarmate het gelukt macht over de mensen uit te oefenen kun je ze dwingen je overtuigingen over te nemen. Je kunt ze dus naar believen indoctrineren. Maar, als ze om de een of andere reden niet ontvankelijk zijn voor de macht van de godsdienst wordt het ook met het indoctrineren en het overtuigen niets. Zo heeft het Roomse geloof post kunnen vatten doordat men de “heidenen” destijds met geweld wist te onderwerpen, in Europa in het voetspoor van de Romeinse legers, om vervolgens de mensen in te prenten dat de christelijke god almachtig is en als zodanig verre de macht van de Germaanse goden overtreft. Hoewel er in de wetenschappelijke wereld heel wat machtsstrijd geleverd wordt gaat het toch wezenlijk niet om de macht. De overtuigingskracht van de wetenschap ligt dan ook niet in de macht. De overtuigingskracht ligt in de onmiskenbare juistheid van de wetenschappelijke beweringen, theorieën en toepassingen. Die overtuigingskracht gaat alle andere krachten, strategieën en methoden van indoctrinatie verre te boven. Om “twee keer twee is vier” kun je niet heen en je kunt er ook niet onderuit. Elke macht is op de een of andere manier te ontduiken, al was het maar door je in stilte te verzetten. Maar 2 x 2=4 is onontkoombaar. Daardoor is de wetenschappelijke overtuiging de meest effectieve en indringende die er is. En dat is nu juist een heel groot gevaar, in tegenstelling tot wat de denkers uit de toenmalige Verlichting gemeend hebben. De fictie namelijk van de “landkaart” berust op de onmiskenbare juistheid van de wetenschappelijke werkelijkheid en bijgevolg is die fictie op zichzelf niet te bestrijden en te doorbreken. Vanuit zichzelf is er geen doorkomen aan! Het is een zichzelf steeds weer bevestigende fictie.

Overtuiging-1 ; Overtuiging-2 ; Overtuiging-3 ;

 

144.


Als ik zeg dat de wetenschappelijke werkelijkheid een fictie is, dan bedoel ik daarmee niet te zeggen dat de inhoud van die werkelijkheid een hersenspinsel, een slag in de lucht of een fantasie zou zijn. Integendeel, die inhoud is een verzamelingjuiste kennis waarop, sinds het algemeen erkend worden van een aantal logische criteria ten tijde van de Verlichting, in principe niets aan te merken is. Dat blijkt onder andere uit het grote succes van de natuurwetenschappen en de daaruit voortspruitende technologie. Daarom gaat het dus niet. Waarom het gaat is de uitwerking van de wetenschappen op de mensen, zowel wetenschappers als leken, en het feit dat die uitwerking leidt tot het ontstaan en zich vastzetten van een “levensbeschouwelijke fictie”. Deze fictie moet tot de wanen gerekend worden en dat zijn onoplosbare toestanden van de werkelijkheid als voorstelling die alleen maar van buiten de voorstelling opgeheven kunnen worden.

De Verlichting-1, De Verlichting-2, De Verlichting-3, De Verlichting-4, De Verlichting-5

 

145.

De moderne mens voelt het naderbij komen van het onheil en dat leidt er onder andere toe dat er mensen zijn die zich op de een of andere manier met zichzelf als bewustzijn gaan bezighouden, in de, overigens ijdele, hoop langs die weg verlossing uit de waan te verkrijgen. Op zichzelf is dat goed aangevoeld: de oplossing ligt bij de werkelijkheid als bewustzijn, maar wat men niet in de gaten heeft is dat je met dat bewustzijn op zichzelf niets aan kunt vangen. Omdat dit bewustzijn zich bijwijze van beeld aan de voorstelling afspiegelt is het toch weer die voorstelling die bepalend is. Maar die was nu juist in een waan bevangen geraakt! Deze Gordiaanse Knoop laat zich als volgt ontwarren : de waan heeft betrekking op de voorstelling zelf, maar als het ware door die voorstelling heen straalt het bewustzijn. Dat heeft tot gevolg dat die voorstelling gaat functioneren als een beeld en dat geschiedt eens temeer naarmate die voorstelling kwalitatief beter wordt. Hoe juister de voorstelling, hoe meer het bewustzijn bijwijze van beeld doorstraalt en dat doorstralen bereikt na verloop van tijd een dusdanige intensiteit dat de mensen er niet langer omheen kunnen. Een belangrijke factor daarbij is de gelijktijdige ontwikkeling van de mens als individu. Als individu geldt voor de mens dat hij weer bij zichzelf als bewustzijn teruggekeerd is.

 

146.

De onmiskenbare juistheid van de wetenschappelijke kennis is een kwaliteit die op een relatieve wijze absoluut van karakter is. Ik bedoel daarmee dat die kennis wel steeds bijgesteld wordt, soms zelfs vervangen door andere kennis, maar dat er telkens na bijstelling een absolute juistheid aan toegeschreven wordt. Om dat laatste gaat het: men werkt met juiste kennis die zoveel mogelijk getoetst is en na een, overigens onvermijdelijke, hernieuwde bijstelling werkt men weer met juiste kennis. Om dat juiste gaat het. Logisch want wat kun je verwachten van Onjuiste kennis?

 

147.


Door de vooropgestelde eis van juistheid wekken de wetenschappelijke uitspraken vertrouwen. Een ieder weet dat zulke uitspraken niet gedaan worden dan na grondig onderzoek en uitvoerige toetsing - als het goed is! Maar het is lang niet altijd goed: door de hoge mate van betrouwbaarheid die aan de wetenschap wordt toegekend verwerft deze als vanzelf een hoge status en daardoor gaat men bij voorbaat al beweringen van wetenschappers serieus nemen. Dat nu is heel onverstandig! Vaak maakt het wetenschappelijke voetvolk van het betrouwbare imago van de wetenschap gebruik om de eigen status in de maatschappij te verhogen, dus om rijkdom, vrijheid en macht te verwerven. Vooral tegenwoordig, nu zo ongeveer iedereen een min of meer wetenschappelijke opleiding aan universiteit of hogeschool genoten heeft, neemt het op niets gebaseerde air van deskundigheid hand over hand toe. Er wordt steeds meer “gebakken lucht” verkocht...

 

148.

Alle godsdiensten werken met macht. Toen destijds de Roomse Christelijke godsdienst de Germaanse wereld veroverde was dat niets anders dan een voortzetting en voltooiing van de wereldverovering van de Romeinen. De Christenen namen de macht van die Romeinen over, maar zij deden nog iets! Dat was nog veel efficiënter wat betreft het handhaven en vasthouden van die macht. Zij kwamen namelijk met een god die alle andere goden in macht overtrof: de machtige Jahwe was namelijk, als uitvloeisel van zijn absolute abstractie, almachtig. Dat sprak de Germanen na enige tijd geweldig aan, want zij waren zelf ook altijd al met macht bezig. In hen roerde zich immers de kiem van het latere West-europa, dat ook door en door een machtsstelsel zou blijken te zijn.

Dat machtsstelsel is altijd in belangrijke mate gebaseerd geweest op de Christelijke, van oorsprong Joodse, goddelijke macht en dat kun je zelfs tegenwoordig nog goed merken. Er is geen westerse staat of de Christelijke godsdienst speelt er nog steeds een cruciale, per definitie Ondemocratische, rol in. Trouwens, dat is lang niet alleen het geval met westerse staten. En in tegenstelling tot wat vele moderne intellectuelen ons willen doen geloven is het bij de godsdiensten onverminderd de macht waar alles om draait. Het gaat niet om het bieden van een houvast aan de mensen, niet om het opheffen van de vertwijfeling of het hooghouden van een bepaalde ethiek, het gaat louter om macht en om die te verwerven schuwt de “dienstknecht des Heren” geen enkele laagheid. Dat is er in de loop der tijden zo diep ingebracht dat het de godsdienstigen zelf en de anderen nauwelijks nog opvalt dat je met laagheden van doen hebt. Wie valt het bijvoorbeeld op dat het verbieden van abortus en euthanasie, het zegenen van wapenen, het vroom naar het schavot begeleiden van ter dood veroordeelden en het onderdrukken en mishandelen van vrouwen en meisjes regelrechte laagheden zijn? Men wil die dingen, bepaald niet zonder lafhartigheid, zien als rituelen die nu eenmaal aan bepaalde culturen meekomen en die men de mensen niet af mag nemen omdat men daartoe het recht niet heeft. Hoezo? Mag je laagheden niet aan de kaak stellen?

 

149.

Hoe groot de macht van godsdiensten ook is, het is mogelijk eraan te ontkomen.

De Roomse kerk bijvoorbeeld heeft zich daarover nooit zo erg druk gemaakt, als men de voorschriften maar in ere hield, voorschriften die betrekking hadden op het uitspreken van bepaalde gedachten en het uitvoeren van bepaalde handelingen. Hield men zich daaraan, dan was er niets aan de hand. Op zichzelf was dat wel slim bekeken want wat de mensen denken en wat zij stiekem doen is toch niet te controleren, zodat je je beter niet op dat gladde ijs kunt wagen! Het komt dus hierop neer dat de machtsuitoefening van de godsdiensten een uitwendige zaak is die niet wezenlijk het innerlijk van de mensen behoeft te raken. Maar met de wetenschap ligt dat geheel anders: daarbij gaat het juist om dat innerlijk van de mensen. Het erkennen van de juistheid van wetenschappelijke kennis is een zaak van het zelfbewustzijn en dat is nu juist de grote menselijke essentie.


150.

De werkelijkheid als bewustzijn laat zich op geen enkele manier aanpakken.

Haar effectiviteit hangt in de praktijk af van tal van uitwendige factoren in die zin dat het nooit de vraag kan zijn hoe je het bewustzijn kunt bevorderen of versterken, maar daarentegen de vraag hoe je de belemmeringen op zou kunnen heffen die het licht van het bewustzijn verduisteren en de mens tot een stuurloos wrak maken. Wanneer echter - zoals men in het Oosten voorstond geprobeerd wordt de belemmeringen op te heffen door te trachten het zelfbewustzijn uit te schakelen, is men wederom op de verkeerde weg. Hele culturen zijn gegrond op de idee dat men het denken zou moeten uitschakelen, dat men zich van de kennis zou moeten afwenden en de wetenschappelijke werken zou moeten vernietigen. Dat alles is pure onzin! Daarbij valt bovendien op dat het de aanhangers van dergelijke theorieën volstrekt ontgaat dat niemand kan leven zonder op de een of andere manier van kennis en van wetenschap gebruik te maken. Wat de klauwen zijn voor de leeuw, de ogen voor de arend en het web voor de spin zijn kennis en wetenschap voor de mens. Je kunt zelfs geen appel plukken en eten zonder enigerlei vorm van kennis te benutten..!

 

151.

Waanvoorstelling-1 ; Waanvoorstelling-2

 

Mensen kunnen niet buiten kennis en wetenschap. Toch leidt de ontwikkeling van beide tot een waanvoorstelling wat betreft de werkelijkheid. Naarmate echter deze waanvoorstelling inhoudelijk juister wordt en de cultuurontwikkeling het moment nadert dat de mens volwassen zal zijn gaat het bewustzijn, en dus de werkelijkheid als beeld, zich steeds meer opdringen totdat er tenslotte niet meer aan te ontkomen is. Wanneer dat eenmaal het geval is wordt het beeld de maat voor de voorstelling. Er is dan een voorstelling ontstaan die in hoge mate juist en uiterst gedetailleerd is maar die zijn waarheid ontleent aan de werkelijkheid als beeld. Je kunt nu stellen dat de voorstelling verlost is van zijn waan en dat hij nu betekenis heeft gekregen. Alles is nu om zo te zeggen op zijn plaats komen te liggen. Meer dan dat is niet mogelijk...

 

Waanvoorstelling-1 ; Waanvoorstelling-2

 

 

152.

In de wat oudere, voornamelijk op Hegel gebaseerde, idealistische filosofie wordt gesproken over de volgende drieslag: 1) aanvankelijk staan de mensen in het teken van Het Geheel; daarna  2) komt De Inhoud qua ontwikkeling aan bod en tenslotte 3) is daar Het Geheel met Inhoud. Die indeling van de ontwikkeling tot volwassenheid is, hoewel op zichzelf weinig duidelijk, inderdaad juist. Het is om te beginnen de werkelijkheid als bewustzijn die bepalend is voor het menselijk bestaan op de planeet. Je kunt zeggen dat de mensen de dingen  “op gevoel” doen. In ieder geval is essentieel dat men ziet hoe de werkelijkheid is en men ziet haar als één samenhangend en onverbrekelijk geheel. De kennis die de mensen in die periode opdoen is ervaringskennis die het gevolg is van lange tijd steeds opnieuw proberen. Bovendien moet opgemerkt worden dat de mensen psychisch in het teken van het moederlijke, De Grote Moeder (Magna Mater), staan. Zij zijn uitermate kunstzinnig en hun denken voltrekt zich in beelden: denkbeelden. Hun verhalen zijn mythisch.


Na die eerste periode gaan de mensen de dingen onderzoeken en dus ook ontleden. Men gaat zich met de inhoud van het geheel bezig houden. Dat geschiedt vanuit het zelfbewustzijn en het is een zaak van kennisverwerving, nu niet in de eerste plaats door ervaring, maar door analyse, theorievorming en toetsing. Men komt in het teken van de wetenschap te staan. Je kunt die gesteldheid eventueel als mannelijk typeren. De derde periode kenmerkt zich door het wederom gelden van het bewustzijn, maar nu niet meer zonder gedetailleerde inhoud. Het bewustzijn heeft nu inhoud gekregen en dat is wat ik onder het beeld versta. Die inhoud heeft nu betekenis gekregen. Als het zover is zijn de mensen volwassen geworden.

 

153.

De werkelijkheid als beeld wordt niet steeds invloedrijker door de ontwikkeling van het zelfbewustzijn en de toename van de hoeveelheid kennis. Je zou geneigd zijn dat te denken en dat is op zichzelf niet zo verwonderlijk omdat wij in onze cultuur alles van het zelfbewustzijn en de kennis verwachten, maar die gedachte is fout. Qua zelfbewustzijn gaat de mens almaar dieper op zijn eigen voorstelling in en in dat proces zijn geen factoren aanwezig die de gang van zaken zouden kunnen keren of veranderen. Extreem gesteld is het zo dat het zelfbewustzijn tot vernietiging leidt. Het heeft een volslagen versnippering van de werkelijkheid als voorstelling tot gevolg. Dat proces is niet te stuiten, het gaat eeuwig door zolang er mensen leven die die naam waardig zijn. De waan, die het gevolg is van de steeds juistere voorstelling en de kennis waaruit hij opgebouwd is, kan nimmer doorbroken worden door zijn eigen werkelijkheid, dus door zichzelf. Toch wordt hij op den duur doorbroken en dat geschiedt in zoverre van buitenaf dat het het bewustzijn is dat dit veroorzaakt .Deze werkelijkheid als bewustzijn, zich aan de voorstelling manifesterend als de werkelijkheid als beeld, gaat langzaam maar zeker haar invloed doen gelden naarmate de mens effectief zijn volwassenheid nadert. Dus naarmate de mens bij zichzelf terechtkomt wordt het bewustzijn echt effectief en het dankt de mogelijkheid om, bijwijze van beeld, effectief te zijn aan de principiële juistheid van de voorstelling. De voorstelling bewerkt dus die effectiviteit niet, maar hij schept er wel de voorwaarden voor.

 

154.

Anders dan door romantici en mystici gemeend wordt is de juistheid van de voorstelling voorwaarde voor de waarheid. Een onbetrouwbare, vertekende, dogmatisch in stand gehouden voorstelling kan geen goede grond voor de waarheid zijn. Het kan dan niet verder komen dan een vermoeden van dat wat waar is. Hoe sterk zo'n vermoeden desnoods ook bij gelegenheid is en hoe zeker iemand zich wat dat betreft ook voelt, er kan beslist niet van weten gesproken worden, laat staan van zeker weten!

 

155.

Het is niet noodzakelijk dat de juistheid van de voorstelling ontleend wordt aan een zo uitgebreid mogelijke door analytisch onderzoek verkregen kennis. Bij sommige mensen is hun kijk op de realiteit zo weinig gefrustreerd, zo helder en vrijmoedig dat de voorstelling, hoewel ruw en weinig gedetailleerd, toch juist is. Dat komt voor bij kunstenaars en filosofen en in vroeger tijden bij zogenaamde zieners die onder omstandigheden de mensen een spiegel voorhielden om hen op hun wanen te wijzen. Het spreekt vanzelf dat door die primitieve juistheid van de voorstelling de werkelijkheid als beeld behoorlijk effectief kan zijn zodat deze talentvolle mensen in staat zijn op de hun eigen wijze met de waarheid te komen. Dit echter zijn uitzonderingen die voor bepaalde individuen gelden, maar die niet overeenkomen met de situatie van de mensheid als zodanig. Voor die mensheid geldt het hiervoor gezegde, namelijk dat zij het moet hebben van een betrouwbare, juiste en gedetailleerde voorstelling die als vanzelf als beeld gaat functioneren.


156.

De Verlichting-1, De Verlichting-2, De Verlichting-3, De Verlichting-4, De Verlichting-5

De mensen van de Verlichting en nog velen daarna hebben de verwachting gekoesterd dat de wetenschappen de godsdiensten zouden verdrijven doordat zij zonneklaar zouden gaan aantonen dat goden en geesten niet bestaan en dat de beweringen in de oude heilige boeken nergens op slaan. Maar van die verwachting is hoegenaamd niets uitgekomen. Sterker nog : gebleken is inmiddels dat nogal wat wetenschappers er geen moeite mee hebben allerlei absurde godsdienstige ideeën naast hun exacte wetenschappelijke kennis te ontwikkelen en te handhaven. Blijkbaar zijn de godsdienstige voorstellingen niet vatbaar voor nader onderzoek en is de cruciale vraag of zij wel juist zijn plotseling niet langer relevant.

De verklaring hiervoor is deze dat godsdienstigen de vervelende gewoonte hebben niet naar de juistheid van hun godsdienstige voorstellingen te vragen, maar daarentegen zonder meer te stellen dat zij in het bezit zijn van de waarheid. Anders gezegd: zij vinden dat het er niet toe doet of hun godsdienstige voorstelling juist is als zijzelf en anderen er maar van doordrongen zijn dat het de waarheid is. Er is zelfs een kerkvader geweest die verklaarde dat hij nu juist geloofde omdat het allemaal zo absurd was. Hij stelde dus precies de Onjuistheid als de maat en zelfs als het criterium voor het geloof! De godsdienstige voorstellingen worden dus niet onderzocht, ja zelfs is het zo sterk dat zij niet onderzocht mogen worden! Op zichzelf is dat heel goed begrepen, want de echte waarheid is uiteindelijk niet mogelijk zonder onderzoek en correctie van de werkelijkheid als voorstelling. Die echte waarheid - waarin god een onmogelijkheid blijkt te zijn - mag niet boven water komen en dus moet ook onderzoek tegengehouden worden. Daarmee kwalificeren de godsdiensten zich als de meest gruwelijke geestelijke misdadigers die de mensheid kan voortbrengen...

De Verlichting-1, De Verlichting-2, De Verlichting-3, De Verlichting-4, De Verlichting-5

 

157.

Het kan natuurlijk niet uitblijven dat de voorstellingen van de godsdiensten toch stukje bij beetje aan onderzoek ten prooi vallen. Ten gevolge daarvan is een groot aantal godsdienstige uitspraken over de wereld van de verschijnselen onderuit gehaald. Nauwelijks nog iemand hecht er betekenis aan en dat ze onjuist zijn wordt algemeen erkend en aanvaard, ook door vrijwel alle godsdienstigen. Maar de uitspraken over in principe niet voor onderzoek in aanmerking komende zaken zijn onverkort gehandhaafd. Er wordt zonder meer gesteld dat zij waar en juist zijn. En dat wordt nog steeds in alle gemoedsrust aangenomen door een groot aantal moderne mensen die tegelijkertijd naar de juistheid van hun normale voorstelling vragen en als vanzelfsprekend aannemen dat die “absurde” godsdienstige voorstelling zowel juist als waar is. Daarbij struikelen zij over het begrip waarheid. Zij weten daarmee absoluut geen raad en dat is op zichzelf niet verwonderlijk, want in het algemeen kan de moderne mens volstrekt niet met de waarheid uit de voeten. Hij leidt dan ook uit de betrekkelijke juistheid van zijn voorstelling geen waarheid af. Daartoe ontbreekt hem niet alleen het inzicht, maar vooral ook de moed!

 

158.


Over de werkelijkheid als voorstelling wil ik nog een keer wat zeggen. Je kunt namelijk, schuw geworden door bittere ervaringen met stroeve, ongemakkelijke Duitse denkers als Martin Heidegger en intellectuele koorddansers als Ludwig Wittgenstein, van mening zijn dat er iets moeilijks mee bedoeld wordt. Dat is echter absoluut niet het geval : de werkelijkheid als voorstelling is gewoon je eigen persoonlijke wereld zoals je die als een film of een plaatje in je hoofd hebt. Een wereld die uit een gigantische baaierd van opgeslagen, al of niet herkenbare, ervaringen bestaat. Ervaringen die je aan den lijve hebt opgedaan, directe ervaringen dus, en ervaringen die indirect zijn omdat zij berusten op zaken die je, op welke wijze dan ook, zijn medegedeeld. Je kunt je natuurlijk afvragen hoe het komt dat mensen een voorstelling hebben, maar dat laat ik nu maar even buiten beschouwing omdat ik dat bij andere gelegenheden uitvoerig uiteengezet heb. In ieder geval is er voor een ieder een “buitenwereld” die tot op grote hoogte correspondeert met een “binnenwereld”.

Beide zijn concreet van aard: zij behelzen een totaliteit van “deze en die dingen” en daarbij is  “dit ding” beslist niet  “dat ding". De  ditten en datten” van de buitenwereld zijn materieel, hetgeen niet betekent dat zij te allen tijde waarneembaar, tastbaar en meetbaar zijn, en de “ditten en datten” van de binnenwereld zijn niet-materieel. Het zijn trillingsverschijnselen zoals een film en een foto dat zijn. De werkelijkheid als voorstelling is dus bij mij geen moeilijke, duistere filosofische grootheid, maar gewoon iets wat iedereen kent en waarmee iedereen voortdurend bezig is. En nu gaat het er steeds om hoe die voorstelling er uitziet, want hoe iemands voorstelling is, zo is voor hem of haar ook de realiteit, de buitenwereld.

 

159.

Een juiste voorstelling behoeft niet zonder meer een realiteit te zijn, dus samen te vallen met een situatie, gebeurtenis of verschijnsel in de nabije buitenwereld. De juistheid van de voorstelling kan ook gelegen liggen in de verhoudingen die voorgesteld worden. In een sprookje bijvoorbeeld zijn doorgaans de gebeurtenissen en verschijnselen niet juist of bestaanbaar en ook de situatie kan fictief zijn. Maar de in het sprookje uitgedrukte verhoudingen kunnen precies juist zijn en op grond daarvan kan het sprookje in het teken van de waarheid zijn komen te staan. De bedoelde verhoudingen kun je “bestaanbaar” noemen. Hetzelfde geldt voor de roman als kunstwerk: de dingen z~n z6 niet gebeurd, maar het zou zo wel gebeurd kunnen zijn. Dostojewski bijvoorbeeld beschrijft tal van gebeurtenissen die op zichzelf nimmer hebben plaatsgevonden en die dus als zodanig onjuist zijn, maar de verhoudingen tussen de verschillende mensen en de karakters die hij beschrijft zijn verbijsterend juist en daardoor krijgen zijn werken een hoge graad van waarheid. De waarheid op zichzelf is op geen enkele wijze uit te drukken. De waarheid op zichzelf is helemaal niets, want de waarheid is de wijze waarop de werkelijkheid door de mens ondergaan, beschouwd, beoordeeld en gebruikt wordt. Altijd is er het concrete gegeven van de voorstelling, die als een soort van constructie de werkelijkheid als beeld draagt. De waarheid op zichzelf is afspiegeling .

 

160.


Het moet toegegeven worden dat de godsdiensten, althans in hun oorspronkelijke basale vormen, steeds blijk geven van een goed inzicht in de werkelijke verhoudingen. Inderdaad is een behoorlijk menswaardig leven alleen mogelijk in het licht van de waarheid en inderdaad heeft die waarheid alles te maken met een samenhangende, ongebroken, alles doordringende beweeglijke werkelijkheid, namelijk het bewustzijn. Inderdaad is elk verschijnsel, ook de mens, ingebed in dat ongebroken geheel en moet, overdrachtelijk gesproken, aan dat geheel “gehoorzaam” zijn. En zo zijn er nog meer juist aangevoelde verhoudingen die oorspronkelijk de claim op waarheid in hoge mate rechtvaardigen. Maar onmiddellijk zijn de godsdiensten wat de waarheid betreft de verkeerde weg opgegaan door namelijk de oorspronkelijke, op het uitdrukken van verhoudingen gerichte, voorstellingen tot dogma's te transformeren en ze dus als voorstelling voor onaantastbaar te verklaren. In plaats van het over verhoudingen te hebben doet men net of het over concrete gebeurtenissen gaat waarvan de echtheid niet in twijfel getrokken mag worden. Het zijn nu onaantastbare dogma's geworden. Dat heeft elke godsdienst gedaan en dat ligt in de logica, want anders was het geen godsdienst geworden maar filosofie of kunst.

 

161.

Met het academisch worden van de filosofie is de vraag naar en het begrijpen van de waarheid op de achtergrond geraakt. Logisch, want het academische denken kent alleen maar de analyse van de voorstelling. De behoefte om zo de voorstelling te lijf te gaan maakt elk filosofisch zoeken naar de waarheid onmogelijk. Als je vindt dat je moet analyseren sluit je automatisch de mogelijkheid om de voorstelling na te gaan uit en daarmee vervalt de kans dat er zich iets afspiegelt. Dat leidt tot nietszeggende, onfilosofische, onkunstzinnige en daarenboven onwerkelijke resultaten. Het leidt tot de eerder beschreven wetenschappelijke fictie.

 

162.

De eerlijkheid gebiedt evenwel toch ook op te merken dat die academische filosofie, die dus bevangen is in de wetenschappelijke fictie, op een buitengewoon zinvolle wijze het denken in kaart gebracht heeft zodat het de echte filosoof mogelijk is geworden die filosofische voorstelling van zaken na te gaan en daaruit lering te trekken, bijvoorbeeld over de ontwikkeling van het denken en de voortgang van culturen. Ook hier geldt weer dat een betrouwbare en gedetailleerde v oorstelling je in staat stelt de waarheid te ontdekken!

 

163.

Binnen het kader van een collectief is het uitgesloten dat mensen met elkaar samenwerken. Er kan wel gezamenlijk gewerkt worden, maar dan beperkt in feite ieders deelname zich tot het uitvoeren van taken die door een hogere sturende instantie opgelegd worden. Het gezamenlijk werken is wezenlijk vergelijkbaar met de werkzaamheid van onderdelen van een machine. Als tandraderen grijpen de activiteiten in elkaar en zo ontstaan er producten. Maar, die producten zijn nimmer te danken aan samenwerking. Wat een ieder inlevert is niet meer dan energie om het door anderen bedachte werk uit te voeren. Uiteraard is er hier en daar wel van een vleugje samenwerking te spreken als werkers met bepaalde adviezen komen, maar, hoe nuttig vaak ook, feitelijk behoren die adviezen en ook eventuele eigenmachtig verbeterde procedures niet tot de essentie van de zaak. Zij komen er af en toe als extraatje bij en worden dan gretig door de leiding overgenomen die dan doet alsof zij ze Zelf had bedacht! Als een advies of een praktische verbetering geld in het laatje brengt wil de leiding wel net doen alsof er samengewerkt wordt, maar samenwerking behoort volstrekt niet tot de kern van de zaak. Het is een leeg begrip dat beperkt blijft tot de theorie. Dus : eventuele samenwerking is incidenteel en geenszins essentieel. Het doet zich soms voor omdat de mens onbewust toch is die hij is en voor hem het begrip samenwerking wel degelijk tot het wezen van het mens-zijn behoort. De gedachte waar het op aankomt is deze dat tot op heden de mensen nog steeds niet boven gezamenlijke activiteiten zijn uitgekomen. Daarbij is zowel het gezamenlijke als de activiteit bevangen in het collectieve denken, waarin het individu slechts als radertje in de machinerie fungeert en nog lang niet uitgegroeid is tot de individu.


164.

Het begrip samenwerking is een begrip dat bij de volwassen mens behoort. Uitgangspunt daarbij is de mens als individu die zich vanuit zijn eigen volwassen identiteit, met andere volwassenen, inzet om het belang van allen te dienen. Deze activiteiten worden door een ieder als zijn eigen zaak en belang beschouwd en als zodanig is het onmiddellijk ook gemeenschappelijk belang. Dus : als ik werkelijk “individu” ben is mijn belang onmiddellijk dat van de gemeenschap en dat van de gemeenschap is onmiddellijk dat van mij. Er is nu geen hogere instantie meer die eenzijdig bepaalt wat er gedaan moet worden en hoe dat dient te geschieden. En zeker is er geen instantie die zoiets bepaalt louter en alleen om er zelf wel bij te varen! De beslissingen liggen bij een ieder en dat kan ook zonder gevaar, want iedereen weet, op grond van zijn individu-zijn, dat het om iets gemeenschappelijks gaat. Juist de mens als individu is in staat het gemeenschappelijke op redelijke gronden tenvolle tot zijn recht te laten komen. Daarbij speelt natuurlijk ook een rol dat dit volwassen gemeenschappelijke niet langer belemmerend werkt op bepaalde, voordien vanuit het (onvolwassen) collectief als ongewenst beschouwde, aspecten van het individu-zijn. Daarentegen vergroot het de mogelijkheden van de mens als individu. Het verzorgen van het gemeenschappelijke is dan in feite een zaak van redelijk eigenbelang geworden!

 

165.

De vroegere socialistische gedachte van de coöperatie heeft nooit geleid tot een succesvolle praktijk. Steeds is de zaak ingestort omdat de mensen het particuliere niet van zich af konden zetten. Bovendien kende men het begrip coöperatie feitelijk nog niet: men ging als vanzelfsprekend uit van criteria die collectivistisch waren. Dat betekende dus dat van de mensen verwacht werd dat zij zich naar het collectief zouden voegen, dat zij hun individualiteit waar nodig zouden opofferen aan de gemeenschap. Maar zoiets is onmogelijk, ondanks idealisme en goede wil. De bedoelde coöperatieve communes waren in feite collectieven. Daardoor werden er, vooral aanvankelijk toen alles nog fris was, veel dingen gezamenlijk gedaan, maar dat is dus heel wat anders dan samenwerking.

 

166.

De huidige wereld is door zijn voortschrijdende individualisering al in sterke mate op samenwerking aangewezen. Met het vroegere gezamenlijke gedoe, voorzover dat er was en voorzover dat de grondslag vormde van allerlei instituties die met “United..” worden aangeduid, wordt het nauwelijks nog iets. Maar, helaas, met de zo broodnodige samenwerking wordt het ook nog niet veel. Men tast nog bijna volledig in het duister als het gaat om de vraag hoe je zou moeten samenwerken! Men weet nog niet hoe dat moet, vooral ook doordat het particuliere steeds weer de kop opsteekt en als het puntje bij het paaltje komt alsnog maatgevend blijkt te zijn. Zo komt men in het beste geval tot een compromis, maar daarmee is de zaak al bij voorbaat tot mislukken gedoemd. Samenwerking betekent allesbehalve een compromis, het betekent daarentegen consensus, overeenstemming. Dat is iets dat noodzakelijk nog maar sporadisch gelukt. Met de huidige stand van zaken wat de ontwikkeling van de cultuur betreft is overeenstemming en dus ook samenwerking nog niet mogelijk. En als er al eens even een aanzet toe gegeven wordt stort de hele zaak vrijwel onmiddellijk weer in...

 

167.


Het bereiken van overeenstemming is ook voor de moderne mens nog een uiterst moeizaam proces. Dat komt vooral doordat het begrip consensus alleen maar dan geldig kan zijn als bij een ieder uitsluitend de zaak waarom het gaat voor ogen staat en iedereen ter behartiging van die zaak zonder enige terughoudendheid zijn beste weten en kunnen inzet. Deze beide criteria, namelijk “uitsluitend de zaak” en “naar beste weten en kunnen” hebben een polariserend karakter. zij bedoelen niet de verschillen tussen de deelnemers aan de discussie te verdoezelen, maar die juist zo helder en onbarmhartig mogelijk op tafel te krijgen. Voorzover dat gelukt ligt daar een hoeveelheid objectieve kennis die logischerwijs tot het beste behoort wat op dat moment ter beschikking staat. Uit dat beste moet de oplossing van het probleem ontwikkeld worden, en wel door denken en discussie. Pas als alle deelnemers op hetzelfde en hoogste niveau zitten is de gewenste consensus bereikt.

 

168.

De moderne mensen verstaan onder het begrip consensus iets heel anders. Voor hen valt dat begrip samen met het begrip compromis. Dat betekent dat het “water in de wijn doen” als het hoogste goed wordt beschouwd. Al vaak heb ik erop gewezen dat op zo'n manier alles ver beneden zijn werkelijke mogelijkheden blijft. Er is niets wat echt goed wordt! Toch is te zeggen dat het compromis voor de Onvolwassen mens het hoogst haalbare is. Deze mens immers is alsnog een particulier en dat is een mens die in zichzelf besloten is en die om zichzelf heen een zware, ondoordringbare muur heeft aangelegd. Een dergelijk mens gaat het niet om het beste en nog minder om de gemeenschap, het gaat hem louter om zichzelf en het is slechts met pijn en weerzin dat hij iets van zichzelf, al is het nog zo weinig, prijs geeft. Zelfs met het compromis heeft hij doorgaans nog de grootste moeite. De huidige zogenaamde consensus-maatschappij is gebaseerd op particuliere belangen die men op een zeker moment ook als gemeenschappelijke belangen herkent zodat men zonder moeite of pijn iets van zichzelf in kan zetten. "Laat ons uitzoeken wat wij gemeen hebben en niet ruziën over wat ons scheidt" is de ultieme wijsheid dezer dagen en het gevolg is een minder dan middelmatige, laffe en besluiteloze mensheid die in een onmiskenbaar dalende lijn is wat betreft vooruitgang en creativiteit...

 

169.

Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ;


Het komt tegenwoordig veelvuldig voor dat filosofen proberen een rol in de politiek te spelen. Zij denken dat het vanuit hun filosofie mogelijk is beleid te maken om zo de maatschappij in goede banen te leiden. Zo was Sartre een filosoof die nagenoeg zijn gehele leven een betere wereld verwachtte van het communisme. Uiteraard was die verwachting niet gericht op verwerkelijking van het begrip communisme, maar op het alledaagse politieke communisme zoals dat tot voor kort in de Sovjet-Unie aan de macht was. Het is zonder meer duidelijk dat Sartre niet wist wat communisme is! Had hij dit namelijk wel geweten, dan had hij begrepen dat er wat dit betreft niets te verwerkelijken viel. Het begrip communisme houdt in dat men zeker weet, psychisch voelt en redelijk laat gelden dat wij met zijn allen zijn en dat dit onvoorwaardelijk een feit is. Het is dus niet iets dat nog worden moet, maar iets dat onmiddellijk geldt waar sprake is van de werkelijkheid als mens. Zou er iets moeten gebeuren, dan zou het de bewustwording van dit feit moeten zijn, maar ook dat is een procesmatige zaak die zich niet dwingen laat, althans niet waar het de maatschappij betreft. Daarbij komt dat het begrip communisme niet slaat op de maatschappij, de mensheid, een groep of iets dergelijks, maar op de mens als individu. Je kunt het zo verwoorden: "Ik weet, ik voel en ik laat redelijkerwijs gelden dat wij met zijn allen zijn". En nu is het wellicht mogelijk dat die of gene zichzelf zover brengt dat zij of hij met die uitspraak samen valt, maar dan heb je het nog lang niet over de maatschappij of de mensheid. Eer die zover zijn is de inhoud van het begrip communisme voor de in zo'n maatschappij levende individuen een onbetwijfelbare zekerheid geworden, uiteraard niet als gevolg van opvoeding en onderwijs, maar als gevolg van verheldering van de werkelijkheid als voorstelling. Tenslotte moet nog opgemerkt worden dat het nu niet bepaald pleit voor een filosoof als hij zich aansluitbij een bestaand maatschappelijk en politiek streven. Juist voor de filosoof is dat kwalijk omdat een van de eerste lessen die het filosoferen je leert deze is dat de filosofie van je eist dat je vrij blijft van alles wat tijdelijk en plaatselijk bepaald is. Wat het communisme betreft is die bepaaldheid heel erg opvallend, je moet wel een bord voor de kop hebben om dat niet op te merken en er hinder van te hebben. Sartre was natuurlijk niet z6 bot dat hij er niets van merkte, hetgeen verklaart waarom hij almaar probeerde de zaak van het communisme goed te praten - dat echter pleit nog meer in het nadeel van onze filosoof!

Opvoeding-1 ; Opvoeding-2 ;

 

170.

Als de filosoof zich bij een politiek maatschappelijk machtsstreven aansluit verkwanselt hij zijn filosofische beweeglijkheid, vrijheid en onafhankelijkheid. Maar bovendien geeft hij er blijk van de functie van de filosofie niet te kennen. De functie van de filosofie is niet het tot stand brengen of bevorderen van iets, maar het vertellen van een verhaal. Het verhaal namelijk van de werkelijkheid. En daarbij is er een onverschillige verhouding tussen de filosoof en zijn verhaal, althans in die zin dat de kwaliteit van zijn verhaal zijn volledige bekommernis is, maar dat het hem volslagen koud laat wat de mensen met zijn verhaal doen. Let wel: het gaat over het vertellen van een verhaal! Het behoort er wel degelijk bij dat de filosoof de zaak naar buiten brengt. Meer dan dat is echter zijn taak niet.

 

171.

Liberale Democratie-1 ;  Liberale Democratie-2 ; Liberale Democratie-3 ;

 

Volgens sommigen is het simpele vertellen van een verhaal wat al te vrijblijvend. Die hebben evenwel niet in de gaten dat het doorlichten van de werkelijkheid en het verhalen over de daaruit voortkomende conclusies een wezenlijk levensgevaarlijke bezigheid is. Je vertelt immers voortdurend dingen die in botsing komen met de algemeen geldende voorstellingen. Die zijn namelijk tenvolle vastgelegd - aan de persoon en zijn cultuur bepaald als zij zijn - en dat staat in tegenstelling tot het in alle opzichten beweeglijke verhaal van de filosoof. Aan dat verhaal stort elk dogma, elk belang, elke doelstelling, elke tijdelijkheid en plaatselijkheid in. Het betekent de ondergang van het leven als bestaan e~ dat wordt heel terecht als een gevaar ervaren. Dat geldt des temeer als je nog in een onvolwassen wereld leeft, want dan worden die voorstellingen ook nog eens als de onbetwijfelbare waarheid gewaardeerd, een waarheid dus die niet aangetast mag worden, een waarheid die in feite functioneert als een waan. Het pogen zo'n waan te doorbreken is op zichzelf al dodelijk gevaarlijk! In een moderne liberale democratie heeft dat dodelijke gevaar een verborgen karakter. Het is net of het er niet is: men zal je niet gauw lastig vallen en behalve het verlies van een groot aantal vrienden overkomt je niet veel kwaads. Maar juist het voortdurende “geen gehoor vinden” - niet in de zin van bijval of waardering, maar in de zin van “in de leegte praten” - kan tot een kwelling uitgroeien. En dat ondanks het feit datje natuurlijk heel goed weet waarom de realiteit is zoals die is...

Liberale Democratie-1 ;  Liberale Democratie-2 ; Liberale Democratie-3 ;

 


172.

In de idealistische filosofie streeft men naar de waarheid. De realiteit van alle dag moet op den duur samen komen te vallen met al datgene dat door de filosofen uitgedacht is en nu voor de waarheid geldt. Dit leidt ertoe dat die filosofie verwordt tot een ideologie. Daarmee bedoel ik niet te zeggen dat het per se een maatschappelijk dwangmatig streven van een groep wordt die beoogt de gehele mensheid naar zijn ideeën om te vormen, een politieke ideologie dus, maar ik bedoel dat het een dogmatische voorstelling van een toekomstige realiteit wordt. Vanuit dat begrip realiteit en vanuit het begrip toekomst krijgt de zaak in zoverre een dwingend karakter dat hij noodzakelijk voorgesteld wordt als voor een ieder geldend. Of je het er nu mee eens bent of niet, of je er zin in hebt of niet, je ontkomt niet aan het feit dat die toekomstige realiteit ook voor jou geldt. Er ontstaat een situatie als in het christendom waarin gesteld wordt dat “in het huis van de Vader” ook voorjou een woning gereserveerd is. Het is het begrip waarheid dat hier tot een concrete zaak vervormd wordt. De begrippen die tot de inhoud van dit begrip waarheid behoren worden nu tot situaties omgevormd, situaties dus die bestaanbaar zijn, is het niet op het ogenblik dan wel in een verre toekomst. Je zou als vanzelf gaan denken aan het toekomstige “Koninkrijk- Gods” of zelfs aan de hemel! Er zullen dus straks in concreto situaties zijn die overeenkomen met de begrippen binnen de werkelijkheid als waarheid. Als voorbeeld: alle verschijnselen in het universum zullen straks met elkaar samenhangen, de mensen zullen straks allemaal in liefde met elkaar verenigd zijn. Schoonheid, harmonie, zelfverloochening, goedheid en nog vele andere edele zaken zullen eindelijk de mens kenmerken en zelfs kun je denken aan een eeuwig leven zonder ziekte, veroudering of dood. Uiteraard zal er niemand buitengesloten worden en van discriminatie zal al helemaal geen sprake meer zijn. En voor de filosofen, holisten en New-Agers is er dit heerlijke vooruitzicht dat het verfoeilijke analytisch verstandelijke denken voorgoed afgeschaft zal zijn. Mooier kan het beslist niet! Het is de droom van ontelbare denkers, mystici, gelovigen en andere idealisten. Maar bij nadere beschouwing blijkt het een bijzonder boze droom te zijn...

 

173.

Een onvermijdelijk gevolg van de droom der waarheid is de absolute veroordeling. Dat wil zeggen dat er altijd een veroordeling volgt uit de vergelijking van de realiteit, en dus ook van de reëel bestaande mens, met de door het denken voortgebrachte werkelijkheid als waarheid. De hele zaak kan niet anders dan beneden de kwaliteit van de werkelijkheid als waarheid blijven. Dat leidt tot een eeuwigdurende veroordeling van de realiteit, zowel de


natuurlijke als de menselijke. Als we ons eens even op de mens concentreren, dan blijkt dat hij noodzakelijk schuldig zal zijn, hetgeen wil zeggen dat hij niet anders zal kunnen dan tekortschieten. En ook zal hij zondig zijn en dat betekent in dit verband dat hij fundamenteel slecht is. Het is uitgesloten dat hij niet-slecht zou kunnen zijn. Wie op de hoogte is van de godsdienstige visie op de mens zal deze kwalificaties onmiddellijk herkennen. Maar een waarschuwing is hier geboden: niet alleen de godsdienstige, maar de gehele westerse cultuur staat in het teken van en is onderworpen aan criteria van schuld en zonde...Men gebruikt tegenwoordig andere termen en men doet alsof men er niet meer zo zwaar aan tilt, maar een oplettend waarnemer zal het beslist niet ontgaan dat er ook in onze betrekkelijk liberale cultuur niet veel goeds aan de mens bedacht wordt. Deze kwalijke beoordeling van de mens is een direct gevolg van het als een concrete zaak stellen van de waarheid, oftewel het  “materialiseren van het begrip waarheid”. Hierdoor ontstaat de mening dat “het leven in de waarheid” bestaanbaar en dus haalbaar zou zijn. En omdat men denkt dat dit het geval is gaat een beoordeling van de natuur en de mens tot de mogelijkheden behoren. Dit echter is een tragische vergissing waarvan ter vergoelijking alleen maar aangevoerd kan worden dat je hem niet van een alsnog Onvolwassen mens af kunt denken en dat het vaak niet kwaad bedoeld is.

 

174.

Beleving-1 ; Beleving-2 ;

De waarheid is niet te concretiseren. Het is geen werkelijkheid die op zichzelf bestaan kan. Op zichzelf bestaat alleen maar de realiteit en dat blijft zo. Dat is geen zaak om treurig van te worden, want het is de werkelijkheid zelf die in die realiteit uitloopt en niet in die vermeende waarheid. Dat heeft om te beginnen als consequentie, ten eerste: het begrip zonde is zonder meer onzin, want dat begrip kan er alleen maar zijn zolang en voorzover men denkt dat er een waarheid is die, als de mensen dat zouden willen en als zij er aan toe zouden zijn, concreet bestaan kan. En ten tweede: omdat die waarheid niet bestaan kan is er in feite ook niet van schuld te spreken. Het begrip schuld bestaat overigens wel, maar niet in relatie tot de waarheid. De waarheid is een begrip dat een kwalificatie uitdrukt van de werkelijkheid als bewustzijn als die werkelijkheid zich als beeld op zuivere wijze aan de werkelijkheid als voorstelling afspiegelt. De waarheid is de werkelijkheid zoals deze zich aan de mens voordoet als die mens zich richt op de werkelijkheid als beeld. Voor deze werkelijkheid geldt dat alles onvoorwaardelijk en zonder onderscheid aanwezig is, en dat is het begrip vrouwelijk, en er geldt dat alles ineen is, en dat is het begrip liefde, en er geldt dat alles in harmonie is, en dat is het begrip schoonheid. En omdat het ene ding, evenmin als het andere ding, op zichzelf staat en er tussen die dingen geen grenzen zijn die een absolute scheiding betekenen, gelden er voor de mens kwaliteiten als zelfverloochening, ruimhartigheid, goedmoedigheid enzovoort. In het kort kun je stellen dat alle genoemde begrippen en kwaliteiten gelden voor de mens die zichzelf als bewustzijn heeft leren kennen - de volwassen mens dus. Voor die mens is de werkelijkheid qua beleving als boven beschreven, maar die werkelijkheid zelve is niets anders dan een realiteit waarvoor al die schone zaken niet van kracht zijn: het ene ding staat buiten het andere ding, is er volstrekt van gescheiden en van samenhang en dergelijke is ook geen sprake. Er is slechts een fijnmazig netwerk van uitermate innige relaties.

Beleving-1 ; Beleving-2 ;

 

175.

Voorzover de mens zich gedraagt als ware hij de werkelijkheid als bewustzijn, zijn voor hem alle schone zaken realiteiten, maar je moet wel bedenken dat hij als zodanig het tegengestelde van de feitelijke realiteit is. Dat is dan ook waarschijnlijk de betekenis van de oude evangelische uitspraak dat de ware, dit is de volwassen, mens “niet van deze wereld” is. Deze mens is inderdaad zonder zonde en schuld want hij verbeeldt zich niet dat de waarheid er als een realiteit kan zijn, maar hij weet daarentegen dat hij als volwassen mens het verschijnsel is dat zich gedraagt alsof het louter bewustzijn is.

 

176.

Verdraagzaamheid-1 ; onverdraagzaam-2 ;

 


Vele denkers menen nog steeds dat de mens “geestelijk” zou moeten zijn. Dat zou betekenen dat hij zich naar zijn zelfbewustzijn zou moeten gedragen. Dat echter is fout gedacht, het is daarentegen juist de Onvolwassen mens die zich naar zijn zelfbewustzijn, oftewel zijn “geest”, richt. De maat leggen bij het zelfbewustzijn betekent dat men zich uitlevert aan het plaatselijke en tijdelijke, aan het gedwongen zijn en het onderworpen zijn aan regels en voorschriften. Het betekent leven in een massieve waan die weliswaar strikt rationeel is maar die daardoor van het leven alleen maar een bestaan maakt, helder berekend, consequent logisch en principieel, zonder onberekenbare emoties en waardevrij, maar volkomen levenloos. De bloedeloosheid en kilheid zelve..! In feite is dit het ideaal van de beschaafde mens, de mens die zelfbeheersing als een deugd ziet en die zichzelf ertoe dwingt “redelijk” en “verstandig” te zijn. Maarjuist deze mens is in alle opzichten “van deze wereld”. Zijn zelfbewustzijn heeft immers niets anders dan deze wereld tot inhoud! Het feit dat voor het zelfbewustzijn op zichzelf geldt dat het voorbij de materie is, dat het  “de materie als niet-materie” is, doet in dit verband niet terzake. Het niet-materie zijn slaat namelijk op de werkelijkheid als zelfbewustzijn, het geeft aan wat het zelfbewustzijn voor een zaak is: het is de realiteit die zich laat gelden alsof hij niet materieel is. Fenomenologisch gesproken: het zijn de beweeglijkheden die er zijn alsof zij weer op zichzelf zijn. En op grond van dit laatste beoordeelt men die zaak intuďtief als “geestelijk” , vluchtig en hoog verheven boven alledag. De praktijk van alle eeuwen laat echter duidelijk zien dat dit “geestelijke” bijzonder banaal, benauwd, onverdraagzaam, lelijk, moordzuchtig en liefdeloos is. Bovendien zit het vol met occulte smerigheden die bij nadere beschouwing nergens anders op kunnen duiden dan op een uiterst morbide geestelijkheid...

Verdraagzaamheid-1 ; onverdraagzaam-2 ;

 

177.

De volwassen mens is op een volwassen wijze zelfbewust geworden en dat betekent wezenlijk dat hij wat betreft zijn zelfbewustzijn tot kennis is gekomen. Zijn voorstelling is geestelijk, dat wil zeggen rationeel, geworden. Maar het criterium voor het werkelijke leven van die volwassen mens is niet zijn rationeel geworden zelfbewustzijn, waar zonder hij overigens niet volwassen kan zijn, maar zijn bewustzijn dat zich aan hem kenbaar maakt via de werkelijkheid als beeld en dat vervolgens voor hem de maat is voor de realiteit van zijn leven. Je zou kunnen zeggen dat de werkelijkheid als beeld ervoor zorgt dat alle juiste feiten tot ware feiten worden. Alle details, zoals die door steeds dieper gaand onderzoek te voorschijn zijn gekomen, verliezen hun afgesloten, op zichzelf staand karakter en worden gaandeweg nuances. Het opmerkelijke van een nuance is dat het een detail, een klein onderdeel is dat naar alle kanten samenhangt met en overgaat in het geheel van de werkelijkheid. De nuance “vervloeit” als het ware in het gehele beeld. En daarmee verkrijgen en de nuances en het beeld onmiddellijk hun waarheid! Je kunt ook zeggen dat het kennen, dat betrekking heeft op het totaal van “gekende feiten”, ook wel “data” genoemd, bij de volwassen mens tot weten is geworden. Daaraan is het kennen voorondersteld, maar het is in feite een zaak van de werkelijkheid als beeld. Het gaat nu niet langer om een totaal aan details oftewel data, maar om een geheel van nuances.

 

178.


Er is in de mensen een soort van automatisme wat betreft de waardering van wat “geest” genoemd wordt. Zonder er bij na te denken gaat men ervan uit dat de “geest” iets verhevens is en dat bijgevolg alle geestelijke zaken zonder meer goed zijn en het welzijn van mens en natuur bevorderen. Men vindt in tegenstelling daarmee dat stoffelijke zaken wezenlijk verkeerd zijn. Idealistische filosofen, voornamelijk uit de 19e eeuw, vonden dan ook dat de bestaande stoffelijke werkelijkheid de “verkeerde” was, in die zin dat de zaak als  “omgekeerd” beschouwd zou moeten worden. De wezenlijke werkelijkheid zou zich omgekeerd hebben en dat betekent b~ die filosofen dat de werkelijkheid zich in haar tegendeel gewijzigd heeft. Het stoffelijke is dan de “omkering” van het geestelijke. En om dat geestelijke gaat het volgens hen eigenlijk, reden waarom de mens daartoe zou moeten terugkeren. In die optiek zou de mens “terecht” zijn als hij vergeestelijkt was. Dan is hij “zuiver begrip” geworden. Welbeschouwd is deze gedachtegang van de idealisten onzin die hen ongetwijfeld werd ingegeven door de automatische aanname dat het geestelijke het goede zou zijn. In feite echter is het dat geenszins...Je hebt te doen met hoog-laag denken waarbij vanzelfsprekend het hoge identiek is met het goede, het onstoffelijke, het lichte, het onbepaalde en dus de “geest”. Maar het lage is wezenlijk slecht, het is bepaald, afgesloten en beperkt, het is de “stof”. Dit hoog-laag denken, al of niet uitgedrukt in termen van geest en stof, gaat door alles heen. Stiekem is het bijna altijd bepalend voor de wegen die het denken volgt bij zijn beoordeling van mens en wereld, zodat er onvermijdelijk scheve voorstellingen ontstaan. Deze kunnen een zodanige uitwerking hebben dat gehele culturen erdoor in wanen verzinken, zoals dat met de westerse cultuur het geval is. De criteria namelijk voor de wetenschappelijk verantwoorde juistheid van de werkelijkheid als voorstelling staan in hoge mate in het licht van dat verborgen hoog-laag denken. Wat juist is wordt als vanzelf hoog gewaardeerd en wat onjuist is valt een lage waardering ten deel. Maar in de praktijk kan een betrouwbare waardering wel eens precies andersom uitvallen! De wetenschappelijke en technologische ondergrond bijvoorbeeld van een kerncentrale is volkomen juist B hij doet het immers - en dus wordt hij hoog gewaardeerd. Maar het is niet zo moeilijk te bedenken dat zo'n onding eigenlijk op allerlei gronden een lage waardering toekomt.

 

179.

Het hoog-laag denken kan niet wegblijven uit de ontwikkeling van de mens. Het is onvermijdelijk en dus is het op zichzelf redelijk dat het er is. Maar dat wil geenszins zeggen dat je er zo gelukkig mee kunt zijn. Het leidt er immers toe dat men het zogenaamde geestelijke, het onstoffelijke en niet-materiële, een bijna absolute goedheid toeschrijft. Gevolg daarvan is dan weer dat wat minder aangename zaken als stoffelijk, materialistisch, natuurlijk en zelfs als dierlijk worden beschouwd. Die kunnen immers niet geestelijk zijn! Dus, hoewel het hoog-laag denken redelijkerwijs niet weg kan blijven is het toch de bron van veel praktische en intellectuele misvattingen, vooral omdat er niet ingezien kan worden dat het geestelijke helemaal niet iets hogers is, dit ten eerste, en ook omdat juist dat geestelijke, ten tweede, de veroorzaker en de stimulans van alle onheil is die de mens in de loop van zijn geschiedenis zichzelf heeft aangedaan. Uiteraard had ook dat niet weg kunnen blijven, maar juist om dat te begrijpen is het noodzakelijk in te zien waarmee je te doen hebt als je met “de geest” te doen hebt.

 

180.


Wat in bijna alle culturen “de geest” genoemd wordt is in feite de werkelijkheid als zelfbewustzijn. Zoals ik al zo vaak heb laten zien is die zaak te typeren als “niet- materie”, hetgeen betekent dat het gaat over de materie die er is alsof zij helemaal geen materie meer is. Dat heeft tot gevolg dat de materiële werkelijkheid, zeg maar de verschijnselenwereld, op de wijze van een verzameling trillingen aanwezig is. Aanwezig uiteraard in de mens, want die is het verschijnsel waarin het zelfbewustzijn optreedt, en wel omdat hij de laatste mogelijkheid van het kosmische wordingsproces is. In de mens zijn dus de “dingen” op niet-materiële wijze aanwezig, namelijk als een verzameling trillingen. Die verzameling is inhoud van het zelfbewustzijn en dat is wat ik “de werkelijkheid als voorstelling” noem. De voorstelling heeft betrekking op de “dingen”. Alles wat in die voorstelling komt te liggen is, hoewel op zichzelf niet-materieel, door en door onderworpen aan de wetten van de werkelijkheid als ding. Het zelfbewustzijn, waarvan de voorstelling inhoud is, moet dus beschouwd worden als een zaak van dingen, hoewel het als een aan de mens meekomende eigenaardigheid op zichzelf als niet-materie geldt. Op grond van dit laatste zijn de mensen, aanvoelend wat het zelfbewustzijn kwalitatief is, van de geest gaan spreken en omdat er verder niets aan de werkelijkheid te beleven valt zijn zij die geest als het hoogste gaan beschouwen. Dus niet alleen als het laatste, maar vooral als het hoogste dat als zodanig onmiddellijk maatgevend moest heten.

 

181.

Maatgevend voor de onvolwassen mens is dus een zaak van dingen en dat zijn dan ook nog los van elkaar staande dingen die in feite niets met elkaar te maken hebben, behalve dan dat zij met elkaar een “netwerk van relaties” vormen. Omdat de mens niet alle dingen kent en ook lang niet alle dingen de moeite waard vindt en heel veel dingen als slecht afwijst, is dat door de dingen gevormde netwerk van relaties steeds een complex van vooroordelen, tegenstrijdigheden, benauwdheden en belangen. En dat complex is nu wat men “het geestelijke” noemt. Zelfs de zogenaamd mooie en edele zaken zijn bevangen in dat complex. Maar overwegend heb je te doen met allerlei gescharrel dat varieert tussen kleingeestige miezerigheden en brute moorddadigheid. Die miezerigheden stoelen op bevooroordeelde benauwde relaties, ruimschoots doortrokken van eigenbelang, en de moorddadigheid op het feit dat het ene ding de aanwezigheid van het andere ding noodzakelijk en wezenlijk ontkent. Je kunt dus niet anders constateren dan dat de “geest” meer de bron van een heleboel ellende is dan dat hij inspireert tot menselijkheid, in de zin van liefde, vrede, zachtmoedigheid en nog meer van deze begrippen.

 

182.

Als de mensen een werktuig bedenken waarmee men nog effectiever zijn zogenaamde vijanden kan kwellen en uitroeien, dan is dat een product van de geest. Als de mensen een systeem bedenken waarmee je anderen onder de knoet kunt brengen en gebruiken ten eigen bate, dan is dat door de geest uitgebroed. Als de mensen zichzelf en elkaar wijsmaken dat er hogere machten zijn waaraan men zich te onderwerpen heeft, dan is het die quasi nobele geest die dergelijke verhevenheden op tafel legt.

 

183

Etnische zuiveringen, pogroms, kruistochten, oorlogen en al het andere fraais waarmee de mensen herhaaldelijk op de proppen komen, het zijn even zovele uitingen van de in de mens huizende werkelijkheid als geest. Gesteld dat die werkelijkheid niet voor de mens gold, dan kon hij al die onderscheidingen, die aanleiding geven tot moorden en branden, niet maken. Hij zou zijn als de dieren, volledig ingebed in de werkelijkheid als bewustzijn en dat wil praktisch zeggen dat hij onontkoombaar gebonden was aan de natuurlijke programma's. Van al die rampen die hij thans vanuit die “geest” zichzelf en anderen aandoet zou hij geen weet hebben: hij zou ze namelijk niet weten te verzinnen. Voorzover anderen hem tot prooi zouden zijn is dat geen bedachte schanddaad, maar een onderdeel van een natuurlijk programma. Hij zou de ander tot prooi behoren te maken!


184.

De werkelijkheid als bewustzijn - hetgeen feitelijk betekent: de werkelijkheid op de wijze van bewustzijn - is een samenhangende, in zichzelf ongescheiden, beweeglijke zaak. Die werkelijkheid geldt voor al wat levend is. In tegenstelling tot wat je aanvankelijk zou denken is in dat bewustzijn het van elkaar leven volledig inbegrepen. De levende verschijnselen vormen noodzakelijk voedselketens en dat betekent dat het ene leven het andere tot prooi dient. Het elkaar tot prooi zijn is een van de praktische kenmerken van de samenhang en het “in elkaar overgaan”. Het is dus fout om dit als een kwaad te beschouwen! Maar als de mensen elkaar tot prooi dienen geschiedt dit niet vanuit het bewustzijn, maar vanuit het zelfbewustzijn met zijn vertekende voorstellingen. Het is dan wel een kwaad. Er is dan geen samenhang maar scheiding en dus ook vijandschap en moordlust. Heeft de mens tenslotte zichzelf als mens leren kennen en is hij eenmaal volwassen geworden, dan herkent hij zichzelf als bewustzijn, nu echter niet in de zin van elkaar tot prooi zijn, maar in de zin van elkaar tot liefde zijn, hetgeen praktisch betekent: met zijn allen zijn. Voor hem is de werkelijkheid dan samenhangend geworden, want dat is het waarom het voor de mens wezenlijk gaat.

 

185

Hoe vreemd het ook moge klinken, het elkaar tot prooi zijn als voornaamste eigenaardigheid van de dierlijke wereld is geen drang tot vernietigen en al helemaal geen moordlust - wat het bij de mens wel degelijk zou zijn B maar een gevolg van het in elkaar overgaan van “het een in het ander”. In feite dus van het beginsel van de samenhang, zoals dat voor het “er zijn”, de existentie, van de dierenwereld geldig is. Voor de dieren, en eigenlijk ook voor de planten, verschijnt de werkelijkheid, zonder dat zij er uiteraard iets van afweten, als een werkelijkheid waarin alles met alles samenhangt, en dat is het nu precies wat op den duur ook voor de volwassen mensen het criterium wordt. Het tot prooi zijn geldt ook dan voor die volwassen mens, evenwel niet in de zin van moorden, plunderen en branden, maar in deze betekenis dat al het voorgaande zich oplost in het laatste en dat is de mens. Alles loopt in hem uit. Alles wat er is wordt de mens tot prooi. Het wordt namelijk zijn inhoud, enerzijds op de wijze van eigendom, anderzijds op de wijze van kennis. In dit verband is natuurlijk het woord prooi niet zo aantrekkelijk, maar als je bedenkt hoe de onvolwassen mens tot nu toe met zijn wereld omgegaan is, komt toch onwillekeurig dat woord “prooi” in je naar boven...

 

186.


Wat eenmaal voor de volwassen mens zal gelden is volstrekt anders dan wat wij onszelf en anderen voordurend voorgespiegeld hebben. Dat de mens een “geestelijk wezen” zou worden is volslagen fout gedacht. Wel geldt voor hem dat hij het “kennende principe” van de werkelijkheid is, of, anders gezegd: hij is de werkelijkheid die tot kennis omtrent zichzelf - omtrent wat anders trouwens? - gekomen is. Omdat dit een zaak van het zelfbewustzijn is en omdat het zelfbewustzijn vrijwel naadloos samenvalt met het gebruikelijke begrip geest kun je inderdaad van een “geestelijk wezen” spreken, maar dan heeft dat geestelijke normatief totaal niets om het lijf, sterker nog: het is in alle opzichten vernietigend omdat het zich noodzakelijk bedient van de analyse. Spreekt iemand dan ook in ethische, normatieve zin over de mens als een “geestelijk wezen”, dan getuigt dit van een misplaatst idealisme dat, zoals gebruikelijk bij idealistische voorstellingen, geheel en al in strijd is met de feitelijke verhoudingen in en van de werkelijkheid. Als je van ethiek wilt spreken en je wilt nagaan hoe het qua normen met de mens zit, moet je je richten op de verhoudingen die voor de werkelijkheid als bewustzijn gelden en vervolgens nagaan langs welke weg de mens ertoe komt die samenhangende, harmonische en liefdevolle werkelijkheid als de enig echte te herkennen en te laten gelden.

 

187.

De werkelijkheid als bewustzijn, waarvan je met recht kunt zeggen dat dit “de enig echte” is, is niet, zoals de werkelijkheid als voorstelling, een bepaalde en concrete zaak. Dat zou ook niet mogelijk zijn, want zou het wel een concreet geval zijn, hij zou voor een ieder niet alleen anders, maar ook beperkt, plaatselijk en tijdelijk zijn. Als zodanig is dat nu niet bepaald een zaak om als een richtinggevend baken voor ogen te houden. Dat betekent overigens ook dat dat zogenaamde “geestelijke wezen” niet tot aanbeveling strekt! Hoe dan ook, slechts een algemene zaak kan algemeen geldig zijn en dus voor de volwassen mens van straks richting geven aan zijn leven.

 

188.

Het bij het verlangen naar de mens als geestelijk wezen behorende hoog-laag denken blijkt bij nadere beschouwing een tweetal eigenaardigheden te vertonen. Je kunt namelijk vaststellen dat in een cultuur waarin het hoog-laag denken aan de orde is, alles naar boven toe geprojecteerd wordt. Dat wil zeggen dat men voortdurend bezig is alle verschijnselen op te waarderen. Dat geldt natuurlijk in de eerste plaats voor de mens zelf: enerzijds probeert hij almaar boven zichzelf uit te komen, uiteraard naar criteria die hij zelf aanlegt, en anderzijds verbeeldt hij zich steeds dat hij met “het goede” bezig is en dat hij ook immer het goede voorheeft! Het boven zichzelf uitkomen is bijvoorbeeld te herkennen in de behoefte een held te worden, zoals dat vooral in de oude Germaanse sagen op onthullende wijze voor de dag komt: het is pas in orde als je een held wordt, een Siegfried die zich van de grond af opwerkt tot bovenmenselijke hoogte. Dat is typisch een held: de naar boven gedachte mens!

 

189.

In de psychologie kent men het begrip sublimatie. Dat heeft betrekking op het op een hoger plan brengen van hartstochten en driften die beschouwd worden als van een lagere orde. Dat slaat vooral op het seksuele leven van de mens. De gedachte is dan deze dat de seksuele aandriften door de mens omgezet zouden moeten worden tot geestelijke activiteiten, een onmiskenbaar geval van opwaardering. De mens heeft dus kennelijk zijn natuurlijkheid op te waarderen tot iets geestelijks. Je hoort dan ook beweren dat de mens zich moet ontwikkelen van “natuur” tot “cultuur”. Zonder een dergelijke ontwikkeling zou er van de mens niets terecht komen. Het irrationele en driftmatige zou dominant blijven en daardoor voor de mens alle mogelijkheden afsluiten om ooit tot een goede en rechtvaardige wereld te komen. Alle godsdiensten proberen de mens ertoe te brengen zichzelf op te waarderen.


Maar het christendom spant wat dit betreft de kroon. Voortdurend is men daarmee bezig : de mensen zouden zich moeten  “bekeren” en de gedachte dat hun “zonden” en “schulden” ongedaan zullen worden gemaakt speelt een cruciale rol. Ook echter in het denken in het algemeen projecteert men de mens naar iets hogers. De filosofen bijvoorbeeld breken zich nog steeds het hoofd over de vraag hoe je de mens zou kunnen verbeteren. Er zijn er zelfs die een oplossing zien in genetische manipulatie. Men zou met behulp van die techniek betere hersenen kunnen maken en dat zou de mens in staat stellen zich als een “geestelijk wezen” waar te maken!

 

190.

De mens die zich verbeeldt altijd het goede met zichzelf, zijn medemens en de wereld voor te hebben is de mens met principes en normen en waarden. Het is de mens die zichzelf “beschaafd” vindt en die er rotsvast van overtuigd is dat hij “het dierlijke”, de “hartstocht”, de “begeerte”, het “instinct” en de “drift” overwonnen heeft. Hij vindt zelfbeheersing het hoogste goed, hij vindt dat hij “redelijk” moet zijn, geen vooroordelen mag hebben en zo nog een heleboel fraaiigheden meer...

 

191.

Tegelijk met het naar boven projecteren van de dingen beoordeelt de hoog-laag denkende mens alles van bovenaf. Hij vindt dat alles in het licht van het goddelijke bekeken moet worden, of, als hij niet in god gelooft, in het licht van de rede, de wetenschap, het recht en wat al niet. Steeds is een rationele abstractie de maat der dingen en, ten gevolge daarvan, is de concrete praktijk onveranderlijk beneden de maat! In feite gaat het de hoog-laag denkende mens nooit om de realiteit. Slechts datgene dat te bestreven is mag gelden. En het merkwaardigste daarbij is wel dat die Onwerkelijke mens van zichzelf vindt dat hij een realist in optima forma is! Uitermate praktisch is hij! Hij staat met beide benen stevig op de grond! Hij laat zich geen knollen voor citroenen verkopen! Hij laat zich beslist niets wijsmaken en geloven is er voor hem niet bij, hij wil zeker weten! Maar intussen verbeeldt hij zich maar dat hij zo voortreffelijk is :de betekenis van zijn leven hangt ergens onbereikbaar hoog in de lucht...

 

192.


Hoewel het bijna niemand ooit opvalt zijn ook de moderne regeringsvormen manifestaties van hoog-laag denken. Hoewel beweerd wordt dat het “democratische denken” er borg voor staat dat het volk regeert en dat de autocratie onmogelijk gemaakt wordt, is het tegendeel in de praktijk waar. De maatschappij en de samenleving worden wel degelijk van bovenaf beoordeeld en de burgers denken geheel en al in termen van opwaardering, en dus naar boven. Het blijkt dan ook dat het de regeerders nooit om de burgers gaat maar uitsluitend om hun eigen bevoegdheden om dwingende besluiten te nemen. Zij zijn het die de dienst uitmaken. Hun wil is wet en er is niets dat hen daarvan weerhoudt. Opmerkelijk is dat nagenoeg iedereen dat normaal vindt en dat is welbeschouwd wel terecht, want ook de moderne democratie is in feite een autocratie, maar dan niet uitgeoefend door één persoon, maar door een als een eenheid optredend college. De burgers wijzen doormiddel van verkiezingen diegenen aan die uit mogen maken wie in dat college zitting mag nemen. Het misleidende is in deze kwestie dat de wijze waarop de regeerders aan de macht komen tot op zekere hoogte democratisch is, namelijk via verkiezingen die enigszins leiden tot een afspiegeling van de wil van het volk, een wil overigens die nauwelijks iets gemeen heeft met de belangen en bedoelingen die werkelijk een rol spelen. Immers, eenmaal op het fluweel gezeten is de wil van de zogenaamd verkozene volstrekte wet! Het enige verschil met vroeger is dat niet langer geboorte en erfelijkheid bepalend zijn voor de macht, maar die armoedige “wil van het volk”. Verder is alles precies eender gebleven. Ook het besluitvormingsproces is niet veranderd: allerlei politieke, wetenschappelijke en bestuurlijke instituties mogen adviseren en zelfs een poging wagen de belangen van hun eigen achterban te laten prevaleren, maar al of niet onder invloed van die adviseurs en lobbyisten nemen de regeerders eigenmachtig de besluiten. Hun wil is wet! Daarbij draait alles om die wil, al of niet verpakt in fraaie volzinnen over het belang van de gemeenschap en over regeren dat “vooruitzien” zou betekenen. Het is evenwel niet moeilijk om in te zien dat de hele zaak op het hogere gericht is en dat de gehuldigde voorstelling van dat hogere in alle opzichten bepalend is. Niet de burgers zijn de maat, maar het hogere is dat, in welke vorm het zich ook voordoet. Vanuit dat hogere is het niet moeilijk om met deelneming over de burgers te spreken - het kan trouwens niet anders! Maar dat het om hen zou gaan is een leugen.

 

193.

Het is vaak moeilijk te zeggen om wie het nu wel gaat als het niet om de burgers gaat. Maar zoveel is steeds zeker dat het om iets hogers gaat en dat dit op de een of andere manier door bepaalde personen of groepen opgeëist wordt ter rechtvaardiging van hun niet te bevredigen honger naar macht. Men vraagt zich wel eens af waarom macht toch altijd “corrumperen” moet, maar dat is gemakkelijk te begrijpen als je inziet dat machtshonger niet te stillen is. Dat is het geval doordat het in het karakter van macht ligt alles en iedereen te willen overheersen. Daardoor blijft er steevast iets over dat nog buiten het machtsbereik valt, maar dat beslist ook nog onderworpen moet worden. Hier laat zich op uitermate particuliere wijze gelden dat de mens wezenlijk “bezitter van de kosmos” is. Op “particuliere wijze” omdat het de individuele mens vooralsnog alleen maar om zichzelf gaat en hij nog niet tot het inzicht is gekomen dat het zichzelf tot bezitter maken voor iedereen geldt en dat het dus onrechtmatig is om zichzelf op een zodanige wijze door te zetten dat het de anderen onmogelijk gemaakt wordt zich ook als die bezitter van de kosmos waar te maken. Iedereen is namelijk bezitter van de kosmos - vanwege het feit dat iedereen “laatste verschijnsel” is. Dat is op zichzelf eigenlijk niets bijzonders, maar de moeilijkheid voor de zich ontwikkelende mens is nu juist gelegen in dat begrip iedereen. De mens als machtzoeker is de mens die alleen maar zichzelf als laatste verschijnsel beleeft en die daardoor nooit op kan houden alles aan zich te onderwerpen. Dat gaat onvermijdelijk samen met het besef hogergeplaatst te zijn. Voorzover je namelijk van iets hogers wilt spreken moet dat liggen bij de mens als laatste verschijnsel. Het is het niet-materie zijn dat zich, uiteraard ongeweten, doet gevoelen.

 

194.


Er is één begrip dat voor de mens een alles overheersende betekenis heeft en dat is het begrip erkenning. Het is het eerste begrip dat als onmiddellijke consequentie aan de mens als individu te bedenken valt. Heeft de mens zich namelijk tot individu ontwikkeld, dan is voor deze individu de aanwezigheid van “de ander” tenvolle voor de dag en tot zijn recht gekomen. Juist het zich ontplooien tot een volwaardige “ik” ontsluit de aanvankelijke begrensdheid van het particuliere en daardoor kan de mens als individu “het andere” en “de ander” onvoorwaardelijk gaan insluiten. Dit onvoorwaardelijke insluiten is precies de reden waarom het begrip erkennen is gaan gelden. Op zijn beurt houdt dit begrip erkennen in dat men van zichzelf uit, onvoorwaardelijk en ongevraagd, aan de ander een aantal existentiële garanties biedt. Het aanbieden van die garanties is vanzelfsprekend voor de mens als individu, maar in feite is zo'n aanbod dat eigenlijk niet omdat het de mens nu eenmaal gegeven is op alles “nee” te zeggen. Hierdoor kan hij zijn medemens ook geen enkele garantie geven, hetgeen je bij de alsnog Onvolwassen mens dan ook voortdurend ziet. Genoemde garanties beslaan een hele verzameling deelbegrippen die allemaal op hun wijze het leven van volwassen mensen mogelijk en leefbaar maken.

 

195.

Het gelden van het begrip erkennen leidt tot het aanbieden van een aantal onvoorwaardelijke existentiële garanties. Hoofdzaken daarbij zijn dat men elkaars behoefte aan zelfstandigheid, veiligheid en communicatie niet in de weg staat. Het is niet zo moeilijk om de aanwezigheid van de medemens te erkennen. Als je hem bijvoorbeeld als een slaaf beschouwt heb je hem wel degelijk erkend, maar dat heeft in feite niet zo erg veel om het lijf: zijn benodigde zelfstandigheid is ver te zoeken, zijn veiligheid is slechts betrekkelijk gegarandeerd - doorgaans alleen maar voorzover de slaaf een economische waarde vertegenwoordigt - en zijn mogelijkheden tot communicatie zijn eveneens minimaal. Een dergelijke “erkenning” kan dus niet de bedoeling zijn. Het is al voorwaardelijkheid wat de klok slaat. Ook de zogenaamde democratische erkenning beantwoordt niet aan de voor de mens geldende universele normen. Allerlei staatsbelangen, als steeds gesanctioneerd door een beroep op “het hogere”, staan binnen het kader van een democratie aan het werkelijk erkennen van de medemens in de weg. Tot op heden is bijvoorbeeld het denken in termen van arbeid, als rechtvaardiging van iemands bestaan, een hinderpaal bij het erkennen van de medemens. Ook de behoefte om de medemens te administreren verhindert de erkenning. Het is dus eigenlijk niet zo simpel om tot een algemeen geldende erkenning van iedere medemens te komen...

 

196

Het begrip zelfstandigheid houdt in dat men zichzelf en vooral - wat het moeilijkste is - de medemens uitsluitend en onvoorwaardelijk als een “zelfgenoegzaam” verschijnsel beschouwt. Een verschijnsel dus dat aan zichzelf genoeg heeft en dat uitsluitend terwille van zichzelf aanwezig is. Die medemens wordt dan dus niet gezien in het licht van iets of iemand anders, zoals bijvoorbeeld tot op heden de vrouw er is in het licht van de man en de man er is in het licht van arbeid en dat soort van zaken. Als de medemens als “zelfgenoegzaam” wordt gezien is deze los van iedere bedoeling, functie of status. Hij is uitsluitend zichzelf, ook als dat in de ogen van iemand anders niet zo prettig of verantwoord is. Ook behoort het tot de inhoud van dit begrip dat de mens niet leven kan binnen de context van een groep, een staat of enig ander geheel. Hij zou immers toch weer terwille van iets anders op deze wereld zijn gekomen! Als “dienstknecht gods” of zelfs maar als “evenbeeld van god” is de mens uiteraard ook in een positie gebracht die hem onwaardig is.

 

197.


Het spreekt vanzelf dat iedereen voor zichzelf de status van zelfstandigheid op kan eisen. In feite doet een ieder dat van nature al: er is geen geestelijk gezond mens die vindt dat hij per se Onzelfstandig zou moeten zijn. Niemand zit er naar uit te kijken om de slaaf van iets of iemand anders te zijn. Alleen binnen de context van een godsdienst aanvaardt men een zekere persoonlijke onzelfstandigheid, maar dat blijft beperkt tot een irreëel belijden van een of ander waandenkbeeld waaraan ook de meest gelovige zich in de praktijk van alle dag onttrekt. Vroeger zeiden de mensen wel: "Vertrouw op god, maar houd je kruit droog". Overigens kun je ook daaraan weer zien hoe de godsdienst de positie van de mens in de kosmos in een vals daglicht stelt...Het moeilijke van het begrip zelfstandigheid ligt niet bij het opeisen van zelfstandigheid voor jezelf,. maar bij het onvoorwaardelijk erkennen en laten gelden van de zelfstandigheid van de ander. Daarom moet dit begrip “van je zelf af” gedefinieerd worden. Het moet gelden als een begrip dat op de ander gericht is. Houd je het op de eigen zelfstandigheid zonder die van de ander als onmiddellijke en noodzakelijke consequentie te begrijpen, dan heeft het begrip zelfstandigheid geen betekenis.

 

 

198.

Het begrip veiligheid heeft een veel omvangrijker inhoud dan gewoonlijk verondersteld wordt als je erover spreekt. Het heeft namelijk niet alleen te maken met een zekere politionele bescherming bij het zich bevinden op straat bijvoorbeeld, maar veelmeer met de juridische status waarin de mensen zich bevinden. Het gaat over de verhouding waarin de ene mens tot de andere staat. Dit betekent dat men elkaar met rust zal laten en er zorg voor zal dragen dat men elkaar niet benadeelt of leed berokkent. Deze zorg voor elkaars veiligheid kan niet incidenteel zijn - het is immers gemakkelijk genoeg als alles meezit!- maar zij zal Onvoorwaardelijk moeten zijn. Bovendien moet zij negatief gedefinieerd worden omdat het gaat over zaken die men ten aanzien van de medemens te laten heeft. Het laten gelden van het begrip veiligheid komt neer op het voorkomen en verhinderen van al datgene dat de ander en jezelf qua zelfstandigheid bedreigt. Het is helemaal niet noodzakelijk dat de wederkerige garanties voor veiligheid in wetsartikelen vastgelegd zijn en dat bepaalde instanties optreden als handhavers van deze wetten. Mensen die tenslotte volwassen geworden zijn hebben een dermate helder besef van rechtvaardigheid dat zij in de vele verschillende situaties, waarin ze komen te verkeren, elkaar bijna intuďtief  “recht zullen doen”. Het onvoorwaardelijke karakter van dit begrip veiligheid heeft ook als consequentie dat men medemensen met een verkeerde aanleg en ontplooiing in hun “verkeerd-zijn” erkent en hen zo goed mogelijk beschermt en verzorgt. Op grond van het eerder genoemde rechtvaardigheidsbesef zullen deze bescherming en verzorging geen indirect, maar een direct en preventief karakter hebben. Men wacht niet, zoals tot nu toe gebruikelijk is, totdat er een misdaad geschied is, maar tengevolge van elkaars zorg voor elkaar heeft men reeds lang van tevoren de symptomen van het “verkeerd-zijn” herkend en zo goed mogelijk behandeld. Je moet niet vergeten dat een belangrijke stimulans tot misdadig gedrag gelegen is in de onverschilligheid voor elkaar. Het als los zand aan elkaar hangen van de onvolwassen mensen is een vruchtbare voedingsbodem voor criminaliteit. Wanneer dat eenmaal opgeheven zal zijn blijft er slechts een heel klein aantal mensen over die werkelijk niet goed in elkaar zitten. Vanzelfsprekend worden die als ziek beschouwd...

 

199.


Onder het begrip veiligheid valt ook het onvoorwaardelijk voorhanden-zijn van de levensbehoeften van de mensen. Dat wil zeggen dat ieder mens aan die behoeften kan voldoen zonder daarvoor eerst op allerlei onaangename manieren een grote hoeveelheid geld bijeen te moeten schrapen of op andere onterende manieren “zijn brood te verdienen”. Onder levensbehoeften valt een grote variëteit aan onmisbare zaken zoals daar zijn onderdak, kleding en schoeisel, voedsel en medische hulp. Maar ook die zaken die tot nu toe als “luxe” gezien werden, maar die voor mensen met een speciale aanleg onontbeerlijk zijn: muziekinstrumenten, geluidsdragers, boeken, kunst en kunstvoorwerpen, enzovoort. Het moet zelfs voor “dromers” mogelijk zijn zich als zodanig uit te leven zonder daarvoor met de nek aangekeken te worden vanwege het feit dat ze niet  “werken voor de kost”.

 

200.

Dan is er nog het begrip communicatie, een zaak waarvan bijna nooit het werkelijke menselijke belang wordt ingezien. Men ziet de communicatie eigenlijk als een min of meer toevallig verworven luxe die uitvloeisel is van de moderne technologie en die daarom ook als een lucratief winstobject kan worden gezien. Anderzijds betreurt men het vaak dat de moderne mensen zo van die communicatie afhankelijk zijn geworden. De tot de communicatie behorende technische middelen worden soms zelfs als een gevaar gezien, zoals dat bijvoorbeeld met de televisie het geval is. Maar welke onzin men wat dit betreft ook klapt, feit blijft dat de communicatie nu reeds, in de huidige wereld, functioneert als het zenuwstelsel van de mensheid. Toegegeven moet worden dat het een overspannen zenuwstelsel is van een dolgedraaide mensheid die zo langzamerhand danig het spoor bijster is geraakt, maar toch zijn de moderne communicatie-middelen al als een zenuwstelsel gaan fungeren. Op den duur zal dat stellig een gezonde zaak worden...Als de volwassen mensen tenslotte hun wereld beschouwen en ervaren als een samenhangend geheel, dan is dit volstrekt Ondenkbaar zonder een fijnmazig netwerk van communicatie. Juist omdat de mensen als verschijnselen niet samenhangen is een bewustzijn van samenhang onontbeerlijk en typisch “menselijk”, maar dat is volstrekt niet mogelijk zonder dat allen met allen in verbinding staan. Zoals ons zenuwstelsel alle organen in ons lichaam, en in feite alle cellen, met elkaar doet samenhangen, zo doet de communicatie dat met alle mensen, op den duur. Natuurlijk betekent dit niet dat alle individuen feitelijk met elkaar in verbinding staan in die zin dat zij elkaar kennen en contact onderhouden. Het betekent echter wel dat de verbinding er is en dat er op elk gewenst moment gebruik van gemaakt kan worden. Het vanuit de werkelijkheid als bewustzijn optredende besef in alle opzichten met elkaar samen te hangen kan geen realiteit zijn als er niet een concrete ondergrond is waarop dit besef zich kan manifesteren. En die ondergrond is nu precies het fijnmazige netwerk van de communicatie!

 

Tot zover deel 1 van FILOSOFIE VAN DE HAK OP DE TAK.

 

Terug naar: De Startpagina 

 

 

 

website analysis
website analysis

website analysis
online hit counter